Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO5986

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
09/04262
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK2861
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO5986
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

douanerechten; indeling in de GN; tariefposten 3002 en 3502; aantekening 1, aanhef en letter g, op hoofdstuk 30 van het GS en aantekening 1, aanhef en letter b, op hoofdstuk 35 van het GS; bloedalbumine bereid om te worden gebruikt als groeibodem voor de kweek van antilichamen die therapeutische werking hebben; prejudiciële vraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2011/197
FutD 2010-2775
Verrijkte uitspraak

Conclusie

HR nr. 09/04262

Hof nr. 07/00671

Rb nr. AWB 06/3730

Derde kamer A

Douanerechten

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

MR. M.E. VAN HILTEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 11 november 2010 inzake:

De staatssecretaris van Financiën

tegen

X B.V.

1. Inleiding

In deze zaak staat de vraag centraal of bloedalbumine die wordt gewonnen uit runderbloed, te weten door het bewerken van bloedplasma, bestemd is voor therapeutisch of profylactisch gebruik. Daarbij is van belang dat de bloedalbumine zelf geen therapeutische of profylactische werking heeft, maar wel wezenlijk is bij de totstandkoming van antilichamen die deze werking wél hebben. Wordt geconcludeerd dat de bloedalbumine bereid is voor therapeutisch of profylactisch gebruik, dan valt het product onder postonderverdeling 3002 10 99 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: GN) die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87.(1) Zo de vraag ontkennend moet worden beantwoord, is de bloedalbumine een goed van postonderverdeling 3502 90 70 van de GN.

2. Feiten en procesverloop

2.1. In de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft de rechtsvoorganger van belanghebbende aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van goederen die in de productinformatie van de exporteur(2) als 'B' zijn omschreven (hierna: de bloedalbumine). Het product is telkens aangegeven onder postonderverdeling 3002 10 10 van de GN, voor goederen van welke post een conventieel tarief van 0% gold (en geldt). Blijkens de aangiften zijn de goederen van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika. De bloedalbumine was bestemd voor C B.V. te Z (hierna: de importeur).

2.2. Naar aanleiding van een op 19 december 2004 gedane aangifte is een monster van het product voor onderzoek naar het Douanelaboratorium gezonden. Het van dit onderzoek opgemaakte rapport vermeldt voor zover hier van belang het volgende:

"Het monster bestaat uit een beige poeder met schilfers.

Eiwitgehalte (Nx6.25): 97,4%

Vochtgehalte (stoof 102 º C): 1,0%

Electroforese: (bloed)albumine

(...)

Het monster bestaat uit bloed albumine. Er zijn geen aanwijzingen dat het product is bereid voor therapeutische of profylactische doeleinden. Op het etiket staat o.a. vermeld: For research and further manufacturing use only. Not for human or animal consumption. Het product is niet gedenatureerd en kan daardoor niet ingedeeld worden in post 3502.9020.

Op de factuur staat ook tariefpost 350290 vermeld.

Advies goederencode 3502.9070 00."

(...)"

Voor goederen die onder postonderverdeling 3502 90 70 van de GN vallen, gold (en geldt) een conventioneel tarief van 6,4%.

2.3. Omtrent het product in kwestie staat vast (zie punt 3.1 van de nader te melden uitspraak van Hof Amsterdam) dat het een uit runderbloed gewonnen bloedalbumine is. Deze bloedalbumine wordt verkregen door bewerking van bloedplasma door toevoeging van ethanol en zouten, en aanpassing van de zuurgraad. Het product is niet geschikt voor menselijke of dierlijke consumptie. De bloedalbumine wordt door de importeur gebruikt als groeibodem voor cellen en vormt één van de veertien componenten bij de vervaardiging van antilichamen. De antilichamen worden gebruikt ter bestrijding van verschillende ziekten en aandoeningen.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een productbrochure(3) waarin de bloedalbumine wordt aangeduid als B Powder. In deze brochure is de volgende omschrijving gegeven:

"Description

B Bovine Serum Albumin is made by a modification of the original Cold Ethanol Six Step Plasma Fractionation Process developed in 1939 by Professor Edwin Cohn. B BSA is precipitated from the fifth plasma under acidic conditions. The final product is a fine-off white powder, available as pH 5.2. or pH 7.0.(4)

(...)

Features

B powder is prepared under cold, non-denaturing conditions without the addition of stabilizing chemicals used in other manufacturing processes. The native sialic and fatty acids associated with the in vivo structures and functions of BSA are preserved. B BSA is produced in an FDA-registered, GMP facility from BSE-free, US-sourced bovine plasma. The manufacturing process has also been shown to remove or eliminate infectivity when challenged with key bovine viruses.

Applications

B powder is suitable as a growth nutrient in tissue culture media, for increasing the viscosity and protein levels in certain antibiotic assay media, for binding inhibitors in growth media, and as a molecular weight standard.

(...)

Usage

This material is offered by E for research, laboratory or further manufacturing purposes only. Not for human use.

(...) "

2.5. Belanghebbende heeft - in beroep, hoger beroep en cassatie onbestreden - gesteld dat de bloedalbumine ongeveer $ 600 per kilogram kost en dat de bloedalbumine die in de voedingsindustrie wordt gebruikt circa $ 6 per kilogram kost. Verwezen zij naar punt 5.1 van de nader te noemen uitspraak van Rechtbank Haarlem (verder: de Rechtbank) en naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 27 augustus 2007 bij Hof Amsterdam (hierna: het Hof).

2.6. Tot de gedingstukken behoort een drietal door de Inspecteur overgelegde bindende tariefinlichtingen (verder: bti's), met de nummers IE-02NT-14-1495 (geldig tot 28 april 2008), IE-02NT-14-1572-1 (geldig tot 28 april 2008) en GB 115959645 (geldig tot 11 januari 2013). Van geen van deze bti's is belanghebbende of haar opdrachtgeefster de rechthebbende. In alle bti's is het daarin omschreven product ingedeeld onder postonderverdeling 3502 90 20 van de GN. In de respectievelijke bti's zijn de desbetreffende goederen als volgt omschreven met de volgende handelsbenaming en aanvullende gegevens:

Tabel

2.7. Voorts behoren tot het dossier twee commerciële facturen, gericht aan de importeur (één van 25 maart 2004 en één van 6 december 2004).(5) Deze vermelden als goederencode van de gefactureerde goederen - op de facturen aangeduid als 'BSA B' - 3502 90 00.

