Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO2958

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
09/03161
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO2958
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tegenstrijdige bewezenverklaringen? Het Hof heeft de tenlastelegging van feit 1 kennelijk aldus opgevat dat daarin verdachte wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met anderen door een of meer van de daarbij tenlastegelegde gedragingen aan X zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, welk letsel hierin heeft bestaan dat het rechteroor van het hoofd van die X is gescheiden. Het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is door het Hof kennelijk aldus opgevat dat verdachte wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met anderen door een of meer van de daarbij tenlastegelegde gedragingen uitvoering heeft gegeven aan het voornemen om die X opzettelijk ander zwaar lichamelijk letsel dan het onder 1 bedoelde letsel toe te brengen. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar. Hetgeen o.g.v. de aldus uitgelegde tenlastelegging is bewezenverklaard is niet tegenstrijdig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/441
NJB 2011, 825
NBSTRAF 2011/139
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03161

Mr. Aben

Zitting 26 oktober 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 22 september 2008, met vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van: de voortgezette handeling van 1. "medeplegen van zware mishandeling" en 2 subsidiair. "medeplegen van poging tot zware mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij bij wijze van voorschot toegewezen tot een bedrag van € 8.475,= en de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Aan de verdachte heeft het hof voor voornoemd bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.V. Hagenaars, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaard dat:

"1.

hij op 10 maart 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] door

• opzettelijk deze [slachtoffer] met een (glazen) (salon)tafel (hard) op het hoofd te slaan

en/of

• opzettelijk een (glazen) (salon)tafel (hard) op het hoofd van deze [slachtoffer] te laten vallen

en/of

• opzettelijk deze [slachtoffer] een of meer (harde) duwen te geven waardoor deze met zijn gelaat op en door een (glazen) (salon)tafel is gevallen

waarbij vorenbedoeld zwaar lichamelijk letsel hierin heeft bestaan dat het rechteroor is gescheiden van het hoofd van voornoemde [slachtoffer].

2 subsidiair.

hij op 10 maart 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

• deze [slachtoffer] meermalen op het hoofd en/of het lichaam hebben geslagen en geschopt en/of

• een (glazen) (salon)tafel, althans een voorwerp, (hard) op het hoofd en/of de rug, althans tegen het lichaam, van deze [slachtoffer] hebben geslagen en/of

• een (glazen) (salon)tafel (hard) op het hoofd van deze [slachtoffer] hebben laten vallen en/of

• deze [slachtoffer] een of meer (harde) duwen hebben gegeven waardoor deze met zijn gelaat op en/of door een (glazen) (salon)tafel is gevallen en/of

• deze [slachtoffer] met kracht bij het shirt hebben vastgegrepen en/of omhooggetrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.2. Die bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de [slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2008, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

"Ik ken [betrokkene 1]. Ik ben via een vriend bij hem op kantoor geweest. Ik ken hem ook van de Turkse vereniging aan de [a-straat] en van het café. Bij de vereniging zag ik hem 2 à 3 keer per week. Ik zag hem voortdurend in de omgeving waar ik leef en woon.

Op 9 maart 2007 was ik in de [A]. Tijdens mijn tweede bezoek aan de [A] kreeg ik ruzie met [betrokkene 1]. Ik werd op een gegeven moment uit de bar gezet. [Betrokkene 1] is naar buiten gekomen en heeft mij vastgepakt. Tijdens het heen en weer duwen ben ik op de grond gevallen en ben toen aan mijn voorhoofd gewond geraakt. Ik ben door de politie naar huis gebracht, dat was rond 01.00 uur.

In mijn woning heb ik nog een film gekeken.

Ik ben overvallen. Die mannen zijn 10 à 15 minuten in mijn woning geweest.

[Betrokkene 1] heeft dit allemaal gepland. [Betrokkene 1] zei: "hij is het". De andere twee personen die bij mij waren kende ik niet. De eerste persoon die mijn woning binnenkwam is niet hier op de zitting aanwezig, dat was een kale man, die had de deur van mijn woning opengemaakt. De buitendeur beneden hebben ze opengebroken. De derde persoon stond bij de ingang van mijn woning bij de deur, het was een man. Ik heb niet het gezicht van de derde man gezien.

Het klopt dat [betrokkene 1] met een wapen mijn woning binnenkwam. Ik heb gezien dat hij een pistool in zijn hand had.

Toen de mannen binnenkwamen zat ik op de bank die recht voor de televisie staat. Ik zag [betrokkene 1] meteen.

De mannen hebben op mij ingeslagen en ik kon alleen iets door mijn vingers zien. Vervolgens hebben ze mij op de glazen salontafel gegooid. Ik kwam met mijn rug op de tafel terecht en het glas van die tafel is daarbij gebroken. Ik heb nog geprobeerd mijn gezicht te beschermen. Ik heb niet gezien dat mijn oor werd afgesneden. Ik zag mijn oor op de grond liggen.

