Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO2788

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
09/01836
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO2788
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 410a Sv. Nu verdachte door de Politierechter is veroordeeld tot een gevangenisstraf is art. 410a.1 Sv en dus ook art. 410a.2 Sv niet van toepassing; het middel berust op een onjuiste opvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/61
RvdW 2011/186
NJB 2011, 371
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01836

Mr. Aben

Zitting 26 oktober 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 8 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's Hertogenbosch van 7 december 2007, waarbij de verdachte ter zake van opzetheling is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en voorts - in verband met de toewijzing van een vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van tweeëndertig euro en vijftig eurocent - aan hem een schadevergoedingsverplichting is opgelegd (subsidiair één dag hechtenis).

2. Namens de verdachte heeft mr. A.H.P. Swinkels, advocaat te 's-Hertogenbosch, beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J.M. Oerlemans, eveneens advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel komt op tegen 's hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.

3.2. Het bestreden arrest houdt onder het kopje "ontvankelijkheid van het hoger beroep" het volgende in (blz. 2):

"Anders dan de advocaat-generaal is het hof, op de voet van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van oordeel dat de verdachte zonder onderzoek van de zaak zelf in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe overweegt het hof dat de verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, terwijl hij evenmin mondeling zijn bezwaren tegen het beroepen vonnis heeft opgegeven. Voorts is het hof ambtshalve van oordeel dat geen aanleiding bestaat de zaak in hoger beroep ten gronde te onderzoeken."

3.3. Artikel 410, eerste en vierde lid, Sv luidt:

"1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen.

(...)

4. Ingeval door de verdachte geen schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank als bedoeld in artikel 410a, eerste lid, een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven in artikel 410a, tweede lid."

Artikel 410a, eerste en tweede lid, Sv luidt:

"1. Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.

2. De behandeling ter terechtzitting van een ingesteld hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis is in ieder geval in het belang van een goede rechtsbedeling vereist indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing indien sprake is van betekening op de voet van artikel 257f, eerste lid, laatste volzin."

Artikel 416, tweede lid, Sv luidt:

"2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

3.4.1. Het wettelijke systeem laat zich na inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep(1) voor zover relevant als volgt parafraseren. Door de wijziging van de artikelen 410 en 416 Sv zijn de contouren van het grievenstelsel minder vrijblijvend van aard geworden. Het betreffende wetsvoorstel is onder meer toegelicht met de mededeling: "Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart."(2)

Van de officier van justitie kan om die reden worden gevergd dat hij zijn bezwaren tegen het door hem bestreden vonnis tijdig kenbaar maakt. In artikel 410, eerste lid Sv wordt de officier van justitie het indienen van een "schriftelijke appelmemorie" dan ook dwingend voorgeschreven.

Voor de appelerende verdachte is het indienen van een appelmemorie facultatief. Een volledig bindend karakter van de eis om voorafgaande aan de behandeling in hoger beroep schriftelijke grieven in te dienen achtte de Minister te ver te voeren. Van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte kan niet worden gevergd dat hij daartoe capabel is. Bovendien dient er ruimte te zijn voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten, die na het indienen van grieven alsnog zouden kunnen opkomen, aldus lichtte de Minister zijn wetsvoorstel toe.

3.4.2. Zogeheten "lichte strafzaken" zijn onderworpen aan een verlofstelsel, dat is neergelegd in het nieuwe artikel 410a Sv. Het vierde lid van artikel 410 Sv legt voor verdachten in zaken die onder de toelatingsprocedure vallen de verplichting vast een schriftuur in te dienen. Die schriftuur kan zijn de appelmemorie bedoeld in het eerste lid van artikel 410 Sv, maar het kan ook een schriftuur betreffen met uitsluitend redenen om hoger beroep in te stellen.(3) Deze schriftuur stelt de voorzitter van het gerechtshof in staat om te beoordelen of voor deze zaken in concreto behandeling in hoger beroep vereist is in het belang van een goede rechtsbedeling.(4) De verplichting van het vierde lid van artikel 410 Sv om een schriftuur in te dienen geldt niet in het geval van een bij verstek gewezen vonnis, omschreven in artikel 410a, tweede lid, waarin de verdachte naar moet worden aangenomen niet op de hoogte was en kon zijn van de terechtzitting. De voorzitter van het gerechtshof behoeft in die situatie immers geen toelichting aangezien de behandeling ter terechtzitting in ieder geval in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist en het verlof (dus) sowieso moet worden verleend.

3.4.3. Is de zaak ter terechtzitting aanhangig gemaakt dan kan bij de behandeling van de strafzaak, ongeacht of die is onderworpen aan het verlofstelsel, het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft.

3.5. In de onderhavige zaak heeft het hof de verdachte met toepassing van artikel 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Daartoe heeft het hof overwogen dat de verdachte heeft nagelaten binnen veertien dagen na het instellen van het beroep een schriftuur houdende grieven in te dienen en hij evenmin ter terechtzitting van het hof mondeling zijn bezwaren heeft opgegeven. Volgens de steller van het middel geeft de niet-ontvankelijkverklaring van het hof echter blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien zich in casu het geval voordoet als omschreven in artikel 410a, tweede lid, Sv. Uit het dossier blijkt dat de oproeping voor de (nadere) terechtzitting in eerste aanleg niet aan de verdachte in persoon is betekend en zich ook geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de (nadere) terechtzitting hem tevoren bekend was. Deze omstandigheid zou aan toepassing van artikel 416, tweede lid, Sv in de weg staan.

3.6. Hoewel het middel niet kan slagen, heeft het tot op zekere hoogte wel een punt. Zoals gezegd geldt onder het vigerende wettelijke systeem op grond van artikel 410a, tweede lid, Sv ten aanzien van relatief lichte strafzaken waarin niet kan worden aangenomen dat de verdachte in eerste aanleg van de dag van de terechtzitting op de hoogte was, dat behandeling ter terechtzitting in het ingestelde beroep hoe dan ook in het belang van een goede rechtsbedeling vereist is. In zo'n geval zal vervolgens toch niet te gemakkelijk mogen worden geoordeeld dat ter terechtzitting geen onderzoek van de zaak zelf behoeft te worden ingesteld. In zoverre geeft het wettelijke systeem in dit opzicht blijk van een zekere spanning.

3.7. Dat het middel niettemin moet falen, houdt verband met het volgende. In de eerste plaats gaat de steller van het middel in casu ten onrechte uit van de toepasselijkheid van artikel 410, vierde lid, Sv. Het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's Hertogenbosch van 7 december 2007 waartegen het hoger beroep van de verdachte zich heeft gericht is geen vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid, Sv en dus niet onderworpen aan het verlofstelsel. Artikel 410a, eerste lid, Sv heeft betrekking op vonnissen "betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum (...) van vijfhonderd euro", terwijl de verdachte bij het beroepen verstekvonnis twee weken gevangenisstraf is opgelegd. De door het middel naar voren gebrachte omstandigheid dat de oproeping voor de (nadere) terechtzitting in eerste aanleg niet aan de verdachte in persoon is betekend en zich ook geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de (nadere) terechtzitting hem tevoren bekend was, is in zoverre überhaupt niet relevant.

Men zou het ook anders kunnen zeggen, namelijk dat alle andere dan "lichte" strafzaken niet bij de voorzitter van het gerechtshof mogen stranden en hoe dan ook "in het belang van een goede rechtsbedeling" ter terechtzitting aanhangig moeten worden gemaakt en behandeld. Zulks is in de voorliggende zaak dan ook gebeurd. Daarover valt dus niet te klagen. Dat wil echter nog niet zeggen dat de zittingsrechter in al die gevallen ook tot het onderzoek van de zaak zelf zal moeten overgaan. Eenmaal ter terechtzitting aanhangig gemaakt worden in dit opzicht alle zaken geschoren over die ene kam van artikel 416, tweede lid Sv.

3.8. De vraag kan vervolgens gesteld worden of deze omstandigheid maakt dat de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte niettemin onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. M.i. is dit niet geval. Zowel de tekst van de wet als de bedoeling van de wetgever zijn voldoende duidelijk. Artikel 410, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven kan indienen. Indien de verdachte dit nalaat, kan hij ingevolge artikel 416, eerste lid, Sv ter terechtzitting in hoger beroep na de voordracht van de zaak door de advocaat-generaal (desgevraagd) zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg formuleren. Laat de verdachte ook dit na, dan volgt uit artikel 416, tweede lid, Sv dat hij het risico loopt dat zijn beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dat toepassing van dit uitgangspunt in de onderhavige zaak zonder meer onwenselijk heeft uitgepakt, zie ik niet in. Uit het feit dat de verdachte zijn raadsman op enig moment bepaaldelijk heeft gevolmachtigd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in eerste aanleg, kan worden afgeleid dat hij van de strekking daarvan in ieder geval op de hoogte moet zijn geweest en dus ook de gelegenheid heeft gehad op de voet van 410, eerste lid, Sv een schriftuur houdende grieven in te dienen. Aangezien van enig gebrek in de betekening van de dagvaarding in hoger beroep geen sprake is, kan voorts niet worden volgehouden dat het hof is voorbijgegaan aan het recht van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg op te geven. 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring is aldus niet onbegrijpelijk en noopte ook niet tot een nadere motivering.(5)

Van belang is in dit verband ten slotte dat de ruimte die de wetgever de rechter in hoger beroep heeft gelaten om in het geval de verdachte nalaat schriftelijk of mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg te formuleren toch tot onderzoek van de zaak zelf over te gaan in hoge mate discretionair is.(6) De niet-ontvankelijkverklaring van het hof is derhalve in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar.(7)

3.9. Het middel faalt. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu aan de verdachte in eerste aanleg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van minder dan een maand, zal met de enkele constatering hiervan kunnen worden volstaan.

4. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Wet van 5 oktober 2006, Stb. 470. In werking getreden op 1 juli 2007. Kamerstukken: nr. 30 320.

2 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2005 - 2006, 30 320, nr. 3, p. 11.

3 Zie voorgaande noot, p. 49.

4 Zie vorige noot, p. 23.

5 Vgl. HR 21 september 2010, LJN BM9766, HR 6 juli 2010, LJN BN4313, HR 23 maart 2010, LJN BL1482 en HR 2 maart 2010, LJN BK8938.

6 Zie wederom: Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2005 - 2006, 30 320, nr. 3, p. 51.

7 Vgl. de volgende passage uit HR 2 februari 2010, LJN BK0910: "2.7.2. De beantwoording van de vraag of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om een appelschriftuur in te dienen, is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst."