Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO3969

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
08/04483
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO3969
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Middelen over medeplegen, voortgezette handeling en criminele (inbraak) organisatie falen en kunnen naar het oordeel van de AG worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 08/04483

Mr. Vegter

Zitting 9 november 2010

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 10 oktober 2008 ter zake van feit 2 "diefstal door twee of meer verenigde personen, en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels", feit 7 "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels" en feit 8 "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", feit 9 "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken", feit 10 "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels" en feit 11 "deelneming aan een organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en twee maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de bewaring van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelast, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest. Het Hof heeft tevens de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen en verdachte de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van EUR 250,-- te vervangen door 5 dagen hechtenis ten behoeve van [benadeelde 1] opgelegd. Het Hof heeft voorts benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. […] , administratief ambtenaar bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, heeft daartoe door verdachte bij bijzondere volmacht gemachtigd, beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat te Breda, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat verdachtes recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de cassatiefase is geschonden, omdat het, nadat op 15 oktober 2008 cassatieberoep was ingesteld, langer dan acht maanden, namelijk tot 12 augustus 2009, heeft geduurd alvorens het dossier ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.

4. De stukken van het geding zijn op 12 augustus 2009 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat betekent dat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Daarbij merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad de zaak ook niet meer binnen twee jaar na het instellen van het beroep zal kunnen afdoen. Het eerste middel is dus gegrond, wat zal moeten leiden tot strafvermindering.(1)

5. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2.

6. Ten laste van verdachte is onder feit 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 17 juli 2006 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [a-straat 1] aldaar heeft weggenomen autosleutels en een bankpas, toebehorende aan [benadeelde 1] ; en hij op op 17 juli 2006 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Opel Vectra, kenteken [00-00-00] ) en een radio-cdspeler (merk Kenwood) en twee kinderzitjes en 10 cd's en twee zonnebrillen en een wandelwagen en een verbanddoos en kleding en een deken en gereedschap en speelgoed, toebehorende aan [benadeelde 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van een (uit de woning van voornoemde [benadeelde 1] ) gestolen autosleutel."

7. Daartoe heeft het Hof de navolgende bewijsmiddelen gebezigd:

"3. Het ambtsedige proces-verbaal van aangifte van de regiopolitie Brabant-Noord, mutatienummer PL2152/06-198928, d.d. 31 juli 2006, opgemaakt door [verbalisant 8] , hoofdagent van politie, alsmede de daarbij gevoegde goederenbijlage (paragraaf 3.73.4 van het dossier met kenmerk [001] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [benadeelde 1] :

Ik doe aangifte van inbraak. Het weggenomen goed behoort mij geheel in eigendom toe. Niemand had het recht of toestemming het goed weg te nemen. Ik ben eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . Vannacht, 17 juli 2006, omstreeks 0.30 uur zijn we gaan slapen. Vanmorgen ontdekte ik dat er was ingebroken. Uit de keuken werden de autosleutels weggenomen. Met deze sleutels werd vervolgens de auto weggenomen die op de oprit stond. Ook werd een tas met een portemonnee erin uit de keuken weggenomen. Uit de portemonnee was de pinpas weggenomen. De sleutelbos (zonder autosleutel) en de tas met portemonnee (zonder pinpas) vond ik later in de tuin.

De auto die is weggenomen betreft een Opel Vectra Stationwagon, kenteken [00-00-00] . In de auto zat een radio-cdspeler, merk Kenwood. als (verdere) opgave van vermiste goederen:

2 zonnebrillen, wandelwagen, verbanddoos, 1 deken, 2 kinderzitjes, 10 cd's, speelgoed, gereedschap, 2 jassen.

4. Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, mutatienummer PL2233/06-117965, d.d. 7 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , brigadiers van politie, en door één van hen ondertekend (paragraaf 2.2.25 van het dossier met kenmerk [001] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [verdachte] afgelegd op 7 december 2006:

[betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben een donkerblauwe Opel Vectra gehad. Ik was erbij toen deze werd gestolen. [betrokkene 5] heeft [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en mij toen met de auto in [plaats 1] afgezet en is daarna weer teruggereden. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn in de woning geweest. Ze zijn via de achtertuin de woning binnengegaan. Ik stond daar op de uitkijk.

Hier hebben ze een Opel Vectra Stationwagon weggenomen. We zijn met deze auto naar [plaats 2] gereden."

8. Voorts bevat het bestreden arrest de navolgende bijzondere overweging omtrent het bewijs:

"bewijsoverweging m.b.t. feit 2:

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, omdat hem slechts medeplichtigheid aan de woninginbraak kan worden verweten, aangezien hij op de uitkijk stond. Uit de ter zake gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat genoemd op de uitkijk staan in casu moet worden gezien als onderdeel van een ter plaatse kennelijk het best uitkomende, al dan niet stilzwijgende, taakverdeling, zodat in dat licht bezien de bijdrage van verdachte onder het medeplegen zoals is bewezenverklaard valt."

9. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de door het Hof gebruikte nadere bewijsoverweging niet onderscheidend en dus niet redengevend is voor het antwoord op de vraag of er sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid. De door het Hof gevolgde redenering zou voorts niet uit de ter zake van feit 2 gebezigde bewijsmiddelen volgen. Aangevoerd wordt dat, refererend aan de Hullu, Materieel strafrecht (3de druk), p. 454 en 459, het op de uitkijk staan wordt aangemerkt als medeplichtigheid. Nu voorts niet is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij het uitkiezen van de betrokken woning, een van de braakhandelingen of wegnemingshandelingen en in aanmerking nemende dat verdachte niet heeft gedeeld in de buit is de bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd. Refererend aan HR 26 oktober 2004, LJN:AR2187, NJ 2004/682 luidt de conclusie dat er slechts sprake is van medeplichtigheid, hetgeen niet ten laste is gelegd,.

