Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO2959

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/03178
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO2959
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW1994. Verkeersongeval met dodelijke afloop. Tegenstrijdigheid in de bewijsvoering. Het Hof heeft enerzijds overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bijna geheel op de vluchtstrook reed, op het moment dat hij het slachtoffer zag, doch heeft anderzijds als bewijsmiddel gebezigd een deskundigenrapport dat als conclusie onder meer inhoudt dat de de auto van verdachte grotendeels tot volledig op de rechterrijstrook moet hebben gereden op het moment dat hij het slachtoffer waarnam. Voor zover het middel over deze tegenstrijdigheid klaagt, is het terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/336
NJB 2011, 585
VR 2012/96
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03178

Mr. Machielse

Zitting 26 oktober 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arhnem heeft bij arrest van 4 december 2008 verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren. Voorts heeft het hof verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.

3.1 Ik begrijp het middel aldus dat het klaagt over innerlijk tegenstrijdige en/of onbegrijpelijke en/of ongemotiveerde vaststellingen van het hof.

3.2 Het hof heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde bewezenverklaard dat:

"hij op 11 april 2007, te gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden over de rechter rijstrook van de ter plaatse uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de Rijksweg A50, gaande in de richting Arnhem, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam

een voor hem, verdachte rijdende vrachtauto via de gezien zijn verdachtes rijrichting, rechts langs die rechter rijstrook zich bevindende vluchtstrook ter rechter zijde is gaan inhalen en

is gebotst tegen een zich op die vluchtstrook bevindend persoon (het slachtoffer [slachtoffer]) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood"

3.3 Het hof heeft hiertoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

1. Het in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van de verkeerspolitie, unit Wolfheze, opgemaakt proces-verbaal, mutatienummer 2007010414-5, gesloten en getekend op 17 juli

2007, dossierpagina 14-16, voorzover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

"Op woensdag 11 april 2007, omstreeks 14:30 uur, reed ik als bestuurder van de personenauto, [AA-00-BB], over de rijbaan van de autosnelweg de A50 ter hoogte van hectometerpaal 184.4 linker rijbaan, binnen de gemeente Arnhem. Ik reed in de richting Amhem over de rechter rijstrook, met een geschatte snelheid van ongeveer 80 à 90 kilometer per uur. Ik was de enige inzittende van deze auto.

Ik ben werkzaam bij het Shell tankstation [A] aan de A50. Ik had tot 14.00 uur dienst. Ik ben omstreeks 14:00 uur daar vertrokken richting huis. Ik ben hiertoe de A1 opgereden richting Deventer en heb de 1e afslag, afslag Voorst, genomen. Daar ben ik gekeerd en de A1 weer opgereden om vervolgens de A50 op te rijden richting Arnhem. Ik werk sinds twee à drie maanden bij die Shell. Ik rijd deze route elke dag als ik werk, A50 en dan de afslag Arhem-Centrum via de Apeldoomse weg, naar huis. Op een gegeven moment reed ik op de rechterrijstrook tussen 2 vrachtauto's in. Een reed recht voor mij en een reed achter mij. Ik reed zover voor de afslag dat ik nog genoeg ruimte had om die ene vrachtauto, die voor mij reed, nog in te halen en dan gewoon rechts de afslag te kunnen nemen zodat ik normalerwijs gewoon netjes uit kon voegen. De afstand tot de achterkant van de vrachtauto weet ik niet. Toen ik wilde beginnen met inhalen, heb ik mijn snelheid verhoogd en keek vervolgens over mijn linkerschouder. Ik zag toen in mijn ooghoek een auto op de linkerrijstrook. Deze was dichterbij dan ik verwacht had. Ik schrok hiervan. Ik moest corrigeren om niet tegen hem aan te botsen. Ik heb waarschijnlijk een te harde draai aan mijn stuur gegeven om weer op de rechterrijstrook te komen. Hij was heel dichtbij, ik zag die auto toen voor het eerst. Die personenauto, die mij inhaalde, was zo dichtbij dat ik alleen maar de optie had om terug te gaan naar mijn eigen rijbaan. De correctie was redelijk heftig. Ik heb een korte ruk aan mijn stuur gegeven naar rechts. Ik kwam weer op mijn eigen rijstrook. Ik weet de afstand niet tot de achterzijde van de vrachtauto. Ik kan hier ook geen schatting over geven. Op nagenoeg hetzelfde moment zag ik die vrouw daar op de vluchtstrook staan. Ik remde uit alle macht om die vrouw niet aan te rijden.

