Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO4533

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
10/00665
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO4533
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Van de omstandigheden genoemd in de nadere bewijsoverweging van het Hof kan niet gezegd worden dat het Hof deze redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring. Die omstandigheden hoeven dan ook niet op dezelfde wijze worden aangeduid als is vereist m.b.t. voor de bewezenverklaring redengevende f&o. De gevolgtrekking dat de aangetroffen kroonkurk behoort bij een van de twee aangetroffen bierflesjes is door het Hof gebaseerd op in de bm vermelde gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/169
NJB 2011, 307
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00665

Mr. Silvis

Zitting: 9 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 29 januari 2010 door het gerechtshof te Amsterdam wegens "1. diefstal met geweld, 2. poging doodslag, 3. poging moord, 4. en 5. wederrechtelijke vrijheidsberoving meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren en onttrekking aan het verkeer van een pistool, munitie en een bivakmuts.

2. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof niet, althans niet voldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging over - kort gezegd - het gebruik van de resultaten van het schoenzoolsporenonderzoek en de op basis daarvan geformuleerde conclusies als bewijs, terwijl het van dit standpunt is afgeweken.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 15 januari 2010 heeft de raadsman van verdachte overeenkomstig zijn pleitnotitie het volgende aangevoerd:

"Het schoenzoolsporenonderzoek heeft geen overtuigende link kunnen vaststellen tussen de schoenen in gebruik bij cliënt en de in de woning aangetroffen schoenzoolsporen. Er wordt geconcludeerd in termen als 'mogelijk' en 'waarschijnlijk'. Dat zijn zo'n beetje de laagste waarschijnlijkheidswaarden die aan technisch sporenonderzoek worden verbonden. Daarbij is nog een ander spoor veiliggesteld, die zou zijn veroorzaakt door een schoen in gebruik bij cliënt. Vervolgens wordt fijntjes opgemerkt dat karakteristieke overeenkomsten tussen schoenzool en spoor ontbreken. De vaststelling dat het schoenzoolspoor veroorzaakt zou zijn door een schoen van cliënt is hierdoor niet te maken(1)."

5. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof in zijn arrest geen aandacht besteed aan dit verweer, terwijl het als bewijsmiddel heeft gebruikt het hoofdproces-verbaal van 28 augustus 2008 (deel 1 dossierpagina 2 e.v.), inhoudende - voor zover hier van belang - als volgt:

"(...)

(deel 11 forensisch dossier, pagina 5 en 6, en p 176 e.v.).

Vergelijkend schoensporen onderzoek.

Aan collega [verbalisant 1] werden 6 paar schoenen aangeboden die door het tactisch team in perceel [b-straat 1] te [plaats] in beslag waren genomen met het verzoek te onderzoeken of de aangeboden schoensporen afkomstig uit de woning en tuin van de slachtoffers zijn veroorzaakt met de inbeslaggenomen schoenen over welke schoenen verdachte heeft verklaard dat alle uit zijn woning meegenomen schoenen van hem zijn (zie dossier VE: 1:81.) (voor foto's van de meegenomen schoenen (M): zie dossier Ve1:97 en Ve1:98). Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek heeft [verbalisant 1] van het Bureau Forensische Opsporing geconcludeerd dat schoenspoor C, afkomstig van de begane grond uit de woonkamer, vloer voor de dubbele deur in de woning aan de [a-straat] te Bloemendaal mogelijk is veroorzaakt met de linkerschoen (M) en schoenspoor D uit de woonkamer, vloer voor de dubbele deur naar de gang, waarschijnlijk is veroorzaakt met de linkerschoen (M)."(2)

6. Gezien het gebruik van dit bewijsmiddel heeft het hof kennelijk bewijswaarde toegekend aan de waarschijnlijkheid en de mogelijkheid dat een of meer schoenzoolsporen afkomstig kunnen zijn van een schoen van verdachte. Uit het gebruik van het bewijsmiddel kan worden opgemaakt dat het hof de weergave van de resultaten van het onderzoek, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, redengevend acht voor het bewijs. Dat is bepaald iets anders dan het vaststellen op basis van resultaten van forensisch onderzoek dat een op de plaats delict aangetroffen schoenzoolspoor afkomstig is van de schoen van verdachte. Zo'n vaststelling kan, dat ben ik met de raadsman volledig eens, redelijkerwijs niet alleen gebaseerd worden op de resultaten van het weergegeven forensisch onderzoek. Tot een dergelijke vaststelling komt het hof echter niet. Er is, zo gezien, zelfs geen sprake van een afwijking van de opgeworpen stelling "de vaststelling dat het schoenzoolspoor veroorzaakt zou zijn door een schoen van cliënt is hierdoor niet te maken."

7. Het hof heeft het onder 4 weergegeven verweer van de raadsman kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op de aard en de inhoud van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

8. Dat de resultaten van het onderzoek naar de schoenzoolsporen helemaal onbruikbaar zouden zijn voor het bewijs is door de raadsman bij het hof niet betoogd. Wel heeft hij de bewijswaarde daarvan gerelativeerd. In dat kader merk ik het volgende op.

