Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO4936

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09/03010
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BI3969
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO4936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht/verbintenissenrecht. Cassatie tegen in hoger beroep bij verstek gewezen arrest. Ongerechtvaardigde verrijking (als bedoeld in art. 6:212 BW) van erfgename die na overlijden van haar echtgenoot enig eigenaar is geworden van een aantal automobielen waarvoor restauratie- en stallingskosten zijn gemaakt. Hoge Raad doet zaak zelf af. Tegen uitspraak Hoge Raad ten principale staat ingevolge art. 401 lid 3 Rv. verzet open bij de Hoge Raad. Dit geldt als een verzet tegen (de door de Hoge Raad gegeven) beslissing in hoger beroep en leidt dus tot een nieuwe behandeling in hoger beroep met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad omtrent de rechtspunten heeft beslist. Voor het overige zijn op het verzet, ingevolge art. 353 lid 1 Rv., de art. 143-148 Rv. van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/251
NJ 2011/422 met annotatie van H.B. Krans
NJB 2011, 415
JWB 2011/93
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 09/03010

Mr. Wuisman

Roldatum: 12 november 2010

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie,

advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. N.T. Dempsey;

tegen

[Verweerster],

verweerster tot cassatie,

niet verschenen.

1. Korte samenvatting van feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]), zoon van verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]), heeft vanaf 1992 samen met zijn vader (hierna: [betrokkene 1]) en zijn zwager (hierna: [betrokkene 2]) een garagebedrijf geëxploiteerd, eerst in het verband van een vennootschap onder firma, vanaf 2001 door middel van een besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: [A]).

(ii) In de periode van 1995 tot 2000 heeft [eiser] in opdracht van [betrokkene 1] de aankoop verzorgd van drie oldtimers: een Jaguar XJS (hierna: Jaguar), een Mercedes Adenauer 300 D (hierna: Mercedes) en een Jaguar Daimler (hierna: Daimler). De koopprijs is telkenmale door [betrokkene 1] betaald en de kentekens van de oldtimers stonden op naam van [betrokkene 1]

(iii) [Betrokkene 1] is op 26 juli 2004 onverwacht overleden.

(iv) [Verweerster] heeft op 5 juli 2007 op de drie oldtimers, die zich in het pand van [A] bevonden, conservatoir beslag laten leggen.

1.2 In aansluiting op het conservatoir beslag is [verweerster] bij de rechtbank te Roermond tegen [eiser] een procedure gestart, waarin zij een veroordeling van hem tot afgifte van de oldtimers vordert. Als rechtsgrond voor de vordering voert [verweerster] aan dat de drie oldtimers haar in eigendom toebehoren.

De rechtbank heeft de vordering bij vonnis d.d. 13 februari 2008 toegewezen, na vastgesteld te hebben dat [eiser] enerzijds het eigendomsrecht van [verweerster] ten aanzien van de drie oldtimers heeft erkend en anderzijds zijn tegen de revindicatie ingeroepen persoonlijke recht niet heeft onderbouwd. Van deze beslissing is [eiser] niet in hoger beroep gekomen.

1.3 In de procedure bij de rechtbank heeft [eiser] in reconventie tegen [verweerster] een vordering tot vergoeding van schade ten bedrage van € 81.205,- ingesteld. Indien de drie oldtimers aan [verweerster] moeten worden afgegeven dan wordt zij, zo wordt aangevoerd, ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [A]. Immers, op kosten van laatstgenoemde zijn de Jaguar en de Mercedes door [betrokkene 2] tijdens reguliere werkuren gerestaureerd (kosten: € 36.705,-) en zijn de drie voertuigen sedert de aankoop steeds bij [A] gestald geweest, deels in een verwarmde ruimte (kosten: € 44.500,-). Deze kosten zijn nimmer in rekening gebracht, want het was de bedoeling om de winst uit de verkoop van de oldtimers te gebruiken voor de financiering van de kosten van de bouw van een showroom voor het garagebedrijf. Door het onvergoed blijven van de kosten van restauratie en stalling is [verweerster] ten koste van [A] verrijkt, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. [A] heeft haar vordering op [verweerster] tot schadevergoeding uit ongerecht-vaardigde verrijking aan [eiser] gecedeerd.