10. Ik begrijp het tweede middel zo dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking niet aanwezig is. Dat er sprake was van bewuste samenwerking wordt niet ter discussie gesteld, maar de vraag is kennelijk of de samenwerking voldoende nauw was om van medeplegen te kunnen spreken. Het Hof spreekt in de bewijsoverweging van 'kennelijk het best uitkomende, al dan niet stilzwijgende, taakverdeling'. Voor het bewijs is de verklaring van verdachte van 7 december 2006 gebruikt (bewijsmiddel 4), hiervoor weergegeven onder 7. Voor de nauwe samenwerking kunnen in het algemeen een aantal omstandigheden in aanmerking worden genomen, waaronder de intensiteit van de samenwerking, de taakverdeling, de rol in voorbereiding, de uitvoering of afhandelingen en het belang van die rol.(2) Zodoende kan "op de uitkijk staan" bij een inbraak onder omstandigheden worden aangemerkt als het medeplegen van die inbraak.(3) Uit de verklaring van verdachte zelf valt af te leiden dat hier het gezegde 'samen uit, samen thuis' heeft gegolden. Verdachte is immers met zijn medeverdachten in [plaats 1] afgezet en is later samen met zijn medeverdachten in een gestolen auto weer vertrokken uit die plaats. Voorts heeft het Hof in de bewijsoverweging nog aandacht besteed aan de taakverdeling. Het Hof noemt die 'het best uitkomend'. Daarin ligt besloten dat het Hof de taakverdeling min of meer toevallig acht en dat de taken verwisselbaar waren. Er moet nu eenmaal iemand op de uitkijk staan en in dit geval was dat toevallig verdachte. Met deze beoordeling heeft het Hof de voor het bewijs van medeplegen geldende criteria niet miskend en ik acht het oordeel van het Hof dan ook niet onbegrijpelijk. Het tweede middel faalt mitsdien.

11. Het derde middel klaagt er in minder gelukkig gekozen bewoordingen over dat het onder 2 bewezenverklaarde niet is aangemerkt als een voortgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sv (bedoeld wordt Sr; PV). Daartoe wordt aangevoerd dat uit de desbetreffende woning een autosleutel is meegenomen, waarmee het in de tenlastelegging genoemde voertuig werd ontvreemd.

12. Het tweede feit is als volgt gekwalificeerd:

"Diefstal door twee of meer verenigde personen, en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels."

13. Het Hof heeft, blijkens de vermelding van art. 57 Sr bij de op grond van artikel 358, vierde lid, Sv aangehaalde toepasselijke voorschriften, aangenomen dat sprake was van meerdaadse samenloop. Er kan dus inderdaad van uit worden gegaan dat het Hof oordeelde dat niet van voortgezette handeling sprake was. Het middel houdt ook niet in dat zulks in feitelijke instantie naar voren is gebracht en evenmin waarom in het onderhavige geval niet anders geoordeeld kan worden dan dat er sprake was van een voortgezette handeling. Ik meen dat het Hof wel tot het oordeel kon komen dat sprake was van meerdaadse samenloop. Voor een 'zodanig verband' als bedoeld in artikel 56 Sr pleit weliswaar de gelijksoortigheid van de gedragingen, maar er zijn geen aanwijzingen dat geen andere conclusie mogelijk was dan de slotsom dat sprake was van één ongeoorloofd wilsbesluit. Het gaat hier in hoofdzaak om een feitelijke vaststelling en dat betekent dat er in cassatie zeer beperkte ruimte voor toetsing is.(4) Bij gebreke van onbegrijpelijkheid van de beoordeling door het Hof, faalt het derde middel eveneens.

14. Het vierde middel klaagt over de motivering van het onder feit 11 bewezenverklaarde feit.

15. Ten laste van de verdachte is onder feit 11 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 17 juli 2006 tot en met 20 november 2006 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband met [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het plegen van diefstallen (van voertuigen en andere goederen) al dan niet door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of door middel van een valse sleutel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en

- het plegen van opzetheling van gestolen goederen, niet zijnde voertuigen."

16. Daartoe heeft het Hof de navolgende bewijsmiddelen gebezigd:

"feit 11)

25. De ambtsedige processen-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgemaakt door de in die processen-verbaal genoemde verbalisanten van politie en opgenomen onder de hierna te melden paragrafen van het dossier met kenmerk [001] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 6] :

(paragraaf 2.3.9) Noem mij maar [betrokkene 6] , zo noemen mijn vrienden mij ook.

Ik ken [betrokkene 1] en [betrokkene 4] . [betrokkene 1] is niet zijn echte naam. Dat is namelijk [A] , doch ik noem hem [betrokkene 1] . [betrokkene 4] is in mei of juni 2006 in Nederland gekomen. [betrokkene 1] is in 2003 of 2004 naar Nederland gekomen.

Ik ben wel eens op de [b-straat] geweest bij [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] . Ik heb een aantal keren [betrokkene 1] en [betrokkene 4] weggebracht naar diverse plaatsen in Zuid Nederland. Dit was enkele maanden terug (hof: deze verklaring is afgelegd op 22 november 2006). Zij gaven aan waar ik moest stoppen en zij stapten uit de auto. Zij kwamen later terug. Voor dit rijden kreeg ik een horloge. Een andere keer heb ik ook wel eens een laptop gekregen voor het rijden. Deze kon ik dan verkopen om zodoende geld te maken. Ook heb ik een keer een tv van hen gekregen. Dit was ongeveer eenmaal per week. Van [betrokkene 1] heb ik 30.000 euro in een envelop gekregen. Dit geld moest ik voor hem bewaren. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij dit geld ergens boven in mijn woning mocht verstoppen. Dit heeft hij ook gedaan.