9. De rapportage van het Bureau Forensische Opsporing is gesteld in waarschijnlijkheidstermen op basis van één hypothese. Van deze wijze van waardering heeft het NFI in 2008 afscheid genomen vanwege een toenadering tot het Bayesiaanse model.(3) Die keuze is als volgt toegelicht:

"In het verleden (en ook nog in de huidige overgangsfase) hanteerden de onderzoekers van het NFI een reeks die vooral betrekking heeft op de waarschijnlijkheid van één hypothese. Bijvoorbeeld:

Het handschrift is...

* met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid...

* hoogstwaarschijnlijk...

* waarschijnlijk...

* waarschijnlijk niet...

* hoogstwaarschijnlijk niet...

* met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet...

...geschreven door meneer X.

Het Bayesiaanse model laat zien dat de onderzoeker zich beter kan beperken tot een uitspraak over de waarschijnlijkheid van de bevindingen, in het licht van de hypothesen. Het NFI introduceert daarom een nieuwe reeks van uitspraken:

De bevindingen van het onderzoek zijn...

* ongeveer even waarschijnlijk...[als]

* iets waarschijnlijker...

* waarschijnlijker...

* veel waarschijnlijker...

* zeer veel waarschijnlijker...

...wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

3. Hoe wordt de reeks gebruikt?

Een voorbeeld kan verduidelijken hoe de nieuwe reeks in de praktijk wordt gebruikt. Stel dat een onderzoeker een schoenspoor vergelijkt met de schoen van een verdachte. De onderzoeker beschouwt dan minimaal twee hypothesen, bijvoorbeeld:

1. de schoen van de verdachte veroorzaakte het spoor;

2. een andere schoen met een soortgelijk profiel en afmeting veroorzaakte het spoor.

De waargenomen overeenkomsten en verschillen tussen de schoen van de verdachte en een gevonden schoenspoor vormen de bevindingen van het onderzoek. Als de bevindingen beter passen bij hypothese 1 dan bij hypothese 2, dan vormen zij bewijsmateriaal ten gunste van hypothese 1. Een treffende overeenkomst, zoals een lange snee in de schoenzool waarvan de vorm en positie overeenkomt met een "lijn" in het schoenspoor, past beter bij hypothese 1 dan bij hypothese 2. Hoe beter de bevindingen passen bij hypothese 1 ten opzichte van hypothese 2, hoe sterker de bewijswaarde van deze bevindingen zal zijn. Het Bayesiaanse model formaliseert deze redenatie. Het begrip waarschijnlijkheid wordt hierbij gebruikt als criterium voor de mate waarin de bevindingen "passen" of "treffend" zijn.

Bij het interpreteren van zijn bevindingen gaat de onderzoeker dus na hoe waarschijnlijk het is om de bevindingen waar te nemen onder elk van de hypothesen. Hij kan dan bijvoorbeeld concluderen:

"De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de schoen van de verdachte het spoor veroorzaakte dan wanneer een andere schoen met een soortgelijk profiel en afmeting het spoor veroorzaakte."

Het kan ook zijn dat de bevindingen waarschijnlijker zijn onder de tweede hypothese, bijvoorbeeld als de schoen vlak na het delict is veiliggesteld maar de lange snee in de schoenzool niet "terug te zien" is in het schoenspoor. In dat geval wordt dezelfde reeks gebruikt met de posities van hypothese 1 en 2 verwisseld.

Bijvoorbeeld: "De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer een andere schoen met een soortgelijk profiel en afmeting het spoor veroorzaakte dan wanneer de schoen van de verdachte het spoor veroorzaakte." (...)"

10. Het feit dat in de rapportage van het Bureau Forensische Opsporing de waarschijnlijkheid van de herkomst van het spoor niet in termen van het Bayesiaanse model is opgesteld, zoals in de actuele NFI rapportage wordt gedaan, maakt die echter niet onbruikbaar.

11. Aan het gebruik van het hiervoor onder 5 aangehaalde proces-verbaal als bewijsmiddel, voor zover bevattende een omschrijving van de resultaten van het forensische onderzoek aangaande de schoenzoolsporen, staat niets in de weg. Niet blijkt dat het hof onvoldoende behoedzaam is omgegaan met de in het bewijsmiddel weergegeven marges van onzekerheid.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte en ongemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat - kort gezegd - de resultaten van het DNA-onderzoek naar de als bivakmuts gebruikte mouw niet bruikbaar zijn voor bewijs. Althans heeft het hof een samenvatting van deze resultaten ten onrechte als bewijs gebezigd, althans is de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

14. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte - voor zover relevant - overeenkomstig zijn pleitnotitie aangevoerd:

"Op een derde plaats (# 3) is een DNA-mengprofiel aangetroffen van ten minste drie personen, waaronder van cliënt. Er kan echter geen statistische waarde hieraan worden gegeven. Daarvoor is het aangetroffen DNA spoor te complex. In de vakbijlage wordt nog opgemerkt dat met name bij complexe DNA-mengprofielen het voorkomt dat van de loci waarop de match gebaseerd is er geen sprake is van - bijvoorbeeld - DNA-kenmerken, maar van artefacten.

Edelgrootachtbaar college, volgens de Van Dale betekent een artefact:

Een "door ongeldig redeneren verkregen onderzoeksresultaat".

