Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO4911

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
09/03840
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO4911
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Kostbaarhedenverzekering; uitleg polisclausule waarin verzekerde wordt verplicht aan de verzekeraar juiste informatie te verstrekken; maatstaven van art. 7:941 BW; gebondenheid aan voortaxatie, tenzij zulks in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 7:904 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/218
NJ 2011/367
NJB 2011, 350
RAV 2011/52
AV&S 2011/22
JWB 2011/74

Conclusie

Zaaknummer: 09/03840

mr. Wuisman

Roldatum: 12 november 2010 (Bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

Chubb Insurance Company of Europe S.E.,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier;

tegen

1. [Verweerder 1],

2. GEO-organisation B.V.,

verweerders in cassatie,

advocaten: mrs. R.S. Meijer en E.M. Tjon-En-Fa

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:((1))

(i) Verweerder in cassatie [verweerder 1] heeft eind 2001 bij verweerster in cassatie drie, in een Masterpiece polis neergelegde verzekeringen gesloten, waaronder een kostbaarhedenverzekering.((2)) Deze verzekering, die inging per 31 januari 2002, is mede aangegaan ten behoeve van verweerster in cassatie Geo-organisation B.V. (hierna: GEO), van welke vennootschap [verweerder 1] bestuurder is. [Verweerder 1] en de vennootschap worden hierna te samen aangeduid met [verweerder] c.s.

(ii) Het voor de verzekeringsperiode 31 januari 2003 tot 31 januari 2004 uitgegeven polisblad vermeldt als verzekerde objecten onder meer:

- kunst en antiek, verzekerd conform een taxatierapport [001] d.d. 10 januari 2003 van [betrokkene 1] voor een som van € 425.300,-. In het taxatierapport worden onder meer de volgende antiquarische boeken genoemd:

o J.A. Colom, Atlases, 1650; taxatiewaarde: € 2.500,-;

o J. van Spilbergen, Oost ende West-Indische Spieghel; taxatiewaarde: € 36.000,-;

o Pieter Goos, De Nieuwe Groote Zeespiegel, 1668; taxatiewaarde: € 85.000,-;

o S. de Vries, Curieuse aenmerckingen der bysonderste Oost en West-Indiesche Verwonderenswaerdige dingen; taxatiewaarde: € 15.000,-;

- het schilderij 'De afdanking van de waadgelders door Prins Maurits op de Neude in Utrecht' van Paulus van Hillegaert, door [betrokkene 1] in genoemd taxatierapport getaxeerd op een bedrag van € 90.000,- en eigendom van GEO; en

- het schilderij 'Een zomers landschap' van B.C. Koekkoek, door [A] c.s. getaxeerd op € 400.000,- en eigendom van GEO.((3))

(iii) Op de verzekeringsovereenkomst zijn Algemene Voorwaarden van toepassing, waarin onder meer de volgende clausule (hierna: informatieplichtclausule) is opgenomen:

"Informatieplicht / Onjuiste voorstelling van zaken

Geen enkele schade komt voor vergoeding in aanmerking indien blijkt dat u of een medeverzekerde ons ter zake doende gegevens met betrekking tot deze verzekering vóór of na de schade heeft onthouden of indien blijkt dat u ons een onjuiste voorstelling van zaken heeft gedaan."

(iv) Op 1 oktober 2003 heeft [verweerder 1] aangifte gedaan van inbraak in zijn woning, diefstal van goederen en beschadiging van diverse kunstvoorwerpen en overige inboedel op 15 september 2003. De hierboven sub (ii) genoemde boeken en schilderijen worden in het proces-verbaal van aangifte als gestolen goederen vermeld.

(v) [Verweerder 1] heeft zowel handelend voor zichzelf als handelend in zijn hoedanigheid van bestuurder voor GEO Chubb verzocht om een uitkering onder de kostbaarhedenverzekering.

(vi) Chubb heeft het verzoek afgewezen. Zij heeft in verband daarmee aangevoerd dat haar uit een onderzoek van het onderzoeksbureau InterSeCo is gebleken dat [verweerder 1] diverse inconsistente en onjuiste verklaringen heeft afgelegd zowel ten tijde van het tot stand komen van de taxatierapporten van [betrokkene 1] en [A], als in de periode na de inbraak.((4))

1.2 Bij exploot van 10 februari 2006 hebben [verweerder] c.s. een procedure bij de rechtbank te Amsterdam aanhangig gemaakt, waarin zij veroordeling van Chubb vorderen tot betaling aan [verweerder 1] van een bedrag van € 148.943,01 en aan GEO van een bedrag van € 496.770,-, beide bedragen te vermeerderen met rente en kosten. Aan deze vorderingen leggen [verweerder 1] en GEO ten grondslag dat Chubb op grond van de verzekeringsovereenkomst gehouden is de getaxeerde waarde van de gestolen boeken en schilderijen te voldoen.