Toen de mannen weggingen hebben ze een stuk van de glazen plaat van de tafel op mij gegooid. Ik hoorde nog dat er '[voornaam verdachte]' werd geroepen toen ze weggingen. Ik heb gedaan alsof ik stervende was, dat is mijn redding geweest omdat ze weggingen. [Betrokkene 1] heeft met het wapen op mijn hoofd geslagen. Ik ben er geheel zeker van dat hij het was.

Na het gebeuren is er nog kontakt met mij geweest over een bemiddeling.

Ik heb de derde persoon niet goed kunnen zien."

2. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 10 maart 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

"Op zaterdag 10 maart 2007 tussen 01:30 uur en 02:40 uur werd op [adres] het feit gepleegd.

Ik lig hier in het ziekenhuis en heb veel pijn in mijn hoofd en in mijn rug. Ook is mijn rechter oor van mijn hoofd af.

Ik hoorde [betrokkene 1] schreeuwen: "Dat is hem!". Ze hebben mij door de glazen salontafel gegooid en hebben mijn televisie en van alles op mij gegooid.

Uiteindelijk gingen ze weg. Ik had vreselijke pijn aan mijn hoofd en bemerkte dat mijn rechter oor van mijn hoofd was gescheiden. Ik had overal pijn.

Tijdens de vechtpartij in mijn woning hoorde ik [betrokkene 1] schreeuwen: "Afmaken afmaken!". Ik heb voor mijn leven gevochten.

Ik heb inmiddels wel begrepen dat ik mijn verdere leven zonder rechter oor moet leven. Het oor kon niet meer aan mijn hoofd worden gezet."

3. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 12 maart 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

"Ik kan u nu de achternaam geven van [betrokkene 1], één van de mannen welke mij heeft mishandeld. De achternaam van [betrokkene 1] is [achternaam verdachte]. Ik heb dit van iemand gehoord welke ook veel in de [A] komt.

Ik zag dat één van de drie mannen bij de deur bleef staan. De andere twee, waaronder [betrokkene 1], hebben mij zwaar mishandeld. De naam van de man welke mij ook heeft mishandeld is [betrokkene 2]. Ik weet dat deze man 1 of 2 jaar geleden de baas is geweest van [B]. Deze man is een brede man, hij is ongeveer 1.65 -1.70 meter lang. Hij is kaal en heeft hij een beetje een rond en bol gezicht. Hij droeg een t-shirt met korte mouwen."

4. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 13 maart 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

"U vertelt mij dat u nu mijn eerdere verklaringen laat voorlezen door de Turkse tolk en vraagt mij om te reageren als ik onjuistheden ontdek in deze verklaringen. Dit is goed.

Ik zag dat de derde man een donkerblauwe spijkerbroek aan had en ik zag dat deze man bij mijn deur bleef staan. Ik moet u wel zeggen dat deze persoon tijdens de hele mishandeling niet naar binnen is gekomen. [Betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben mij mishandeld.

[Betrokkene 2] stond nog steeds tegenover mij en ik zag dat [betrokkene 1] om mij heen was gelopen. Vervolgens voelde ik een harde klap op mijn achterhoofd en door deze klap viel ik op de grond. Ik werd met een hard voorwerp geslagen op mijn achterhoofd. Vervolgens hebben ze mij overal geschopt en geslagen. Ik voelde overal pijn en was erg bang. Ik dacht op een gegeven moment dat zij mij zouden doden. Ze gingen erg op mij tekeer, ik ben soms buiten bewustzijn geweest en andere momenten kwam ik weer bij. Ze hebben mijn salontafel op mijn rug gegooid en bleven mij slaan en schoppen. Ik was helemaal lam geslagen en kon mijzelf niet meer bewegen. Tijdens de mishandeling voelde ik overal bloed lopen, uit mijn hoofd, van mijn gezicht. Ik zag dat mijn oor naast mijn gezicht viel. Ik heb in mijn vorige verklaring verteld dat [betrokkene 1] ongeveer 1.60 meter lang is. Dit moet echter zijn 1.65 à 1.70 meter lang.

Iedereen noemt mij [slachtoffer]."

5. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 29 maart 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben 173 centimeter lang. Ik heb kort haar en ben best wel dik. Ik heb geen snor en geen baard en draag geen bril.

Op 10 maart 2007 heeft er iemand ruzie gemaakt met mij in de [A].