Het is de verdediging uit andere strafzaken ambtshalve bekend dat met een 'artefact' bedoeld wordt een piek die ontstaat door een storing in het proces van het zichtbaar maken van pieken. Het NFI omschrijft dit zelf als volgt:

"Artefact: neveneffect van de DNA-vermeerderingstechniek (...) in het DNA-onderzoek. Dit betreft zogenoemde stotterpieken (...). Stotterpieken zijn lage pieken die geen DNA-kenmerken vertegenwoordigen (...). Bij DNA-onderzoek van minimale biologische sporen kunnen de stotterpieken veel hoger zijn, en derhalve veel prominenter aanwezig zijn, waardoor ze veel moeilijker zijn te onderscheiden van de pieken van DNA-kenmerken. (...)"(4)

Kortom, Het zou een spoor kunnen zijn, maar het zou ook heel goed helemaal geen spoor kunnen zijn. Met name nu niet eens kan worden vastgesteld dat het om een spoor gaat, meent de verdediging dat bescheiden die over dit mogelijke spookspoor gaan niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De inhoud van die bescheiden, in het bijzonder met betrekking tot het gewraakte schijnspoor heeft evident geen wetenschappelijke waarde. Schijnbewijs is geen bewijs!"

15. Als bewijsmiddel heeft het hof gebruikt het hoofdproces-verbaal van 28 augustus 2008 (deel 1 dossierpagina 67), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer:(5)

"Onderzoek mouw: door de familie [slachtoffer 1, 2 en 3] werd een stuk stof overhandigd dat zij op het bed van [slachtoffer 3] hebben gevonden. Dit bleek later een mouw te zijn die kennelijk als bivakmuts was gebruikt. In de mouw zaten gaten die mogelijk als ooggaten zijn gebruikt. De mouw werd aan de bovenzijde ter hoogte van de denkbeeldige mondregio bemonsterd. Er werd celmateriaal aangetroffen van tenminste drie personen onder wie de verdachte (deel 11, forensisch dossier, pagina 348 en 354)."

16. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - in:

"Verweren en nadere bewijsoverwegingen

(...)

Technisch bewijs

De raadsman heeft gesteld dat de sporen die zijn aangetroffen op de als bivakmuts gebruikte mouw niet herleidbaar zijn tot de verdachte. Voor zover er mogelijk celmateriaal van de verdachte is aangetroffen, kan blijkens de toelichting van het NFI niet worden uitgesloten dat dit zogenaamde celmateriaal van de verdachte wordt verward met een artefact.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het rapport van het NFI van 19 augustus 2008 (Forensisch dossier, map 11, bladzijde 354-355) blijkt het volgende. Van het DNA in de bemonstering van de als bivakmuts gebruikte mouw is een DNA-mengprofiel verkregen dat DNA-kenmerken bevat van tenminste drie personen. Het DNA-profiel van de verdachte en het DNA-profiel van het celmateriaal in de mouw matchen met dit DNA-mengprofiel. Dat vanwege de complexiteit van het DNA-mengprofiel geen statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden matches is uitgevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Nu het verweer voorts berust op een onjuiste weergave van een algemene passage uit voornoemd rapport en derhalve feitelijk onjuist is, wordt het verworpen."

17. Volgens de toelichting op het middel is 's hofs respons op het standpunt van verdediging ontoereikend, nu het hof daarbij voorbij is gegaan de kern van het verweer, nl. dat sprake kan zijn van een artefact.

18. In de toelichting op het middel wordt voorts gesteld dat het oordeel van het hof dat het door de raadsman aangevoerde verweer op een onjuiste weergave van het NFI-rapport berust onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat dit rapport het volgende inhoudt:

"Van het DNA in de bemonstering [FAA863] # 3 van de mouw is een DNA-mengprofiel verkregen. Dit DNA-mengprofiel bevat DNA-kenmerken van ten minste drie personen, waarvan minimaal één man. Het DNA-profiel van de verdachte (...) en het DNA-profiel in de bemonstering [FAA863] # 1 van de mouw (in de tabel gekoppeld aan de onbekende mannelijke persoon A) matchen met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat deze bemonstering celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte (...) en vermengd is met celmateriaal dat afkomstig kan zijn van de onbekende mannelijke persoon en celmateriaal van minimaal één andere onbekende persoon. Vanwege de complexiteit van het DNA-mengprofiel is een statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden matches niet uitgevoerd (zie kader 'Match zonder statistische onderbouwing').

Om deze match statistisch te kunnen onderbouwen, geldt als voorwaarde dat men er zeker van moet zijn dat van de loci waarop de match is gebaseerd alle DNA-kenmerken zijn vastgesteld. Dit zijn niet alleen de DNA-kenmerken die matchen met de desbetreffende persoon, maar ook de DNA-kenmerken van de andere (onbekende) personen in het DNA-mengprofiel. Dit is vaak niet het geval en met name bij complexe DNA-mengprofielen komt het voor dat van de loci waarop de match is gebaseerd

(1) (...)

(2) (...)

(3) Dat bepaalde waargenomen 'DNA-kenmerken' geen DNA-kenmerken zijn, maar artefacten. In dergelijke gevallen is er dus sprake van een match van het DNA-profiel van een persoon met het complexe DNA-mengprofiel van het spoor, maar ontbreekt essentiële informatie om deze match statistisch te onderbouwen."