Chubb bestrijdt de vorderingen op meer, aan de diverse inconsistente en onjuiste verklaringen van [verweerder 1] gerelateerde gronden: primair, de als gestolen opgegeven goederen waren niet in het bezit van [verweerder 1] en GEO; subsidiair, de als gestolen opgegeven goederen zijn niet gestolen bij gelegenheid van de inbraak op 15 september; meer subsidiair, wegens niet naleving van de informatieplicht in de informatieplichtclausule komt geen enkele schade voor vergoeding in aanmerking; uiterst subsidiair, het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar Chubb aan de taxatie van [betrokkene 1] te houden.((5))

1.3 Bij eindvonnis van 7 juni 2006 wijst de rechtbank de vorderingen van [verweerder] c.s. af. Volgens de rechtbank is het beroep van Chubb op de informatieplichtclausule gegrond (rov. 4.2).

1.4 [Verweerder] c.s. komen van genoemd vonnis in hoger beroep bij het gerechtshof te Amsterdam, dat bij arrest d.d. 28 april 2009 het vonnis vernietigt en Chubb veroordeelt tot betaling van € 148.931,01 aan [verweerder 1] en van € 496.770,- aan GEO, te vermeerderen met rente en kosten.

1.5 Tegen dit arrest komt Chubb bij exploot d.d. 27 juli 2009, derhalve tijdig, in cassatie. Bij conclusie van antwoord heeft [verweerder 1] tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Van beide zijden wordt een schriftelijke toelichting genomen. [Verweerder] c.s. repliceren nog.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 De in cassatie aangevoerde klachten zijn opgenomen onder II van het cassatiemiddel, verdeeld over de onderdelen A (klachten over het niet van toepassing achten of het buiten toepassing laten van de informatieplichtclausule door het hof), B (klachten over het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar achten door het hof van de binding aan de taxaties van [betrokkene 1] en [A]) en C (klachten over het niet toelaatbaar achten door het hof van het beroep van Chubb op dwaling). Onderdeel A kent drie en onderdeel B vier subonderdelen.

subonderdeel A.1

2.2 In subonderdeel A.1 wordt rov. 3.6.11 bestreden. Die rechtsoverweging maakt onderdeel uit van de beantwoording door het hof van de op de boeken van Goos, Van Spilbergen en De Vries betrekking hebbende vraag of de onjuiste (schriftelijke) mededelingen van [verweerder 1] aan [betrokkene 1], althans de door [verweerder 1] gewekte (onjuiste) indruk omtrent de herkomst en de aankoopbedragen, voldoende grond vormen om het taxatierapport ([001] d.d. 10 januari 2003) van [betrokkene 1] (op dit punt) als niet bindend te beschouwen (rov. 3.6.7). Bij die beantwoording stelt het hof in rov. 3.6.8 - in cassatie onbestreden - voorop dat het taxatierapport van [betrokkene 1] een vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de waarde van de verzekerde zaken betreft. Daarmee bedoelt het hof te zeggen dat [betrokkene 1] in het taxatierapport de waarde van de boeken heeft vastgesteld waaraan Chubb en [verweerder 1] zich bij een vaststellingsovereenkomst hebben verbonden binnen het verband van de tussen hen gesloten kostbaarhedenverzekering. In rov. 3.6.8 merkt het hof verder op dat ingevolge artikel 7:904 lid 1 BW een vaststellingsovereenkomst - lees: een met vaststellingsovereenkomst verband houdende beslissing van een derde omtrent hetgeen tussen de bij die overeenkomst betrokken partijen rechtens geldt - kan worden vernietigd, indien gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Na in rov. 3.6.10 geoordeeld te hebben dat niet is komen vast te staan wat nodig is voor aantasting van de vaststellingsovereenkomst, nl. dat [verweerder 1] gehandeld moet hebben met het oogmerk om Chubb omtrent de waarde van de boeken te misleiden, staat het hof in rov. 3.6.11 stil bij de vraag of het beroep van Chubb op de informatieplichtclausule nog in aanmerking komt voor behandeling als een 'zelfstandig verweer'. Daarmee stelt het hof, zo schijnt het althans toe, aan de orde of, ook al leidt toepassing van artikel 7:904 lid 1 BW niet tot het niet gebonden zijn van Chubb aan het taxatierapport van [betrokkene 1], niettemin het beroep van Chubb op schending door [verweerder 1] van de informatieplicht uit de informatieplichtclausule ertoe kan leiden dat Chubb niet gehouden is tot het doen van een uitkering. In die clausule is immers onder meer bepaald dat, indien door de verzekerde vóór de schade een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, geen enkele schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof beantwoordt de vraag in rov. 3.6.11 ontkennend en daartegen wordt met subonderdeel A.1 opgekomen.