Het was toen eigenlijk al te laat, want ik botste toen al tegen haar aan. Toen ik haar raakte stond zij met de rug naar mij toe. Ik weet niet of zij liep of dat zij stilstond. Ik had het gevoel dat ze stilstond. Ik gleed naar haar toe door de geblokkeerde wielen. Een fractie van een seconde later brak mijn voorruit. Ik voelde twee klappen heel kort achter elkaar. Ik heb gezien dat die mevrouw door mijn voorruit kwam. Daarna heb ik het niet meer gezien totdat ik tot stilstand kwam. Toen ik weer wist wat er gebeurd was zag ik dat de auto van die vrouw andersom stond. Ik zag dat de auto van haar een heel eind van mij vandaan stond. Ik merkte toen dat de voorruit kapot was. Ik zag dat ik onder het glas zat en wilde zo snel mogelijk uit mijn auto. Ik probeerde het aan de rechterkant. Dit ging niet. Ik ben toen via het linkerportierraam eruit gegaan. Ik ben met mijn hoofd naar beneden de auto uit gegaan. Ik ben daarna direct naar die vrouw gegaan om te kijken hoe het met haar was. Toen ik uit de auto was ben ik meteen over de camera van die vrouw gevallen. Wat me ook opviel was een schoen die vlak voor de auto bij het linkervoorwiel lag. Ik heb geen pylonen gezien. Ik had verwacht dat die vrouw dichterbij zou liggen en niet zo ver weg. Ik keek bij die vrouw of ze nog een teken van leven gaf. Ik hoorde en voelde of er nog een polsslag in de hals was of enig ander teken van leven. Ik ben twee keer bij die vrouw geweest. Ik wist toen dat het niet goed was en ben toen in de berm gaan zitten. Ik heb geen alcohol gebruikt. Ik heb geen drugs gebruikt de afgelopen 24 uur. De avond ervoor heb ik wel geblowd. Ik gebruik geen medicijnen. Ik weet dat drugs en alcohol de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden."

2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van de meervoudige kamer voor strafzaken in het gerechtshof te Arnhem, op 20 november 2008, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven- :

"Ik wist dat ik niet op de vluchtstrook mocht rijden. Ik kan twee afslagen nemen, dus als ik de eerste gemist zou hebben, had ik de tweede kunnen nemen. Ik was echter wel van plan om de eerste afslag, afslag Arnhem-Centrum, te nemen. Op de weg waar ik reed was de toegestane snelheid 120 kilometer per uur. Ik reed echter langzamer dan 120 kilometer per uur. Het klopt dat ik met mijn auto op de vluchtstrook terecht ben gekomen en het slachtoffer heb geraakt met de linkerkant van mijn auto. Haar auto heb ik, nadat ik het slachtoffer had geraakt, met de rechterkant van mijn auto geraakt."

3. Het door B. Boogmans, arts openbare gezondheidszorg, opgemaakte rapport lijkschouwing, gedateerd 12 april 2007, dossierpagina 26-27, voorzover inhoudende:

"Betreft:

Naam : [achternaam verdachte]

Voornamen (voluit) : [voornamen verdachte]

Geboren op: : [geboortedatum]-1976

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Conclusie: niet natuurlijk overlijden als gevolg van een ongeval met een hoog energetisch trauma van buitenaf, zoals een aanrijding met een auto."