19. Op grond van het bepaalde in artikel 359, tweede lid, Sv zal de rechter, indien zijn beslissing afwijkt van het door de verdachte dan wel door de Officier van Justitie voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, zijn uitspraak in dat verband nader dienen te motiveren. Met dat motiveringsvoorschrift is geen wijziging gebracht in de vrijheid van de feitenrechter om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te gebruiken wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing betreffende die selectie en waardering behoeft in de regel geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(6) Wel brengt de genoemde bepaling mee dat de rechter zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Daarover zijn geen algemene regels te geven, maar in dat verband zal onder meer betekenis toekomen aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. Als sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als in genoemde bepaling bedoeld, dan gaat de motiveringsplicht niet zo ver dat bij niet-aanvaarding daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(7)

20. Tot goed begrip van de NFI-rapportage is het van belang de betekenis te onderkennen van het ontbreken van een statistische onderbouwing van een geconstateerde match. Het handboek "De essenties van het forensisch biologisch onderzoek" (8) vermeldt hieromtrent het volgende:

Pagina 227:

"3. Match en zeldzaamheidswaarde

De vergelijking van een vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek dat is gericht op de vraag of een biologisch spoor afkomstig is van een bepaalde persoon (verdachte, slachtoffer of andere betrokkene) wordt gerapporteerd in de vorm van een tweeledige uitspraak: een uitspraak of de vergeleken DNA-profielen matchen en een uitspraak over de zeldzaamheid, de zeldzaamheidswaarde, van het vastgestelde DNA-profiel van het spoor, uitgedrukt in de berekende frequentie van voorkomen van het DNA-profiel in een populatie niet-bloedverwante personen.

Match of geen match

De conclusie geeft eerst aan of het DNA-profiel verkregen van het celmateriaal van het onderzochte spoor matcht met het DNA-profiel van het verkregen referentiemateriaal van bijvoorbeeld de verdachte, of daarvan verschilt. Matchen de DNA-profielen dan is de conclusie dat het biologisch materiaal van het spoor afkomstig kan zijn van de verdachte. Als de DNA-profielen niet matchen, dan kan worden uitgesloten dat het biologisch materiaal van het spoor afkomstig is van de verdachte. Zie ook 5. Wetenschappelijke bewijswaarde (pagina 229 en 230)."

Pagina 229-230:

"5. Wetenschappelijke bewijswaarde

Vergelijkend DNA-onderzoek van het DNA-profiel van een persoon (bestaande uit DNA-kenmerken van tien of meer loci) met het DNA-(meng)profiel van een spoor zal resulteren in een van de onderstaande bevindingen. Deze zijn hieronder in grote lijn gerangschikt in afnemende wetenschappelijke bewijswaarde. Een match betekent dat de loci van het DNA-(meng)profiel van het spoor, (onder meer) dezelfde DNA-kenmerken bevatten als die van de desbetreffende loci van het DNA-profiel van de persoon.

A. Geen match

Het spoor is niet afkomstig van de desbetreffende persoon. Geen statistische berekening,

B. Match met statistische berekening

Voorwaarde voor een statistische berekening van de zeldzaamheidswaarde van een match is de vaststelling of aanname (op basis van het resultaat van het DNA-onderzoek) dat van de loci waarop de match is gebaseerd alle DNA-kenmerken zijn bepaald. In de praktijk is dit over het algemeen alleen mogelijk voor enkelvoudige DNA-profielen en DNA-mengprofielen van twee personen. Voor DNA-mengprofielen betekent dit dat van deze loci al de DNA-kenmerken van al de celdonoren van het spoor zijn bepaald.

* Match met een volledig, enkelvoudig DNA-profiel. De zeldzaamheidswaarde van dergelijke matches is berekende frequentie van het volledige, enkelvoudige DNA-profiel, en is altijd kleiner dan één op één miljard.

* Match met een onvolledige, enkelvoudig DNA-profiel. De zeldzaamheidswaarde van dergelijke matches is de berekende frequentie van het onvolledige enkelvoudige DNA-profiel, en hangt af van het aantal en de zeldzaamheid van de DNA-kenmerken waarop de match betrekking heeft.

* Match met een (onvolledig) DNA-mengprofiel, waarvan een (of meer) enkelvoudige DNA-profielen zijn af te leiden. Bijvoorbeeld in het geval een DNA-hoofdprofiel en een DNA-nevenprofiel zijn af te leiden. Dan is de zeldzaamheidswaarde van een match met het DNA-hoofdprofiel de berekende frequentie van het enkelvoudige DNA-hoofdprofiel, en de zeldzaamheidswaarde van een match met het DNA-nevenprofiel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het afgeleide DNA-nevenprofiel.

* Match met een (onvolledig) DNA-mengprofiel, waarvan geen enkelvoudige DNA-profielen zijn af te leiden. De wetenschappelijke bewijswaarde van een match wordt berekend met de inclusiekans of de likelihood ratio-methode.

C. Match zonder statistische berekening

Het DNA-profiel van een persoon matcht met het complexe DNA-mengprofiel, maar omdat van de loci, waarop de match is gebaseerd, niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zijn vast te stellen of dit onzeker is, kan de match niet statistisch worden onderbouwd.

D. Geen zekerheid over 'match' of geen match'

De deskundige kan niet altijd met zekerheid vaststellen of er sprake is van een 'match' of 'geen match'. Het betreft dan doorgaans complexe, onvolledige DNA-mengprofielen van minimaal drie personen."