2.3 Voor zijn ontkennend antwoord voert het hof aan dat in aanmerking is te nemen, "dat in de omstandigheden van het geval aan die informatieplicht geen zelfstandige betekenis toekomt die toe of af zou kunnen doen aan de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag met betrekking tot de toepassing van de regels omtrent de taxatie-overeenkomst." Hoe is deze - niet zonder meer duidelijke - overweging te begrijpen? Het komt voor, dat het hof met het niet toekomen van zelfstandige betekenis aan de informatieplichtclausule wil zeggen dat de clausule niet van toepassing is op een geval als voorligt. Het voorliggende geval betreft het verschaffen van onjuiste inlichtingen door de verzekerde aan een deskundige die in het kader van een vaststellingsovereenkomst beslist over wat rechtens tussen partijen bij die overeenkomst en de daarmee samenhangende verzekeringsovereenkomst op een bepaald punt - in casu de waarde van de verzekerde goederen - geldt. Genoemd oordeel van het hof over de betekenis van de informatieplichtclausule voor het onderhavige geval houdt een uitleg van de clausule in en vormt daarmee een in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen oordeel. Het oordeel komt niet onbegrijpelijk voor. In de eerste plaats wordt in de clausule gesproken van het 'ons' (Chubb) onthouden van terzake doende gegevens met betrekking tot de verzekering en van het 'ons' (Chubb) een onjuiste voorstelling van zaken geven. In het voorliggende geval gaat het om het voorzien van een deskundige, die in verband met een vaststellingsovereenkomst een beslissing over een bepaald punt dient te nemen, van onjuiste informatie. Verder is de informatieplichtclausule zo geformuleerd dat deze leidt tot een algeheel verval van het recht op een uitkering zonder dat aan het intreden van dit vergaande gevolg strenge voorwaarden zijn verbonden. De formulering laat toe dat reeds 'geen enkele schade' voor vergoeding in aanmerking komt bij het onthouden van een enkel ter zake doend gegeven, zonder dat daarbij nog in aanmerking is te nemen de mate waarin de verzekerde van dat feit een verwijt is te maken dan wel de verzekeraar nu werkelijk is benadeeld. Dit effect van de clausule laat zich niet goed verenigen met de aard en strekking van een vaststellingsovereenkomst. De aard en strekking van de vaststellingsovereenkomst is het scheppen van een hoge mate van zekerheid voor de verzekerde omtrent wat tussen hem en de verzekeraar geldt en daarmee omtrent het kunnen verkrijgen van een uitkering, een en ander althans voor zover het gaat om het onderwerp dat beoogd wordt met de vaststellingsovereenkomst te worden geregeld.((6)) Het is ook vanwege die aard en strekking dat in artikel 7:904 lid 1 BW is bepaald, dat de beslissing omtrent wat tussen partijen bij de vaststellingsovereenkomst geldt slechts voor vernietiging in aanmerking komt indien gebondenheid aan die beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De twee genoemde omstandigheden, te weten dat de clausule ziet op het onthouden aan Chubb van terzake doende gegevens en dat de clausule een effect heeft dat zich niet goed laat verenigen met de aard en strekking van een vaststellingsovereenkomst, bieden een voldoende begrijpelijke grond voor het oordeel dat de clausule geacht moet worden geen zelfstandige betekenis te hebben of, anders gezegd, geen gelding te hebben voor het onderhavige geval van verschaffen van onjuiste informatie.