4. Het in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van de verkeerspolitie, unit Wolfheze, opgemaakt proces-verbaal, mutatienummer 2007010414-3, gesloten en getekend op 19 april 2007, dossierpagina 20-21, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

"Op woensdag 11 april 2007, omstreeks 14:30 uur, reed ik als bestuurder van de vrachtauto, [CC-00-DD], over de rijbaan van de autosnelweg de A50 ter hoogte van hectometerpaal 184.4 linkerrijbaan, binnen de gemeente Arnhem. Ik reed in de richting Arnhem over de rechter rijstrook, met een geschatte snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur. Ik was de enige inzittende van deze vrachtauto. Er was sprake van een "normaal" verkeersbeeld. Boven de vluchtstrook rechts naast mij, stond een rood kruis op de rijstrooksignalering. Boven de 1e en 2e rijstrook alwaar ik reed, stond niets op de signalering. Ik zag dat op de vluchtstrook, rechts voor mij, een klein autootje stond. Ik zag dat er iemand achter deze auto stond. Ik zag dat deze persoon een oranje jas/vestje droeg, en met de rug in de richting van het verkeer stond. Ik zag dat kort achter de auto een aantal pylonen stond. De eerste stond kort bij de auto en naast de kantstreep. De tweede stond iets verder naar achteren en iets dichter bij de vangrail. Zo stonden er een aantal. De laatste pylon stond het verste weg van de auto en het dichtst bij de vangrail. Op de linkerrijstrook werd ik ingehaald door een andere vrachtauto. Ik ben op de rechterrijstrook uiterst links gaan rijden om niet te kort langs de auto op de vluchtstrook te rijden. Vervolgens zag ik in mijn rechterbuitenspiegel een BMW rechts naast mijn vrachtauto. Ik zag dat de bestuurder van deze BMW heel hard reed. Ik zag dat de bestuurder van de BMW "vol" afremde, de rook kwam van de banden. Ik zag dat de bestuurder met de BMW tegen de persoon reed die achter de auto op de vluchtstrook stond. Ik zag deze persoon door de lucht vliegen. Ik zag dat de bestuurder vervolgens met de voorzijde van de BMW tegen de achterzijde van de auto op de vluchtstrook reed. Ik hoorde een harde knal. Ik ben iets verder op de vluchtstrook gestopt."

Opmerking vooraf:

Voor zover in het navolgende conclusies voorkomen, zijn deze door het hof gecontroleerd en juist bevonden aan de hand van de onderliggende stukken/foto's.

5. Het in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], respectievelijk hoofdagent, brigadier en hoofdagent van de verkeerspolitie, unit Wolfheze, opgemaakte proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, mutatienummer 07-055499, gesloten en getekend op 16 mei 2007, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

"Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de A50, gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Arnhem in de gemeente Arnhem. Het verkeersongeval had plaatsgevonden ter hoogte van hectometerpaal 184.4. De A50 heeft zijn verloop van Arnhem naar Apeldoorn en vice versa. Het ongeval vond gezien de rijrichting van de BMW plaats op een recht weggedeelte van de A50. De rijbaan had een door ons gemeten breedte van circa 12 meter en was door middel van een onderbroken witte streep verdeeld in twee rijstroken. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een vluchtstrook/ spitsstrook die door middel van een doorgetrokken streep was gescheiden van de rijbaan.

Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 120 km/h.

Genoemde weg was voor het openbaar verkeer opengesteld. Wij zagen dat de spitsstrook tijdens ons onderzoek was afgekruist. Na informatie bij de Verkeerscentrale van Rijkswaterstaat bleek dat op woensdag 11 april 2007 tussen 11.07 uur en 17.48 uur de vluchtstrook/spitsstrook was afgekruist tussen hm paal 189.9 en 183.8.

Voor wat betreft de toestand van de weg hebben wij geen bijzonderheden ontdekt die van belang waren in de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval. Ter hoogte van hm paal 184.4 (A50L) bevond zich op de vluchtstrook / spitsstrook een medewerkster van Advin Zuidoost, afdeling Geodesie. Zij verrichtte werkzaamheden met behulp van een laserscanner. Haar voertuig was geplaatst op de vluchtstrook/spitsstrook en aan de achterzijde voorzien van retro-reflecterende markering en alternerende verlichting. Tevens waren een vijftal verkeerskegels geplaatst met een hoogte van 75 cm. Bij onze komst

waren deze kegels verplaatst.

In de rijrichting, die het voertuig, merk BMW direct voor het ongeval gehad moet hebben, zagen wij op het wegdek een recent spoor, namelijk een remblokkeerspoor met een gemeten lengte van ongeveer 38.90 meter (foto 3).