21. De bij het hof optredende raadsman heeft de reden die door het NFI wordt gegeven voor het niet statistisch onderbouwen van de bewijswaarde van de match aangegrepen als basis voor de stelling dat de match een product zou kunnen zijn van artefacten in plaats van DNA-kenmerken. Daarmee geeft hij een sterk gekleurde interpretatie van, om niet te zeggen een draai aan, hetgeen door het NFI is gesteld. De bewering van de raadsman dat "niet eens vastgesteld kan worden dat het om een spoor gaat" is een conclusie op ander niveau dan gerechtvaardigd is door het probleem van de statistische onderbouwing van een bewijswaardering, zoals dat door het NFI is aangegeven. Het feit dat van de loci waarop de match is gebaseerd, bepaalde waargenomen 'DNA-kenmerken' mogelijk geen DNA-kenmerken zijn, maar artefacten, betekent niet dat er slechts een spookspoor is, zoals wel door de raadsman is gesteld. In die zin heeft het hof kunnen stellen dat de raadsman van een onjuiste weergave van een algemene passage uit het rapport is uitgegaan.

22. Wat betreft de klacht dat het hof voorbij is gegaan aan de kern van het aangevoerde verweer, nl. dat sprake kan zijn van artefacten, merk ik op dat het hof dit verweer heeft opgevat als inhoudende de klacht "dat het zogenaamde celmateriaal van de verdachte wordt verward met een artefact" (zie onder 16). In zoverre kan niet worden gezegd dat het hof de kern van het verweer heeft miskend.

23. Weliswaar wordt in 's hofs respons op het verweer niet met zoveel woorden gesproken over de mogelijkheid van verwarring van DNA-kenmerken en artefacten, maar door te refereren aan het feit dat geen statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden matches is uitgevoerd vanwege de complexiteit van het DNA-mengprofiel, snijdt het hof wel dezelfde kwestie aan (zie onder 16). Het hof stelt zich kennelijk op het standpunt dat de door het NFI aangegeven mogelijkheid dat van de loci waarop de match is gebaseerd bepaalde waargenomen 'DNA-kenmerken' geen DNA-kenmerken zijn, maar artefacten, onverlet laat dat er wel een match is geconstateerd tussen het DNA-profiel van de verdachte en het DNA-profiel van het celmateriaal in de mouw. Die gedachtegang is niet onbegrijpelijk.

24. Het hof heeft voldoende gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. In het voorgaande liggen voorts geen redenen besloten op grond waarvan het hof de resultaten van het NFI-onderzoek naar DNA-sporen op de als bivakmuts gebruikte mouw niet voor het bewijs zou mogen gebruiken.

25. Het middel faalt.

26. Het derde middel klaagt dat het hof in een bewijsoverweging een aangetroffen kroonkurk en aangetroffen bierflesjes vermeldt, zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel aan te duiden waaraan de in verband daarmee vermelde feiten en/of omstandigheden zijn ontleend. Bovendien wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, is afgeweken van een onderbouwd standpunt over, kort gezegd, het aangevochten verband tussen een kroonkurk op bed en bierflesjes in de afvalcontainer.

27. De raadsman van verdachte heeft - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd op de terechtzitting:

"DNA op bierflesje

Buiten de woning in een afvalcontainer worden twee bierflesjes van het merk Grolsch aangetroffen met een inhoud van 25 centiliter. Van beide flesjes ontbreekt de kroonkurk(9). Op één van die flesjes (bij de mondopening) wordt DNA aangetroffen. Dit DNA blijkt overeen te komen met het DNA van cliënt. Eerst zou dit aangetroffen DNA-profiel mogelijk met dat van cliënt matchen. Na aanvullend onderzoek zou er sprake zijn van een volledig DNA-profiel dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid matcht met het profiel van cliënt (kans kleiner dan één op één miljard dat een willekeurig gekozen ander persoon hetzelfde profiel zou hebben).

Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat cliënt op de plaats delict is geweest. Die conclusie is echter te voorbarig. Ten eerste omdat er overigens geen spoor van cliënt in of rondom de woning is aangetroffen. Ten tweede omdat het aangetroffen spoor op dit bierflesje niet de vraag beantwoordt, hoe dat spoor daar terecht is gekomen.

Het openbaar ministerie zal wellicht aanvoeren dat het flesje waar het DNA van cliënt op is aangetroffen, uit de woning van de familie [slachtoffer 1, 2 en 3] afkomstig is. Zij zou dat kunnen baseren op soortgelijke flesjes die in de woning zijn aangetroffen en op een kroonkurk die op het bed van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] is veiliggesteld. Ook op die 'bevindingen' kan het nodige worden afgedongen.

Kroonkurk

Er wordt een kroonkurk van het merk Grolsch aangetroffen op het bed van de slachtoffers [slachtoffer 1 en 2]. Onderzocht werd op welk type Grolsch flesje deze kroonkurk zou passen. Daartoe werd contact gezocht met een getuigedeskundige - de heer Holweg, plaatsvervangend ploegchef productie bij de Koninklijke Grolsch Brouwerij te Boekeloo. Deze getuige verklaarde dat dergelijke kroonkurken worden aangebracht op bierflesjes van het merk Grolsch met een inhoud van 25 centiliter. Die bierflesjes worden in een tree verkocht van twee dozen, ieder inhoudende 12 bierflesjes. Deze zijn uitsluitend bedoeld voor de binnenlandse markt(10) Dit soort flesjes kun je dus overal in Nederland kopen, bijvoorbeeld in supermarkten, tankstations, bioscopen en slijterijen.

