Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO2592

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
08/04871 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO2592
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Ingevolge art. 8.20.1 (oud) Wm richt de in art. 18.18 Wm neergelegde verbodsbepaling zich tot degene die de inrichting waaraan de vergunning is verbonden, drijft. In aanmerking genomen dat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de (feitelijke) zeggenschap van verdachte over de bewezenverklaarde gedraging, is het kennelijke oordeel van het Hof dat verdachte als drijver van de inrichting abi art. 8.20.1 (oud) Wm moet worden aangemerkt onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/195
M en R 2011/72 met annotatie van Van Ham
JOM 2011/155
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04871 E

Mr. Aben

Zitting 26 oktober 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De economische kamer van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte rechtspersoon bij arrest van 7 november 2008 ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van zevenhondervijftig euro.

2. Namens de verdachte heeft mr. H. Eigenberg, advocaat te Leeuwarden, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer en mr. M. van Delft, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de verdachte als normadressaat van een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning de tenlastegelegde overtreding van voorschrift 4.2 van de genoemde vergunning heeft begaan.

3.2. Bewezenverklaard is dat:

"verdachte op 2 augustus 2005, te Genemuiden, in de gemeente Zwartewaterland, terwijl aan [A] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Genemuiden bij besluit van 30 juli 1996 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente op het perceel [a-straat 1], oprichten van een inrichting als bedoeld in categorie 5.1 en 13.1a sub 3 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers heeft verdachte toen aldaar in strijd met het gestelde in voorschrift 4.2 van genoemde vergunning afvalstoffen, te weten hout en spaanplaat en PVC-buis in de inrichting verbrand."

3.3. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van [verbalisant 1] afgelegd ter overstaan de rechter-commissaris in de rechtbank te Zwolle-Lelystad d.d. 4 april 2007, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op 2 augustus 2005 kreeg ik de melding dat er op het terrein van [verdachte], in Genemuiden afval werd verbrand. Ik ben er naartoe gegaan. Na hem de cautie te hebben gegeven heb ik [betrokkene 1] gevraagd of het een inrichting betrof. Dat was het geval. Ik heb hem vervolgens gevraagd of hij ervan op de hoogte was dat hij zonder toestemming geen afval mag verbranden. Hij antwoordde daarop dat hij tuinafval had aangestoken en hij dacht dat het mocht. De brand was voor de container.

2. De verklaring van [betrokkene 2] afgelegd ter overstaan de rechter-commissaris in de rechtbank te Zwolle-Lelystad d.d. 8 mei 2007, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik ben als toezichthouder handhaving milieuwetgeving werkzaam bij de gemeente Zwartewaterland. Op 2 augustus 2005 kreeg ik een melding dat er op het terrein van [verdachte] in Genemuiden afval, waaronder kunststof, verbrand werd. Ik ben gaan kijken. Ik zag vuur op het terrein. Er lag afval op de grond voor enkele containers. Er was ook een flinke rookontwikkeling. Ik rook duidelijk een chloorlucht. Dat betekent dat er PVC wordt verbrand. Volgens afspraak met de politie heb ik foto's gemaakt. Daarop is te zien dat er stukken PVC in de brandhaard lagen en spaanplaat.

3. Een proces-verbaal, nummer PL04NO/05-505717, d.d. 7 november 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, regio IJsselland, district Noord (pagina 3 en 4 van een dossierproces-verbaal nummer PL04NO/05-505717, d.d. 7 november 2005 op ambtseed opgemaakt [verbalisant 1], voomoemd), inhoudende - zakelijk weergegeven -

als relaas van verbalisant:

Op 2 augustus 2005 ontving ik van [betrokkene 2], toezichthouder in dienst van de gemeente Zwartewaterland, een telefonische melding dat er op het bedrijfsterrein van [A] te Genemuiden afval werd verbrand. Ik ging onmiddellijk ter plaatse. Ik zag dat er op het bedrijfsterrein van voornoemde handelsonderneming in de nabijheid van een tweetal containers afval werd verbrand. Ik zag dat dit afval onder andere bestond uit spaanplaat, PVC-buis, hout en ander afval.

