Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO5761

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
10/03696
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO5761
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afwijzing verzoek tot betaling van partneralimentatie wegens onvoldoende draagkracht. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/142
JWB 2011/52
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/03696

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 26 november 2010

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

1. Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man) zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op 23 mei 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In de echtscheidingsbeschikking was geen partner- of kinderalimentatie vastgesteld.

2. Op 13 februari 2009 heeft de vrouw zich gewend tot de rechtbank te 's-Gravenhage met een verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 250,- per maand ingaande 1 december 2008(1). De man heeft als verweer aangevoerd dat hij niet over voldoende draagkracht beschikt om enige alimentatie te betalen.

3. Bij beschikking van 15 september 2009 heeft de rechtbank overwogen dat de draagkracht van de man geen ruimte biedt om over het tijdvak 1 december 2008 tot en met 30 juni 2011 enige onderhoudsbijdrage te betalen aan de vrouw. Voor de periode vanaf 1 juli 2011 stelde de rechtbank de door de man verschuldigde partneralimentatie bij voorbaat vast op € 165,- per maand(2).

4. De man is tegen de gedeeltelijke toewijzing in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft verweer gevoerd en van haar kant incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek. Bij beschikking van 26 mei 2010 overwoog het hof dat de man, gelet op zijn inkomen en schuldenpositie, geen draagkracht heeft voor het betalen van enige partneralimentatie. Op grond daarvan heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, en opnieuw recht doende, het inleidende verzoek van de vrouw afgewezen.

5. Namens de vrouw is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De man heeft in cassatie verweer gevoerd.

6. Middel I is gericht tegen de vaststelling dat de man niet over voldoende draagkracht beschikt (rov. 7): het noemt deze vaststelling onjuist, althans onbegrijpelijk zonder nadere motivering. Ter toelichting voert het cassatierekest aan dat het hof weliswaar heeft vastgesteld dat de man schulden heeft tot € 16.144,06, maar niet heeft vastgesteld welk bedrag hij maandelijks daarop aflost. Aangezien de man € 1.475,- netto per maand verdient en de voor hem geldende bijstandsnorm € 863,- per maand bedraagt (telkens: exclusief vakantiegeld), beschikt hij volgens de vrouw over een mogelijkheid om op deze schulden af te lossen en daarnaast alimentatie te voldoen, zoals ook de rechtbank had aangenomen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt volgens de klacht niet in te zien waarom de man niet in staat is op zijn schulden af te lossen en daarnaast partneralimentatie te betalen.

7. Het hof is uitgegaan van het overzicht van de Gemeentelijke Kredietbank waaruit blijkt dat de man schulden heeft tot € 16.144,06(3). Het totaal van de openstaande schulden geeft inderdaad geen antwoord op de vraag hoeveel de man elke maand vrij te besteden heeft boven de toepasselijke bijstandsnorm voor een alleenstaande: dat hangt af van het bedrag dat maandelijks op die schulden wordt afgelost en van de verschuldigde rente. Toch biedt de motivering voldoende inzicht in 's hofs gedachtegang. Anders dan het middel veronderstelt, blijkt uit niets dat (ook) het hof is uitgegaan van een netto-inkomen van de man van € 1.475,- per maand. De man had onregelmatig werk. Over het inkomen van de man verschilden de meningen maar weinig: de man had in hoger beroep gesteld dat hij een lager inkomen heeft dan dat waarvan de rechtbank is uitgegaan (namelijk een gemiddeld inkomen van € 1.180,96). Ter zitting in hoger beroep ging de vrouw ervan uit dat de man een netto inkomen heeft van € 1.300,- per maand(4). In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.

8. In eerste aanleg en in hoger beroep heeft de man opgave gedaan van zijn maandelijkse lasten(5). Bij de mondelinge behandeling in appel heeft hij gesteld dat hij inmiddels deelneemt aan een vrijwillige schuldsanering via de Gemeentelijke Kredietbank. In haar verweerschrift in hoger beroep had de vrouw slechts de juistheid van het door de man opgegeven inkomen betwist en is zij niet meer ingegaan op de hoogte van door de man opgegeven maandlasten.