Wat uit dit aanvullend onderzoek niet blijkt is of deze kroonkurk afkomstig zou zijn van één van de bierflesjes die in de afvalbak zijn aangetroffen. Wat ook niet blijkt is dat deze kroonkurk afkomstig zou zijn juist van het bierflesje waarop het DNA van uiteindelijk cliënt is aangetroffen. Wat al helemaal niet uit de stukken blijkt is hoe die kroonkurk op de uiteindelijk aangetroffen plaats terecht is gekomen en of op die kroonkurk dacty en/of DNA van cliënt zou zitten.

Kortom, ook deze kroonkurk in combinatie met de bierflesjes in de afvalcontainer, kan niet redengevend zijn voor de stelling zijdens het openbaar ministerie dat cliënt strafbaar betrokken zou zijn bij het hem ten laste gelegde.

(...)

Conclusie ten aanzien van het technische sporenonderzoek

(...)

Op basis van het zeer uitvoerige technisch sporenonderzoek, blijven er essentiële vragen onbeantwoord. Zo wordt niet duidelijk of de kroonkurk die op het bed is aangetroffen ook afkomstig zou zijn van één van de bierflesjes die in de afvalcontainer zijn aangetroffen. Niet wordt duidelijk of de kroonkurk afkomstig is van het flesje waarop DNA van cliënt zou zijn aangetroffen. Niet wordt duidelijk op welke wijze de kroonkurk op het bed van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] terecht zou zijn gekomen. Niet wordt duidelijk of tijdens de overval bier zou zijn genuttigd door de daders, laat staan dat dit door cliënt zou zijn gedaan. Niet wordt duidelijk of er bier zou zijn genuttigd in de slaapkamer van het echtpaar, laat staan of cliënt dat zou zijn geweest."

28. Het hof heeft ten aanzien van dit verweer als volgt overwogen:

"In een afvalcontainer naast de buitendeur van de woning zijn na de overval - bovenop het andere afval - twee lege bierflesjes gevonden. Op een van deze flesjes is het DNA-profiel van de verdachte aangetroffen. De familie [slachtoffer 1, 2 en 3] heeft verklaard dat zij dergelijke flesjes bier in voorraad hadden, maar dat niemand van hen de afgelopen tijd bier had gedronken. Op het bed van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] is een bij (één van) die flesjes behorende kroonkurk aangetroffen. Vast is komen te staan dat de daders van de overval in de slaapkamer van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] zijn geweest. De verdachte heeft geen verklaring kunnen of willen geven die inhoudt dat zijn DNA op andere wijze dan door zijn aanwezigheid ter plekke op dat bierflesje terecht is gekomen. Het hof is - anders dan de raadsman - van oordeel dat voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, redengevend zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde."

29. Allereerst klaagt het middel dat het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan het de volgende, in de overweging betrokken feiten en omstandigheden ontleent:

i) op het bed van de slachtoffers is een kroonkurk aangetroffen;

ii) deze kroonkurk past bij één van de twee bierflesjes die in een afvalcontainer zijn aangetroffen;

iii) die bierflesjes lagen boven op het andere afval.

30. Voorts is het hof volgens de toelichting op het middel voorbij gegaan aan de kern van het aangevoerde verweer, nl. dat niet is vastgesteld dat de kroonkurk past bij één van de bierflesjes die in de afvalcontainer zijn aangetroffen, laat staan bij het bierflesje waarvan een bemonstering bij DNA-onderzoek matcht met het DNA-profiel van verdachte.

31. De onder 28 weergegeven bewijsoverweging van het hof behelst een antwoord op het door de raadsman ingenomen standpunt. Dit standpunt houdt immers in dat aan de vondst van de kroonkurk in de slaapkamer in combinatie met het aantreffen van bierflesjes in de afvalcontainer en het vinden van DNA-materiaal van verdachte op een van de flesjes in de afvalcontainer geen bewijswaarde kan worden toegekend. Het hof wijkt niet af van het standpunt van de raadsman, voor zover inhoudend dat er in de slaapkamer een kroonkurk is aangetroffen (zie onder 28). Dat er een kroonkurk in de slaapkamer is aangetroffen, is ook door de advocaat-generaal bij het hof in zijn requisitoir aangegeven.(11)

32. Het feit dat bierflesjes boven op de afval in de container zijn aangetroffen is door de verdediging in feitelijke aanleg evenmin betwist. Bovendien merk ik op dat de omstandigheid dat de aangetroffen bierflesjes boven op het andere afval lagen een punt is van ondergeschikt belang en op zichzelf genomen niet redengevend. Waar het om gaat is de omstandigheid dat in een afvalcontainer naast de buitendeur van de woning van de slachtoffers bierflesjes zijn gevonden en dat op één van deze flesjes het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen. Voor zover het hof deze feiten in zijn overweging heeft betrokken, merk ik op dat zij volgen uit het door het hof als bewijsmiddel gebezigde hoofdproces-verbaal van 28 augustus 2008 (deel 1 dossierpagina 66), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer(12):