Ik hoorde dat de man riep: "Ik neuk je vrouw, ik neuk je moeder, ik neuk je kinderen en je zus". Dit was duidelijk hoorbaar voor mij. Ik hoorde dat hij mijn naam riep. Ik hoorde dat deze man tegen mij riep dat ik naar buiten moest komen. Ik werd hier boos door. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik eigenlijk naar buiten wilde gaan om met de man te gaan vechten. Ik werd tegen gehouden door mensen in het café. Ik was erg kwaad. Ik zag toen dat [betrokkene 3] de man meenam en wegliep in de richting van de Mathenesserbrug. Toen [betrokkene 3] weer terug zag ik na enkele ogenblikken dat de man weer in het café binnenkwam. Ik zag dat hij naar mij toe kwam rennen. Ik hoorde hem weer roepen: "Ik neuk je moeder en je zus en je vrouw en ook je kinderen". Ik heb [verdachte] hetgeen voorgevallen was verteld. Ik had mijn auto geparkeerd in de buurt van het café. Ik ben weggegaan met de auto."

6. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 26 maart 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte]:

"Op vrijdag 9 maart 2007 ben ik naar de [A] gereden. Toen ik bij het café aankwam zag ik dat een groepje mensen buiten op straat voor het café stond. Ik zag dat mijn broer [betrokkene 1] ook bij het groepje mensen stond. Ik zag dat [betrokkene 1] krassen op zijn gezicht had en onder het bloed zat. Ik zag dat [betrokkene 1] overstuur was. Ik had van een omstander gehoord dat de man bij [betrokkene 4] woonde. Ik wist waar [betrokkene 4] woonde en ben er naar toe gegaan. Ik ben vervolgens naar boven gelopen en heb een deur van een kamer open gedaan. Ik zag daar een man zitten op de bank. De man heette [slachtoffer] (fonetisch)."

7. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 27 maart 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte]:

"Ik heb van de aanwezigen gehoord dat [slachtoffer] mijn broer [betrokkene 1] begon uit te schelden en te beledigen. Hij riep woorden als: "Ik verkracht je moeder voor je eigen ogen en ik neuk je vrouw ook. Ik neuk ook je kinderen voor je ogen". Als je getrouwd bent en je hebt vrouw en kinderen en dit wordt door iemand gezegd in de aanwezigheid van anderen, dan wordt er van je verwacht dat je hier actie op onderneemt. Moeders en vrouwen zijn heilig in onze cultuur. Als je geen actie onderneemt kijkt niemand je meer aan de volgende dag. Het heeft veel met eer te maken van jezelf.

Ik vermoed dat ik omstreeks 01.30 uur bij de woning van [slachtoffer] aankwam."

8. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 3 april 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 5]:

"Ik bevond mij op 9 maart 2007 omstreeks 23.00 uur in de [A]. Op deze avond zag ik een mij onbekende persoon in het café binnenkomen. Ik zag en hoorde dat deze man opeens ruzie kreeg met een man aan de bar die ik ken als [betrokkene 1].

De volgende dag hoorde ik dat de jongen die uit het café was gezet, waar [betrokkene 1] ruzie mee had gehad, in het ziekenhuis lag. Ik heb gehoord dat [betrokkene 1] de ruzie had voortgezet."

9. Een proces-verbaal van verhoor van politie van 6 april 2007, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 6]:

"Mijn neef [slachtoffer] woont op dit moment bij ons in om hem te verzorgen. Ik wil u vertellen dat ik vanuit de Turkse gemeenschap heb gehoord dat één van de daders van deze mishandeling c.q. doodslag, genaamd [betrokkene 1] van plan was om zijn jongere broer, genaamd [verdachte] de straf op zich te laten nemen. De reden hiervoor is dat [betrokkene 1] een aantal zaken heeft en dat hij deze zaken dan niet meer draaiende kan houden als hij moet gaan zitten. Ik kan u ook verklaren dat mijn vader is gebeld door een familielid van de familie [achternaam verdachte]. Ik dacht dat het de opa van [betrokkene 1] was. Deze man vroeg aan mijn vader of hij aan mijn neef door wilde geven dat de familie [achternaam verdachte] bereid was om een aanzienlijk geldbedrag te betalen aan mijn neef. Hiervoor zou mijn neef dan zijn aangifte in moeten trekken. Ik hoorde van mijn vader dat dit bedrag op zou kunnen lopen tot een bedrag van 50.000 euro."

10. Een geschrift, zijnde medische informatie/letselbeschrijving betreffende [slachtoffer] d.d. 23 maart 2007, opgemaakt door L.C. Los, forensisch arts, verbonden aan Forensisch artsen Rotterdam Rijnmond (FARR), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als diens relaas/bevindingen:

"Letselbeschrijving en conclusie

Datum 23 maart 2007

Vermelde gegevens volgens informatie EMC

Objectieve bevindingen op 13 maart 2007: afsnijding van vrijwel gehele rechter oorschelp. Gebroken onderkaak rechts. Diverse oppervlakkige verwondingen en zwellingen in het gelaat.

Bijkomende gegevens: aanzetten van het oor bleek niet meer mogelijk, de nog aanwezige resten werden zo goed mogelijk hersteld.

Genezingsduur: ± 6 weken, blijvend ontsierend letsel."