2.8. Het onder 2.2 vermelde rapport van het Douanelaboratorium was voor de Inspecteur(6) aanleiding om aan belanghebbende de in geding zijnde uitnodiging tot betaling (hierna: utb) van douanerechten uit te reiken tot een bedrag van in totaal € 134.153,49. Het door belanghebbende tegen deze utb ingediende bezwaar heeft de Inspecteur afgewezen.

3. Geding voor de Rechtbank en het Hof

3.1. Belanghebbende is in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij de Rechtbank was in geschil of de bloedalbumine moet worden ingedeeld onder postonderverdeling 3002 10 99 van de GN(7), dan wel onder postonderverdeling 3502 90 70 van de GN.

3.2. De Rechtbank oordeelde dat de bloedalbumine onder postonderverdeling 3002 10 99 van de GN moet worden ingedeeld. Bij uitspraak van 27 augustus 2007, nr. AWB 06/3730, niet gepubliceerd, heeft de Rechtbank het beroepschrift van belanghebbende gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de utb vernietigd.

3.3. De Inspecteur heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof bekrachtigde het oordeel van de Rechtbank dat de bloedalbumine moet worden ingedeeld onder postonderverdeling 3002 10 99 van de GN. Het Hof overwoog daartoe als volgt:

"6.1. Vast staat dat het onderhavige product door de importeur, C B.V. te Z, wordt gebruikt als groeibodem bij de vervaardiging van antilichamen die worden gebruikt bij de bestrijding van diverse ziekten. Het product zelve heeft aldus geen therapeutische of profylactische werking, maar is wezenlijk bij de totstandkoming van het antilichaam, dat wel therapeutische werking heeft, en komt daarin, na de celkweek, nog voor, zoals belanghebbende - niet, althans onvoldoende, weersproken - heeft gesteld.

6.2. Vorengenoemd gebruik kan een objectief indelingscriterium zijn, wanneer dat gebruik inherent is aan het product; de inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (Hof van Justitie 4 maart 2004, Krings, C-130/02, Jurispr. blz. I-2121).

6.3. Belanghebbende heeft gesteld en de Douanekamer acht aannemelijk dat het onderhavige product een onmisbare component is bij de vervaardiging van antilichamen en dat het een hoge kwaliteit en prijs heeft. Op grond van deze kenmerken moet worden geoordeeld dat het sub 6.1. bedoelde gebruik als groeibodem inherent is aan het product.

6.4. Ander gebruik van het product is wellicht mogelijk, maar acht de Douanekamer, mede gelet op vorengenoemde kenmerken, niet waarschijnlijk en in elk geval niet van een aard en omvang dat het de indeling van het product in het GDT zou beïnvloeden.

6.5. De Douanekamer onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat van producten als de onderhavige, die zijn bereid om een wezenlijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van (eind)producten die worden gebruikt voor bestrijding van ziekten en die in dat eindproduct nog aanwezig zijn, moet worden geoordeeld dat zij (evenzeer) zijn bereid voor therapeutisch gebruik. De bewoordingen van post 3002 noch de Toelichtingen bij de post verzetten zich tegen dit oordeel."

3.4. Bij uitspraak van 17 september 2009, nr. 07/00671 DK, LJN BK2861, DR 2010/4, heeft het Hof het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

4. Geding in cassatie

4.1. De Staatssecretaris van Financiën (verder: Staatssecretaris) heeft beroep in cassatie ingesteld. Als middel van cassatie draagt hij voor schending van het recht, met name van postonderverdeling 3502 90 70 van de GN, doordat het Hof heeft geoordeeld dat producten als de onderhavige, die zijn bereid om een wezenlijke bijdrage te leveren aan de totstandkoming van (eind)producten die worden gebruikt voor bestrijding van ziekten en die in dat eindproduct nog aanwezig zijn, zijn bereid voor therapeutisch gebruik en daarom onder postonderverdeling 3002 10 99 van de GN kunnen worden gebracht, dit - naar de Staatssecretaris meent - ten onrechte, nu het product zelf geen therapeutische of profylactische werking heeft.

4.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

5. De tariefposten, de aantekeningen en de toelichting(en)

5.1. De theorie

5.1.1. Naar volgt uit de bij het Geharmoniseerd Systeem voor de indeling van goederen (hierna: GS) en de GN(8) vastgestelde zogeheten algemene indelingsregels 1 en 6, is het uitgangspunt bij de indeling van goederen in GN - waaraan het toepasselijke douanetarief op grond van het GDT gekoppeld is - dat de tekst van de (onderverdeling van de) posten en die van de aantekeningen op de afdelingen en hoofdstukken van de nomenclatuur wettelijk bepalend zijn. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van de hoofdstukken worden slechts geacht aanwijzingen te zijn.

5.1.2. Daarbij heeft naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ(9)) te gelden dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-post zijn omschreven en die moeten kunnen worden vastgesteld op het tijdstip van inklaring. Zo overwoog het HvJ in punt 19 van zijn arrest van 18 juli 2007, Op- en Overslagbedrijf Van der Vaart, C-402/06, DR 2008/46 m.nt. Hollebeek, als volgt(10):

"Volgens vaste rechtspraak moet, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven (...)"

5.1.3. Daarmee is overigens niet gezegd dat sprake is van een objectieve eigenschap wanneer de producent van een goed een bepaald kenmerk van een product al dan niet op de voorgrond heeft willen stellen. Ik verwijs te dezen naar punt 35 van het arrest van het HvJ van 27 september 2007, Medion en Canon, gevoegde zaken C-208/06 en C-209/06:

"In dit verband [MvH: dat het beslissende criterium voor de indeling in de regel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen van het goed] is het niet van belang of de producent van het goed een bepaald kenmerk van het product al dan niet op de voorgrond heeft willen stellen."