2.4 De klachten in subonderdeel A.1 gaan uit van de toepasselijkheid te dezen van de informatieplichtclausule. Nu het hof heeft geoordeeld en om de hierboven vermelde redenen heeft kunnen oordelen dat de clausule voor het voorliggende geval van het verschaffen door [verweerder 1] van onjuiste informatie aan de deskundige [betrokkene 1] betekenis mist, treffen de klachten geen doel. Daaraan doet niet af dat in onderdeel A.1 de informatieplichtclausule aan de orde wordt gesteld met een aan de leden 4 en 5 van artikel 7:941 BW ontleende begrenzing. Met die begrenzing heeft Chubb in de vorige instanties in het kader van de meer subsidiaire grond voor afwijzing van de vorderingen van [verweerder 1] niet een beroep op de clausule gedaan en is de clausule ook niet in de toepasselijke Algemene Voorwaarden opgenomen.

subonderdelen A.2 en A.3

2.5 In de subonderdelen A.2 en A.3 wordt geklaagd over het hof in zijn oordeelsvorming betreffende de overige bij Chubb verzekerde boeken (de boeken van Colom, Dapper, Du Halde, De Veer, Robin Crusoë en Slichtenhorst) en het schilderij van Koekkoek niet het beroep van Chubb op de informatieplichtclausule heeft betrokken.

2.6 Bij de beoordeling van deze klachten moet ter zake van de uitlatingen die, naar door Chubb in verband met haar beroep op de informatieplichtclausule gesteld, door [verweerder 1] met betrekking tot de verzekerde goederen zijn gedaan, het volgende onderscheid worden gemaakt:

- uitlatingen vóór de schade: deze uitlatingen betreffen uitlatingen die volgens Chubb door [verweerder 1] over de verzekerde goederen tegenover de deskundigen [betrokkene 1] en [A] zijn gedaan met het oog op de taxatie door hen van de waarde van die goederen in het kader van de vaststellingsovereenkomst(en) tussen partijen;

- uitlatingen nà de schade: deze uitlatingen betreffen uitlatingen die volgens Chubb door [verweerder 1] over de verzekerde goederen zijn gedaan nà het schade-evenement.

2.7 Voor zover geklaagd wordt over het voorbijgaan aan het beroep van Chubb op de informatieplichtclausule in verband met de uitlatingen van vóór de schade, kan de klacht Chubb niet baten. Om de hierboven uiteengezette redenen is de informatieplichtclausule niet van toepassing in een geval waarin een verzekerde onjuiste mededelingen heeft gedaan aan de deskundige die in het kader van een vaststellingsovereenkomst de waarde van verzekerde goederen taxeert. Voor zover dat geval in de onderhavige zaak aan de orde is, is het beroep op de informatieplichtclausule van Chubbe dan ook zonder betekenis.

2.8 Voor zover wordt geklaagd over het voorbijgaan aan het beroep van Chubb op de informatieplichtclausule in verband met de uitlatingen van [verweerder 1] over verzekerde goederen van nà het schade-evenement, kan de klacht Chubb om de volgende reden niet baten. Uit subonderdeel A.1 en de verwijzing daarnaar in subonderdeel A.2 valt af te leiden dat in onderdeel A beoogd wordt klachten met betrekking tot de informatieplichtclausule aan te voeren, voor zover aan die clausule werking toekomt binnen de in de leden 4 en 5 van artikel 7:941 BW getrokken grenzen. Ook wanneer dat in aanmerking wordt genomen, kan aan de clausule in casu geen toepassing worden gegeven. Door Chubb is nl. in de vorige instanties op de clausule geen beroep gedaan met inachtneming van die begrenzing. Daardoor is het ook niet tot een debat tussen partijen gekomen over vragen als: is Chubb door de uitlatingen van [verweerder 1] na de schade in een redelijk belang geschaad (lid 4)? of is Chubb door de uitlatingen nà de schade misleid of, indien dat het geval is geweest, rechtvaardigt de misleiding toch niet het verval van recht (lid 5)? Anders gezegd, Chubb heeft aan haar verweer tegen de vorderingen van [verweerder 1] niet ten grondslag gelegd een beroep op de informatieplichtclausule binnen de grenzen van de leden 4 en 5 van artikel 7:941 BW, hetgeen betekent dat artikel 24 Rv niet toelaat dat de rechter in zijn beoordeling betrekt een beroep binnen de zojuist genoemde grenzen op de informatieplichtclausule.

