Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO4060

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
09/02272
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO4060
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek wegens ziekte. Vooropgesteld moet worden dat, indien een verdachte door ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, de rechter aan dit verzoek voldoet teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6.3 onder c EVRM verwoorde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden voor het aanhoudingsverzoek aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van een verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst (HR LJN AA5730). Gelet op hetgeen is vooropgesteld en in aanmerking genomen hetgeen i.c. door de raadsman aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, kunnen de overwegingen van het hof “dat de verdachte naar de zitting heeft kunnen komen” en dat “ter terechtzitting moet kunnen worden beoordeeld of de verdachte zich mondeling, of desnoods schriftelijk, voldoende zou kunnen verweren” de afwijzing van het verzoek niet dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/34
RvdW 2011/120
NJB 2011, 249
NBSTRAF 2011/55
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02272

Mr. Vegter

Zitting: 9 november 2010

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 20 mei 2009 verdachte wegens "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (nr. 09/02271), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens verdachte heeft mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot aanhouding wegens ziekte van de verdachte heeft afgewezen.

5. De raadsman van de verdachte heeft bij faxbericht van 4 mei 2009 verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat de verdachte - kort gezegd - nog te veel hinder zou ondervinden van een op 24 april 2009 uitgevoerde operatie aan zijn bovenkaak.(1) Een andere raadsman van de verdachte heeft dit aanhoudingsverzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2009 herhaald.(2) Het Hof heeft dit verzoek op die terechtzitting afgewezen en heeft daartoe overwogen dat de verdachte naar de zitting had kunnen komen, nu ter terechtzitting moet worden beoordeeld of de verdachte zich - mondeling of desnoods schriftelijk - kan verweren. Vervolgens heeft het Hof verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

6. Indien de verdachte door ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.

7. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Aan de rechter staat het vrij om indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd of indien aan diens verlangen tot aanvulling niet of niet genoegzaam is voldaan, daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.(3)

8. In het licht van hetgeen hiervoor onder 6 en 7 is vooropgesteld kan het oordeel van het Hof de afwijzing van het verzoek gelet op het navolgende niet dragen. De raadsman van de verdachte heeft het aanhoudingsverzoek zowel voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep (in het faxbericht) als op die terechtzitting uitdrukkelijk onderbouwd. Hij heeft daartoe onder meer een medische verklaring van de huisarts van de verdachte overgelegd, waaruit volgt dat de verdachte kort daarvoor aan zijn bovenkaak is geopereerd en als gevolg daarvan moeilijk kon praten. Bovendien zijn er door de verdediging geen eerdere verzoeken tot aanhouding gedaan, terwijl het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin anderszins reeds geschorst is geweest. Voorts zijn er op de terechtzitting in hoger beroep geen getuigen of slachtoffers verschenen, terwijl de tenlastegelegde feiten slechts ruim twee jaren voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep zijn begaan. Aldus valt zonder nadere motivering niet in te zien dat het belang van een behoorlijke strafvordering - hetwelk omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen door toewijzing van het aanhoudingsverzoek.(4)

9. Het middel slaagt.

10. Het tweede middel zal ik in verband met het slagen van het eerste uiterst kort bespreken en die bespreking zal ik zo nodig op verzoek van uw Raad nader aanvullen. Het middel bevat de klacht dat het Hof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich ten tijde van het opmaken van het geschrift bewust was - in de zin van (voorwaardelijk) opzet - van het feit dat hij door het verlenen van medewerking aan het opstellen van het contract zichzelf schuldig zou maken aan het valselijk opmaken van enig geschrift.

11. De steller van het middel miskent dat "valselijk opmaken" in de zin van art. 225, eerste lid, Sr het op die handeling gerichte opzet omvat.(5) Valselijk opmaken impliceert derhalve opzet gericht op het "vals maken" van het geschrift.(6) Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte op 19 april 2007 in Tilburg samen met [medeverdachte] (de zwager van de verdachte) valselijk zowel een huurovereenkomst(7) (bewijsmiddelen 1, 2, 4, 5 en 6) als een overnameovereenkomst(8) (bewijsmiddelen 1, 2, 3 en 7) heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. De bewezenverklaring is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.

12. Het middel faalt.

13. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit faxbericht is afkomstig van mr. R. van 't Land, advocaat te Breda, en is gericht aan de Voorzitter van het Hof. Aan dit faxbericht is een medische verklaring van 4 mei 2009 van [huisarts], huisarts te [plaats], gehecht.

2 Als raadsman van de - niet verschenen - verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. R. Herregodts, advocaat te Breda, die heeft verklaard niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd door de verdachte om de verdediging te voeren.

3 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH5171, NJ 2009, 323, m.nt. Borgers, HR 21 april 2009, LJN BH5174, HR 7 april 2009, LJN BH0566, NJ 2009, 186 en HR 9 mei 2000, LJN AA5730, NJ 2002, 466, m.nt. Kn.

4 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH5171, NJ 2009, 323, m.nt. Borgers, HR 21 april 2009, LJN BH5174, HR 7 april 2009, LJN BH0566, NJ 2009, 186, HR 6 november 2007, LJN BB4856, NJ 2007, 603 en HR 24 mei 2005, LJN AS8855, NJ 2005, 397.

5 Vgl. HR 18 maart 1986, NJ 1986, 770, rov. 5.2.

6 Vgl. Verheul, T&C Sr, 8e, aant. 11 onder e op art. 225 Sr.

7 Deze huurovereenkomst houdt in dat de kantoorruimte op het adres [a-straat 1] te [plaats] door [medeverdachte] met ingang van 1 maart 2007 is verhuurd aan [betrokkene 1] (de buurvrouw van [medeverdachte]).

8 Deze overnameovereenkomst vermeldt dat [betrokkene 1] met ingang van 1 maart 2007 de onderneming [A], gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats], voor een bedrag van € 6.000,- heeft overgenomen van [medeverdachte] en dat zij van dat bedrag al € 3.000,- aan hem zou hebben betaald.