Op een afstand van ongeveer 29 meter, gemeten vanaf het 0-punt (hm-paal 184.4) zagen wij een verdikking in de aftekening van het remblokkeerspoor. Wij zagen dat het remblokkeerspoor daarna licht naar links afboog. Vermoedelijk is op deze plaats de vrouw aangereden (foto 4). Bij deze plaats troffen wij krassporen en sporen van vezels aan. Vermoedelijk zijn deze sporen veroorzaakt door een verkeerskegel (foto 7).

De bestuurder van de BMW heeft gereden over de A50 in de richting Arnhem. Terhoogte van hm-paal 184.4 reed de bestuurder met geblokkeerde wielen de vluchtstrook/spitsstrook op. De noodremming begon terwijl de linkerwielen zich nog juist op rijstrook nummer 2 bevonden. Na 29 meter vanaf het 0-punt reed hij de medewerkster aan en vervolgens botste hij achter op het werkvoertuig en kwam daarna tot stilstand (paragraaf 5.2)."

6. Het door Ir. Ing. R.B.J. Hoogvelt, expert op het gebied van voertuigdynamica en business manager van de In-depth Ongevalsanalyse groep DART (Dutch Accident Research Team) opgemaakt onderzoeksrapport, gesloten en getekend op 3 november 2008, voor zover inhoudende als bevindingen van Hoogvelt, zakelijk weergegeven:

"Het is reëel te stellen dat de equivalente botssnelheid tussen de 65 en 70 km/u is geweest. De bestuurder van de BMW heeft vlak voor het zien van het naderende onheil hoogstwaarschijnlijk met een snelheid van 110 km/u (ondergrens) tot 120 km/u (bovengrens) gereden. Dit komt overeen met een snelheid van 30,6 tot 33,3 m/s. De bestuurder van de BMW heeft de vrouw waargenomen op een afstand van 62 tot 65 m voor de plaats waar hij de vrouw heeft aangereden. In tijd uitgedrukt is dit circa twee seconden. Vervolgens besloot hij met volle kracht te remmen. Gezien de hoek van het remspoor op de vlucht- /spitsstrook moet de BMW grotendeels tot volledig op de rechterrijstrook hebben gereden, op het moment dat de bestuurder de vrouw waarnam. De rijrichting van de BMW was richting de vlucht- /spitsstrook.

De bestuurder van de BMW heeft verklaard dat hij tussen twee vrachtwagens op de rechterrijstrook heeft gereden en dat hij de vrachtwagen voor hem, bestuurd door [betrokkene 1], over de linkerrijstrook wilde passeren, om kort daarna de naderende afslag Arnhem-Centrum te nemen. Aangenomen dat de vrachtwagens waartussen hij reed ongeveer 85 km/u hebben gereden, dan heeft hij zijn BMW moeten versnellen. Hiertoe moet hij ruim tussen de twee vrachtwagens hebben gereden.

Aangetoond is dat de bestuurder van de BMW de vrachtwagen voor hem is genaderd met een rijsnelheid tussen de 110 en 120 km/u. Op het moment dat de bestuurder van de BMW naar de linkerrijbaan wilde gaan, zou hij ineens links van hem een ander voertuig hebben waargenomen. Om die reden zou hij ter correctie van zijn ingezette inhaalmanoeuvre een ruk aan het stuur hebben gegeven. Deze ruk aan het stuur was van dien aard dat de BMW richting de vlucht/spitsstrook reed. Vervolgens zag de bestuurder van de BMW het naderende onheil en besloot hij vol te remmen.

Uit ervaring kan worden gesteld dat bij een snelheid van 110 km/u, echter ook bij de door deskundige Van den Top berekende snelheid van 98 km/u, het niet waarschijnlijk is, dat een dergelijke stuurmanoeuvre, direct gevolgd door een noodstop met blokkerende wielen, een remspoor geeft zoals afgetekend op het wegdek op de vlucht- /spitsstrook.

De remsporen op de vlucht- /spitsstrook, afgetekend door de blokkerende wielen van de BMW, tonen aan dat de BMW vlak voor de noodstop een rechtuitgaande beweging had. De BMW had geen giersnelheid veroorzaakt door een stuurmanoeuvre direct voorafgaand aan de noodstop. Het is niet waarschijnlijk dat de bestuurder van de BMW direct voorafgaand aan de noodstop een ruk aan het stuur heeft gegeven/ een stuurmanoeuvre heeft uitgevoerd, ter correctie van een in gang gezette inhaalmanoeuvre van de vrachtwagen voor hem over de linkerrijstrook en daardoor op de vluchtstrook terecht is gekomen.