"DNA onderzoek: (deel 11, forensisch dossier, pagina 7, 10, en pagina 249), DNA materiaal is bij verdachte afgenomen, referentiemonster [RHB744]. Op de [a-straat] te Bloemendaal is in een vuilcontainer in de tuin van de woning een bierflesje (zie Foto: ZD1:359) aangetroffen. (ZD1:373) Een bemonstering [FAA861] is genomen van de flesopening van het bierflesje. (deel 11, forensisch dossier, pagina 14). Conclusie van dit onderzoek door de vast gerechtelijke deskundige, dr. R.J. Bink van het Nederlands Forensisch Instituut, is: het celmateriaal van de bemonstering (FAA861) van het bierflesje kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte]. (deel 11, forensisch dossier, pagina 331 ev). Aanvullend DNA onderzoek door Bink voornoemd, gerapporteerd bij rapport van 19 augustus 2008 ( deel 11, forensisch dossier, pagina 354) houdt in: bemonstering [FAA861]#1 van een bierfles vergeleken met celmateriaal van verdachte [verdachte] [RHB744]. Berekende frequentie ongeveer 1 op 1 miljard."

33. De verdediging heeft wel aangevochten dat de kroonkurk van één van de flesjes in de container afkomstig zou zijn. Het gaat dan niet om een betwisting van het passen van de soort kroonkurk bij het soort flesje, maar om de concrete relatie. Waar het hof overweegt dat de in de slaapkamer gevonden kroonkurk bij (één van) die flesjes behoort, is zonder verwijzing naar een bewijsmiddel, kennelijk sprake van een slotsom van het hof dat er wel een concrete relatie tussen de aangetroffen kroonkurk en (één van) die flesjes is, gezien de in dat verband gememoreerde feiten en omstandigheden.

34. Voor zover het gaat om het onderbouwde standpunt steunt de verwerping van het bewijsverweer door het hof niet wezenlijk op andere feiten dan waar de verdediging zich op baseert. In dit verband wordt de overweging van het hof dat de in de slaapkamer gevonden kroonkurk bij (één van) die flesjes behoort door mij niet als feit gezien, maar als een slotsom. Het verschil van inzicht van het hof ten opzichte van de verdediging betreft in deze niet zozeer de feiten als wel de vraag welke waardering daaraan in onderling verband en samenhang gegeven moet worden. De waardering die het hof geeft aan het aantreffen van de kroonkurk in de slaapkamer en de flesjes in de afvalcontainer met op een daarvan met verdachte overeenkomend DNA-materiaal komt mij, mede gezien de verklaringen van de familie [slachtoffer 1, 2 en 3] en de door het hof vastgestelde omstandigheid dat de daders van de overval in de slaapkamer van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] zijn geweest, niet onbegrijpelijk voor.

35. In het perspectief van de eisen die door de Hoge Raad worden gesteld aan het met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging aangeven en benoemen van de wettige bewijsmiddelen waaraan de feiten of omstandigheden in een bewijsoverweging zijn ontleend, stelt het middel echter terecht dat het hof daaraan niet voldoet.

36. Voor zover het hof heeft vastgesteld dat in een afvalcontainer naast de buitendeur van de woning bierflesjes zijn gevonden en dat op één van deze flesjes het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen, merk ik op dat het bewijsmiddel waaraan het hof deze feiten ontleent voldoende nauwkeurig is aangegeven door het hof (zie onder 32). Dit geldt ook voor de in 's hofs overweging opgenomen omstandigheid dat de daders van de overval in de slaapkamer van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] zijn geweest. Ik verwijs hiervoor naar de volgende gebezigde bewijsmiddelen(13):

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 29 april 2008 (dossierpagina ZD1:72 e.v.), inhoudende - voor zover relevant - als haar verklaring:

"Ik ben de dochter van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Op 29 april 2008 omstreeks 2.30 uur hoorde ik een bonk en gegil van mijn moeder en vader. Ik ging kijken in de slaapkamer van mijn ouders. Ik zag drie schimmen staan en één op de grond liggen. Dit bleek mijn gewonde vader te zijn. (...)"

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 29 april 2008 (dossierpagina ZD1:85 e.v.), inhoudende - voor zover relevant - als haar verklaring:

"Ik ben vanmorgen, 29 april 2008, als slachtoffer betrokken geweest bij een gewapende overval die plaats vond in mijn woning aan de [a-straat 1] te Bloemendaal, waar ik woon met mijn man [slachtoffer 1] en mijn dochter [slachtoffer 3]. Nadat mijn man en ik op 28 april 2008 in onze slaapkamer naar Pauw en Witteman hadden gekeken, zijn wij beiden in slaap gevallen. Op een gegeven moment ben ik wakker geschrokken en schoot overeind. Ik zag direct twee personen in de slaapkamer staan. Ik zag dat één van de personen aan het voeteneind stond en de ander aan [slachtoffer 1] kant van het bed. Ik zag dat beide personen een bivakmuts en wijde donkere kleding droegen. (...)"

