Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO6737

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/03278
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO6737
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 413.1 Sv, dagvaardingstermijn. De termijn van 10 dgn geldt ook voor de Enkelvoudige Kamer. Het Hof had het o.t.t.z. o.g.v. art. 413 jo. art. 265.3 Sv moeten schorsen. Dit verzuim strijdt zozeer met een goede procesorde dat het nietigheid oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/275
NJB 2011, 469
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03278

Mr. Knigge

Zitting: 30 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 30 juni 2009 wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 20 van het RVV 1990" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van EUR 430,-, subsidiair acht dagen hechtenis. Daarnaast heeft het Hof verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van vier maanden.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel betoogt dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen, nu de in art. 413, eerste lid, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen tussen de betekening van de dagvaarding en de terechtzitting niet in acht was genomen.

5. Volgens de akte van uitreiking gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 30 juni 2009 op de terechtzitting van het Hof in hoger beroep terecht te staan, is deze dagvaarding op 25 juni 2009 uitgereikt op de wijze als voorgeschreven in art. 588, derde lid onder c, Sv. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 30 juni 2009 blijkt dat de verdachte aldaar niet is verschenen en dat de zaak - nadat tegen de verdachte verstek was verleend - door de enkelvoudige kamer van het Hof is behandeld.

6. Artikel 413 Sv schrijft voor dat tussen de dag waarop de appeldagvaarding aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen dient te verlopen. Wanneer deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen en de verdachte niet is verschenen en de verdachte evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van bedoelde termijn, moet de rechter het onderzoek schorsen en de verdachte doen oproepen. Dit blijkt uit art. 265, tweede en derde lid, Sv, welke bepaling in art. 413 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Als gezegd is de onderhavige zaak door de enkelvoudige kamer van het Hof behandeld. De in art. 413 Sv besloten liggende dagvaardingstermijn van tien dagen geldt echter ook als het gaat om de behandeling van een zaak door een enkelvoudige kamer van het Hof. In de artt. 425 en 426 Sv ligt immers geen - van art. 413 Sv - afwijkende regeling besloten. (1) Evenmin zijn via de schakelbepaling, art. 415 Sv, de verkorte dagvaardingstermijnen van art. 370 Sv (politierechter) en 375 Sv (snelrecht) in hoger beroep van toepassing verklaard.(2)

7. Ik keer weer terug naar de onderhavige zaak, waarin vaststaat dat er tussen de dag waarop de appeldagvaarding aan de verdachte is "uitgereikt" en die van de terechtzitting een termijn van vier dagen is gelegen in plaats van de vereiste termijn van minimaal tien dagen. Uit de stukken van het geding kan niet worden afgeleid dat de verkorting van de dagvaardingstermijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte. Verder is gebleken dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen en dat het Hof de behandeling van de zaak heeft voortgezet nadat het tegen de verdachte verstek had verleend. In het licht van het voorgaande had het Hof echter het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen. Het middel slaagt dus.

8. Gronden waarop de uitspraak ambtshalve zou behoren te worden gecasseerd, zijn door mij niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 G.J.M. Corstens, Het Nederlands procesrecht, 2008, p. 770: "Voor de appelprocedure bij de unus iudex gelden de gewone appelregels, voorzover daarvan niet is afgeweken (zie artt 425 en 426)."

2 Dat de dagvaardingstermijn van tien dagen als bedoeld in art. 413 Sv ook geldt als de zaak door een enkelvoudige kamer van het hof wordt behandeld, kan ook worden afgeleid ook uit HR 12 februari 2002, LJN: AD7800, NJ 2002, 286 (in welke zaak nog de oude regeling van art. 425 en 426a, eerste lid, Sv - die gold in de tijd dat de kantongerechten nog niet in de rechtbanken waren geïntegreerd en van vonnissen van de kantonrechter bij de rechtbank kon worden geappelleerd - van toepassing was).