(paragraaf 2.3.13) Het begon 5 of 6 maanden geleden (hof: deze verklaring is afgelegd op 5 december 2006), toen [betrokkene 4] in Nederland kwam. [betrokkene 4] belde mij elke dag op en zei breng mij hier of daar naartoe. Ik deed dat. Het was altijd na 17.00 uur. Na ongeveer een maand wist ik wel dat ze gingen inbreken. Later hebben ze mij dat ook gezegd. Vaak gingen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] mee. Ik heb ze wel eens alle drie afgezet.

Als wij op pad gingen dan zeiden ze bijvoorbeeld rij maar een stuk richting Eindhoven en dan kwamen wij in een dorp en dan zeiden ze stop maar hier. Ik heb veel dingen van die jongens gekregen, telefoon, horloge van [betrokkene 1] . Ik heb ooit een tv gekregen van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] . Ze vroegen mij of ik winst kon maken op die tv. Ik heb 50 of 60 euro winst gemaakt.

Er was een Marokkaan. Ik heb aan hem drie telefoons verkocht die ik van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] gekregen had. Ik wist dat die telefoons van diefstal afkomstig waren. Een laptop heb ik ook gekregen van [betrokkene 4] of [betrokkene 1] voor het rijden. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] noemden een prijs die het gestolen goed moest opleveren en ik wilde daar winst op maken.

Ik heb ook sieraden zien liggen bij [betrokkene 4] en [betrokkene 1] boven. Het ging om kleine dingen, zoals ringen en oorbellen en armbanden. Ik wist dat dat buit was van inbraken. Het tijdstip van de inbraken was meestal rond of na 18.00 uur, als het donker was.

(paragraaf 2.3.14: naar aanleiding van het tonen aan de verdachte van de foto van [betrokkene 9] , die als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd). Dat is de man die ik vaker op de kamer van [betrokkene 4] en [betrokkene 12] gezien heb. Ik heb hem voor het laatst ongeveer een maand geleden gezien.

Ik heb aan hem eens drie gsm's verkocht. Het waren gestolen gsm's. Ik zat toen met [betrokkene 12] in de auto en [betrokkene 12] belde hem op. De man kwam toen naar de auto en kocht de gsm's. Ik heb toen 200 euro gevangen voor de gsm's. Het was op een parkeerplaats in [plaats 2] . Hij komt vaak bij [betrokkene 4] en [betrokkene 12] . Ik heb hem daar heel vaak gezien. Ik heb hem zeker in augustus 2006 bij [betrokkene 12] en [betrokkene 4] gezien.

(paragraaf 2.3.15) Ik ben zeker vijf maanden geleden als chauffeur tijdens inbraken begonnen. [betrokkene 4] , [betrokkene 12] en [betrokkene 3] hebben het inbreken aan mij geleerd. Drie à vier dagen voordat wij door de politie opgepakt werden heb ik voor het laatst ingebroken. Dat was met [betrokkene 12] .

(paragraaf 2.3.18) Met inbreken ging het als volgt. [betrokkene 12] en [betrokkene 4] belden mij en zeiden "kom koffie drinken" of zoiets, dan wist ik dat wij gingen inbreken. Met koffie drinken bedoelden ze inbreken, dat wist ik. [betrokkene 12] had altijd een schroevendraaier bij zich.

[betrokkene 4] , [betrokkene 12] en [betrokkene 3] gaan al 5 maanden samen op pad.

(paragraaf 2.3.21) Toen [betrokkene 4] kwam werd ik meegetrokken. Toen [betrokkene 3] ook nog kwam werd het nog erger. De inbraken namen toen toe.

(paragraaf 2.3.25) De Marokkaan (het hof begrijpt: [betrokkene 9] ) waar ik over verklaarde kwam wel vaak bij [betrokkene 4] en [betrokkene 12] . Ik zag de Marokkaan zonder tas binnen komen en met tas vertrekken. Voor mij was het duidelijk dat hij gestolen spullen in de tas had. Ik heb die Marokkaan vaak gezien bij [betrokkene 4] en [betrokkene 12] .

(paragraaf 2.3.29) Meestal ging ik op de koffie op de [b-straat] en dan werd aldaar het plan gemaakt om op inbrekerspad te gaan. De jongens vroegen aan mij of ik ze wilde wegbrengen. Ik bracht ze dan vaak naar dorpen gelegen aan de snelweg. Het inbreken gebeurde altijd aan de achterzijde van een woning. Wij keken dan naar woningen waar geen licht brandde. [betrokkene 1] had vaak een schroevendraaier bij zich. [betrokkene 1] en [betrokkene 4] droegen bijna altijd handschoenen.

Ik heb nooit iemand anders op de [b-straat] gezien dan [betrokkene 9] welke de gestolen spullen kocht.

(paragraaf 2.3.31) Voor het wegbrengen kreeg ik meestal 20 à 30 euro. Als ik zelf mee inbrak kreeg ik altijd een gedeelte van de buit of geld na de verkoop. (paragraaf 2.3.32) Ik denk dat ik ongeveer 45 keer voor hen heb gereden.