11. Een geschrift, zijnde medische informatie/letselbeschrijving betreffende [slachtoffer] d.d. 23 maart 2007, opgemaakt door L.C. Los, forensisch arts, verbonden aan Forensisch artsen Rotterdam Rijnmond (FARR), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als diens relaas/bevindingen:

"Medische informatie/Letselbeschrijving

[slachtoffer], geboortedatum [geboortedatum] 1977,

[adres].

Letselbeschrijving en conclusie

Vermelde gegevens volgens informatie EMC

Objectieve bevindingen: op 13 maart 2007: afsnijding van vrijwel gehele rechter oorschelp. Gebroken onderkaak rechts. Diverse oppervlakkige verwondingen en zwellingen in het gelaat.

Bijkomende gegevens: aanzetten van het oor bleek niet meer mogelijk, de nog aanwezige resten werden zo goed mogelijk hersteld. Genezingsduur: ± 6 weken, blijvend ontsierend letsel."

12. Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie van 21 september 2007, opgemaakt en ondertekend door I. Keereweer, vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

"Conclusie

Beantwoording vraag 1 en 4:

In het rechteroor [T100] bevinden zich meerdere snijsporen. Op grond van de grillige vorm van de aangetroffen snijsporen en het aantreffen van glas op diverse plaatsen in het oor, is het mogelijk dat het oor gescheiden is met een glazen voorwerp.

De snijsporen zijn op verschillende plaatsen aan de voor- en achterzijde van het oor aangetroffen, waardoor het aannemelijk wordt geacht dat deze letsels in meerdere bewegingen zijn toegebracht."

13. Een proces-verbaal van bevindingen van 11 april 2007, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas/bevindingen van de verbalisanten:

"Op 28 maart 2007 heb ik, [verbalisant 2], administratief rechercheur/vakspecialist dactyloscopie, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, akte van beëdiging 601364/0, in dienst van de politie Rotterdam-Rijnmond, werkzaam aan het bureau Forensische Opsporing, sectie Dactyloscopie en DNA, belast met dactyloscopische werkzaamheden, een vergelijkend onderzoek verricht met dactyloscopische sporen aangetroffen in een woning gelegen aan [adres].

Aldaar was door [verbalisant 3], forensisch onderzoeker van de politie Rotterdam-Rijnmond, dienstdoende bij de Forensiche Opsporing, bureau Krimpen aan den IJssel, een technisch onderzoek ingesteld naar aanleiding van een misdrijf dat daar had plaatsgevonden.

De veiliggestelde sporen waren als volgt genummerd en gewaarmerkt :

Spoornr. Waarmerking

D044 gedeeltelijk in bloed gezette dacty onder traphek 2e verdieping, 1e afname

D044 2e afname

D045 dacty op koelkast in hal

DO46 dacty op koelkast in hal

D047 dacty op koelkast

D048 dacty op deurpost, hal naar woonkamer (woonkamerzijde)

D049 dacty op deur en deurpost, deur hal naar woonkamer (woonkamerzijde)

D050 dacty op deurpost, deur hal naar woonkamer (woonkamerzijde)

D051 dacty op converterkachel in woonkamer.

Tijdens het vergelijkend onderzoek heb ik de aangetroffen dactyloscopische sporen vergeleken met de vingerafdrukken en/of handpalmafdrukken voorkomende op het dactyloscopisch signalement ten name gesteld van:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]

Bij vergelijking zag ik dat het volgend dactyloscopisch spoor op tenminste twaalf punten overeen kwamen (dactyloscopische typica), en geen onverklaarbare dactyloscopische verschilpunten vertoonde met de overeenkomstige Vinger- en/of handpalmafdruk(ken), voorkomende op het Dactyloscopisch signalement ten name gesteld van voornoemd persoon:

Spoornr Vinger- en/of handpalmafdruk

D044 1e afname rechterhandpalm

Conclusie:

Op grond hiervan concludeer ik dat bovengenoemd dactyloscopisch spoor identiek is aan de overeenkomstige vingeren/of handpalmafdruk(ken), voorkomende op het dactyloscopisch signalement van: [verdachte].

De identificatie werd uitgevoerd volgens de in Nederland Geldende normen op het gebied van de dactyloscopie."

14. Een proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2007, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas/bevindingen van de verbalisant [verbalisant 4]:

"In verklaring (bijlage V2-3) verklaarde de verdachte [betrokkene 1] dat hij al zes jaar gebruik maakt van het telefoonnummer 06-[001]. Tevens verklaarde hij dat hij het toestel met dit nummer de bewuste avond (9 op 10 maart 2007) bij zich droeg.

Uit de verklaringen van de getuige [getuige] (bijlage Gl-1) en de aangever [slachtoffer] (bijlage Al-7), alsmede het proces-verbaal van de politieambtenaren [verbalisant 5 en 6] (bijlage AH-1) is op te maken dat het tijdstip van het voorval omstreeks 02.30 uur op 10 maart 2007 moet zijn geweest.