2.9 Hetgeen hiervoor in 2.2 t/m 2.8 is opgemerkt, voert tot de slotsom dat onderdeel A geen doel treft.

subonderdeel B.1

2.10 Met subonderdeel B.1 wordt rov. 3.5.2 bestreden, voor zover het hof daarin concludeert tot gebondenheid van Chubb aan de taxatie van de waarde van het schilderij van Koekkoek door de deskundige [A]. De klacht houdt in dat het hof de gebondenheid van Chubb aan die taxatie had moeten onderzoeken op basis van artikel 7:904 lid 1 BW, dus dat het hof had moeten onderzoeken of de gebondenheid aan de taxatie gelet op de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat het hof dat niet, althans niet kenbaar, heeft gedaan.

2.11 Deze klacht slaagt niet wegens gemis van feitelijke gondslag. In rov. 3.9 concludeert het hof dat hetgeen in verband met het schilderij van Koekkoek is aangevoerd onvoldoende aanleiding vormt om "te concluderen dat de gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is". Hetgeen het hof in de slotzin van rov. 3.5.2. omtrent de vastgestelde waarde overweegt, past ook bij een toetsing conform deze maatstaf.

subonderdeel B.2

2.12 Subonderdeel B.2 keert zich tegen de op de op de boeken van Goos, Van Spilbergen en De Vries betrekking hebbende beoordeling van het hof in de rov. 3.6.7 t/m 3.6.12 van de vraag of de onjuiste (schriftelijke) mededelingen aan [betrokkene 1], althans de door [verweerder 1] bij [betrokkene 1] gewekte onjuiste indruk omtrent de herkomst en de aankoopbedragen van de boeken, een voldoende grond vormen om het taxatierapport van [betrokkene 1] niet als bindend te beschouwen.

2.13 Bestreden wordt rov. 3.6.10, voor zover daarin wordt overwogen dat voor de aantasting van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 7:904 lid 1, gezien de omstandigheden van de zaak, meer nodig is dan dat [verweerder 1] onjuiste mededelingen aan [betrokkene 1] heeft gedaan dan wel bij [betrokkene 1] een verkeerde indruk heeft gewekt, te weten dat de handelwijze van [verweerder 1] ook opzettelijk moet zijn geweest in die zin dat gehandeld is met het oogmerk om Chubb te misleiden omtrent de waarde van de boeken.((7)) Deze overwegingen worden als onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd aangemerkt. Nadat eerst voorop is gesteld dat de maatstaf van artikel 7:904 lid 1 BW niet meebrengt dat daaraan eerst is voldaan bij opzettelijke misleiding omtrent de vastgestelde waarde door één van de partijen bij de (voor)taxatie, volgt een opsomming van gestelde en/of gebleken omstandigheden waarop het hof onvoldoende heeft gerespondeerd.

2.14 Allereerst verdient opmerking dat het hof in rov. 3.6.10 niet ervan blijk geeft de opvatting te huldigen dat de maatstaf van artikel 7:904 lid 1 BW algemeen meebrengt dat binding aan een (voor)taxatie pas als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden beschouwd wanneer van een opzettelijke misleiding omtrent de vastgestelde waarde door één van de partijen bij de (voor)taxatie is gebleken. Het hof vereist opzettelijke misleiding van Chubb, omdat - gezien de omstandigheden van deze zaak - voor aantasting van de vaststellingsovereenkomst meer nodig is dan dat [verweerder 1] onjuiste mededelingen aan [betrokkene 1] heeft gedaan dan wel een verkeerde indruk heeft gewekt. De eis van opzettelijke misleiding stelt het hof dus alleen in verband met de omstandigheden van deze zaak. In zoverre mist de aangevoerde klacht feitelijke grondslag.