5.1.4. Vele tariefpost(onderverdeling)en zijn niet of niet alleen voorzien van aantekeningen, maar ook van door de Europese Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en in het kader van de Werelddouaneorganisatie (WDO, tot 1994 Internationale Douaneraad - afgekort tot IDR) uitgewerkte toelichtingen op het GS. Deze toelichtingen zijn echter naar vaste jurisprudentie van het HvJ rechtens niet bindend. Zij zijn 'slechts' belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.(11)

5.1.5. Dat laatste heeft ook te gelden voor indelingsadviezen van de WDO. Ook deze adviezen zijn niet bindend, doch dienen wel als hulpmiddel bij de uitlegging van de reikwijdte van de verschillende posten van de GN. Verwezen zij naar de beschikking van het HvJ van 19 januari 2005, SmithKline Beecham, C-206/03, DR 2005/83, m.nt. Possen, in punten 24, 26 en 28 waarvan het HvJ overwoog:

"24 Indelingskennisgevingen in het kader van de WDO binden de verdragsluitende partijen niet, doch zijn wel belangrijke uitleggingselementen (...). Zij moeten terzijde worden gesteld, indien zij onverenigbaar lijken met de bewoordingen van de betrokken GN-post of indien zij kennelijk de aan de WDO verleende beoordelingsbevoegdheid te buiten gaan.

25. (...)

26 Aangezien de rechtspraak geen onderscheid maakt naar de waarde als uitleggingsbron van enerzijds de indelingskennisgevingen van de WDO en anderzijds de toelichtingen van deze organisatie (...), moet worden geconstateerd dat de kennisgevingen van de WDO betreffende de indeling van een bepaald product in haar geharmoniseerde systeem, evenals haar toelichtingen, in het kader van de indeling van dit product in de GN aanwijzingen vormen die, ofschoon een belangrijk hulpmiddel vormend voor de uitlegging van de reikwijdte van de verschillende GN-posten, rechtens niet bindend zijn.

27 (...)

28 Voor de indeling (...) in de GN is derhalve een kennisgeving van de WDO betreffende de indeling van dit product in haar geharmoniseerde systeem rechtens niet bindend. Zij vormt slechts een hulpmiddel voor de uitlegging van de reikwijdte van de verschillende douaneposten van de GN. Indien een dergelijke indelingskennisgeving in strijd is met de tekst van de GN-post, moet zij dus buiten beschouwing worden gelaten."

5.1.6. Gezien het voorgaande is het allereerst van belang de in geding zijnde tariefposten, de aantekeningen daarop en de toelichtingen daarbij in ogenschouw te nemen. Dat zijn de tariefposten 3002 en 3502 van de GN.

5.2. Post 3002 van de GN

5.2.1. Belanghebbende staat indeling van de bloedalbumine in postonderverdeling 3002 10 99 van de GN voor. Die postonderverdeling luidde gedurende de in geding zijnde jaren 2002 tot en met 2004(12) als volgt (de cursivering is van mijn hand):

Tabel

5.2.2. Op grond van aantekening 1, aanhef en onderdeel g, op hoofdstuk 30 van de GS omvat dit hoofdstuk niet:

"g) niet voor therapeutisch of profylactisch gebruik bereide(13) bloedalbumine (post 3502)."

5.2.3. De post is voorzien van een toelichting van de WDO (hierna: GS-toelichting). Hoewel een dergelijke toelichting, naar ik in punt 5.1.4 al vermeldde, rechtens niet bindend is, kan zij - als belangrijk hulpmiddel - wel relevant zijn voor de indeling van goederen. Vandaar dat vermelding hier op zijn plaats is.

Op grond van de GS-toelichting omvat post 3002:(14)

"(A ) Human blood(15) (...).

(B) Animal blood prepared for therapeutic, prophylactic or diagnostic uses.

Animal blood not prepared for such uses falls in heading 05.11.

(C) Antisera and other blood fractions and modified immunological products.

These products include:

(1) Antisera and other blood fractions.

Sera are the fluid fractions separated from blood after clotting.

The heading covers, inter alia(16), the following products derived from blood:

"normal" sera, human normal immunoglobulin, plasma, thrombin, fibrinogen, fibrin and other blood coagulation factors, blood globulins, serum globulins, and haemoglobin. The heading also includes blood albumin (e.g., human albumin obtained by fractioning the plasma of whole human blood), prepared for therapeutic or prophylactic uses.

(...)

The heading does not cover blood albumin not prepared for therapeutic or prophylactic uses (heading 35.02) or (...)

(2) Modified immunological products, whether or not obtained by means of technological processes.

Products whose antigen-antibody reaction corresponds to natural antisera and which are used for diagnostic or therapeutic purposes and for immunological tests are to be regarded as falling within this product group. (...)

(D) Vaccines, toxines, cultures of micro-organisms (excluding yeats) and similar products.

These products include:

(...)

(3) Cultures of micro-organisms (excluding yeats). These include ferments such as lactic ferments used in the preparation of milk, derivatives (kephir, yoghurt, lactic acid) and acetic ferments for making vinegar; moulds for the manufacture of penicillin and other antibiotic; and cultures of micro-organisms for technical purposes (e.g., for aiding plant growth).

(...)

(E) Diagnostic kits (...)".

5.2.4. De GN-toelichting op postonderverdeling 3002 10 91 van de GN vermeldt - voor zover hier van belang - niet méér dan al in de aantekening bij de post is vermeld, namelijk dat bloedalbumine die niet is bereid voor therapeutische of profylactische doeleinden niet onder postonderverdeling 3002 10 99 valt (maar onder post 3502).

5.2.5. De WDO heeft een aantal indelingsadviezen opgesteld met betrekking tot post 3002. Als eerder aangegeven zijn ook deze indelingsadviezen niet meer dan een nuttig hulpmiddel bij de uitlegging van de reikwijdte van de verschillende GN-posten. Desalniettemin zijn zij het vermelden waard. Ik verwijs in dit verband naar de volgende indelingsadviezen (ook wel aangeduid als 'tariferingen'):

Tarifering 3002.10/1 luidt:

"Bloedfracties in poedervorm, verkregen door het afscheiden van het plasma van eetbaar runder of varkensbloed moeten onder onderverdeling 3002.10 worden ingedeeld. Het plasma wordt vervolgens, bij lage temperatuur, door een sproeidroger geleid teneinde de celstructuur en de voedingswaarde te behouden. Deze producten, die ongeveer 70% proteïnen bevatten, worden in kleine hoeveelheden (1-5% van het gerede product, berekend op de droge stof) gebruikt in voedingsmiddelen, als functionele proteïnen, of voor hun waterbindende en gelvormende eigenschappen."