Als wij gingen inbreken dan werd ik gebeld en vroeg [betrokkene 4] of ik wilde rijden. De buit werd verdeeld naar gelang het risico. Ik was meestal de chauffeur en kreeg dus minder dan de mensen die daadwerkelijk hadden ingebroken. De keren dat ik wel naar binnen ben gegaan bij een inbraak kreeg ik een even groot deel als de anderen.

26. De ambtsedige processen-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgemaakt door de in die processen-verbaal genoemde verbalisanten van politie en opgenomen onder de hierna te melden paragrafen van het dossier met kenmerk [001] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [verdachte] :

(paragraaf 2.2.12) Ik slaap op de bovenste verdieping van de [b-straat] te [plaats 2] . [betrokkene 4] heeft een tijdje bij mij op de kamer geslapen doch is ongeveer 2 weken geleden een verdieping naar beneden gegaan en slaapt nu bij [betrokkene 3] op de kamer. De kleding die in de kast op mijn slaapkamer, als je binnenkomt rechts, staat is van mij. De gestolen goederen die in deze kleding zijn aangetroffen zijn ook van mij. Het geld bij [betrokkene 6] op zolder is van mij. Een deel daarvan is afkomstig van inbraken. De 500 euro biljetten heb ik ontvangen van een man aan wie ik goederen verkocht. Ik verkocht goederen aan een Marokkaan uit [plaats 3] . [betrokkene 4] heeft het telefoonnummer van deze Marokkaan. [betrokkene 4] belde deze Marokkaan doch soms kwam hij ook uit zichzelf. We hebben platte tv's en telefoons aan die Marokkaan verkocht. [betrokkene 4] en [betrokkene 3] bepaalden dat er werd ingebroken en waar. Ik heb het inbreken en stelen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] geleerd. De buit werd onder ons, [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en mij, in gelijke delen verdeeld. Als [betrokkene 5] meeging deelde hij ook mee in de buit. (paragraaf 2.2.14) [betrokkene 3] en [betrokkene 4] droegen in de regel handschoenen bij het inbreken. Zodra wij thuis kwamen werd de buit onder ons verdeeld. Ik bewaarde meestal de spullen op mijn kamer. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] verkochten bijna alles aan een Marokkaan [betrokkene 9] genaamd. Dit is de persoon die vaak met bankbiljetten van 500 euro betaalde.

(paragraaf 2.2.15: naar aanleiding van het tonen van foto 13, die bij het proces-verbaal is gevoegd) Dit is de Marokkaan [betrokkene 9] . Dit is de persoon waar ik over verklaarde. Dit is de persoon die van ons gestolen goederen kocht. Dit is ook de persoon waarvan ik bankbiljetten van 500 heb ontvangen voor gestolen goederen die ik aan hem verkocht.

(paragraaf 2.2.33) [betrokkene 5] is vaak met mij op inbrekerspad geweest. Ook ben ik met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] op inbrekerspad geweest. Als ik met [betrokkene 5] alleen ging was dit nooit in de nacht. De keren dat [betrokkene 4] meeging was meestal in de nacht, omdat [betrokkene 4] degene was die in de nacht inbrak.

De keren dat ik met [betrokkene 5] alleen ging was altijd in de buurt van een autosnelweg. De buit bestond meestal uit video- of fotocamera's. De keren dat [betrokkene 4] meeging was meestal wel in de nacht en dat waren meestal ook duurdere woningen. De buit bestond dan naast camera's ook wel uit tv's of laptops. Ook deze woningen lagen aan de autosnelweg.

Ik weet dat [betrokkene 4] en [betrokkene 3] de sim-kaarten ter plaatse verwijderden uit de gsm's.

Het omschudden van tassen en de spullen van waarde meenemen werd alleen door [betrokkene 4] en [betrokkene 3] gedaan. De dure spullen gingen altijd naar hen. Wij gingen gewoon naar een woonwijk meestal in de buurt van een autosnelweg.

Meestal braken wij in aan de achterzijde, maar ook ooit aan de voorzijde. Wij namen altijd één van de eerste straten van het dorp, dus altijd gelegen aan de rand van een dorp. Wij openden huizen op verschillende manieren. Het boren van gaatjes en het verbreken van sloten werd altijd gedaan door [betrokkene 4] of [betrokkene 3] . Ikzelf verbrak ramen en deuren met een schroevendraaier of sloeg een raam in. [betrokkene 4] en [betrokkene 3] hadden een bahcosleutel bij zich om de cilinders te knakken. [betrokkene 5] verbrak ook met een schroevendraaier.

[betrokkene 4] en [betrokkene 3] namen altijd de leiding bij een inbraak.

Als wij gestolen spullen verkochten was dit aan [betrokkene 9] . De auto's werden aan iemand anders verkocht.

(paragraaf 2.2.39) [betrokkene 5] , [betrokkene 4] en ik doen al zeker maanden zaken met [betrokkene 9] .

[betrokkene 9] wist heel goed dat de goederen door ons waren gestolen.

27. De ambtsedige processen-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, opgemaakt door de in die processen-verbaal genoemde verbalisanten van politie en opgenomen onder de hierna te melden paragrafen van het dossier met kenmerk [001] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 7] , adres [b-straat] 18a te [plaats 2] :

(paragraaf 2.1.9) Ik word ook wel eens [B] of [C 1] genoemd, (paragraaf 2.1.12) U hebt mij eerder gevraagd wat voor soort goederen er door mij onder andere werd weggenomen bij woninginbraken. Ik heb u toen gezegd dat dit GSM-telefoons betroffen en geld. Ik wil daar nu bij aanvullen dat door mij bij woninginbraken ook computers en sieraden werden weggenomen. Met computers bedoel ik computers die je open kunt klappen en op je schoot kunt nemen, (paragraaf 2.1.14) Ik heb al verklaard dat ik heb ingebroken. Ik heb dit gedaan samen met [betrokkene 3] , [betrokkene 12] en af en toe met [betrokkene 5] ( [betrokkene 6] ). Ik kan u wel zeggen dat we ooit wel vier avonden per week weg gingen. Dat was dan steeds in wisselende samenstellingen.

