Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO3975

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
04-01-2011
Zaaknummer
09/00135
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO3975
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/124
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/00135

Mr. Machielse

Zitting: 9 november 2010 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte bij arrest van 17 december 2008 wegens 1 "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", 2 en 4 primair "Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", 3 primair "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 6 "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens verdachte een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het onder 3 en 4 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4. Ten laste van verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"3. hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 27 februari 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal 168 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 27 februari 2007 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid stroom toebehorende aan Eneco Netbeheer BV."

5. De bewezenverklaring van deze feiten steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"11. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2008, voorzover luidende -zakelijk weergegeven-:

Ik heb de woning aan de [a-straat 1] gehuurd. [betrokkene 1] en zijn vrouw gingen er wonen. Ik ken [betrokkene 1] via [betrokkene 2]. [betrokkene 1] heeft mij € 1.000,00 betaald toen hij er ging wonen. Ook heb ik een contract met Eneco gesloten.

12. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, nr. PL1533/2007/6010-5, d.d. 21 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar (blz. 972-977):

Begin februari 2007 werd mij bekend dat schilders hadden gezien dat er aluminium slangen aanwezig waren in perceel [a-straat 1] te Den Haag. Daardoor ontstond het vermoeden dat er een hennepkwekerij zou zitten in dit perceel.

Vervolgens heb ik samen met een medewerker van Eneco een nader onderzoek ingesteld. Op 19 februari 2007 waren wij daar ter plaatse. Middels een warmtecamera werd bij de binnenmuur een grote warmtebron waargenomen. Daarnaast werd aan de buitenzijde bij het balkon eveneens een grote warmtebron waargenomen. Een onbekend gebleven buurtbewoner verklaarde dat af en toe twee personen met Zuid-europees uiterlijk een half uurtje binnen waren.

13. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, nr. PL1533/2007/6010-7, d.d. 27 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar (blz. 978-984):

Op 27 februari 2007 werd ik belast met de ontmanteling van een in werking zijnde hennepkwekerij. Deze kwekerij werd aangetroffen op de [a-straat 1] te Den Haag. In totaal werden er 168 hennepplanten aangetroffen. Deze planten hadden een hoogte van ongeveer 25 centimeter. Alle hennepplanten werden door middel van een irrigatiesysteem, komende vanaf een waterbak, voorzien van vloeistof.

14. Het proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming van de politie Haaglanden, nr. PL1533/2007/6010-9, d.d. 27 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar (blz. 952-954):

Op 27 februari 2007 werd op de [a-straat 1] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

- 168 hennepplanten.

15. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, nr. PL1533/2007/6010-N, d.d. 1 maart 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en J.[verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaren (blz. 985):

Op 1 maart 2007 hebben wij een gedeelte van de op 27 februari 2007 in perceel [a-straat 1] te 's-Gravenhage in beslag genomen partij hennep onderzocht. Het betrof hier de vrouwelijke hennepplanten. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en strafbaar gesteld in artikel 3 van de Opiumwet.

16. Een geschrift, te weten een rapportage diefstal energie, d.d. 6 maart 2007, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2]. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

de aangifte door [betrokkene 3] namens Eneco Netbeheer B.V.

(blz. 989-996):

Ik doe aangifte van diefstal van elektriciteit in het pand aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Op 27 februari 2007 was ik aanwezig in genoemd pand. Ik zag dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Ik zag dat er twee hoofdzekeringen van 35 ampère waren bijgeplaatst. Ik zag dat er aan de hoofdzekeringen een vieraderige elektriciteitskabel was bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel was aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze elektriciteitskabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Bij het volgen van de elektriciteitskabel zag ik dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien. Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een laag stof zaten, wat er op duidt dat deze al een langere tijd aanwezig waren. Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters was door het gebruik in de hennepkwekerij dermate vervuild dat de filters minimaal 2 a 3 hennepoogsten in werking zijn geweest. De koolstoffilter was matig vervuild en uit het feit dat onder de banden waaraan deze waren opgehangen geen vervuiling is aangetroffen blijkt dat de vervuiling ter plaatse is ontstaan. Ik zag dat de afvoergoten voorzien waren van een kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de

hennepkwekerij. Toen ik in het watervat keek dat diende voor de watertoevoer bestemd voor de hennepkwekerij zag ik dat de zijkant voorzien was van kalkaanslag, wat duidt op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerij. Het energiecontract voor genoemd pand is afgesloten op naam van [verdachte].

17. Een geschrift, te weten een huurovereenkomst woonruimte, welk geschrift onder meer inhoudt -zakelijk weergegeven- de op 28 augustus 2006 ondertekende overeenkomst door verdachte [verdachte] (blz. 997-1002):

Verhuurder en [verdachte], hierna te noemen huurder, zijn overeengekomen dat huurder de woonruimte [a-straat 1] te Den Haag huurt van verhuurder vanaf 1 september 2006."

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat verdachtes raadsman aldaar vrijspraak van het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft bepleit en hij daartoe heeft aangevoerd dat verdachte het pand aan de [a-straat] slechts huurde en de overeenkomst met Eneco slechts voor een ander is aangegaan. Het Hof heeft deze stellingen "in genen delen aannemelijk" geacht en heeft het verweer op die grond verworpen.

7. De bewezenverklaring van het medeplegen van het opiumdelict vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat tussen verdachte en zijn mededader een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan, die was gericht op het aanwezig hebben van hennepplanten. Ook voor de bewezenverklaring van diefstal tezamen en in vereniging met een ander is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en die ander gezamenlijk en met een gezamenlijk opzet de electriciteit hebben ontvreemd.

8. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen valt op te maken dat verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode het pand aan de [a-straat 1] heeft gehuurd, dat hij met Eneco een overeenkomst had voor de energielevering op dat adres en dat hij het pand op enig moment tegen betaling aan "[betrokkene 1]"(1) en diens echtgenote heeft onderverhuurd. Enige nadere betrokkenheid van de zijde van verdachte bij de langdurig in bedrijf zijnde hennepkwekerij en het aftappen van elektriciteit op de [a-straat 1] kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid.

9. Mijns inziens kan deze bewijsconstructie niet zonder meer het oordeel dragen, dat verdachte als medepleger van het onder 3 bewezenverklaarde opiumdelict en de onder 4 bewezenverklaarde diefstal moet worden aangemerkt. De enkele, uit de bewijsmiddelen volgende, omstandigheden dat verdachte officieel de huurder was van een woning waarin een hennepkwekerij is aangetroffen en dat hij het contract met het energiebedrijf heeft gesloten, zijn onvoldoende om een zo bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een ander te kunnen aannemen, dat er sprake is van medeplegen van het opiumdelict en van diefstal door twee personen.(2)

10. De bewezenverklaring van het onder 3 en onder 4 tenlastegelegde is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de ten aanzien van het onder 3 en 4 primair tenlastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Verdachte zal de in de tenlastelegging genoemde [betrokkene 1] hebben bedoeld.

2 Vgl. HR 9 februari 2010, LJN BJ9930, HR 3 november 2009, LJN BJ9631, NJ 2010/335 en LJN BJ 6944, NJ 2010/336, m.nt. Borgers, HR 3 juni 2008, LJN BD2932 en HR 30 mei 2006, LJN AV2344.