2.15 Dat het hof in de onderhavige zaak ook het oogmerk van opzettelijke misleiding van Chubb bij [verweerder 1] nodig acht om tot onaanvaardbaarheid van de binding aan de taxatie van [betrokkene 1] te kunnen concluderen, hangt hiermee samen dat volgens het hof de binding van Chubb aan de taxatie niet reeds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te achten op de enkele grond dat [verweerder 1] onjuiste mededelingen aan [betrokkene 1] heeft gedaan dan wel bij [betrokkene 1] een verkeerde indruk heeft gewekt. Het doen van onjuiste mededelingen en het wekken van een verkeerde indruk heeft, aldus het hof in rov. 3.6.10, er niet toe geleid dat [verweerder 1] daarmee [betrokkene 1] de mogelijkheid heeft onthouden de boeken zelfstandig te onderzoeken. Het hof wil hiermee zeggen dat de informatie, die [verweerder 1] aan [betrokkene 1] heeft verstrekt, het voor laatstgenoemde niet onmogelijk heeft gemaakt om met betrekking tot de hier aan de orde zijnde boeken dat te onderzoeken wat nodig was om tot een verantwoorde taxatie van de waarde van de boeken te komen. Onder die omstandigheid is, ten einde de binding van Chubb aan de taxatie tegenover [verweerder 1] pas naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten, ook nodig, aldus het hof, dat bij [verweerder 1] bij het doen van onjuiste mededelingen en het wekken van een verkeerde indruk tevens de bedoeling heeft voorgezeten om - via [betrokkene 1] - Chubb omtrent de waarde van de verzekerde boeken te misleiden.

2.16 Bij de beoordeling van de vatbaarheid voor cassatie van het hiervoor in 2.15 vermelde oordeel van het hof is het volgende in aanmerking te nemen.

Het wordt wenselijk geoordeeld dat vanwege het er achter stekende oogmerk van scheppen van zekerheid niet spoedig de binding aan een (voor)taxatie van een deskundige kan worden opgeheven. In overeenstemming hiermee werd in het tot 1 januari 2006 gegolden hebbende artikel 275 WvK bepaald dat de verzekeraar tegen de waardering van de deskundige niet kon opkomen, tenzij in geval van bedrog. Hieruit blijkt van een grote terughoudendheid ten aanzien van de aantasting van een (voor)taxatie. Artikel 257 WvK is niet in titel 7:17 van het huidige BW overgenomen. Naar de bedoeling van de NBW-wetgever dient de vraag van de binding aan een (voor)taxatie nu te geschieden aan de hand van de regeling van de vaststellingsovereenkomst in titel 7:15 van het huidige BW, meer in het bijzonder van het bepaalde in artikel 7:904 BW. De daar vermelde maatstaf dat gebondenheid aan de beslissing onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van billijkheid en redelijkheid onaanvaardbaar is, is ontleend aan artikel 6:248 lid 2 BW.((8)) Deze maatstaf biedt op zichzelf meer ruimte om tot opheffing van gebondenheid aan een voortaxatie van een deskundige te komen dan onder artikel 275 WvK, maar uit de wetsgeschiedenis van titel 7:17 BW valt niet af te leiden dat achter de nieuwe wettelijke inkadering van de vraag van gebondenheid aan een (voor)taxatie van deskundigen duidelijk de bedoeling steekt om de mogelijkheden van opheffing van de gebondenheid aan een (voor)taxatie van deskundigen aanmerkelijk te verruimen. Nu achter een dergelijke taxatie nog immer het hiervoor al genoemde oogmerk van het scheppen van zekerheid steekt, lijkt het betrachten van terughoudendheid bij het opheffen van de gebondenheid nog steeds op zijn plaats.

Verder wordt het oordeel over wat naar maatstaven van billijkheid en redelijkheid onaanvaardbaar is, sterk bepaald door de omstandigheden van het geval. Dat geeft een dergelijk oordeel al gauw een vrij hoog feitelijk gehalte met als gevolg een geringere ruimte voor toetsing van het oordeel in cassatie.