In het hiervoor al genoemde vonnis heeft de rechtbank de reconventionele vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

1.4 Tegen de afwijzing van de reconventionele vordering heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Verweerster] is in de appelprocedure niet verschenen. Bij arrest van 28 april 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank, voor zover in reconventie gewezen, bekrachtigd. Het hof acht de onderbouwing van de vordering ook onvoldoende, zij het om andere redenen

1.5 [Eiser] is tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen en heeft, na verstekverlening tegen de niet verschenen [verweerster], zijn standpunt in cassatie nog door zijn advocaten schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel omvat zeven onderdelen. In onderdeel 1 is een algemene klacht opgenomen die nader wordt uitgewerkt in de onderdelen 2 t/m 6. Onderdeel 7 bevat een bezemklacht.

2.2 Het hof stelt in rov. 4.4. - in cassatie terecht niet bestreden - voorop, dat voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van belang is dat door degene die de vordering instelt, wordt uiteengezet (a) waaruit de verrijking van de ander, in casu [verweerster], bestaat, (b) wat de verarming, in casu die van [A], inhoudt en verder (c) dat de verrijking ongerechtvaardigd is. Na deze vooropstelling onderzoekt het hof of [eiser] voldoende heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat [verweerster] voor wat betreft zowel de restauratie als de stalling ten koste van [A] ongerechtvaardigd verrijkt is.

2.3 Vooraf verdient het volgende opmerking. Het hof heeft - niet onbegrijpelijk - de stellingen van [eiser] niet aldus opgevat dat hij de reconventionele vordering ziet als een vordering die [A] aanvankelijk op [betrokkene 1] had en na diens overlijden tegen [verweerster] als zijn erfgename geldend kon maken. [Eiser] heeft dus met de reconventionele vordering het oog op een rechtstreekse vordering van [A] op [verweerster], die [eiser] van [A] heeft overgenomen. Verder heeft de reconventionele vordering zowel in eerste aanleg als in appel alleen betrekking op kosten van restauratie en stalling aan de zijde van [A] (€ 81.205,-) en niet mede op de toegenomen waarde van gerestaureerde auto's na de restauratie, welke toegenomen waarde [eiser] stelt op (€ 40.766 + € 76.947) € 117.713,-.((2)) Dit betekent dat het in de vorige instanties, voor wat betreft de verrijking aan de zijde van [verweerster], gaat om door haar ter zake van restauratie en stalling bespaarde uitgaven en niet mede om de toegenomen waarde van de gerestaureerde Jaguar en Mercedes. In het voorgedragen cassatiemiddel wordt daarentegen dit laatste gegeven nogal sterk op de voorgrond geplaatst. Dat strookt niet met de in de vorige instanties getrokken en in cassatie te respecteren grenzen van de rechtsstrijd.

de restauratiekosten en ongerechtvaardigde verrijking

2.4 In rov. 4.5, eerste volzin, oordeelt het hof dat [eiser] onvoldoende heeft uiteengezet waarom [verweerster], in de periode dat [betrokkene 1] nog leefde, verrijkt is door de restauraties van de Jaguar en de Mercedes. In die periode stonden, aldus het hof, deze auto's nog op naam van [betrokkene 1] en verder heeft [eiser] niet gesteld dat de auto's al eigendom van [verweerster] waren. Dit oordeel is, anders dan in subonderdeel 3.2 wordt betoogd, niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij is in aanmerking te nemen dat ook voor de in reconventie ingestelde vordering het in artikel 111 lid 2, sub d, Rv gestelde vereiste geldt dat door de eisende partij voldoende gronden voor de eis dienen te worden aangevoerd.((3))

