Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO6699

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
09/02521
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO6699
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht. De bewezenverklaring, voor zover behelzende dat verdachte “in vereniging” geweld heeft gepleegd, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/241
NJB 2011, 424

Conclusie

Nr. 09/02521

Mr. Knigge

Zitting: 30 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 2 juni 2009 ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde "mishandeling" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis. Het Hof heeft bepaald dat bij de uitvoering van de taakstraf tweeëntwintig uren in mindering worden gebracht in verband met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel betoogt dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat het geweld door verdachte met een ander in vereniging is gepleegd.

5. Ten laste van verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij op 1 januari 2006, te Doetinchem, met een ander in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in cafe/discotheek [A], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit slaan en/of stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer]."

6. Het Hof heeft de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt onder het kopje "Overweging met betrekking tot het bewijs" van zijn arrest "Promisgewijs" weergegeven. Het middel betoogt dat uit die overwegingen weliswaar kan worden afgeleid dat verdachte tegen het hoofd van het [slachtoffer] (het slachtoffer) heeft geslagen en gestompt, maar niet dat een ander, te weten: [betrokkene 1], eveneens tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen of gestompt. Uit de door het Hof gebezigde redengevende feiten en omstandigheden zou - met andere woorden - niet blijken dat verdachte het bewezenverklaarde slaan en/of stompen tegen het hoofd van [slachtoffer] "in vereniging met een ander" heeft gepleegd.

7. Hoewel uit de door het Hof gebezigde redengevende feiten en omstandigheden inderdaad niet expliciet blijkt dat verdachte in de vroege uren van nieuwjaarsdag 2006 het slachtoffer samen met [betrokkene 1] tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, blijkt uit de desbetreffende (Promis)overwegingen wél dat verdachte en [betrokkene 1] oudejaarsavond(1) vrijwel de hele tijd bij elkaar zijn geweest en dat het Hof heeft gerefereerd aan de door [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2009 afgelegde verklaring "dat verdachte en hij hebben gevochten." Kennelijk heeft het Hof deze verklaring aldus verstaan dat [betrokkene 1] en verdachte met [slachtoffer] (het slachtoffer) hebben gevochten. Deze uitleg is - in het licht van de gehele verklaring die [betrokkene 1], als getuige, ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd - niet onbegrijpelijk, nu [betrokkene 1] bij die gelegenheid onder meer heeft verklaard dat hij bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 2 november 2007 terecht is veroordeeld voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] op 1 januari 2006 in de [A].(2) Bij deze lezing van de bewijsmotivering van het Hof mist het middel feitelijke grondslag.

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Gronden waarop de uitspraak ambtshalve zou moeten worden gecasseerd, zijn door mij niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Die avond hield uiteraard niet op om 0.00 uur, maar liep over in de "vroege uren van nieuwjaarsdag 2006".

2 Zie p. 3 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 19 mei 2009.