Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO3406

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
09/01667
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO3406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte ontvankelijk in het hoger beroep o.g.v. verschoonbare termijnoverschrijding? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AD5268 m.b.t. een verzoek tot uitstel en de onderzoeksplicht van verdachte of zijn verzoek ook daadwerkelijk is ingewilligd. ’s Hofs oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/162
NJB 2011, 354
NJB 2011, 313
NBSTRAF 2011/81
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01667

Mr. Knigge

Zitting 2 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 9 april 2009 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, heeft beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel klaagt dat de niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in zijn hoger beroep ontoereikend is gemotiveerd.

3.2 Het proces-verbaal van de ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2009 houdt het volgende in:

"(...)

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en deelt mede dat de verdachte te laat in hoger beroep is gekomen, aangezien de dagvaarding om te verschijnen op de zitting in eerste aanleg aan de verdachte in persoon is uitgereikt op 29 mei 2008 en de verdachte niet binnen veertien dagen na het vonnis van 21 augustus 2008 hoger beroep heeft ingesteld, maar pas op 8 oktober 2008.

De verdachte deelt mede - zakelijk weergegeven -:

Op 4 juni 2008 heb ik een brief geschreven aan het arrondissementsparket Den Haag, met daarin een gemotiveerd verzoek om de zaak in eerste aanleg, van 21 augustus 2008, aan te houden.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota - kort weergegeven-:

De verdachte heeft op 4 juni een schriftelijk verzoek gedaan tot aanhouding van zijn zaak in eerste aanleg. Op dat verzoekschrift heeft de verdachte geen enkele reactie vernomen. Voorts heeft de verdachte in vorengenoemde brief bezwaar gemaakt op de dagvaarding overeenkomstig het geldende in artikel 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Ook op dat bezwaar is niet gereageerd, des te meer redenen de verdachte had erop te vertrouwen dat op 21 augustus 2008 geen behandeling zou plaatsvinden en de zaak zou worden uitgesteld. Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk.

De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven -:

De verdachte had moeten nagaan of zijn verzoekschrift zou worden ingewilligd.

De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven-:

Nergens uit blijkt dat de brief van verdachte in eerste aanleg in behandeling is genomen.

(...)"

3.3 In de bedoelde pleitnota, die zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, wordt onder meer gesteld dat de brief van de verdachte een bezwaarschrift is in de zin van art. 262 lid 1 Sv en dat de Rechtbank derhalve op grond van art. 250 lid 1 Sv de behandeling van de zaak had moeten uitstellen aangezien nog niet op dat bezwaarschrift was beslist. Verdachte zou er mede daarom op hebben mogen vertrouwen dat de zaak op 21 augustus 2008 niet zou worden behandeld.

3.4 's Hofs arrest houdt in:

"(...)

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd - kort weergegeven - dat de verdachte in kennis gesteld had moeten worden van de beslissing op zijn aanhoudingsverzoek in eerste aanleg. Nu dat niet is gebeurd kan aan de verdachte niet worden verweten dat hij te laat in hoger beroep is gekomen tegen het verstekvonnis en dient de verdachte dus ontvankelijk te worden verklaard in zijn appel.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof verwerpt het verweer. Immers, de dagvaarding van de verdachte om op 21 augustus 2008 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan hem in persoon uitgereikt op 29 mei 2008. Bovendien heeft verdachte - na indiening van zijn schriftelijk verzoek van 4 juni 2008 - nagelaten te informeren naar de beslissing van de rechtbank.

De slotsom moet dan ook zijn dat de verdachte binnen veertien dagen na het op 21 augustus 2008 gewezen vonnis in hoger beroep had moeten komen. Nu verdachte eerst op 8 oktober 2008 hoger beroep heeft ingesteld, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard."

3.5 De steller van het middel voert aan dat het Hof aan de uitdrukkelijk aangevoerde omstandigheden niet voorbij had mogen gaan met de enkele overweging dat verdachte na indiening van zijn schriftelijke verzoek van 4 juni 2008 heeft nagelaten te informeren naar de beslissing van de Rechtbank.