9. Of de vaststelling van de schuldenlast door het hof feitelijk juist is, kan in cassatie niet worden onderzocht. Het hof heeft op blz. 2 de door de rechtbank vastgestelde feiten overgenomen, voor zover daartegen in hoger beroep geen grief is gericht. Het hof overweegt - terecht - dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht(6). Tegen deze achtergrond is duidelijk dat het hof rekening heeft gehouden met de door de man opgegeven maandlasten, met inbegrip van de schulden waarvan het bestaan werd bevestigd in het schuldenoverzicht van de Gemeentelijke Kredietbank. Op het tijdstip van 's hofs beslissing was het totaal van de maandlasten zodanig dat, wanneer wordt uitgegaan van een gemiddeld inkomen van € 1.300,- per maand (en, zo voeg ik toe, zelfs wanneer zou worden uitgegaan van een inkomen van € 1.475,- per maand), geen draagkrachtruimte meer overblijft. Het hof was wel bevoegd, maar niet gehouden om op voorhand een alimentatie vast te stellen voor een in de toekomst gelegen tijdstip. Dat het hof geen aanleiding heeft gezien om de draagkracht fictief te berekenen, als ware met de schuldeisers een aflossingsregeling getroffen waarin de openstaande schulden over een nog langere periode werden "uitgesmeerd", in welk geval de schuldenlast van de man per maand geringer zou zijn geweest, behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn: het hof gaf toepassing aan de hoofdregel en bovendien nam de man al deel aan een vrijwillige schuldsanering. De slotsom is dat de motiveringsklacht faalt.

10. Middel II klaagt dat het hof het schuldenoverzicht, dat de man ter terechtzitting van 29 april 2010 aan het hof heeft overgelegd, ten onrechte, althans zonder deugdelijke motivering, heeft betrokken op de periode vanaf 1 december 2008.

11. Het ter terechtzitting in hoger beroep door de man overgelegde overzicht is gedateerd 23 april 2010 en geeft de schuldenpositie van de man op die datum weer. Een vergelijking met de schulden die de man in eerste aanleg had opgegeven, leert dat het om nagenoeg dezelfde schulden gaat(7). Indien en voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat schulden die na 1 december 2008 zijn ontstaan niet mogen meetellen bij de bepaling van de draagkracht - het cassatierekest is op dit punt niet helemaal duidelijk -, gaat die veronderstelling in haar algemeenheid niet op(8). Waar het hof de hoofdregel heeft toegepast, behoefde zijn oordeel geen nadere motivering. Voor zover het middel is gebaseerd op de onverklaarbaarheid van het verschil tussen de beslissing in eerste aanleg en die in hoger beroep indien ook het hof is uitgegaan van een inkomen van de man van € 1.475,- netto per maand, mist de klacht feitelijke grondslag omdat uit niets blijkt dat het hof van een inkomen van € 1.475,- is uitgegaan. Dit kwam hiervoor al aan de orde. Wat de omvang van de maandlasten betreft: weliswaar was in de periode tussen 1 december 2008 en maart 2009 nog niet de afbetalingsregeling met het UWV getroffen ten bedrage van € 163,78 p.m., maar dat wil niet zeggen dat het hof met de schuld van de man aan het UWV geen rekening mocht houden: een tot alimentatie aangesproken partij zal in zijn bestedingspatroon wel een reservering moeten treffen voor de afbetaling van een schuld waarop hij (nog) niet aflost. Om die reden is niet onbegrijpelijk dat het hof het schuldenoverzicht d.d. 23 april 2010 mede redengevend heeft geacht voor de draagkracht van de man in het tijdvak tussen 1 december 2008 en 29 april 2010. Ook het tweede middel treft geen doel. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 In een parallel gevoerde procedure heeft de jongmeerderjarige dochter van partijen (T. Tüfekçi) een verzoek ingediend tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar studie en levensonderhoud. In die procedure is een cassatieberoep aanhangig onder zaaknr. 10/03693.

2 De datum 1 juli 2011 hing samen met de laatste termijn van een door de man getroffen betalingsregeling voor een schuld aan de UWV (beschikking Rb. blz. 3).

3 Zie rov. 4, in cassatie onbestreden.

4 Proces-verbaal mondelinge behandeling in hoger beroep blz. 1.

5 Zie de optelling in het appelrekest blz. 2: van 1 maart tot en met september 2009: € 503,- per maand; van 1 oktober 2009 tot september 2010: € 653,- per maand; de lasten in de periode nadien blijven in deze conclusie onbesproken. 6 Vgl. HR 10 december 1999 (LJN: AA3843), NJ 2000, 4.

7 Woonlasten € 123,73 p.m.; premie ziektekosten Azivo € 93,50 p.m.; aflossing schuld UWV € 163,78 p.m.; terugbetaling teveel ontvangen huurtoeslag € 33,- p.m.; schuld Palier € 200,- (deze laatste is in het overzicht van 2010 gedeeltelijk vervangen door een rekening-courant schuld bij Santander); in totaal € 614,01 p.m. In de periode t/m december 2009 kwam daar nog de DHB-schuld van € 40,- p.m. bij.

8 HR 11 juli 2008 (LJN: BD1843), NJ 2008, 402.