Op grond van tarifering 3002.10/2 moet:

"Interferon, een proteïne geproduceerd door de lichaamscellen als verdediging tegen virussen of andere substanties, die de celgroei of de vermenigvuldiging van verschillende infectieve stoffen belet en immuunfuncties regelt, [...] onder onderverdeling 3002.10 worden ingedeeld."

En tarifering 3002.90/1 geeft aan:

"Producten ter verbetering van de spijsvertering en tegen darmstoornissen moeten onder onderverdeling 3002.90 worden ingedeeld. Het betreft producten in bulk, op basis van culturen van melkzuurbacteriën, die als bindmiddel of drager hetzij calciumcarbonaat en lactose, hetzij zetmeel en lactose, hetzij sacharose en polysachariden bevatten. Deze producten worden gebruikt als ingrediënten voor geneesmiddelen als additieven in dierenvoeding ter verbetering van de spijsvertering en tegen darmstoornissen."

5.2.6. Jurisprudentie over post 3002 is schaars en de weinige jurisprudentie die er is, lijkt mij niet direct toepasbaar op de onderhavige problematiek. Volledigheidshalve verwijs ik naar HvJ 10 maart 1993, Abbott, C-191/91 en de uitspraak van Hof Amsterdam van 30 december 2004, nr. 99/90223 DK, LJN AS7895, DR 2005/30 m.nt. Koedijk. Op het arrest Abbott kom ik in punt 7.3.4 van deze conclusie nog terug.

5.3. Post 3502 van de GN

5.3.1. De Staatssecretaris meent dat de bloedalbumine thuishoort in postonderverdeling 3502 90 70 van de GN. Die post luidde gedurende de jaren waarop de utb betrekking heeft(17), als volgt:

Tabel

5.3.2. Uit de voetnoot op onderverdeling 3502 90 20 van het GDT (zie hiervóór) kan worden opgemaakt dat deze indeling in deze tariefpostonderverdeling een bijzondere bestemming is. In titel II, onder F, van bijlage I van het GDT(18) waarnaar in de voetnoot wordt verwezen, kunnen bepaalde goederen uit hoofde van hun aard onder bepaalde voorwaarden voor een gunstige tariefbehandeling in aanmerking komen. Hieronder vallen 'voor consumptie ongeschikte produkten'. In bijlage 8 bij bijlage I van het GDT is daartoe een lijst van denatureringsmiddelen opgenomen. GN code 3502 90 20 is in deze bijlage 8 vermeld. In kolom 4 van bijlage 8 zijn de desbetreffende denatureringsmiddelen opgenomen, en in kolom 5 van deze bijlage de minimumhoeveelheden per 100 kg te denatureren product. Uit het verweerschrift in de procedure in eerste aanleg kan worden opgemaakt dat de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat goederencode 3502 90 20 in casu reeds toepassing mist omdat voor het gebruik van een bijzondere bestemming een vergunning vereist is, waarover de importeur niet beschikt. Bovendien is volgens de Inspecteur niet voldaan aan de voorwaarden van denaturering. Een en ander wordt in cassatie niet betwist, zodat dit 'indelingsaspect' verder buiten toepassing kan blijven.

5.3.3. Aantekening 1, onderdeel b, op hoofdstuk 35 van de GS luidt als volgt:

"1 . Dit hoofdstuk omvat niet:

b) bloedfracties (andere dan bloedalbumine die niet is geprepareerd voor therapeutische of profylactische doeleinden), geneesmiddelen en andere producten bedoeld bij hoofdstuk 30."

5.3.4. De GS-toelichting op post 3502 luidt als volgt:

"1. Albuminen(19) zijn dierlijke of plantaardige proteïnen. De dierlijke albuminen zijn de voornaamste en daarvan kunnen worden genoemd: eiwit (ovoalbumine), bloedalbumine (uit bloedserum), melk-albumine (lactoalbumine) en visalbumine. In tegenstelling met caseïne zijn zij oplosbaar zowel in water als in logen. Albumine-oplossingen coaguleren bij verwarming. (...)

Albuminen komen meestal voor in de vorm van kleverige vloeistoffen, in doorzichtige geelachtige schilfers of in wit, geelachtig of roodachtig amorf poeder.

Bedoelde producten worden gebruikt voor het bereiden van lijm, voedingsmiddelen en farmaceutische producten, bij het afwerken van leder, het bedrukken van textielgoederen, het bewerken van papier (o.m. fotografisch papier), het klaren van wijn en andere dranken, enzovoort; (...)

2 (...)

Van deze post zijn eveneens uitgezonderd:

(...)

c. bloedalbumine, bereid voor therapeutische of profylactische doeleinden en menselijk bloedplasma (hoofdstuk 30)."

5.3.5. Wat jurisprudentie over albuminen van post 3502 van de GN betreft, wijs ik op de uitspraak van de Tariefcommissie van 15 december 1995, nr. 13231, UTC 1996/18. Daarin stond centraal de indeling van albuminen vervaardigd uit varkensbloed, waaraan een geringe hoeveelheid anti-stollingstof was toegevoegd en dat vervolgens gecentrifugeerd en gedroogd werd. De albumine was niet geschikt voor menselijke consumptie en werd gebruikt in de diervoedingsindustrie als vervanger van het (dure) lacto-albumine. De Tariefcommissie oordeelde dat deze albumine onder postonderverdeling 3502 90 10 van de GN moest worden ingedeeld. Rechtstreeks van toepassing op de onderhavige zaak lijkt mij deze uitspraak niet.

5.4. Hét verschil tussen post 3002 en post 3502

5.4.1. Naar volgt uit met name de aantekeningen(20) op de posten 3002 en 3502 van de GN, is het essentiële verschil tussen beide tariefposten - althans wat betreft bloedalbumine - gelegen in de bestemming van het product. Is de bloedalbumine bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik, dan moet zij worden ingedeeld onder GN-post 3002; zo niet, dan is indeling in post 3502 van de GN aan de orde.