2.4.1 [Eiser] heeft erkend dat de gerestaureerde auto's aan [betrokkene 1] in eigendom hebben toebehoord. Tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank heeft hij immers voor juist erkend de uitlating van [verweerster] dat de auto's van haar overleden man waren. Uit dit gegeven alleen valt niet af te leiden dat een bij [betrokkene 1] tijdens zijn leven wegens besparing van restauratiekosten opgetreden verrijking tevens tot een verrijking bij [verweerster] heeft geleid in de periode dat [betrokkene 1] nog leefde. Er zullen meer omstandigheden moeten zijn gesteld vooraleer kan worden aangenomen dat een kostenbesparing aan de zijde van [betrokkene 1] tijdens zijn leven tot een verrijking (mede) bij [verweerster] heeft geleid. De stellingen van [eiser] houden dienaangaande echter niets in.

2.4.2 In subonderdeel 3.2 wordt erop gewezen dat uit een besprekingsverslag van notaris [de notaris], dat in eerste aanleg in het geding is gebracht als productie bij het overgelegde verzoekschrift voor verlof tot beslaglegging, en met name uit blz. 1 van dat verslag 'onmiskenbaar blijkt' dat [verweerster] en [betrokkene 1] in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Kennisneming van genoemde bladzijde 1 maakt duidelijk dat daar geen gewag wordt gemaakt van de huwelijksgoederenrechtelijke verhouding die tussen [verweerster] en [betrokkene 1] Waarschijnlijk is beoogd te verwijzen naar blz. 1 van het verzoekschrift waarmee om verlof tot het leggen van beslag is verzocht. Op deze bladzijde 1 wordt sub 3 opgemerkt dat [verweerster] met [betrokkene 1] "in gemeenschap van goederen gehuwd was". Echter uit het in het geding gebracht zijn van dat verzoekschrift door [verweerster] kan niet worden afgeleid dat [eiser] zich ter staving van de verrijking van [verweerster], voor zover het gaat om de periode dat [betrokkene 1] nog leefde, heeft beroepen op het bestaan van een gemeenschap van goederen tussen [betrokkene 1] en [verweerster]. Het bestaan van die gemeenschap kan dan ook niet worden beschouwd als een omstandigheid, die deel uitmaakt van de grondslag van de vordering van [eiser] in reconventie voor zover deze op de kosten van restauratie betrekking heeft.

2.5 Deze laatste constatering brengt mee dat zonder belang is wat het hof in rov. 4.5 nog overweegt over het tijdstip waarop [verweerster] de eigendom van de auto's heeft verkregen. Immers onverkort blijft gelden dat [eiser] zich in verband met de restauratiekosten niet heeft beroepen op het mede aan [verweerster] toebehoord hebben van auto's tijdens het leven van [betrokkene 1] Uit dit alles vloeit voort dat de klachten in subonderdeel 3.2 die gericht zijn tegen hetgeen het hof in rov. 4.5 overweegt over het tijdstip waarop [verweerster] de eigendom van de auto's heeft verkregen, geen doel kunnen treffen wegens gebrek aan belang bij die klachten.

2.6 Hetzelfde geldt voor de klacht in subonderdeel 3.3. In dat subonderdeel wordt uitgegaan van een verrijking die aan de waardevermeerdering van de gerestaureerde auto's is gerelateerd, en van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van [A] op [betrokkene 1] die tegen [verweerster] als erfgename van [betrokkene 1] geldend kan worden gemaakt. Zoals hiervoor in 2.3 uiteengezet, is de reconventionele vordering die [eiser] jegens [verweerster] geldend poogt te maken, niet aldus op te vatten.

