Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO4059

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
09/02271
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO4059
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/129
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02271

Mr. Vegter

Zitting 9 november 2010

Conclusie inzake:

[verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 20 mei 2009 met aanvulling van gronden bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Dordrecht van 2 juli 2008, waarbij de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr.

2. Namens verdachte heeft mr. R. Herregodts, advocaat te Breda, cassatie ingesteld. Mr. A.W.A.P Doesburg, advocaat te Breda, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van een getuige [betrokkene 1] onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

4. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2009 blijkt dat de raadsman het volgende heeft aangevoerd:

"Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde bepleit de raadsman dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen, nu de verklaringen van [betrokkene 1] niet betrouwbaar zijn. De raadsman bepleit op grond hiervan primair vrijspraak. Subsidiar verzoekt de raadsman [betrokkene 1] als getuige ter terechtzitting te horen, teneinde de betrouwbaarheid van haar verklaringen te kunnen beoordelen."

5. In het bestreden arrest heeft het Hof het in het middel bedoelde verzoek van de raadsman als volgt samengevat en afgewezen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een verzoek gedaan tot het horen van de getuige [betrokkene 1]. Allereerst stelt het hof vast dat, gelet op het tijdstip van het indienen van dit verzoek, het noodzaakcriterium van toepassing is. Voorts stelt het hof vast dat het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde niet enkel wordt geleverd door de verklaring van [betrokkene 1]. Naar oordeel van het hof bestaat er geen noodzaak [betrokkene 1] als getuige te horen. Derhalve wordt het verzoek afgewezen."

6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof de verwerping van het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen, onbegrijpelijk althans onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert de steller van het middel aan dat uit de pleitnotitie blijkt dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen van [betrokkene 1] de enige bewijsmiddelen zijn waaruit kan worden afgeleid dat de ter discussie staande bescheiden valselijk/vervalst zijn opgemaakt.(2) Door te overwegen dat het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde feit niet enkel wordt geleverd door de verklaring van [betrokkene 1], zonder daarbij aan te geven welke andere bewijsmiddelen dit dan zijn, heeft het Hof zijn afwijzing van het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Dit zou moeten leiden tot nietigheid van het bestreden arrest.

7. Het ter terechtzitting gedane verzoek van de raadsman om [betrokkene 1] als getuige te horen moet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 328 Sv juncto artikel 415 Sv. Maatstaf voor de beoordeling van zodanig verzoek is ingevolge artikel 418, derde lid, Sv of de noodzaak daarvan is gebleken.(3) Het Hof heeft, door te overwegen dat gezien het tijdstip van het indienen van het verzoek het noodzaakcriterium van toepassing is, dan ook de juiste maatstaf gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek van de raadsman. De wet bevat ingeval van afwijzing van een getuigenverzoek op grond van artikel 418, derde lid, Sv geen bijzondere motiveringsverplichting.(4) Onmiskenbaar is er in de rechtspraak van uw Raad de ontwikkeling te bespeuren onder omstandigheden (nadere) motivering te eisen. Dit is onder andere het geval wanneer de verdediging haar verzoek tot het horen van de getuige behoorlijk heeft onderbouwd.(5)

8. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 6 mei 2009 blijkt dat aan het verzoek van de raadsman ten grondslag ligt dat de bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 1](6) niet betrouwbaar zouden zijn. Uit het vermelde proces-verbaal blijkt niet dat de raadsman het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] op enigerlei wijze nader heeft onderbouwd. Aldus zijn er geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een reden geven om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] te gaan twijfelen. Het Hof heeft deze verklaringen kennelijk betrouwbaar geacht, nu het Hof de verklaringen - door het vonnis van de Politierechter te bevestigen - voor het bewijs heeft gebezigd. Door te overwegen dat het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit niet enkel wordt geleverd door de verklaringen van [betrokkene 1], heeft het Hof de afwijzing van het verzoek van de raadsman toereikend gemotiveerd. Gelet op de uiterst summiere inhoud van het verzoek, was het Hof niet gehouden om de verwerping van dat verzoek nader te motiveren.

9. Voor zover in de toelichting op het middel ter onderbouwing van het verzoek wordt betoogd dat de valsheid van "de ter discussie staande bescheiden" alleen kan worden afgeleid uit de verklaringen van [betrokkene 1], miskent de steller van het middel dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 6 mei 2009 niet blijkt dat dit argument ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Voor het Hof was er dus geen enkele aanleiding om op de vraag in te gaan of de valsheid zelf uitsluitend beruste op de verklaring van Cuperus. Dat het Hof volstond met de overweging dat het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde niet enkel wordt geleverd door de verklaring van [betrokkene 1] is niet onvoldoende of onbegrijpelijk in het licht van hetgeen werd aangevoerd.

10. Het voorgestelde middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak betreffende [medeverdachte] (09/02272), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 De steller van het middel verwijst naar een ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie. Bij de stukken van het geding bevindt zich geen pleitnotitie en uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 2009 blijkt niet dat de raadsman een pleitnotitie heeft overgelegd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 6 mei 2009 blijkt dat het verzoek bij pleidooi is gedaan en wel subsidiair voor het geval het Hof verdachte niet zal vrijspreken van het tweede ten laste gelegde feit.

3 Vgl. HR 16 september 2008, LJN: BD3688, NJ 2008/513, rov. 3.3. Vgl. ook: HR 19 juni 2007, LJN: AZ1702, NJ 2007/626, rov. 3.3.1 en HR 6 april 2010, LJN: BL 4158, NJ 2010/916, rov. 2.4.1.

4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 18 maart 2003, LJN: AF3828 onder 3.3.

5 HR 14 september 1992, LJN: ZC9091, NJ 1993/53 m.nt. C., rov. 5.4 en HR 6 april 2010, LJN: BL4178, NJ 2010/219, rov. 2.4.2.

6 Proces-verbaal van de Politie Zuid-Holland Zuid, PL nummer 1820/07-043662, d.d. 16 december 2007 (bewijsmiddel 6 in het door het Hof bevestigde vonnis van de Politierechter) en proces-verbaal van de Politie Zuid-Holland Zuid, PL nummer 1820/07-043662, 21 december 2007 (bewijsmiddel 8 in het door het Hof bevestigde vonnis van de Politierechter).