Conclusie

Het doel van het onderzoek is de oorzaak /de toedracht van het gegeven ongeval en de daaraan voorafgaande handelingen van bestuurder van de BMW vast te stellen aan de hand van de sporen zoals beschreven in de beschikbare stukken eventueel aangevuld met nieuwe feiten betreffende het ongeval.

Uit de berekening van de snelheid en uit de aftekening van het remspoor van de BMW mag worden geconcludeerd dat:

* de bestuurder van de BMW vlak voor het zien van het naderende onheil hoogstwaarschijnlijk met een snelheid van 110 km/u (ondergrens) tot 120 km/u (bovengrens) heeft gereden;

* de bestuurder van de BMW de vrouw op de vlucht- /spitsstrook heeft waargenomen op een afstand van 62 m tot 65 m voor de plaats waar hij de vrouw heeft aangereden. In tijd uitgedrukt is dit circa twee seconden;

* gezien de hoek van het remspoor op de vlucht- /spitsstrook de BMW grotendeels tot volledig op de rechterrijstrook moet hebben gereden, op het moment dat de bestuurder van de BMW de vrouw waarnam;

* de rijrichting van de BMW richting de vlucht- /spitsstrook was;

* de remsporen op de vlucht- /spitsstrook, afgetekend door de blokkerende wielen van de BMW, aantonen dat de BMW vlak voor de noodstop een rechtuitgaande beweging had;

* de BMW géén giersnelheid had veroorzaakt door een stuurmanoeuvre direct voorafgaand aan de noodstop;

* het niet waarschijnlijk is dat de bestuurder van de BMW direct voorafgaand aan de noodstop een ruk aan het stuur heeft gegeven/ een stuurmanoeuvre heeft uitgevoerd, ter correctie van een in gang gezette inhaalmanoeuvre van de vrachtwagen voor hem over de linkerrijstrook."

De bewijsmiddelen 1, 3, 4, 5 en 6 zijn als bijlage gevoegd bij het in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van de verkeerspolitie, unit Wolfheze, opgemaakt proces-verbaal, mutatienummer 2007010414-, getekend en gesloten op 26 juni 2007.

3.4 Het hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte en zijn raadsman hebben - zakelijk weergegeven - betoogd dat het verkeersgedrag van verdachte niet zodanig is geweest dat hij zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Het enkele terechtkomen op de vluchtstrook kan volgens de raadsman niet worden gekwalificeerd als een grove verkeersfout, zodat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Bovendien heeft het slachtoffer, door met haar rug naar het verkeer te gaan staan, de gevolgen van het ongeval aan zichzelf te wijten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de op te maken aanvulling van dit arrest zullen worden opgenomen, volgt dat verdachte wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden.

Het hof neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking:

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 april 2007 omstreeks 14.30 uur met de door hem bestuurde personenauto reed over de rechterrijstrook van de Rijksweg A50 in de richting van Arnhem. De vluchtstrook langs de A50 was op dat moment afgekruist door middel van een rood kruis tussen hm-palen 189.9 en 183.3 en de maximale

snelheid was aldaar 120 km/u. Het slachtoffer verrichtte op dat moment ter hoogte van hm-paal 184.4 wegwerkzaamheden. Zij had daartoe een bedrijfsauto op de vluchtstrook geplaatst welke auto onder andere was voorzien van retro-reflecterende markering en alternerende verlichting.

Verdachte heeft verklaard dat hij de snelweg via de afslag naar Arnhem-Centrum wilde verlaten. Hij heeft verklaard dat hij tussen twee vrachtwagens in reed en de voor hem rijdende vrachtwagen over de linkerrijstrook wilde inhalen om nadat hij de vrachtwagen voorbij zou zijn de afslag te nemen. Om de vrachtwagen te kunnen inhalen heeft hij zijn snelheid vermeerderd. Toen hij over zijn linkerschouder keek zag hij plots een auto op de linkerrijbaan, die hij nog niet had gezien, toen hij in zijn spiegel keek. Verdachte moest zijn inhaalmanoeuvre afbreken, waarbij hij te heftig corrigeerde en op de vluchtstrook terechtkwam, alwaar het slachtoffer wegwerkzaamheden aan het verrichten was. Verdachte zag het slachtoffer en remde vol af. Dit mocht helaas niet meer baten, aldus verdachte.

Verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd dat verdachte is uitgeweken naar de vluchtstrook toen hij zijn inhaalmanoeuvre te heftig corrigeerde, zodat er sprake is geweest van een noodstop, zijnde een legitiem gebruik van de vluchtstrook.

Gelet op de verklaring van getuige [betrokkene 1] en de rapporten van de getuige-deskundigen - de verkeersongevallenanalyse, aangevuld en gecorrigeerd in het rapport van Ir. Ing. R.B.J. Hoogvelt - acht het hof de verklaring van verdachte niet aannemelijk. Aangenomen wordt dat de vrachtwagens waartussen verdachte reed, reden met een snelheid van ongeveer 85 km/u.

Blijkens de rapportage van Hoogvelt reed verdachte voordat hij het naderende onheil waarnam hoogstwaarschijnlijk tussen de 110 km/u en 120 km/u. De remsporen, afgetekend door de blokkerende wielen van de auto, tonen aan dat de door verdachte bestuurde BMW vlak voor de noodstop een rechtuitgaande beweging had. De remsporen zijn voor het grootste deel afgetekend op de vluchtstrook. Volgens de deskundige is niet aannemelijk dat de bestuurder direct voorafgaand aan de noodstop een ruk aan het stuur heeft gegeven.

Het hof acht aannemelijk dat verdachte nadat hij de inhaalmanoeuvre had afgebroken, de vrachtwagen, die voor hem reed en die bestuurd werd door getuige [betrokkene 1], zeer dicht was genaderd. Getuige [betrokkene 1] nam de door verdachte bestuurde auto in zijn rechterbuitenspiegel waar. Mede gelet op het feit dat verdachte de uitvoegstrook richting Arnhem-Centrum, zijnde de afrit waar verdachte de snelweg wilde verlaten, bijna was genaderd, is het hof ervan overtuigd dat verdachte er voor gekozen heeft de voor hem rijdende vrachtauto rechts over de vluchtstrook te passeren. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij niet op de vluchtstrook mocht rijden. Doordat betrokkene te dicht op de vrachtwagen voor hem reed kon hij de verkeerssituatie op de vluchtstrook op dat moment niet overzien. Op het moment dat hij zich met zijn auto bijna geheel op de vluchtstrook bevond en een aanvang maakte om de voor hem rijdende vrachtauto rechts te passeren, zag hij het slachtoffer op de vluchtstrook staan. Hierop is verdachte vol op de rem gaan staan, waardoor de wielen van de auto blokkeerden. Uit de remsporen valt op te maken dat de rijrichting van de auto van verdachte richting de vluchtstrook was. Hier doet niet aan af dat, gezien de remsporen, verdachte de remhandeling reeds op de rechterrijstrook had ingezet en derhalve toen nog niet geheel op de vluchtstrook reed. Het kan niet anders zijn dan dat hij bijna geheel op de vluchtstrook reed, op het moment dat hij het slachtoffer zag, nu hij zich als bestuurder links in de auto bevond.

Verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd dat het onmogelijk is dat getuige [betrokkene 1], bestuurder van de vrachtauto die op dezelfde rechterrijstrook voor verdachte reed, verdachte rechts van zijn vrachtwagen zag rijden, aangezien verdachte niet op de vluchtstrook heeft gereden, maar daar blijkens de remsporen alleen heeft geremd. Het hof acht gezien het bovenstaande aannemelijk dat verdachte al remmend met geblokkeerde wielen met hoge snelheid de vrachtwagen rechts voorbij is geschoten, waardoor [betrokkene 1] de auto van verdachte rechts van hem zag passeren en tevens de rook die van de

banden af kwam kon waarnemen.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte op 11 april 2007 aldus meerdere verkeersfouten begaan. Verdachte reed in de gegeven situatie te hard en te dicht op de voor hem rijdende vrachtwagen, waardoor zijn zicht op de vluchtstrook werd belemmerd. Verdachte wist dat hij niet op de vluchtstrook mocht rijden. Toch besloot verdachte de vrachtwagen voor hem rechts te passeren, over de vluchtstrook. Deze gedragingen van verdachte zijn naar het oordeel van het hof aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam, zodat sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Dat het slachtoffer met haar rug naar het haar naderende verkeer heeft gestaan en aldus zichzelf de mogelijkheid om tijdig weg te springen heeft ontnomen, maakt de schuld van verdachte niet minder."