Uit het historisch overzicht van het telefoonnummer 06- [001] bleken de volgende contacten te zijn vastgesteld in de geselecteerde periode van 9 maart 2007 te 23.00 uur tot en met 10 maart 2007 te 08.30 uur, waaraan de genoemde mastlocaties zijn gekoppeld:

Datum/tijd: Paal: Lokatie:

09. 10-03-2007 01:45:34 KPN-48212 Pelgrimstraat 12-100 R'dam

11. 10-03-2007 02:25:12 KPN-46426 Bentincklaan 346-400 R'dam

12. 10-03-2007 02:32:54 KPN-11668 Stationsplein 45 R'dam

Staande voor de toegangsdeur aan de voorzijde van de woning van het slachtoffer [slachtoffer], aan [adres] zag ik dat het toestel voor het netwerk van KPN de paal 46426 aangaf. Dit is de paal die op 10 maart 2007 te 02.25 uur werd aangestraald door de telefoon voorzien van de simkaart met het telefoonnummer 06-[001]. Vervolgens ben ik in oostelijke richting verder gegaan over de Essenburgsingel en zag dat na ongeveer 120 meter voornoemd toestel de paal 11668 aanstraalde, zijnde de paal die op 10 maart 2007 te 02.32 uur werd aangestraald."

3.3. Voorts houdt de aanvulling op het verkorte arrest de volgende nadere bewijsmotivering in:

"Nadere bewijsoverweging

Op 10 maart 2007 heeft er te Rotterdam in de woning van het latere slachtoffer [slachtoffer], een forse vechtpartij plaatsgevonden waarbij aan het slachtoffer zeer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Het motief voor deze mishandeling is gelegen in een eerdere woordenwisseling in een café tussen [slachtoffer] en één van de daders, [betrokkene 1]. Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat hij zich door [slachtoffer]s uitlatingen aan het adres van zijn familieleden ernstig beledigd voelde en dat [verdachte] heeft in dit verband verklaard dat er in dan (in de Turkse cultuur) van je verwacht wordt dat je hier actie op onderneemt.

Ten gevolge van de mishandeling heeft het slachtoffer o.a. zijn rechter oor verloren.

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft te dien aanzien geconcludeerd dat in het rechter oor zich meerdere snijsporen bevinden en dat het mogelijk is dat het oor gescheiden is met een glazen voorwerp. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft met betrekking tot de toedracht wisselend verklaard. Weliswaar heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het oor met een mes van zijn hoofd is afgesneden, maar dit onderdeel van zijn verklaring wordt door het hof als onvoldoende betrouwbaar terzijde geschoven nu hij daarover niet eerder heeft verklaard en zulks evenmin bevestiging vindt in de voornoemde conclusie van het Nederlands Forensisch Instituut.

In zijn eerdere verklaringen heeft het slachtoffer aangegeven dat hij door een glazen salontafel is gegooid, althans dat de salontafel op hem is gegooid, waarbij het glas van die tafel is gebroken en dat een stuk glazen plaat van de tafel op hem is gegooid. Ook de verdachte [verdachte] heeft verklaard dat het slachtoffer met een tafel op het hoofd is geslagen. Gelet voorts op meergenoemde conclusie van het Nederlands Forensisch Instituut, gaat het hof er derhalve vanuit dat het rechteroor van [slachtoffer] van zijn hoofd is gescheiden met een glazen voorwerp, in casu de glasplaat van de salontafel.

Uit de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer] komt naar voren dat hij door twee personen is mishandeld, te weten de hem bekende [betrokkene 1] en een zekere [betrokkene 2] en dat een derde persoon in de deuropening van de woning is blijven staan. De medeverdachte [betrokkene 1] heeft ontkend bij de vechtpartij betrokken te zijn geweest. De verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij het is die het slachtoffer die nacht in zijn woning heeft mishandeld.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een dactyloscopisch spoor van [verdachte] is aangetroffen op de trapleuning in de hal van de woning van het slachtoffer, waaruit minstgenomen kan worden geconcludeerd dat hij die avond ter plaatse aanwezig was. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft [verdachte] evenwel niet als een van zijn aanvallers genoemd. Hij zegt hem evenmin te herkennen na confrontatie ter terechtzitting in hoger beroep. In de diverse verklaringen noemt hij evenwel een derde, niet nader door hem geïdentificeerde persoon, die tijdens de vechtpartij bij de ingang van zijn woning, bij de deur, is blijven staan. Het hof acht het op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, aannemelijk dat deze persoon [verdachte] is. Dat niet [verdachte] maar [betrokkene 1] degene is geweest die daadwerkelijk aan de mishandeling van [slachtoffer] heeft deelgenomen vindt een verdere ondersteuning in de verklaring van de getuige [betrokkene 6] dat in de Turkse gemeenschap wordt verteld dat een van de daders van de mishandeling, genaamd [betrokkene 1], van plan was om zijn jongere broer, genaamd [verdachte], de straf op zich te laten nemen.