3.6 De door de verdediging gestelde gang van zaken roept twee samenhangende vragen op. De eerste is of de naar het parket gezonden brief van 4 juni 2008 inderdaad opgevat had moeten worden als een bezwaarschrift in de zin van art. 262 Sv.(1) De tweede is of het parket deze brief had moeten doorzenden aan de Rechtbank.(2) Het Hof heeft het antwoord op deze vragen in het midden gelaten. De vraag is of dat meebrengt dat de motivering van de bestreden beslissing tekortschiet. Ik meen dat dit niet het geval is.

3.7 De vraag waarop het aankomt is mijns inziens wat rechtens zou zijn geweest als de verdachte op reguliere wijze - dus op de griffie van de Rechtbank - een als zodanig herkenbaar bezwaarschrift tegen de dagvaarding had ingediend waarop op de dienende rechtsdag nog niet was beslist. Uiteraard had de Rechtbank dan niet tot behandeling van de zaak mogen overgaan. Dat wil evenwel nog niet zeggen dat een overschrijding van de appeltermijn verschoonbaar is als de Rechtbank een fout maakt en de zaak ten onrechte wél behandelt. De stelling dat een verdachte er eenvoudig op mag vertrouwen dat justitie geen fouten maakt, gaat niet op. Als bijvoorbeeld de inleidende dagvaarding om de een of andere reden nietig behoort te worden verklaard, kan de verdachte er niet op vertrouwen dat de rechtbank daartoe inderdaad overgaat.(3) Hij zal - als hij van de zittingsdatum op de hoogte is - tijdig moeten informeren wat er van zijn zaak geworden is. Hetzelfde geldt als de verdachte op te korte termijn is gedagvaard. Ook dan mag de verdachte er niet op vertrouwen dat de rechtbank de zaak overeenkomstig het bepaalde in art. 265 lid 3 Sv zal aanhouden. De verdachte kan, als de rechtbank de zaak ten onrechte behandelt, over die fout in hoger beroep klagen. Hij moet dan wel tijdig beroep hebben ingesteld.

3.8 Ik zie geen reden om anders te oordelen als het om schending van art. 250 lid 1 Sv gaat. Anders dan de steller van het middel meent, is dus niet van belang wat het parket en de Rechtbank met de brief die de verdachte naar het parket zond, hadden moeten doen. De vraag is niet wat de verdachte van de Rechtbank had mogen verwachten (dat is een vraag die pas aan de orde kan komen als het ingestelde hoger beroep ontvankelijk is), maar wat van de verdachte verwacht mag worden als hij gebruik wenst te maken van zijn recht op hoger beroep. Het is mijns inziens ook van een juridische leek niet te veel gevraagd dat hij tijdig informeert wat er van zijn zaak geworden is, ook of misschien wel juist als hij vóór de zitting niets heeft gehoord op de bezwaren die hij tegen de dagvaarding maakte. Dat laatste zou zijn verklaring immers heel wel kunnen vinden in het feit dat er - door wat voor oorzaak dan ook - niets met zijn schrijven was gedaan. Het uitblijven van een reactie levert anders gezegd bepaald geen aanwijzing op dat de bezwaren in enigerlei vorm waren gehonoreerd.

3.9 Het oordeel van het Hof, dat erop neerkomt dat de overschrijding van de appeltermijn niet verschoonbaar is aangezien het op de weg van de verdachte lag om tijdig te informeren of de zaak op de dienende dag werd of was behandeld, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

3.10 Het middel faalt.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Een bevestigend antwoord spreekt mijns inziens niet vanzelf. De tot de Officier van Justitie gerichte brief vermeldde als "Onderwerp" weliswaar "Bezwaarschrift op dagvaarding", maar de bezwaren die daarin werden geformuleerd hadden weinig van doen met de toetsingsgronden die in de bezwaarschriftprocedure van toepassing zijn. Inhoudelijk gezien was van een bezwaarschrift dus geen sprake. Daar komt bij dat de brief uitmondde in het verzoek aan de "rechtbank de zaak te seponeren dan wel uit te stellen". Ik kan mij voorstellen dat de brief op het parket is opgevat als een verzoek om de dagvaarding (al dan niet voorlopig) in te trekken.

2 De Memorie van Toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep van 5 oktober 2006 (Stb. 2006, 470) geeft echter aanleiding daaraan te twijfelen. Ik volsta met een verwijzing naar mijn conclusie vóór HR 14 september 2010, LJN BM5263.

3 Vgl. HR 29 juni 1993, NJ 1994, 68, m.nt. ThWvV en HR 23 september 2003, LJN AF9425.