Ik zelf brak in door een schroevendraaier tussen een raam te steken. Ik brak meestal een klein raam boven of naast een deur open en klom dan door dat kleine raam naar binnen. Ook brak ik vaak de cilinder doormidden. Ik haalde dan eerst de slotplaat los en brak dan met behulp van een verstelbare sleutel de cilinder kapot. [betrokkene 12] en [betrokkene 3] braken op dezelfde wijze in als ik. Als [betrokkene 5] met ons mee ging stond hij meestal op de uitkijk.

Wij braken soms 's nachts in. De laatste tijd gingen wij vroeg op de avond.

Wij hebben goederen verkocht aan een Marokkaan en een ander. Soms belden wij hem en soms belden ze ons. Dit betroffen telefoons, camera's, platte televisies en laptops.

Voor een gsm kreeg ik altijd 30 euro. Voor een camera maximaal 40 euro, voor een platte televisie maximaal 400 euro en voor een laptop maximaal 200 euro. We gingen 3, 4 keer per week werken. Met werken bedoel ik inbreken. Als we gingen dan pakten we twee of drie huizen per keer. Soms pakten we ook wel vier huizen. Als ik dan voor mezelf ga rekenen dan kom ik op ongeveer 150 inbraken in totaal uit. (paragraaf 2.1.15) Ik ben nu 4,5 tot 5 maanden in Nederland(hof: deze verklaring is afgelegd op 5 december 2006). Bij mijn eerste bezoek in [plaats 2] heb ik [betrokkene 12] leren kennen. [betrokkene 5] en hij waren veel bij elkaar. Ik ben terug gegaan naar [plaats 3] en heb een paar dagen bij [betrokkene 5] verbleven. Tijdens een gesprek tussen mij en [betrokkene 12] heb ik verteld dat ik eigenlijk niet meer bij [betrokkene 5] kon blijven. [betrokkene 12] heeft toen gezegd dat hij met de huisbaas wilde overleggen of ik daar waar hij sliep ook kon slapen. Dat was de [b-straat] (paragraaf 2.1.17) U toont mij een foto met daarop de afbeelding van een man (noot verbalisanten: dit betreft foto nummer 13). Dat is de Marokkaan aan wie ik gestolen goederen verkocht.

(paragraaf 2.1.18) [betrokkene 5] heeft vaak gereden voor [betrokkene 12] en mij. Als we op een plek kwamen dan braken [betrokkene 12] en ik in. [betrokkene 5] bleef in de buurt staan.

Als we gestoord werden dan gingen we naar een ander dorp. Als dat niet gebeurde dan bleven we daar inbreken. Als we dan klaar waren dan gingen we dezelfde avond ook naar een ander dorp om in te breken.

De zwarte Alfa Romeo gebruikten [betrokkene 3] , [betrokkene 12] en ik om in te breken.

We verstopten twee schroevendraaiers en een bahco, die [betrokkene 3] vaak gebruikte, buiten in het plantsoen in de buurt. Voordat we op pad gingen om in te breken gingen we eerst die schroevendraaiers en de bahco halen en dan gingen we weg. De ene keer ging ik als eerste naar binnen, de andere keer [betrokkene 3] . Soms bleef ik buiten, soms een ander.

De keren dat ik ben mee geweest is [betrokkene 5] niet in de woning geweest.

We braken in, gingen naar boven om te kijken en dan naar beneden.

[betrokkene 12] nam de beslissing hoe we moesten rijden en waar we naar toe gingen. Het eerste huis dat we tegen kwamen gingen we naar binnen, mits het donker en/of leeg was. De gestolen goederen werden opgeslagen op de kamer waar ik verbleef. De spullen werden bekeken op de kamer van [betrokkene 12] en dan verkocht. Voor wat betreft de verkoop belde de Marokkaan, want hij wist dat we regelmatig inbraken, kwam langs en keek naar de spullen. Als deze man niet belde dan namen wij, [betrokkene 12] , contact met hem op. Hij kwam regelmatig met de fiets.

Platte tv's gingen naar de Marokkaan in [plaats 2] . Dat is dezelfde als waar ik vanmorgen de foto van heb gezien.

Kleine digitale camera's nam ik mee. De filmcamera's nam ik niet mee, want de Marokkaan wilde deze niet kopen. De digitale filmcamera's wel, die wilde hij wel hebben.

[betrokkene 12] maakte afspraken voor de vaste bedragen die we voor gestolen goederen kregen.

Voor een telefoon kon het wel eens 40 of 50 euro worden, maar vaak standaard 30 euro. Hetzelfde bij de tv's. De Marokkaan betaalde dan 350 euro voor de grote tv's en 200 voor de kleine, ongeacht het merk. (paragraaf 2.1.57) Wij verkochten de door ons weggenomen goederen altijd vrijwel direct. Grofweg 90% van de door ons weggenomen goederen werden aan deze Marokkaan verkocht.

28. Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, mutatienummer PL2233/06-117965, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hoofdagenten van politie (paragraaf 2.4.18 van het dossier met kenmerk [001] ), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: a

ls verklaring van [betrokkene 8] , adres [b-straat] 18a te [plaats 2] :

Het kan zijn dat anderen mij [betrokkene 3] noemen.

29. Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, mutatienummer PL2233/06-117965, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie (paragraaf 2.8.21 van het dossier met kenmerk [001] ), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 9] :

Ik ben bij de Albanezen binnen geweest op de [b-straat] . In de gang liet men dan foto's zien van de goederen en daar vonden dan ook de onderhandelingen over de prijs plaats.

De plaats waar wij afspraken om de goederen op te halen, was altijd dezelfde en was op een zandpad in een bosachtig gebied in de buurt van [plaats 2] . We reden dan de [b-straat] helemaal af richting zuiden. We reden dan een brug over. De plaats lag ongeveer 5 kilometer buiten [plaats 2] .

Ik betaalde de Albanezen. Dit waren altijd [betrokkene 5] en/of [betrokkene 12] .

Ik heb de volgende goederen gekocht van de Albanezen: tv's, allemaal led of plasma, laptops, GSM's: ongeveer 8 à 10 stuks, een navigatiesysteem, videocamera's en fotocamera's.

Ik kocht deze spullen gedurende ongeveer 5 maanden.

Als de Albanezen weer goederen te koop hadden belden ze mij en wij spraken dan af dat ik naar de [b-straat] kwam. Ik bekeek aldaar via foto's de spullen en belde dan naar [betrokkene 13] . [betrokkene 13] kwam dan met zijn auto en wij kochten dan de spullen op een zandpad buiten [plaats 2] .

30. Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, mutatienummer PL2233/06-117965, opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , hoofdagenten van politie (paragraaf 1.27 van het dossier met kenmerk [001] ), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik ben de eigenaar van pizzeria " [C 2] " gelegen aan de [b-straat] 18 te [plaats 2] . Ik verhuur kamers die boven de pizzeria gevestigd zijn. In juni 2006 kwam de huurder [A] . [A] betaalde de huur voor de periode 1-6-06 Tot en met 1-12-06. Ergens in juni of juli 2006 belde [A] mij op en hij vroeg of familie van hem mocht blijven slapen. Ik vond dat goed. Het waren twee jongens. Vanaf juni/juli 2006 sliepen de twee andere jongens regelmatig boven de pizzeria. Ze betaalden mee aan de huur. Het waren allemaal Albanezen. (naar aanleiding van het tonen van foto 1: verdachte [betrokkene 3] links, verdachte [betrokkene 12] rechts):

De persoon rechts op de foto is [A] . De andere jongen is de jongen die hier beneden sliep.

(naar aanleiding van het tonen van foto 4: verdachte [betrokkene 4] ): Dat is de andere jongen die via [A] huurde.

31. Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, mutatienummer PL2233/06-571818, d.d. 7 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie (paragraaf 2.1.27 van het dossier met kenmerk [001] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 7] , afgelegd op 7 december 2006 te 17:23 uur:

U heeft mij gevraagd of ik de afgelopen 4 à 5 maanden gebruik heb gemaakt van andere personenauto's dan waar ik reeds over verklaard heb. Ik kan mij herinneren dat wij een tijd gebruik hebben gemaakt van een Volvo. Ik bedoel met wij [betrokkene 12] en ik. Ik weet nog dat [betrokkene 12] bij mij was ten tijde van de diefstal van die Volvo. Ik weet nog dat we die auto 2 à 3 keer hebben gebruikt om ergens te gaan inbreken.

32. Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, mutatienummer PL2233/06-117965, d.d. 13 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 7] [verbalisant 6] #/hoofdagenten van politie (paragraaf 2.3.24 van het dossier met kenmerk [001] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 6] . afgelegd op 13 december 2006:

Ik weet nog 1 zaak, het is lang geleden. Ik denk zo'n drie maanden terug, ik gok ergens eind augustus, begin september. Ik was op de [b-straat] bij [betrokkene 4] en [betrokkene 12] . [betrokkene 4] zei plots: "We gaan". Ik zei "okay" en liep naar beneden. Toen ik naar beneden wilde lopen zei [betrokkene 4] : "Wacht maar, wij hebben een auto". Het was een ouder model Opel. Toen wij instapten lachten [betrokkene 4] en [betrokkene 12] . Ze keken mij aan en lachten en voor mij was duidelijk dat de auto gestolen was. Wij reden weg richting Venray. Op een gegeven moment pakte [betrokkene 4] een afslag, ergens tussen Venray en Nijmegen. Wij reden een dorp in. [betrokkene 4] stopte de auto en wij stapten alle drie uit. Wij liepen uit het maisveld, voorbij onze auto, naar huizen. Bij een vrijstaand huis aangekomen gingen [betrokkene 4] en [betrokkene 12] achter het huis. Ik wist dat ze gingen inbreken. Eerst ging ik in de struiken voor aan de straatkant staan. [betrokkene 4] en [betrokkene 12] waren achter het huis verdwenen. Ik weet nog dat ik kwaad was, omdat ik met hun in een gestolen auto moest rijden. Ik was die avond ook gewond van een inbraak, vlak voor de inbraak in dit huis. Toen we bij het huis aan kwamen gelopen zagen wij naast het huis een Audi staan. Ik weet dat [betrokkene 4] de woning binnen is gegaan en dat hij daar een laptop weggehaald heeft en dat hij de sleutel van de Audi heeft gepakt. Ik zag dat [betrokkene 4] in de Audi stapte en deze achteruit de inrit uitreed. [betrokkene 4] reed de Audi naar de plek waar onze Opel stond.