2.7 In rov. 4.6 staat het hof stil bij de stelling van [eiser] dat de kosten van de restauraties bewust niet aan [betrokkene 1] privé in rekening zijn gebracht, omdat de meer-opbrengst van de gerestaureerde auto's in [A] zou worden geïnvesteerd. In verband met deze stelling wijst het hof eerst erop dat [eiser] niet heeft vermeld of deze investering zou geschieden in de vorm van een lening of anderszins, terwijl de wijze van uitvoering van de investering relevant kan zijn. Daarna overweegt het hof nog dat uit het geen doorgang gevonden hebben van de investering wegens het plotselinge overlijden van [betrokkene 1] nog niet een verrijking van [verweerster] kan worden afgeleid, aangezien dat geen doorgang gevonden hebben te maken kan hebben gehad met de erfrechtelijke afwikkeling van de nalatenschap van [betrokkene 1]

2.7.1 In subonderdeel 3.4 wordt hiertegen aangevoerd dat het hof met een en ander in strijd met artikel 24 Rv. de gronden van het verweer tegen de vordering van [eiser] aanvult. Op zichzelf komt deze klacht niet ongegrond voor. Van de punten die het hof in rov. 4.6 aanstipt, kan niet gezegd worden dat het zonder meer voor de hand ligt dat [eiser] deze ter onderbouwing van zijn reconventionele vordering zou hebben aangevoerd. Zij zijn niet aanstonds zo bepalend te achten voor de toewijsbaarheid van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking dat van degene, die deze vordering instelt, verlangd mag worden dat hij de punten eigener beweging ter onderbouwing van zijn vordering opvoert. Het zou veeleer op de weg van [verweerster] hebben gelegen om die punten in het kader van haar verweer tegen de vordering aan te voeren. Het zijn nogal specieuze punten, die aanleiding kunnen geven om een in eerste instantie wel toewijsbare vordering toch af te wijzen. Bij de weg die het hof in rov. 4.6 volgt, strandt de vordering van [eiser] mede om redenen, waarover geen debat tussen partijen heeft plaatsgevonden zonder dat dit [eiser] kan worden aangerekend.

2.7.2 Maar ook van deze klacht moet worden gezegd dat zij bij gebrek aan belang geen doel kan treffen. De punten die het hof in rov. 4.6 aansnijdt, hebben betrekking op de investering in het garagebedrijf die volgens [eiser] zou worden gefinancierd uit de meerwaarde van de twee oldtimers na hun restauratie (volgens [eiser] € 117.713,- bedra-gende). Op die meerwaarde heeft, zoals al eerder opgemerkt, de reconventionele vordering echter geen betrekking.

de stallingkosten en ongerechtvaardigde verrijking

2.8 Voor de opgevoerde stallingkosten tijdens het leven van [betrokkene 1] geldt, aldus het hof aan het slot van rov. 4.5, hetzelfde als wat het oordeelt omtrent de kosten van restauratie die zijn gemaakt in de periode dat [betrokkene 1] nog leefde: er is onvoldoende uiteengezet waarom [verweerster] verrijkt is door het in die periode niet in rekening brengen van de stallingkosten.

2.8.1 Ook hier geldt dat [eiser] aan zijn vordering, voor zover deze betrekking heeft op de stallingkosten in de periode waarin [betrokkene 1] nog leefde, niet meer ten grondslag heeft gelegd dan dat de auto's op naam van [betrokkene 1] stonden, en dat hij niet heeft gesteld dat de auto's in die periode al mede in eigendom aan [verweerster] toebehoorden. Hierboven in met name 2.4.2 is al uiteengezet dat deze oordelen in cassatie tevergeefs worden bestreden.

Zoals voor de kosten van restauratie geldt ook voor de kosten van stalling dat het feit dat de auto's in de periode dat [betrokkene 1] nog leefde op zijn naam stonden en zijn eigendom waren, niet een voldoende grondslag oplevert om een verrijking bij [verweerster] aan te nemen.

2.8.2 De klachten in subonderdeel 3.2 slagen derhalve ook niet, voor zover zij op de stallingkosten tijdens het leven van [betrokkene 1] betrekking hebben.