5.4.2. In dit verband valt te wijzen op punt 37 van de conclusie van A-G Stix-Hackl van 2 oktober 2001 voor het arrest van het HvJ van 7 maart 2002, Biochem, C-259/00. Zij overwoog daarin:

"Alle posten van hoofdstuk 30 GN onderscheiden zich namelijk van de posten van andere hoofdstukken van de GN, waaronder ook die van hoofdstuk 4 GN, doordat zij een bepaald doel dienen. Indien en voorzover goederen op grond van de tekst van de in aanmerking komende posten van de GN zowel kunnen worden ingedeeld onder een post voor producten die niet voor een herkenbaar specifiek doel bestemd zijn, als onder een post van hoofdstuk 30 GN, dus wanneer het product een bepaald doel (hier: therapeutisch of profylactisch) dient, moet in geval van twijfel de therapeutische of profylactische werking de doorslag geven, indien dit het voornaamste doel is waarvoor het product wordt gebruikt en die werking gericht is tegen een bepaalde ziekte, een bepaalde organische aandoening of een bepaald gebrek."

5.4.3. Dit brengt ons bij de bestemming van goederen als criterium voor de indeling.

6. Bestemming als indelingscriterium

6.1. Naar in wezen al volgt uit hetgeen hiervóór in onderdeel 5.2 en 5.4 is aangegeven omtrent de indeling van goederen onder postonderverdeling 3002 10 99 van de GN, kan ook de bestemming van goederen gewicht in de schaal van de indeling leggen. In hoeverre die bestemming een rol speelt bij de indeling zal - ook dat volgt in wezen al uit het voorgaande - afhangen van de bewoordingen van de tariefposten. Wanneer in de bewoordingen van een tariefpost - of in de van gelijk 'gewicht' zijnde aantekeningen op een tariefpost - een bestemming besloten ligt of tot uitdrukking wordt gebracht, zal de bestemming van het in te delen goed een belangrijker rol spelen dan wanneer het gaat om een louter objectief omschreven post. Om het wat te concretiseren: bij de indeling van een 'voertuig' zal de bestemming van het in te delen goed ondergeschikt zijn, als het al een rol speelt;(21) bij de indeling van een goed als 'voertuig voor goederenvervoer' speelt de bestemming (vervoer van goederen) al een belangrijker rol, terwijl bij de indeling van een goed als 'voertuig voor goederenvervoer ontworpen voor gebruik in het terrein'(22) de bestemming nog meer op de voorgrond staat.

6.2. Omtrent de rol van de bestemming van goederen bij de indeling daarvan overwoog het HvJ in zijn arrest van 11 juni 2009, Schenker, C-16/08:

"25. Voorts kan de bestemming van het product een objectief indelingscriterium zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product. De inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan (...)."

6.3. Er is een ruime hoeveelheid rechtspraak van het HvJ voorhanden waarin een (vrijwel) gelijkluidende overweging als de hier geciteerde is opgenomen, zodat wij wel kunnen vaststellen dat het vaste leer is dat de bestemming van goederen een objectief criterium bij de indeling kan vormen. Voor de liefhebber verwijs ik naar onder meer de arresten van het HvJ van 1 juni 1995, Thyssen, C-459/93, punt 13, van 4 maart 2004, Krings, C-130/02, punt 30, van 17 maart 2005, Ikegami, C-467/03, DR 2005/66 m.nt. Possen, punt 23, van 15 februari 2007, RUMA, C-183/06, DR 2007/25 m.nt. Possen, punt 36, van 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, DR 2009/56 m.nt. Hesselink, punt 26, en van 17 december 2009, Swiss Caps, gevoegde zaken C-410/08 tot en met C-412/08, punt 29. Een overzicht van de Europese en nationale jurisprudentie waarin de bestemming van goederen een rol speelt bij de indeling geeft A.A. Kop in het lezenswaardige Indeling in het douanetarief: de inherente bestemming, WFR 2010/936, waarnaar ik hier verwijs.

6.4. Overzien we het voorgaande, dan kan worden vastgesteld dat (ook) bij de beoordeling van de 'inherentie' van de bestemming van een goed de objectieve kenmerken en eigenschappen van het goed de doorslag geven. Uit de objectieve eigenschappen van het product moet, met andere woorden, blijken dat het product de desbetreffende bestemming heeft (zie ook punt 5.3.15 van mijn conclusie van 1 juli 2009 voor het arrest van de Hoge raad van 9 oktober 2009, nr. 07/12605, LJN BD9216, BNB 2009/303). De vraag is dan aan wat voor eigenschappen daarbij gedacht kan worden. In dit verband zij gewezen op de volgende arresten van het HvJ.

6.5. Uit het arrest van 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, DR 2009/56 m.nt. Hesselink, kan worden afgeleid dat bij de bepaling van de inherentie van de bestemming van een goed bijvoorbeeld gedacht kan worden aan onmisbaarheid van een component. Bij de beantwoording van de vraag of een computerventilator als deel van een computer viel aan te merken - d.w.z. als goed waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor (in dat geval) een computer - overwoog het HvJ in punt 28 van dit arrest:

"(...) dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten onmisbaar zijn voor het functioneren van de computers waarvoor zij uitsluitend bestemd zijn. Zij kunnen dus worden aangemerkt als 'delen' (...)"

6.6. Ook gebruiksmogelijkheden kunnen, althans zo leid ik af uit het arrest van 17 maart 2007, Ikegami, C-467/03, DR 2005/66 m.nt. Possen, van belang zijn bij de beoordeling van de inherente bestemming van een goed. Gevraagd naar de indeling van een 'digital recorder' overwoog het HvJ (cursivering van mijn hand):

"24. In casu blijkt (...) dat een van de objectieve kenmerken van het toestel (...) is, wordt gevormd door de mogelijkheid die het biedt om voor videobewakingsdoeleinden te worden aangesloten op televisiecamera's.

25. (...) dat het toestel zoals het is uitgerust (...) niet kan worden gebruikt voor andere doeleinden dan de opname en de weergave van beelden en geluiden in het kader van de videobewaking (...).

26. Deze bijzondere bestemming, die inherent is aan de objectieve kenmerken van de onderdelen waarmee het (...) toestel is uitgerust, biedt steun aan de zienswijze dat dit toestel een eigen functie (...) vervult".