33. De weergave van het tapgesprek gevoerd op 8 september 2006 te 20:40:11 uur (paragraaf 2.8.8 van het dossier met kenmerk [001] ), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: [betrokkene 9] (stemherkenning) belt naar [betrokkene 12] (stemherkenning) en ze spreken om 22.30 uur af. [betrokkene 9] zegt dat hij naar [betrokkene 12] komt. [betrokkene 12] zegt tegen [betrokkene 9] dat hij veel geld moet meenemen."

17. Voorts heeft het Hof met betrekking tot feit 11 het volgende nader overwogen:

"Uit de ter zake gebezigde bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van diefstallen en opzetheling en overweegt daartoe het volgende.

In de bewezen verklaarde periode maakte verdachte deel uit van een samenwerkingsverband dat naast verdachte bestond uit [betrokkene 8] , [betrokkene 7] , [betrokkene 6] en [betrokkene 9] , welk samenwerkingsverband met grote frequentie en gedurende geruime tijd diefstallen pleegde en daarbij buitgemaakte voorwerpen doorstootte. Dit samenwerkingsverband legde zich onder meer toe op het plegen van inbraken in woningen. Deze inbraken werden gepleegd door een min of meer vaste kern van dit samenwerkingsverband, waarbij werd gehandeld in wisselende samenstelling, met inwisselbaarheid van rollen.

Door deelnemers aan het samenwerkingsverband werd gesproken van 'koffie drinken' als het plan werd opgevat om in te breken. Vaak werden woningen uitgezocht die gelegen waren in de buurt van een snelweg en/of aan de rand van een dorp. In veel gevallen bediende men zich van een chauffeur ( [betrokkene 6] ). Ook werden buitgemaakte auto's gebruikt om volgende woninginbraken te plegen. Buitgemaakte goederen werden meestal naar de gezamenlijke woning van verdachte, [betrokkene 8] en [betrokkene 7] aan de [b-straat] te [plaats 2] gebracht, aldaar onderling verdeeld en/of vervolgens doorgestoten naar/via een vaste afnemer ( [betrokkene 9] ) tegen min of meer vaste prijzen.

Gelet onder meer op de aard van de diefstallen, de frequentie waarmee die diefstallen werden gepleegd, de veelal vaste kern van personen die de inbraken pleegde, de gevolgde werkwijze, de wijze waarop de buit werd verdeeld en werd afgestoten naar/via een vaste afnemer, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een incidentele samenwerking, maar van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Nu verdachte zelf behoorde tot de vaste kern van het samenwerkingsverband, acht het hof, bezien ook in verband met hetgeen overigens uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan dit samenwerkingsverband heeft deelgenomen.

Hetgeen door de raadsman ter bestrijding van hetgeen hiervoor wordt geconcludeerd, is aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de daaraan voorafgaande overwegingen."

18. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de onder 11 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie niet uit de gebezigde bewijsmiddelen en/of nadere bewijsoverweging is af te leiden. Het Hof zou geen onderscheid hebben gemaakt tussen het meermalen plegen van strafbare feiten in een min of meer vaste samenstelling en het deelnemen aan een criminele organisatie. Aangevoerd wordt dat verdachte bij nog geen 10% van de in totaal bijna 500 diefstallen of inbraken betrokken is geweest. Deze getalsmatige verhouding zou erop wijzen dat er geen sprake is geweest van een duurzaam gestructureerde samenwerking, zoals vereist voor deelneming aan een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr, refererend aan HR 16 oktober 1990, LJN:AD1248, NJ 1991/42, m.nt. C en HR 10 juli 2001, LJN:AD8636, NJ 2001/687, m.nt. Y. Buruma. Voorts betoogt de steller van het middel dat er sprake dient te zijn van een samenwerkingsverband met gemeenschappelijke regels en gemeenschappelijke doestellingen en dat er binnen de organisatie voorts methodes moeten zijn om ervoor te zorgen dat de deelnemers zich aan die regels houden, waarbij wordt verwezen naar een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 oktober 2006, LJN:BA5366, NJFS 2006, 326. Dit samenwerkingsverband moet - refererend aan HR 26 juni 1984, LJN:AC8471, NJ 1985/92, HR 27 november 1985, LJN:AC9122, NJ 1986/389 en HR 10 juli 2001, LJN:AD8636, NJ 2001/687, m.nt. Y. Buruma - volgens de door de deelnemers gestelde regels samenwerken en vervolgens tegenover derden als een eenheid optreden. In onderhavige zaak zouden de belangrijke aspecten die een georganiseerd verband maakt tot een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr ontbreken. Zo is er geen sprake van de vereiste gemeenschappelijke regels en sanctiemethoden; treedt de vaste kern niet als eenheid naar buiten; en delen de deelnemers niet in de buit indien de feiten niet worden medegepleegd. Voorts is het gebruik van een specifieke inbraakmethode (de Bulgaarse methode) niet redengevend, noch het gebruik van een vaste heler, noch het feit dat in min of meer vaste kern in wisselende samenstelling strafbare feiten worden gepleegd. De structuur zou ontbreken en een meer vaste rol/taakverdeling zou niet uit de bewijsmiddelen volgen. Op grond van het vorenstaande concludeert de steller van het middel dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd.