2.9 Voor zover subonderdeel 3.3 op de stallingkosten betrekking heeft, treft het eveneens geen doel. Ook hier dient ervan te worden uitgegaan dat de door [eiser] ingestelde vordering, ook voor zover deze betrekking heeft op stallingkosten ten tijde van het leven van [betrokkene 1], niet een vordering betreft die [A] aanvankelijk op [betrokkene 1] had maar na diens overlijden tegenover [verweerster] als erfgename van [betrokkene 1] geldend kon maken. Zie hetgeen hierboven in 2.6 en 2.3 is opgemerkt.

2.10 In verband met de stalling van de auto's na het overlijden van [betrokkene 1] overweegt het hof dat er door [eiser] onvoldoende is gesteld om te concluderen tot verrijking bij [verweerster] (rov. 4.7), verarming bij [A] (rov. 4.8) en, indien er sprake zou zijn van verrijking bij [verweerster], ongerechtvaardigdheid van die verrijking (rov. 4.9). Hiertegen richten zich de klachten in de subonderdelen 3.5, respectievelijk 4.1 t/m 4. 4.3 en 5.1 t/m 5.3. Ieder van de drie door het hof aangevoerde gronden kan de afwijzing van de vordering van [eiser], voor zover deze betrekking heeft op de niet vergoede stalling van de auto's bij [A] na het overlijden van [betrokkene 1], geheel dragen. Dit betekent dat, zodra één van de gronden tevergeefs wordt bestreden, het vereiste belang bij de op de andere gronden betrekking hebbende klachten komt te ontbreken.

2.11 In rov. 4.9 neemt het hof voor zijn oordeel dat [eiser] de ongerechtvaardigdheid van de verrijking van [verweerster] in verband met de stalling van de auto's na het overlijden van [betrokkene 1] onvoldoende heeft onderbouwd, in aanmerking (a) dat er aanvankelijk een goede onderlinge familieverhouding bestond, waarbij een gratis stallen van de auto's als een in de familiesfeer gebruikelijke dienst niet zonder meer valt uit te sluiten, (b) dat dit laatste vooral opgeld doet in de periode na het overlijden van [betrokkene 1] en (c) dat door [verweerster] is gesteld dat er met haar nooit is afgesproken dat er stallingkosten zouden worden betaald.

2.11.1 In subonderdeel 5.2 wordt tegen rov. 4.9 aangevoerd dat het hof met geen woord heeft gerept over het ongerechtvaardigde karakter van de 'meerwaarde'-verrijking. Die klacht kan [eiser] niet baten. De 'meerwaarde'-verrijking speelt niet bij de in rov. 4.9 aan de orde zijnde stallingkosten. Overigens, gelet op wat in de onderhavige procedure aan schadevergoeding wordt gevorderd, speelt de 'meerwaarde'-verrijking in de onderhavige procedure in zijn geheel genomen geen rol van betekenis.

2.11.2 Subonderdeel 5.3 bevat de klacht dat het hof ook in rov. 4.9 het verweer van [verweerster] in strijd met artikel 24 Rv. aanvult. Die klacht gaat, naar het toeschijnt, hier niet op. Te dezen kan als uitgangspunt worden aangehouden dat vóór het overlijden van [betrokkene 1] de aankoop, restauratie en stalling van de oldtimers een aangelegenheid was van [betrokkene 1] in zijn verhouding tot zijn zoon en schoonzoon als medevennoten van [A] en dat [verweerster] daarbij niet betrokken was. Dit volgt uit de stellingen van [eiser] Zie bijvoorbeeld de memorie van grieven sub 5 t/m 14 en ook het hierboven in 2.4.2 gestelde. [Verweerster] heeft, zoals het hof terecht opmerkt, gesteld dat na het overlijden van [betrokkene 1] nimmer met haar is afgesproken dat er door haar voor het stallen van de auto's een vergoeding zou worden betaald. Die stelling is onbestreden gebleven. Het hof kon derhalve daarvan uitgaan. Verder staat artikel 149 lid 2 Rv aan de rechter toe om aan zijn beslissing feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels ten grondslag te leggen. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat de verstandhouding met [verweerster] ook na het overlijden van [betrokkene 1] aanvankelijk goed was.((4)) Het hof heeft het uit hoofde van een algemene ervaringsregel omtrent de verlening van diensten onderling in een familiebedrijf aannemelijk geoordeeld dat naar de bedoeling van betrokkenen [verweerster] geen vergoeding aan [A] verschuldigd zou zijn voor het gestald houden van de oldtimers na het overlijden van [betrokkene 1] Van dit laatste, in overwegende mate aan de feitenrechter voorbehouden, oordeel kan niet worden gezegd dat het onmiskenbaar onjuist of onbegrijpelijk is.((5))

In het licht van de zojuist vermelde feiten en omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat het hof van oordeel is dat, indien er sprake zou zijn van een verrijking van [verweerster] in verband met het zonder vergoeding gestald blijven van de oldtimers bij [A] na het overlijden van [betrokkene 1], door [eiser] te weinig is gesteld voor de ongerechtvaardigdheid van de verrijking. Subonderdeel 5.3 treft dan ook geen doel.

2.12 Gelet op wat hierboven in 2.10 is opgemerkt, brengt het feit dat rov. 4.9 tevergeefs wordt bestreden, mee dat de klachten tegen de oordelen van het hof aangaande de verrijking van [verweerster] in rov. 4.7 en de verarming van [A] in rov. 4.8 reeds geen doel kunnen treffen bij gebrek aan belang. Deze klachten kunnen hier dan ook verder onbesproken blijven.

passeren van getuigenbewijsaanbod

2.13 Onderdeel 6 bevat een klacht over de beslissing van het hof in rov. 4.10 om voorbij te gaan aan de bewijsaanbiedingen van [eiser] Deze klacht kan [eiser] niet baten. Zoals uit het voorgaande blijkt, falen de in cassatie aangevoerde klachten deels omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat [eiser] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, deels omdat de op zichzelf terecht aangevoerde klachten geen doeltreffen bij gebrek aan belang. De bewijsaanbiedingen die zien op vraagpunten, waarop de eerstgenoemde klachten betrekking hebben, heeft het hof kunnen passeren als niet ter zake dienende. Bij de bewijsaanbiedingen die zien op vraagpunten, waarop de laatstgenoemde klachten betrekking hebben, heeft [eiser], ook al zou het hof hen ten onrechte hebben gepasseerd, niet langer belang, nu de bij die bewijsaanbiedingen betrokken vraagpunten wegens het niet slagen van de klachten, niet meer aan de orde kunnen komen.

de bezemklacht

2.14 In het niet slagen van de eerder aangevoerde klachten ligt besloten dat de zelfstandige betekenis missende bezemklacht ook geen doel treft.

slotsom

2.15 Uit het voorgaande vloeit voort dat het voorgedragen cassatiemiddel niet tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof kan leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie voor de in rechte vaststaande feiten rov. 4.1 van het arrest a quo.

2. Zie de memorie van grieven sub 40 t/m 43 en 54 t/m 56. In het petitum wordt niettemin niet meer gevorderd dan [verweerster] te veroordelen aan [eiser] een bedrag van € 81.205 exclusief BTW te betalen.

3. Zie losbladige Kluwer-bundel Burgerlijke Rechtsvordering (M. Ynzonides), artikel 137, aant. 1 en 3.

4. Zie bij voorbeeld de conclusie van antwoord van [eiser] sub 12: "Na het overlijden van de de vader verliep alles goed totdat [verweerster] een nieuwe relatie kreeg." Die stelling is in appel gehandhaafd; zie memorie van grieven, sub 3, slotzin.

5. Zie Asser-Procesrecht (Veegens/Korthalsaltes/Groen), Cassatie, 2005, nr. 106.