3.5 Ten eerste keert het middel zich tegen 's hofs vaststelling dat getuige [betrokkene 1] de door verdachte bestuurde auto in zijn rechterbuitenspiegel heeft waargenomen, terwijl het hof ook aannemelijk heeft geacht dat verdachte, nadat hij de inhaalmanoeuvre had afgebroken, de vrachtwagen die voor hem reed en die bestuurd werd door getuige [betrokkene 1], zeer dicht was genaderd. De steller van het middel acht deze vaststellingen innerlijk tegenstrijdig, nu het voor getuige Nagele onmogelijk is om de auto van verdachte te zien wanneer deze de vrachtwagen van getuige Nagele zeer dicht genaderd is. Ook nu uit de gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddel 6) blijkt dat de remweg reeds ingezet is op de rechter rijhelft en dat maar twee seconden na het remmen op de rechter rijhelft het ongeluk heeft plaatsgevonden, kan getuige Nagele de auto van verdachte niet hebben gezien.

3.6 Vooropgesteld dient te worden dat 's hofs vaststellingen in het domein van waarderingen van feitelijke aard vallen die geen nadere motivering behoeven en in cassatie onaantastbaar zijn, tenzij deze in het licht van de bewezenverklaring manco's of tegenstrijdigheden zouden vertonen. Het hof heeft aannemelijk geacht dat verdachte al remmend met geblokkeerde wielen met hoge snelheid de vrachtwagen rechts voorbij is geschoten, waardoor getuige [betrokkene 1] de auto van verdachte rechts van hem zag passeren en tevens de rook die van de banden af kwam kon waarnemen. De steller van het middel bestrijdt dat Nagele de auto van verdachte rechts van hem heeft kunnen zien. Dat [betrokkene 1] de auto van verdachte op een gegeven moment links van hem heeft gezien, zoals de steller van het middel betoogt, staat in cassatie niet vast. Wel heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 1] met zijn vrachtwagen uiterst links op zijn rijstrook is gaan rijden toen hij de auto en de vrouw die op de vluchtstrook stonden passeerde. Daarbij past dat [betrokkene 1] toen in zijn rechter spiegel de auto van verdachte heeft kunnen zien. Voor zover het middel hierover beoogt te klagen, faalt het.

3.7 Voorts keert het middel zich tegen 's hofs vaststellingen dat het hof ervan is overtuigd dat verdachte ervoor heeft gekozen de voor hem rijdende vrachtauto rechts over de vluchtstrook te passeren en dat verdachte, op het moment dat hij zich met zijn auto bijna geheel op de vluchtstrook bevond en een aanvang maakte om de voor hem rijdende vrachtauto rechts te passeren, het slachtoffer op de vluchtstrook zag staan, nu deze vaststellingen in strijd zijn met een door het hof gebezigd bewijsmiddel (bewijsmiddel 6) te weten het onderzoeksrapport van de deskundige Hoogvelt van 3 november 2008. Volgens de steller van het middel houdt dit bewijsmiddel in dat, gezien de hoek van het remspoor op de vlucht-/spitsstrook de BMW grotendeels tot volledig op de rechterrijstrook moet hebben gereden op het moment dat de bestuurder de vrouw waarnam. Daarnaast zou uit dit bewijsmiddel blijken dat verdachte de vrouw op de vlucht-/spitsstrook heeft waargenomen op een afstand van 62 tot 65 meter voor de plaats waar hij de vrouw heeft aangereden. In tijd uitgedrukt is dat circa twee seconden. Voorts blijkt volgens de steller van het middel uit het bewijsmiddel dat verdachte op de rechter rijstrook reed, naar rechts stuurt en remt en dat vervolgens de remmen blokkeren en dat verdachte de vrouw aanrijdt.