19. Volgens bestendige jurisprudentie moet onder organisatie als bedoeld in art. 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie(5) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.(6)

20. De steller van het middel hanteert onder meer het uitgangspunt dat van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband slechts dan sprake is wanneer binnen dat samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling bestaan, waardoor op de individuele leden druk kan worden uitgeoefend zich aan de regels te houden. Hierdoor miskent de steller van het middel de betekenis van het begrip "organisatie" als bedoeld in art. 140 Sr. Ik verwijs hierbij naar de door de Hoge Raad uitgesproken arresten betreffende de Hofstadgroep(7), alwaar het Hof eenzelfde te strenge maatstaf had aangelegd met betrekking tot de in art. 140 Sr ontleende term "organisatie". Nu de aangedragen argumenten vervat in de toelichting op het middel, zoals hiervoor samengevat onder 18, berusten op een onjuiste opvatting, faalt het middel reeds daarom.

21. Anders dan in het middel voorts wordt gesteld, is voor deelname aan een criminele organisatie voorts niet vereist dat blijkt van betrokkenheid van verdachte bij meer dan 10% van de 500 diefstallen die op het conto van de criminele organisatie worden geschreven. Dat het Hof geen onderscheid maakt tussen in een vaste samenstelling plegen van strafbare feiten (en dus naar ik begrijp een bewezenverklaring voor medeplegen van strafbare feiten) en deelneming aan een criminele organisatie, kan alleen worden verklaard uit de omstandigheid dat van een zekere overlapping tussen beide sprake kan zijn. Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat heel goed ook van een bewezenverklaring ter zake van het meermalen plegen van strafbare feiten in een vaste samenstelling sprake zou kunnen zijn. Het meermalen in een vaste samenstelling plegen van strafbare feiten levert echter een zware bouwsteen voor deelname aan een criminele organisatie. Of er onderscheid moet worden gemaakt en waar het onderscheid precies ligt is vooral afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo kunnen bijvoorbeeld juist strafbare feiten die in de voorbereidingsfase blijven steken meetellen voor de deelname aan de criminele organisatie. Uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte niet zozeer als medepleger meermalen diefstal heeft gepleegd, maar eerder dat verdachte heeft deelgenomen aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, zodat het oordeel van het Hof, dat niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is. Ik wijs er in dit verband op dat de verdachte bij het plegen van de bewezenverklaarde, gedurende een periode van ruim vier maanden gepleegde, misdrijven behoorde tot de vaste kern van een organisatie, die zich met grote frequentie bezighield met het plegen van diefstallen (onder meer inbraken in woningen) en opzetheling. Zo blijkt uit bewijsmiddel 25 (de verklaring van [betrokkene 6] ) dat die [betrokkene 6] gedurende vijf of zes maanden dagelijks verdachte (ook wel [betrokkene 12] of [betrokkene 1] genoemd) en [betrokkene 4] [betrokkene 7] ergens naartoe bracht om in te breken. Ook blijkt daaruit dat verdachte die [betrokkene 6] veel heeft gegeven, onder meer 30.000 euro, een tv, telefoons, horloges en een laptop. Voorts maak ik daaruit op dat de gestolen goederen altijd werden verkocht aan een Marokkaan genaamd [betrokkene 9] . Uit bewijsmiddel 26 (de verklaring van verdachte) blijkt dat hij het inbreken van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] leerde; dat de buit in gelijke delen werd verdeeld; dat de gestolen goederen aan [betrokkene 9] werden verkocht; dat de inbraken meestal werden gepleegd in woonwijken gelegen in de buurt van een autosnelweg; dat meestal aan de achterzijde werd ingebroken; en dat [betrokkene 4] en [betrokkene 3] de leiding namen. Uit bewijsmiddel 27 (de verklaring van [betrokkene 7] leid ik af dat ze (waaronder verdachte) drie tot vier keer per week inbraken in twee tot vier woningen per avond; dat verdachte (" [betrokkene 12] ") de beslissing nam hoe ze moesten rijden en waar ze naar toe gingen; ook maakte [betrokkene 12] afspraken over voor welke vaste bedragen de gestolen goederen werden verkocht. Dit blijkt eveneens uit bewijsmiddel 29 (de verklaring van [betrokkene 9] ); overige aspecten vinden hun bevestiging eveneens in bewijsmiddelen 30 tot en met 33. Het vorenstaande in aanmerking nemende is de nadere bewijsoverweging van het Hof dat, gelet op onder meer de aard van de diefstallen, de frequentie waarmee die diefstallen werden gepleegd, de veelal vaste kern van personen die de inbraken pleegde, de gevolgde werkwijze de wijze waarop de buit werd verdeeld en werd afgestoten naar / via een vaste afnemer er geen sprake is van een incidentele samenwerking maar van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven dan ook niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie is derhalve toereikend gemotiveerd. Het vierde middel faalt mitsdien eveneens.

22. Het eerste middel slaagt. De overige drie in de schriftuur voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende formulering.

23. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak te ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 oktober 2002, LJN:AE7659, NJ 2003/155, m.nt. Y. Buruma.

2 J. De Hullu, Materieel Strafrecht (4de druk), 2009, p. 441.

3 Vgl. para. 14 van de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot AG Wortel voor HR 18 maart 2008, LJN:BC6157, NJ 2008/209 ("Rijswijkse stoeptegelzaak").

4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot AG Jörg voor HR 21 juni 2005, LJN:AT3656 waarin hij verwijst naar onder meer HR 15 mei 1979, NJ 1980/90 rov. 6.1.

5 HR 9 november 2004, LJN:AQ8470

6 HR 29 januari 1991, NJB 1991/49, HR 22 januari 2008, LJN:BB7134, NJ 2008/72, en HR 2 februari 2010, LJN:BK5196 (Hofstad).

7 HR 2 februari 2010, LJN:BK5196 (Hofstad).