4. Een proces-verbaal, nummer PL04NO/05-096728, d.d. 2 augustus 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], voornoemd (pagina 7 van het onder 3 genoemde dossierproces-verbaal) inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van verdachte:

Vandaag heb ik een hoeveelheid tuinafval aangestoken. Er zat ook wat spaanplaat en PVC tussen. Ik heb bij de gemeente geen ontheffing aangevraagd.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een beschikking op de aanvraag voor een revisievergunning ingevolgde de Wet milieubeheer afgegeven door de burgemeester en wethouders van de gemeente Genemuiden ten behoeve van [A] gevestigd te Genemuiden, [a-straat 1], met nummer 352 (pagina 10 van het onder 3 genoemde dossierproces-verbaal) inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Burgemeester en wethouders van gemeente Genemuiden overwegen naar aanleiding van de aanvraag van: [A]

(...)

om een revisievergunning (artikel 8.4) ingevolge de Wet milieubeheer, het volgende.

(...)

a. de gevraagde vergunning (...) voor onbepaalde tijd te verlenen aan de aanvrager en zijn rechtverkrijgenden

(...)

Genemuiden, 30 juli 1996

Burgemeester en wethouders van Genemuiden

6. Een schriftelijk stuk, te weten voorschriften behorende bij de beschikking op de aanvraag om een revisievergunning krachtens de Wet Milieubeheer afgegeven door de burgemeester en wethouders van de gemeente Genemuiden ten behoeve van [A] gevestigd te Genemuiden, [a-straat 1], met nummer 352 (als bijlage opgenomen bij het onder 3 genoemde proces-verbaal), inhoudende - zakelijk weergegeven -:

4.2. Afvalstoffen mogen niet in de inrichting, met inbegrip van het bij de inrichting behorende open terrein, worden verbrand."

3.3. Wat de feiten van de onderhavige zaak betreft komt uit de stukken van het geding het volgende naar voren. Op 2 augustus 2005 heeft een toezichthouder van de gemeente Genemuiden, nadat hij een telefonische melding van afvalverbranding had ontvangen, zich samen met een andere toezichthouder en een tweetal opsporingsambtenaren begeven naar het bedrijfsterrein met adres [a-straat 1] te Genemuiden. Op het betreffende bedrijfsterrein is vervolgens vóór een tweetal containers een (licht) brandende berg afval bestaande uit hout, spaanplaat en PVC aangetroffen. [Betrokkene 1], die op dat moment kennelijk op het terrein aanwezig was, heeft verklaard het afval te hebben aangestoken, zonder over de daarvoor benodigde ontheffing te beschikken.

3.4. Het openbaar ministerie heeft de vervolging ingesteld tegen [verdachte], een vennootschap die is gevestigd op het adres [a-straat 1] te Genemuiden en waarvan [betrokkene 1] één van de vennoten is. De in de tenlastelegging genoemde Wm-vergunning is in 1996 verleend aan [A] en diens rechtverkrijgenden. [A], het bedrijf van de zoon van [betrokkene 1], was ten tijde van het tenlastegelegde feit eigenaar van het in de tenlastelegging genoemde perceel [a-straat 1] te Genemuiden. Deze rechtspersoon maakte oorspronkelijk tevens deel uit van [verdachte], maar is daar op 8 november 2004 - ca. negen maanden voor het tenlastegelegde feit - uitgestapt. Het middel klaagt er naar de kern genomen over dat, nu de Wm-vergunning is verleend aan [A], het bestreden arrest ten onrechte in het midden laat op grond waarvan [verdachte] kan worden aangemerkt als degene tot wie de verbodsbepaling van art. 18.18 van de Wet milieubeheer (handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift) zich richt.

3.5. Krachtens art. 8.1, eerste lid, Wm is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in werking te hebben. Ingevolge art. 8.20, eerste lid, Wm geldt een verleende vergunning voor ieder die de inrichting drijft en dient deze ervoor zorg te dragen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. In overeenstemming hiermee wordt in de wetsgeschiedenis en literatuur van de Wm-vergunning gezegd dat zij niet gebonden is aan de (rechts)persoon van degene die haar heeft aangevraagd maar aan het object waarvoor zij is verleend.(1) Met een beroep op deze stelregel heeft de rechtbank in eerste aanleg het verweer van de verdediging dat het in de tenlastelegging genoemde vergunningsvoorschrift niet tot haar is gericht verworpen.(2) Door de verdediging werd onder andere aangevoerd dat het enkele feit dat [verdachte] ten tijde van het tenlastegelegde feit op hetzelfde adres stond ingeschreven als [A] niet voldoende is om de vergunningsvoorschriften ook voor de eerstgenoemde vennootschap van toepassing te laten zijn, maar de rechtbank achtte deze zienswijze (zonder duidelijke motivering) onjuist. In hoger beroep is de toepasselijkheid van het in de tenlastelegging genoemde vergunningsvoorschrift op de verdachte rechtspersoon vervolgens niet meer (expliciet) aan de orde geweest.