Naar het oordeel van het hof is ook met betrekking tot [verdachte] genoegzaam komen vast te staan dat ook hij als medepleger dient te worden aangemerkt. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het navolgende blijkt.

Na kennis te hebben genomen van de ruzie tussen zijn broer [betrokkene 1] en het slachtoffer en de daarbij door het slachtoffer gebezigde beledigingen, waaromtrent hij heeft verklaard dat niemand je de volgende dag meer aankijkt als je geen actie onderneemt, naar het huis waar het slachtoffer woonde gegaan.

Hij heeft, in gezelschap van anderen waaronder zijn boze broer, naar eigen zeggen de deur van een kamer open gedaan en heeft het slachtoffer in die kamer zien zitten. Het slachtoffer heeft verklaard dat een persoon bij de deur is blijven staan en niet binnen is gekomen.

Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] de mishandeling van het slachtoffer, dat naar diens zeggen [betrokkene 1] nog 'afmaken afmaken' heeft horen roepen, heeft waargenomen en daarbij in het geheel geen actie heeft ondernomen die mishandeling te voorkomen danwel te doen ophouden.

Onder deze omstandigheden, bezien in samenhang ook met de overige gebezigde bewijsmiddelen en overwegingen, is naar 's hofs oordeel ook [verdachte] als medepleger aan te merken.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte en zijn mededader(s), door als voormeld te handelen, willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans hebben aanvaard dat zij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen. Het hof acht derhalve het tenlastegelegde opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, bewezen."

3.4. In het verkorte arrest heeft het hof de volgende toelichting gegeven op de vrijspraak van de onder 2. primair tenlastegelegde voltooide zware mishandeling met als tenlastegelegd gevolg: blauwe plekken, schrammen, krassen en een gebroken kaak:

"Naar het oordeel van het hof is - anders dan door de advocaat-generaal betoogd - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, omdat uit de inhoud van het dossier en het overige verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat het daar omschreven, aan het slachtoffer toegebrachte letsel zwaar lichamelijk letsel in de zin der wet oplevert. Uit de medische informatie volgt immers niet meer dan dat de onderkaak rechts gebroken is en dat de genezingsduur op zes weken is gesteld. Uit niets blijkt omtrent de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken van het hem onder 2 primair tenlastegelegde."

4.1. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaringen onder 1 en 2 subsidiair innerlijk tegenstrijdig zijn.

4.2. In de toelichting op het middel wordt dienaangaande aangevoerd dat de bewezenverklaringen een aantal dezelfde gedragingen van de verdachte en zijn mededaders bevatten, te weten - kort gezegd en zakelijk weergegeven - het opzettelijk het slachtoffer met een glazen salontafel hard op het hoofd slaan, het opzettelijk hard op het hoofd van het slachtoffer laten vallen van een glazen salontafel en het opzettelijk het slachtoffer één of meer harde duwen geven waardoor deze met het gelaat op en door een glazen salontafel is gevallen, en dat niet valt in te zien waarom voornoemde gedragingen enerzijds opleveren een voltooide zware mishandeling (feit 1) en anderzijds leiden tot een poging daartoe (feit 2. subsidiair).

4.3. Het middel klaagt m.i. terecht over de contradictie waarvan de bewezenverklaringen ten opzichte van elkaar getuigen. Alle feitelijke gedragingen die in de bewezenverklaring onder 1 van de - voltooide - zware mishandeling zijn omschreven zijn eveneens opgenomen in de bewezenverklaring onder 2 (subsidiair) van de poging tot zware mishandeling. Uit de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging vloeit immers niet voort dat dezelfde (soort) gedragingen meermalen en met tussenpozen hebben plaatsgehad, of iets van dien aard. Van de uitoefening van hetzelfde geweld acht het hof dus tegelijkertijd vast staan dat het zowel zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd als letsel dat - blijkens de vrijspraakmotivering - niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. Op zichzelf behoort zoiets vanzelfsprekend tot de mogelijkheden. Behoudens het afgesneden oor heeft het slachtoffer namelijk meer - zij het niet zwaar - lichamelijk letsel ondervonden. Bij die door het hof vastgestelde stand van zaken kan van de bedoelde geweldstoepassing echter niet worden geoordeeld dat zij niet heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel. Met andere woorden: de voorgenomen uitvoering van de zware mishandeling is wel voltooid.

4.4. De slotpassage in de bewezenverklaring onder 2, die haaks staat op deze gevolgtrekking, kan niet worden bewezenverklaard. Aangezien zij een essentieel onderdeel is van het onder 2. subsidiair tenlastegelegde had het hof van de gehele tenlastelegging moeten vrijspreken.