6.7. En lees ik het arrest van 1 juni 1995, Thyssen, C-459/93, goed, dan kunnen ook kosten een rol spelen bij de vaststelling van de inherente bestemming. In het arrest Thyssen ging het om de indeling van poedervormige, gedoseerde en steriele mengsels van aminozuren als hetzij infuusoplossingen (waarvoor het goed bereid was), hetzij producten voor menselijke consumptie. Ik citeer uit overweging 16 van het arrest Thyssen:

"16. (...) is het gebruik van de in geding zijnde aminozuren in de voeding theoretisch denkbaar, maar economisch hoogst onwaarschijnlijk, daar de tegen hoge kosten bereikte grote microbiologische en chemische zuiverheid en het pyrogeenvrije karakter van het produkt een dergelijk gebruik in de praktijk beletten. Daarvoor zijn immers ander mogelijkheden voorhanden die minder kosten."

6.8. Ten slotte zij in dit verband opgemerkt - het zit eigenlijk ook al in het arrest Thyssen - dat wanneer is vastgesteld dát een product voor een doel/gebruik is vervaardigd, de omstandigheid dat het goed mogelijk ook, bijkomend, anders gebruikt kan worden dan waarvoor het gemaakt (en ingedeeld) is, aan dat doel (en die indeling) niet afdoet. Dit volgt uit bijvoorbeeld het arrest van 11 januari 2007, B.A.S. Trucks, C-400/05. Daarin overwoog het HvJ met betrekking tot de indeling van zogenoemde dumpers (met cursivering van mijn hand):(23)

"38. Anders dan (...), is het wezenlijke kenmerk van de in GN-postonderverdeling 8704 10 bedoelde dumpers niet de omstandigheid dat deze niet over de weg kunnen rijden, maar dat zij hoofdzakelijk zijn ontworpen om te kunnen rijden op min of meer onregelmatig terrein. Dat dumpers zodanig zijn ontworpen dat zij ook, bijkomend, gebruik kunnen maken van de verharde, openbare weg, is dus niet beslissend voor de indeling in de gecombineerde nomenclatuur."

7. Therapeutisch of profylactisch gebruik inherente bestemming van de bloedalbumine?

7.1. Naar volgt uit hetgeen is weergegeven in onderdelen 5 en 6 van deze conclusie, staat of valt de indeling van de bloedalbumine met het antwoord op de vraag of zij bereid is voor profylactisch of therapeutisch gebruik; met andere woorden of de bestemming van de (bereide) bloedalbumine therapeutisch of profylactisch gebruik is.

7.2. Nu vaststaat (zie punt 6.1 van de hofuitspraak, aangehaald in punt 3.3 van deze conclusie) dat de bloedalbumine zelf geen therapeutische of profylactische werking heeft, maar wel wezenlijk is bij de totstandkoming van antilichamen welke wél deze werking hebben, en daarin opgaat(24), veronderstelt de beantwoording van de in 7.1 geformuleerde vraag beantwoording van twee deelvragen:

i) Zijn bloedfracties die zelf geen therapeutische of profylactische werking hebben maar wel als een onmisbaar bestanddeel fungeren van een eindproduct dat wel deze werking heeft, 'bloedfracties bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik'?

ii) Zo ja, volgt dan uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van de bloedalbumine de inherente bestemming voor therapeutisch of profylactisch gebruik?

7.3. Bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik

7.3.1. Uit de in geding zijnde tariefposten, noch uit de aantekeningen of toelichtingen daarop wordt zonder meer duidelijk wat de term 'bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik' betekent.

7.3.2. Het komt mij echter voor dat de bewoordingen van de (posten en) aantekeningen zich allerminst verzetten tegen de door Hof en Rechtbank voorgestane uitlegging van het begrip, te weten dat ook van bereide producten die niet zelf een therapeutische of profylactische werking hebben, maar die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van producten (in casu antilichamen) die deze werking wel hebben, en daarin opgaan, kan worden gezegd dat zij bereid zijn voor therapeutisch of profylactisch gebruik. Misschien wijzen de bewoordingen er zelfs juist wel op dat een goed bereid kan zijn voor therapeutisch of profylactisch gebruik, zonder zelf die werking te hebben. Ware dit anders, dan had het voor de hand gelegen dat in de aantekening op hoofdstuk 30 (en die op hoofdstuk 35) een wat andere formulering was gehanteerd (te denken valt aan 'bloedalbumine met therapeutische werking' of woorden van die strekking).

7.3.3. Steun voor deze opvatting vind ik onder meer in de in punt 5.4.2 aangehaalde passage uit de conclusie van A-G Stix-Hackl, gelezen in combinatie met de toelichting op post 3002 van de GN. Uit de aangehaalde passage uit de conclusie valt op te maken dat alle posten van hoofdstuk 30 zich onderscheiden van posten uit andere hoofdstukken doordat zij een bepaald doel (hier: therapeutisch of profylactisch) dienen. Als vermeld in punt 5.2.3 wordt in punt D van de GS-toelichting aangegeven dat schimmels voor het vervaardigen van penicilline of andere antibiotica onder GS-post 3002 moeten worden gebracht. Het lijkt mij dat dergelijke schimmels zelf geen directe therapeutische of profylactische werking hebben, maar zij fungeren wel - vanwege hun specifieke kenmerken - als noodzakelijk bestanddeel bij de vervaardiging van antibiotica die wél therapeutische of profylactische werking hebben. Kennelijk kunnen derhalve ook producten die niet zelf therapeutisch of profylactische werking hebben wel onder post 3002 vallen, vooropgesteld - althans, zo lees ik het - indien zij bestemd zijn om gebruikt te worden bij de vervaardiging van therapeutisch of profylactisch werkende goederen.

7.3.4. Hoewel daarin een iets andere situatie voorlag, kan in dit verband nog worden genoemd het arrest van het HvJ van 10 maart 1993, Abbott, C-191/91 inzake de indeling van testkits die verschillende laboratoriumreagentia bevatten en die bestemd waren voor gebruik als diagnostische immuuntest. Hoofdcomponent van de testkits was een monoclonaal diagnostisch reagens (antilichaam). Het HvJ overwoog dat de testkits hun wezenlijk karakter ontleenden aan het monoclonale reagens, dat die reagens door bloedlymfocyten wordt geproduceerd, dat de lymfocyten bloedfracties zijn en dat monoclonale antilichamen die door bloedlymfocyten worden afgescheiden, immunoglobulinen zijn en derhalve zelf ook bloedfracties zijn (en onder post 3002 van de GN kunnen worden gebracht). Naar analogie hiervan kan worden gezegd dat de bloedalbumine die - naar vaststaat - opgaat in de antilichamen voor wier bereiding zij noodzakelijk is, en die therapeutische of profylactische werking hebben, zelf daarmee ook voor therapeutisch of profylactisch gebruik bereid is.

7.3.5. Mijn conclusie dat de term 'bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik' niet per se vereist dat de bereiding ertoe leidt dat het bereide product zelf therapeutische of profylactische werking moet hebben, is evenwel niet voldoende om te kunnen vaststellen dát het desbetreffende bereide product bereid is voor therapeutisch gebruik. Daarvoor is vereist - en ik verwijs naar onderdeel 6 van deze conclusie - dat de bestemming van de bloedalbumine voor therapeutisch of profylactisch gebruik uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product volgt.

7.3.6. Daarmee zijn wij gekomen bij de tweede te beantwoorden deelvraag.

7.4. Heeft de bloedalbumine een inherente therapeutische of profylactische bestemming?

7.4.1. Of de bloedalbumine als inherente bestemming therapeutisch of profylactisch gebruik heeft, moet - zo volgt uit de in onderdeel 6 aangehaalde jurisprudentie van het HvJ - worden bepaald aan de hand van de objectieve eigenschappen en kenmerken van het product.

7.4.2. Het Hof heeft - naast de vaststelling dat de bloedalbumine gebruikt wordt als groeibodem bij de vervaardiging van antilichamen die worden gebruikt bij de bestrijding van ziekten - als zodanige eigenschappen genoemd, en aan zijn uitspraak ten grondslag gelegd, de onmisbaarheid van de bloedalbumine bij de bereiding van antilichamen, de hoge kwaliteit en de prijs. Naar ik aanneem bedoelt het Hof met dit laatste te zeggen - zoals de Rechtbank uitdrukkelijk heeft overwogen in haar uitspraak - dat ander gebruik van de bloedalbumine dan voor therapeutische of profylactische doeleinden, gezien de hoge kwaliteit en de hoge kosten van de onderhavige bloedalbumine misschien theoretisch mogelijk is, maar in de praktijk uiterst onwaarschijnlijk, omdat voor dat andere gebruik goedkopere mogelijkheden voorhanden zijn. Gezien de in onderdeel 6 aangehaalde jurisprudentie acht ik het - overigens impliciete - oordeel van het Hof dat op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen van de bloedalbumine geoordeeld moet worden dat deze bereid (c.q. bestemd) is voor therapeutisch of profylactisch gebruik en daarom moet worden ingedeeld in postonderverdeling 3002 10 van de GN niet onbegrijpelijk en ook overigens voldoende gemotiveerd. Het oordeel is voorts verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst.

7.4.3. De drie bti's waarnaar de Staatssecretaris verwijst, doet aan het bovenstaande niet af. In de eerste plaats betreft dit een in cassatie niet toetsbare beoordeling van bewijsmiddelen van feitelijke aard. Bovendien kan uit de goederenomschrijving en de aanvullende gegegevens die in deze bti's vermeld zijn, niet worden opgemaakt dat het om identieke of soortgelijke goederen gaat als die welke hier in geding zijn. De vermelding 'F' in de bti met het kenmerk IE-02NT-14-1495 doet weliswaar vermoeden dat het om een soortgelijk product gaat, maar de Inspecteur heeft tijdens de procedure bij de Rechtbank en Hof hierover geen nadere informatie verstrekt.

7.4.4. Ook de in punt 2.7 vermelde facturen brengen mij niet tot een ander standpunt.

8. Beoordeling van het middel

8.1. Gelet op al het vorenstaande faalt het cassatiemiddel van de Staatssecretaris.

9. Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT), PB L 256, blz. 1.

2 Zie bijvoorbeeld het tot de gedingstukken behorende Certificate of Analysis/Origin van E (opgenomen bij bijlage IV van het verweerschrift in de procedure voor de rechtbank). De kopie van de aangifte voor het vrije verkeer van 9 december 2004 (bijlage VII bij het verweerschrift in de procedure voor de rechtbank) vermeldde - vóór verificatie - als goederenomschrijving 'Bovine transferrin. Iron poor (APO)'.

3 Bijlage VI bij het hoger beroepschrift. Belanghebbende bevestigt in het verweerschrift in de procedure bij Hof Amsterdam dat de door de Inspecteur overgelegde bijlage VI bij het verweerschrift bij Hof Amsterdam betrekking heeft op het in geding zijnde product. Deze productbrochure is van E, de producent van de bloedalbumine. Daaraan voegt belanghebbende toe dat deze omschrijving van bijlage VI dateert van 2003 en dat deze inmiddels is aangepast en meer specifiek is.

4 Het product met catalogusnummer 3225 is het product met een Ph van 7.0. Het onderhavige product betreft deze variant.

5 Deze commerciële facturen zijn volgens de Staatssecretaris (cassatieberoepschrift) als bijlage VIII bij het verweerschrift van de Inspecteur bij de procedure bij de Rechtbank overgelegd. De factuur d.d. 6 december 2004 is tevens als bijlage XIV bij het hoger beroepschrift overgelegd. Ik trof de factuur d.d. 6 december 2004 aan als bijlage VII bij het verweerschrift bij de procedure bij de Rechtbank en de factuur d.d. 25 maart 2004 als bijlage IV bij het verweerschrift.

6 De inspecteur van de Belastingdienst/ P.

7 Ondanks dat zij in de aangifte goederencode 3002 10 10 van de GN (voor goederen van welke post een nultarief gold (en geldt) had vermeld, bepleit zij in de procedure bij de Rechtbank dat de bloedalbumine onder postonderverdeling 3002 10 99 van de GN moet worden ingedeeld. Voor goederen die onder die postonderverdeling worden gerangschikt gold en geldt evenzeer een tarief van 0%.