- het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 29 april 2008 (dossierpagina ZD1:95 e.v.), inhoudende - voor zover relevant - als zijn verklaring:

"Op 28 april 2008 omstreeks 22.00 uur kwam ik thuis. Wij zijn vervolgens gaan slapen. Ik hoorde ineens dat ik op de grond moest liggen. Dat heb ik gedaan en ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat zij dat ook maar moest doen. Ik werd met touw en plakband vastgebonden. Ik was bang voor mijn dochter en vrouw. Ik kon mij losmaken en kreeg een waarschuwing en werd weer vastgebonden. Ik moest kalm blijven. Ik heb het idee dat zij een paar uur in de woning zijn gebleven. Ik moest op mijn buik gaan liggen, mijn mond werd afgeplakt. Ik hoorde een knal en voelde veel pijn in mijn buik. Ik weet niet hoe ik aan het letsel ben gekomen in mijn gezicht. Er waren twee mannen in mijn kamer. Zij hadden mutsen op."

37. Wat betreft de vaststelling dat op het bed van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] een kroonkurk is aangetroffen, en voorts dat de familie [slachtoffer 1, 2 en 3] heeft verklaard dat zij dergelijke flesjes bier in voorraad hadden, maar dat niemand van hen de afgelopen tijd bier had gedronken, vermeldt het hof echter niet aan welk bewijsmiddel het deze feiten en omstandigheden ontleent. Kennelijk wordt gerefereerd aan de uitwisseling van standpunten van de raadsman van verdachte en de advocaat-generaal bij het hof in het kader waarvan de relevante vindplaatsen zijn gepresenteerd. De bedoelde tekortkoming leidt er in casu daarom niet toe dat er redelijke twijfel is omtrent de bronnen van de bevindingen. Die zijn op grond van het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin immers ook pleidooi en requisitoir zijn opgenomen, traceerbaar. Er is ook geen twijfel over het feit dat deze feiten en omstandigheden ter terechtzitting aan de orde zijn geweest. In die zin is door de geconstateerde tekortkoming de ratio van de jurisprudentie inzake de bronvermelding in de bewijsmotivering niet in de kern geraakt.(14) Gegeven het voorgaande behoeft aan het feit dat het hof in de bewijsoverweging of in de bewijsmiddelen niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het a) de feiten en /of omstandigheden aangaande het aantreffen van de kroonkurk en b) de inhoud van de verklaringen van familie [slachtoffer 1, 2 en 3] heeft ontleend, geen gevolg gegeven te worden.(15) De verdachte is daardoor niet in enig belang geschaad. De kwaliteit en inzichtelijkheid van de bewijsvoering leidt daardoor immers geen schade. Het middel faalt.

38. De voorgestelde middelen falen. De middelen 1 en 2 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Middel 3 kan bespreking vergen.

39. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie forensisch proces-verbaal, doorgenummerde pagina 176 en verder.

2 Zie p. 17 van het bestreden arrest.

3 Zie de vakbijlage 'De reeks waarschijnlijkheidstermen van het NFI en het Bayesiaanse model voor interpretatie van bewijs.', NFI 2008.

4 De Essenties van forensisch DNA-onderzoek, versie 4, mei 2008, hoofdstuk 10 (Begrippen), pagina 3.

5 Zie p. 17 van het arrest.

6 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e , p. 234. Zie voorts HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma.

7 HR NJ 2006/393, rov. 3.8.1 en 3.8.4. onder d.

8 Zie A.J. Meulenbroek, De essenties van het forensisch biologisch onderzoek. Humane biologische sporen en DNA (vijfde druk), Zutphen: Uitgeverij Paris 2009.

9 Zie mede foto 214 uit het forensisch dossier.

10 Zie aanvullend proces-verbaal TGO MOL van 18 november 2008 / PL1200/08-52808.

11 De advocaat-generaal bij het hof heeft in zijn requisitoir over dit onderwerp met vermelding van vindplaatsen het volgende gesteld:

"In de grijze container naast de buitendeur van de kleine gang van de woning zijn na de overval, bovenop het andere afval,31 twee lege bierflesjes aangetroffen.32 Op het bed van het echtpaar [slachtoffer 1 en 2] is een bij die flesjes behorende kroonkurk aangetroffen, die daar niet door de familie zelf is achtergelaten. De familie heeft verklaard dat niemand van hen de afgelopen tijd bier heeft gedronken.33 De bierflesjes zijn bemonsterd (bij de flesopening) en op één van de bierflesjes is het DNA-profiel van verdachte [verdachte] aangetroffen. 34

31 Zie foto bij aanvullend pv 18 november 2008.

32 Deel 11, pv bevindingen 22.

33 Verklaring [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (373).

34 NFI rapport 5 juni 2008 (deel 11, 331) en NFI rapport 19 augustus 2008 (deel 11, 3334): "de berekende frequentie is ongeveer één op één miljard."

12 Zie p. 17 van het arrest.

13 Zie p. 9-12 van het arrest.

14 In HR 30 november 2004, LJN AR3659 achtte de Hoge Raad gebruik van een bewijsmiddel in een bewijsoverweging van het hof zonder verwijzing naar een bepaalde vindplaats toch voldoende nauwkeurig bepaald, zulks nadat mijn ambtgenoot A-G Vellinga de vindplaats achter de papieren muur had aangeduid.

15 In HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008/70 wordt nadrukkelijk overwogen dat de vereiste mate van nauwkeurigheid van verwijzing per geval kan verschillen. Daarbij wordt betekenis gehecht aan de op grond van het proces-verbaal van de terechtzitting traceerbare bron van overwegingen.