4.5. Bij instandhouding van 's hofs oordeel omtrent het onder 1 tenlastegelegde kan het hof na terugwijzing tot geen andere beslissing komen dan tot vrijspraak van het onder 2. subsidiair tenlastegelegde. Aangezien het materiële delict in voldoende mate wordt vertegenwoordigd door de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, behoeft de opgelegde straf m.i. geen wijziging te ondergaan. De Hoge Raad zou in dat geval kunnen volstaan met hetgeen het hof had behoren te doen. Daardoor ontvalt aan het middel de feitelijke grondslag.

4.6. Indien Uw Raad deze oplossing niet voorstaat, zal het middel tot cassatie moeten leiden.

5.1. Het tweede middel klaagt in de eerste plaats ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte of één van de mededaders [slachtoffer] met een glazen salontafel hard op het hoofd heeft geslagen, dan wel opzettelijk een glazen salontafel hard op het hoofd van die [slachtoffer] heeft laten vallen, terwijl voornoemde gedragingen wel zijn bewezen verklaard.

5.2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen 1, 2 en 4, behelzende de verklaringen van aangever [slachtoffer], kunnen de navolgende gewelddadige gedragingen van de verdachte en diens mededaders worden afgeleid:

- het gooien van [slachtoffer] op / door de glazen salontafel;

- het gooien van (een stuk van de glazen plaat van) de salontafel op [slachtoffer];

- het gooien van van alles op [slachtoffer], waaronder de televisie;

- er is met een wapen op [slachtoffer]s hoofd geslagen;

- er is met een hard voorwerp op [slachtoffer]s achterhoofd geslagen;

- [slachtoffer] is geschopt en geslagen;

- het gooien van de salontafel tegen de rug van [slachtoffer].

Vaststaat dat [slachtoffer] ten gevolge van de mishandeling zijn rechteroor heeft verloren. Uit het rapport van het NFI van 21 september 2007 (bewijsmiddel 12) blijkt dat dit letsel, gelet op de aangetroffen snijsporen en het aantreffen van stukjes glas in het oor, mogelijk is gescheiden met een glazen voorwerp. Het hof heeft vervolgens in zijn nadere bewijsoverweging, op grond van de voorliggende bewijsmiddelen en de conclusies van het NFI, tot uitdrukking gebracht dat het ervan uit gaat dat het rechteroor van [slachtoffer] van zijn hoofd is gescheiden met de glasplaat van de salontafel (zie onder 3.3).

5.3. De steller van het middel zij toegegeven dat de door hem bedoelde bewezenverklaarde gedragingen niet direct uit de bewijsmiddelen kunnen volgen. Echter, m.i. heeft het hof deze gedragingen toch genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Met name de gedragingen die het gooien van de salontafel op [slachtoffer] en het slaan met een hard voorwerp op diens (achter)hoofd inhouden dienen in onderlinge samenhang en verband te worden beschouwd met het toegebrachte letsel waarvan het hof heeft aangenomen dat dat wel moet zijn veroorzaakt door het glas van de salontafel. Bezien in het licht daarvan heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk het gooien van de salontafel op [slachtoffer] verstaan als het opzettelijk hard laten vallen van een glazen salontafel op het hoofd van [slachtoffer], en het slaan met een hard voorwerp op diens (achter)hoofd geschaard onder het opzettelijk met een glazen salontafel hard op het hoofd slaan. In het eerste geval kan immers worden aangenomen, gelet op de oorzaak van het ontstane letsel, dat de salontafel (op [slachtoffer], en dus) mede op zijn hoofd is terechtgekomen en in het tweede geval waarbij melding wordt gemaakt van een hard voorwerp dat dit, wederom gelet op de oorzaak van het ontstane letsel, de salontafel is geweest.

De bedoelde klacht van het middel faalt naar mijn mening aldus.

5.4. Het middel komt in de tweede plaats op tegen de nadere bewijsoverweging van het hof waarin omstandigheden worden genoemd die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen en waarvan de herkomst in de overwegingen evenmin voldoende nauwkeurig is aangegeven.

5.5. Bij de beoordeling van de klacht geldt het volgende uitgangspunt. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.(1)

5.6.1. Blijkens de toelichting heeft de steller van het middel onder meer het oog op de passage uit 's hofs nadere bewijsoverweging inhoudende dat 'het slachtoffer in zijn eerdere verklaringen heeft aangegeven dat hij door een glazen salontafel is gegooid, althans dat de salontafel op hem is gegooid, waarbij het glas van die tafel zou zijn gebroken en dat een stuk glazen plaat van de tafel op hem is gegooid'. Bedoelde gegevens kunnen echter in de aanvulling onder de bewijsmiddelen 1 en 4 worden teruggevonden. Bovendien heeft het hof ook met zoveel woorden naar 'de eerdere verklaringen van het slachtoffer' verwezen. Nu het hof zich in de desbetreffende passage dus niet heeft beroepen op feiten en omstandigheden die niet in de bewijsmiddelen voorkomen, mist de klacht feitelijke grondslag.