8 Zie omtrent de verhoudingen tussen het GS (internationale productnomenclatuur opgezet bij het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen. De GS wordt voor verschillende doeleinden gebruikt waaronder bij onderhandelingen in het kader van de WHO) en de GN (de EU-nomenclatuur). D.G. van Vliet en E.N. Punt, Douanerechten, Kluwer, Deventer, 2001, blz. 130-132 en B.J.B. Boersma, A.P. van Breukelen en G.H.A.M. Koevoets, Heffingsgrondslagen in het douanerecht, classificatie, douanewaarde & oorsprong, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2009, blz. 19 -23.

9 Thans op grond van artikel 19 VEU het van het Hof van Justitie van de Europese Unie deel uitmakende Hof van Justitie. De gebezigde afkorting 'HvJ' ziet zowel op arresten die gewezen zijn toen het Hof van Justitie nog 'van de Europese Gemeenschappen' was als op rechtspraak die het HvJ als onderdeel van het HvJ EU heeft gewezen.

10 In dezelfde zin onder meer HvJ 26 september 2000, Eru Portuguesa, C-42/99, punt 13, HvJ 4 maart 2004, Krings, C-130/02, punt 28, HvJ 8 juni 2006, Sachsenmilch, C-196/05, punt 22, HvJ 13 juli 2006, Uroplasty, C-514/04, DR 2006/79 m.nt. Koedijk, punt 40 en HvJ 19 april 2007, Sunshine, C-229/06, punt 26. Zie ook mijn conclusie van 1 juli 2008 voor het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2009, nr. 07/12605, LJN BD9216, BNB 2009/303.

11 Overwegingen als hier geparafraseerd komen voor in vele arresten over de indeling van goederen. Ik verwijs - zonder volledigheid na te streven - naar de arresten van het HvJ van 4 maart 2004, Krings, C-130/02, punt 28; van 17 maart 2005, Ikegami, C-467/03, DR 2005/66 m.nt. Possen, punt 17 dat van 13 juni 2006, Anagram, C-14/05, DR 2007/21 m.nt. Hesselink, punt 20, van 27 september 2007, Medion en Canon, gev. zaken C-208/06 en C-209/06, DR 2008/59, punt 36, van 5 juni 2008, JVC France SAS, C-312/07, DR 2008/59, punten 33 en 34; en van 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, DR 2009/56 m.nt. Hesselink, punten 24 en 25.

12 En wel op grond van Verordening (EG) nr. 2031/2001 van de Commissie van 6 augustus 2001, PB L 279, blz. 1 voor het jaar 2002, op grond van Verordening (EG) nr. 1832/2002 van de Commissie van 1 augustus 2002, PB L 290, blz.1 voor het jaar 2003 en op grond van Verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003, PB L 281, blz. 1 voor het jaar 2004.

13 MvH: In de Engelstalige versie wordt de term 'prepared for' gehanteerd.

14 De huidige GS-toelichting wijkt op een aantal punten af van de destijds geldende GS-toelichting op GS 2002. Om die reden is hier de Engelse versie van de officiële publicatie opgenomen zoals deze gold tijdens de periode waarop de onderhavige zaak betrekking heeft.

15 MvH: de in deze GS-toelichting cursief geciteerde zinsnedes zijn in de officiële publicatie vetgedrukt.

16 MvH: Dit is cursief in de officiële publicatie.

17 Zie Verordening (EG) nr. 2031/2001 van de Commissie van 6 augustus 2001, PB L 279, blz. 1 voor het jaar 2002, Verordening (EG) nr. 1832/2002 van de Commissie van 1 augustus 2002, PB L 290, blz. 1 voor het jaar 2003 en Verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003, PB L 281, blz. 1 voor het jaar 2004.

18 Zoals voor de onderhavige jaren omschreven in Verordening (EG) nr. 2031/2001, Verordening (EG) nr. 1832/2002 en Verordening (EG) nr. 1789/2003.

19 MvH: de in deze GS-toelichting cursief geciteerde zinsnedes zijn in de officiële publicatie vetgedrukt.

20 De voor indeling in postonderverdeling 3002 19 99 van de GN vereiste therapeutische of profylactische gebruik bloedalbumine is niet opgenomen in de tekst van de post, maar volgt rechtstreeks uit het gestelde in Aantekening 1, onderdeel g op hoofdstuk 30 (aangehaald in 5.2.2) en Aantekening 1, onderdeel b, op hoofdstuk 35 (zie 5.3.3), waaruit die voorwaarde blijkt.

21 Als we een voertuig omschrijven als een gestel op wielen of glijvlakken dat dient en bepaaldelijk gebouwd is voor het brengen van goederen of personen van de ene naar de andere plaats, dan blijkt dat we ook deze term niet kunnen abstraheren van de bestemming (het vervoer). In zoverre is het voorbeeld niet helemaal goed; de strekking zal evenwel duidelijk zijn.

22 Het voorbeeld heb ik ontleend aan het arrest van het HvJ van 11 januari 2007, B.A.S. Trucks, C-400/05. De tekst van de in die zaak in geschil zijnde tariefpost luidde overigens 'dumpers ontworpen voor gebruik in het terrein'. In dit kader kan ook verwezen worden naar het arrest van het HvJ van 6 december 2007, Van Landeghem, C-486/06. Daarin was de uitlegging aan de orde van de tariefpost (8703) in welke post 'voertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer' kunnen worden ingedeeld.

23 Volledigheidshalve wijs ik hier op het arrest van het HvJ van 15 februari 2007, RUMA, C-183/06, DR 2007/25 m. nt. Possen. Daarin lijkt het HvJ voor de indeling (het ging daar om de indeling van toetsenbordfolie voor een mobiele telefoon) beslissend te achten dat ieder ander gebruik dan als onderdeel van die telefoon was uitgesloten. In mijn conclusie van 11 juli 2008 voor het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2009, nr. 07/12605, LJN BD9216, BNB 2009/303 (warmtedekens) merkte ik reeds op (punt 5.3.17) dat de soep niet zo heet gegeten moet worden als het arrest RUMA suggereert, nu de arresten Thyssen en B.A.S. een andere suggestie wekken.

24 In punt 6.1 van zijn uitspraak heeft het Hof vastgesteld dat deze stelling van belanghebbende door de Inspecteur onvoldoende weersproken is.