2.17 In het licht van wat hiervoor in 2.16 is opgemerkt, kan, zo komt het voor, niet gezegd worden dat het hof een onjuist of een niet voldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven door Chubb niet gebonden te achten aan de taxatie van [betrokkene 1] reeds op de enkele grond dat [verweerder 1] onjuiste mededelingen aan [betrokkene 1] heeft gedaan en bij hem verkeerde indrukken heeft gewekt, maar daartoe ook nodig heeft geacht dat bij [verweerder 1] de bedoeling heeft voorgezeten om - via [betrokkene 1] - Chubb omtrent de waarde van de verzekerde boeken te misleiden. Hierbij is het volgende in aanmerking te nemen. [Betrokkene 1] was een deskundige met een eigen verantwoordelijkheid ter zake van de taxatie. Niet is gebleken dat de door [verweerder 1] aan [betrokkene 1] verstrekte informatie laatstgenoemde heeft verhinderd om die eigen verantwoordelijkheid waar te maken. Anders gezegd, het feit dat [verweerder 1] aan [betrokkene 1] onjuiste informatie verstrekte hoefde voor [betrokkene 1] geen aanleiding te zijn om de waarde van de betrokken boeken niet juist te taxeren. Dat [verweerder 1] [betrokkene 1] niet heeft verhinderd zijn eigen verantwoordelijkheid waar te maken, vindt bevestiging in het feit dat [betrokkene 1] ook eigen onderzoek heeft verricht. Hij heeft bij [verweerder 1] de getaxeerde boeken ingezien en hij heeft met de veilinghouder en kenner van antieke boeken, [betrokkene 2], contact opgenomen om de door [verweerder 1] voor de boeken opgegeven bedragen te verifiëren; (zie de in rov. 3.6.3 weergegeven verklaringen van [betrokkene 1] d.d. 2 februari 2004 en 21 oktober 2004 en de gespreksnotitie van een gesprek met [betrokkene 1] op 11 januari 2008). Bij die stand van zaken heeft het hof kunnen oordelen dat bij de vraag van gebondenheid van Chubb aan de taxatie van [betrokkene 1] het door [verweerder 1] tegenover [betrokkene 1] aan de dag gelegde gedrag pas voldoende gewicht in de schaal legt, indien daarachter de bedoeling heeft gezeten om [betrokkene 1] en zo indirect ook Chubb ten eigen bate te misleiden.((9)) Van die bedoeling is echter niet gebleken.

Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat het hof in rov. 3.6.2 heeft vastgesteld dat Chubb niet heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] onzorgvuldig te werk is gegaan bij het opmaken van het taxatierapport. Deze in cassatie onbestreden gebleven vaststelling brengt mee, dat bij de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Chubb aan de taxatie wordt gehouden, niet een tekortschieten van [betrokkene 1] als deskundige in aanmerking kan worden genomen. Dat aspect is door Chubb niet aan de orde gesteld.

2.18 Kortom, ook subonderdeel B2 leidt niet tot het door Chubb gewenste resultaat.

subonderdeel B.3

2.19 Subonderdeel B.3 heeft betrekking op rov. 3.8.5 waar het hof de betwisting van haar gebondenheid aan de taxatie van de boeken van Dapper, Du Halde, De Veer en Slichtenhorst verwerpt. Voor de bestrijding van die beslissing wordt aansluiting gezocht bij wat in subonderdeel B.2 is aangevoerd. Nu de klachten in dit laatste subonderdeel geen doel treffen, geldt hetzelfde voor subonderdeel B.3.

subonderdeel B.4

2.20 Subonderdeel B.4 houdt de klacht in dat het hof ten onrechte niet op grond van de (laakbare) gedragingen van [verweerder 1] is uitgegaan van het vermoeden dat de gebondenheid van Chubb aan de taxaties naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en niet bij [verweerder 1] de last heeft gelegd om het tegendeel te stellen en te bewijzen.

2.21 Subonderdeel B.4 strandt reeds op de volgende grond. De vaststelling of gebondenheid van Chubb aan de taxaties naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is niet louter een feitelijke aangelegenheid. Er is daarbij ook een beoordeling van het recht betrokken. In casu blijkt dat bijvoorbeeld uit de gerezen vraag wat vereist is om in casu te kunnen concluderen tot onaanvaardbaarheid van de binding van Chubb aan de taxaties. Hierbij past niet het werken met een vermoeden. Het zou nog anders zijn indien uit een wettelijke bepaling zou volgen dat het hof bij de gedragingen van [verweerder 1], die in rechte zijn komen vast te staan, van de onaanvaardheid van de binding had moeten uitgaan zolang niet van andere omstandigheden is gebleken, die tot een tegengestelde conclusie kunnen leiden. Op het bestaan van een dergelijke regel wordt in subonderdeel B.4 echter niet gewezen.