5.6.2. Het hof heeft echter wel verzuimd in zijn overweging met voldoende mate van nauwkeurigheid het (niet in de aanvulling opgenomen) wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan het heeft ontleend dat 'het slachtoffer met een tafel op het hoofd is geslagen'. Dat naar zeggen van het hof de onderhavige verdachte dit zou hebben verklaard, is daartoe onvoldoende. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

5.6.3. Dit verzuim behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu de betreffende omstandigheid geen substantieel deel vormt van de bewijsvoering, zodat het aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet.(2)

6.1. Het derde middel klaagt over het bewijs van medeplegen ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten.

6.2. Het hof heeft, in aanmerking genomen de gebezigde bewijsmiddelen, in zijn nadere bewijsoverweging uitvoerig uiteengezet waarom de verdachte in de onderhavige zaak dient te worden aangemerkt als medepleger. Ik volsta met de verwijzing naar die overwegingen van het hof betreffende het medeplegen, hiervoor weergegeven onder 3.3.

6.3. Om van medeplegen van i.c. zware mishandeling te kunnen spreken is bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten vereist. Deze samenwerking moet zijn gericht op de zware mishandeling van het slachtoffer. Gelet op 's hofs vaststellingen zijn - kort gezegd en in mijn woorden - de verdachte en de medeverdachten, waaronder diens furieuze broer, gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer] gegaan alwaar verdachtes broer en de andere man, [betrokkene 2] genaamd, vervolgens [slachtoffer] flink onder handen hebben genomen. De verdachte heeft zelf overigens verklaard dat hij naar de woning van [slachtoffer] is gegaan, om actie te ondernemen tegen [slachtoffer]. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de mannen, waaronder dus ook de verdachte, voornemens waren om, naar aanleiding van beledigingen aan het adres van verdachtes broer, [slachtoffer] samen een lesje te leren. Daarbij zou geweld klaarblijkelijk niet worden geschuwd. Verdachtes aandeel bestond bovendien hierin dat hij van tevoren de deur van een kamer in die woning heeft geopend en dat hij daarna bij de deurpost is blijven staan, terwijl hij de mishandeling heeft waargenomen. Hij heeft zich van de gebeurtenissen gedistantieerd noch ingegrepen ter bescherming van het slachtoffer. Daarbij zij opgemerkt dat voor medeplegen niet is vereist dat de verdachte zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht. Uit de voorgaande schets van de feiten en omstandigheden kon het hof aannemen dat de verdachte en diens mededaders bewust hebben samengewerkt kennelijk gericht op het gezamenlijk uitoefenen van zodanig heftig geweld op [slachtoffer] dat zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan. 's Hofs oordeel geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan kan niet afdoen hetgeen door de steller van het middel in de toelichting is aangevoerd. De bewezenverklaringen zijn dus naar behoren met redenen omkleed.

6.4. Het middel is vruchteloos voorgesteld.

7.1. Het vierde middel behelst de klacht dat verdachtes recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden, doordat het na het instellen van cassatieberoep meer dan acht maanden heeft geduurd alvorens de gedingstukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Die termijnoverschrijding is volgens de steller van het middel te wijten aan de omstandigheid dat het arrest niet binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn met de bewijsmiddelen is aangevuld.

7.2. De verdachte heeft tegen het arrest van 22 september 2008 op 23 september 2008 cassatieberoep ingesteld. Het verkorte arrest is eerst op 4 augustus 2009 aangevuld, derhalve na ommekomst van de ingevolge art. 415 Sv jo art. 365a lid 3 Sv in deze van toepassing zijnde termijn van vier maanden. Terecht wijst de steller van het middel erop dat de niet-inachtneming van de in art. 365a lid 3 Sv voorgeschreven termijn niet leidt tot nietigheid(3), maar dat die verlate aanvulling wel ertoe heeft geleid dat de stukken pas op 12 augustus 2009 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dat betekent dat i.c. sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn met nagenoeg drie maanden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep in cassatie uitspraak doen. De redelijke termijn is dus ook in zoverre overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering.

7.3. Het middel slaagt.

8. Het eerste middel behoeft m.i. niet tot cassatie te leiden. De eerste klacht van het tweede middel en het derde middel kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. De tweede klacht van het tweede middel is gedeeltelijk terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Het vierde middel slaagt.

9. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165, LJN AF7985, m.nt. JR en HR 23 oktober 2007, LJN BA5851.

2 Vgl. bijv. HR 18 april 2006, LJN AU9422 en HR 12 april 2005, LJN AS5843.

3 Zie o.m. HR 24 maart 1998, NJ 1998, 557.