3.6. Blijkens de als bewijsmiddel 5 opgenomen beschikking op de aanvraag van een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer betreft de in casu verleende vergunning een inrichting bestemd voor opslag en reparaties van machines en vrachtauto's aan de [a-straat 1] te Genemuiden. Van doorslaggevend belang voor de beoordeling van het middel is derhalve of het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder nadere motivering, welke ontbreekt, heeft kunnen afleiden dat de verdachte rechtspersoon in casu kan worden aangemerkt als degene die de genoemde inrichting drijft. Wat uit de betreffende bewijsmiddelen kan worden afgeleid is dat het terrein waarop deze inrichting is gelegen hetzelfde terrein is als dat waarop de vervolgde vennootschap haar bedrijfsactiviteiten ontplooit. De bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van gemeentelijk toezichthouder [verbalisant 1] (bewijsmiddel 1) houdt in dat de telefonisch gemelde afvalverbranding plaatsvond "op het terrein van [verdachte]" en dat dit terrein "een inrichting betrof". Meer volgt uit de bewijsmiddelen niet. Nu zou kunnen worden betoogd dat uit hetgeen bewijsmiddel 1 inhoudt ten aanzien van het terrein waarop de afvalverbranding heeft plaatsgevonden volgt dat [verdachte] ook heeft te gelden als degene die de aldaar gelegen Wm-inrichting drijft. Een dergelijke redenering is mij echter (veel) te kort door de bocht. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een natuurlijke of rechtspersoon een inrichting drijft in de zin van art. 8.20, eerste lid, Wm is, kort gezegd, of hij deze inrichting feitelijk exploiteert, althans over de exploitatie van de inrichting een bepaalde mate van zeggenschap heeft.(3) Uitgebreide beschouwingen over de wijze waarop in de bestuursrechtelijke jurisprudentie en literatuur aan dit criterium concrete inhoud wordt gegeven kunnen hier achterwege blijven, nu het hof in het bestreden arrest niets heeft vastgesteld of overwogen wat in dit verband relevant is. M.i. had het dat wel behoren te doen. Strafrechtelijk daderschap is - ook waar het rechtspersonen betreft - een serieuze aangelegenheid. Hoewel uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de afvalbrand die de aanleiding voor de vervolging heeft gevormd op het terrein van de Wm-inrichting is aangestoken door [betrokkene 1] en deze [betrokkene 1] tevens vennoot van de vervolgde rechtspersoon [verdachte] is, houdt het bestreden arrest niets in omtrent de precieze (rechts)verhouding tussen [verdachte] en de inrichting waarvoor een vergunning is verleend aan [A]. Dat [verdachte] de betreffende inrichting ten tijde van het tenlastegelegde feit (mede) exploiteerde of over de exploitatie een bepaalde mate van (mede)zeggenschap had ontstijgt op dit moment niet in voldoende mate het niveau van speculatie. Het middel klaagt hierover terecht.(4)

3.7. Het middel slaagt naar mijn mening. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. Kamerstukken II 2001-2002, 26 883, nr. 47, p. 2, Kamerstukken II 1989-1990, 21 087, nr. 6, p. 68 en 82. Voorts C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen, Deventer: Kluwer, p. 39-40.

2 Zie p. 2-3 van het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 november 2007.

3 Zie Koeman & Uylenburg, Tekst en Commentaar Milieurecht (derde druk), aant. 2 bij art. 8.20 Wm, p. 278. Zie voorts de conclusies van AG Vellinga vóór HR 9 maart 2004, LJN AN9919 en HR 22 juni 2010, LJN BK3526 en de daarin opgenomen verwijzingen naar bestuursrechtelijke jurisprudentie en literatuur.

4 Vgl. HR 22 juni 2010, LJN BK3526, waarin o.m. het volgende werd overwogen (onder 3.10): "Dat de verdachte (feitelijk) zeggenschap had over (alle) onder B bewezenverklaarde gedragingen, althans het in haar macht had de desbetreffende overtredingen van de vergunningsvoorschriften te beëindigen, kan uit de bewijsvoering niet zonder meer volgen. De in dat verband door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden zijn daartoe ontoereikend. Daarbij springt in het oog dat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de tussen de verdachte enerzijds en EMR anderzijds gesloten privaatrechtelijke overeenkomst en de daarin overeengekomen verplichtingen en afspraken." Anders HR 9 maart 2004, LJN AN9919 en HR 22 juni 2004, LJN AO8801.