2.22 Uit hetgeen hiervoor in 2.10 t/m 2.21 is opgemerkt, volgt dat ook onderdeel B geen doel treft.

onderdeel C

2.23 Met onderdeel C wordt opgekomen tegen de verwerping door het hof in rov. 3.10 van het beroep van Chubb op dwaling als te laat en in strijd met de goede procesorde, nu het voor het eerst bij pleidooi in appel is gedaan. Wat ter bestrijding van de verwerping van het beroep van Chubb wordt aangevoerd, komt hierop neer dat door Chubb al in een eerder stadium van de procedure dan het pleidooi in appel een beroep op dwaling is gedaan doordat door haar stellingen zijn geponeerd die in de sleutel van artikel 6:228 lid 1, sub a en sub b BW zijn te plaatsen, en dat uit stellingen van [verweerder 1] volgt dat hij uit bedoelde stellingen van Chubb ook een beroep van Chubb op dwaling heeft afgeleid. Anders gezegd, het hof gaat volgens Chubb ten onrechte uit van een beroep op dwaling van Chubb dat voor het eerst bij pleidooi in appel is gedaan.

2.24 Onderdeel C brengt ook geen vernietiging van het arrest van het hof mee. De klacht in onderdeel C is een klacht over de uitleg door het hof van de processtukken voor wat betreft de door Chubb en [verweerder 1] daarin ingenomen proceshouding. Een dergelijke uitleg is een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel. Cassatie van dat oordeel kan slechts volgen, indien de uitleg duidelijk onbegrijpelijk is. Een dergelijke onbegrijpelijkheid wordt in onderdeel C niet aangetoond. Uit de op dwaling betrekking hebbende uitlatingen van [verweerder 1] in de §§ 17 en 75 van de memorie van grieven valt als zodanig niet af te leiden dat Chubb voordien al een beroep op dwaling ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst heeft gedaan. De stellingen waaruit zou volgen dat Chubb al eerder dan bij pleidooi in appel een beroep op dwaling heeft gedaan, worden niet (voldoende) concreet aangewezen. In ieder geval wordt niet toegelicht dat en waarom die stellingen zich niet anders laten begrijpen dan dat zij (mede) een beroep op dwaling inhouden.

3. Conclusie

Gezien het bovenstaande, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1. Ontleend aan rov. 2, 3.1 en 3.2 van het arrest van het hof Amsterdam d.d. 28 april 2009.

2. De Masterpiece polis is als productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg in het geding gebracht.

3. Het polisblad en de taxatierapporten zijn als productie 4, respectievelijk 5 en 6 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.

4. Het onderzoeksverslag d.d. 13 december 2004 van Interseco is als productie 7 bij inleidende dagvaarding in het geding gebracht. Aanvullende verslagen van 7 mei en 8 november 2004 treft men aan als productie 1 resp. productie 2 bij de conclusie van antwoord.

5. Zie de conclusie van antwoord in eerste aanleg, blz. 6 e.v. en in verband met de uiterst subsidiaire grond de akte d.d. 17 januari 2007, waarin Chubb alsnog een beroep doet op artikel 7:904 lid 1 BW.

6. Zie in dit verband Asser/Clausing/Wansink,5-VI, 2007, nrs. 312 jo. 323 en Asser/Van Schaick, 5-IV, 2004, nrs. 271 jo. 280 -285.

7. Het hof overweegt in rov. 3.6.10 verder nog dat Chubb omtrent het oogmerk van [verweerder 1] om Chubb te misleiden onvoldoende heeft gesteld. De aanwezigheid van dat oogmerk bij [verweerder 1] heeft het hof dus niet aangenomen. Dit oordeel in rov. 3.6.10 is in cassatie onbestreden gebleven.

8. Zie Parl. Gesch. Verzekering, Hendrikse/Martinus/Rinkes, blz. 194 en 195.

9. In dit verband verdient nog opmerking dat Chubb in het kader van haar uiterst subsidiaire verweer tijdens de eerste aanleg een beroep op bedrog van [verweerder 1] heeft gedaan (conclusie van antwoord, sub 42, en antwoordakte uitlating tussenvonnis, sub 3, tweede volzin) en ook in appel nog spreekt van een 'misleiden' van [betrokkene 1] en Chubb (memorie van antwoord, sub 100) of van een 'willens en wetens verschaffen van onjuiste informatie' (Pleitaantekeningen van mr. Baeten, sub 30). In het kader van het uiterst subsidiaire verweer is niet subsidiair aangevoerd dat [verweerder 1] gehandeld heeft met de wetenschap dat [betrokkene 1] door zijn informatie wel eens op het verkeerde been zou kunnen worden gezet en dat hij dat gevolg maar voor lief heeft genomen. Die weg kon bijgevolg niet worden ingeslagen.