3.8 Het hof heeft overwogen dat verdachte, op het moment dat hij zich met zijn auto bijna geheel op de vluchtstrook bevond en een aanvang maakte om de voor hem rijdende vrachtauto rechts te passeren, het slachtoffer op de vluchtstrook zag staan, waarop verdachte vol op de rem is gaan staan, waardoor de wielen van de auto blokkeerden. Het door het hof gebezigde bewijsmiddel 6, zoals opgenomen onder 3.3, houdt echter in dat, gezien de hoek van het remspoor op de vlucht-/spitsstrook de BMW van verdachte grotendeels tot volledig op de rechterrijstrook moet hebben gereden op het moment dat de bestuurder de vrouw waarnam. Het hof heeft echter gemotiveerd overwogen waarom het, desondanks, van oordeel is dat verdachte reeds een aanvang had gemaakt de voor hem rijdende vrachtauto rechts te passeren. Het hof heeft overwogen dat uit de remsporen valt op te maken dat de rijrichting van de auto van verdachte richting de vluchtstrook was en dat hier niet aan af doet dat, gezien de remsporen, verdachte de remhandeling reeds op de rechterrijstrook had ingezet en derhalve nog niet geheel op de vluchtstrook reed. Hiermee heeft het hof klaarblijkelijk geoordeeld dat verdachte, terwijl hij vanaf de rechter rijstrook naar rechts stuurde om de vrachtwagen rechts in te halen, reeds is begonnen met afremmen alvorens hij de vrouw op de vluchtstrook zag staan en, toen hij de vrouw waarnam en inmiddels grotendeels op de vluchtstrook reed, voluit op de rem is gaan staan waardoor de remmen blokkeerden. Ter onderbouwing van de vaststelling dat verdachte zich met zijn auto bijna geheel op de vluchtstrook bevond toen hij de vrouw zag, merkt het hof daarbij nog op dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bijna geheel op de vluchtstrook reed op het moment dat hij het slachtoffer zag, nu hij zich als bestuurder links in de auto bevond.

De tegenstrijdigheid in de bewijsconstructie schuilt hierin dat de deskundige Hoogvelt heeft verklaard dat verdachte toen hij zich met zijn auto nog op de rechter rijstrook bevond is gaan remmen op het moment dat hij de vrouw op de vluchtstrook zag. Het hof overweegt evenwel dat de verdachte de vrouw eerst zag toen hij zich al op de vluchtstrook bevond. Als de versie van de deskundige Hoogvelt wordt gevolgd is niet goed in te zien dat verdachte, nog (grotendeels) rijdend op de rechter rijstrook en de persoon ziende op de vluchtstrook, toch nog verder de vluchtstrook is opgereden en niet ervoor heeft gezorgd dat hij op de rechter rijstrook is blijven rijden. De versie van het hof lijkt mij wel veel geloofwaardiger. Verdachte breekt een inhaalmanoeuvre af, komt weer achter de vrachtwagen en stuurt dan naar rechts om de vluchtstrook te gaan berijden. Pas als hij op de vluchtstrook rijdt ziet hij voor hem het slachtoffer. Voor deze door het hof geschetste toedracht is het onderdeel uit de verklaring van de deskundige Hoogvelt dat verdachte het slachtoffer heeft gezien terwijl hij nog geheel of grotendeels op de rechter rijstrook reed niet redengevend. Naar mijn mening kan het niet anders zijn dan dat het hof per abuis dit onderdeel van het onderzoeksrapport van de deskundige heeft opgenomen als onderdeel van het bewijsmiddel.

Door verbeterde lezing zou aan deze klacht de feitelijke grondslag komen te ontvallen.

3.9 Voor zover het middel voorts klaagt dat de bewezenverklaarde schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 niet wordt gedragen door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen merk ik het volgende op. In aanmerking genomen de gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen onder 3.3, mits gelezen met de voorgestelde verbetering van een misslag, in samenhang bezien met 's hofs overweging met betrekking tot het bewijs, zoals opgenomen onder 3.4, is ook de bewezenverklaarde schuld voldoende met redenen omkleed.

4. Het middel faalt.

5. Gronden waarop uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden