Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO1624

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/02630 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO1624
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Beslag ex art. 94a Sv, conservatoir beslag. Maatstaf. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BL2823. De vraag of klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het geld moet worden beschouwd, komt niet aan de orde in een geval als i.c. waarin onder klager beslag is gelegd op de voet van art. 94a Sv en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van het inbeslaggenomene verzet. Het Hof heeft door te oordelen dat het inbeslaggenomen geldbedrag niet aan klager dient te worden teruggegeven omdat klager niet als rechthebbende van het geldbedrag kan worden aangemerkt, een andere dan de toepasselijke -en dus een onjuiste maatstaf- aangelegd. Voor zover het Hof met dat oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd, is dat oordeel niet begrijpelijk, in aanmerking genomen 's Hofs overweging dat X ook niet als rechthebbende op het geldbedrag kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/318
NJ 2011/125 met annotatie van P.A.M Mevis
NJB 2011, 586
NBSTRAF 2011/109
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02630 B

Mr. Vellinga

Zitting: 12 oktober 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 24 april 2009 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn (mondelinge) beklag strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen horloge en het namens klager ingediende (schriftelijke) beklag strekkende tot teruggave aan klager van een inbeslaggenomen geldbedrag ongegrond verklaard.

2. Namens klager heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof bij zijn beslissing op het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel dat hij zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Onder klager is fl. 473.450,= (thans € 214.842,24) inbeslaggenomen. Op dat geldbedrag rust een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv. In de strafzaak tegen klager is het Openbaar Ministerie in hoger beroep bij onherroepelijk geworden arrest niet-ontvankelijk verklaard. Klager heeft daarom op grond van art. 552a Sv verzocht om een last tot teruggave van het geldbedrag aan hem, met rente.

5. Het Hof heeft dienaangaande - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

"Voorts is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat klager niet als rechthebbende van het onderhavige geldbedrag kan worden aangemerkt nu klager meermalen heeft aangegeven dat het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag niet zijn eigendom is. De klager heeft daartoe steeds aangevoerd dat het geldbedrag toebehoort aan zijn broer [betrokkene 1]. Het hof merkt op dat de rechtbank Haarlem op 23 januari 2002 naar aanleiding van het verzoekschrift ex artikel 522a van het Wetboek van Strafvordering van [betrokkene 1], inhoudende het verzoek tot teruggave van het voornoemde geldbedrag, dit verzoek ongegrond heeft verklaard nu [betrokkene 1] niet als eigenaar van het geldbedrag kon worden aangemerkt. Het hof wijst er hierbij op dat tegen deze beslissing door klager destijds geen hoger beroep is ingesteld, zodat deze uitspraak inmiddels onherroepelijk is en [betrokkene 1] derhalve ook niet als rechthebbende op voornoemd geldbedrag kan worden aangemerkt.

Onder deze omstandigheden dient het geldbedrag onder beslag te blijven en niet te worden teruggegeven aan klager. Het verzoek is dus ongegrond."

6. Indien het beklag is gericht tegen een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv zoals in de onderhavige zaak, dient de rechter te onderzoeken of een met het conservatoir beslag te dienen strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag vordert. Het Hof gaat in de bestreden beschikking aan deze vraag voorbij, kennelijk omdat hij gezien de uitdrukkelijke vermelding dat het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen klager bij onherroepelijk arrest niet-ontvankelijk is verklaard, van oordeel is dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden. In cassatie moet er derhalve van worden uitgegaan dat een met het conservatoir beslag te dienen strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag niet vordert.

7. De vraag is wat vervolgens moet gebeuren als een met het conservatoir beslag te dienen strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag niet (langer) vordert. In zijn overzichtsbeschikking van 28 september 2010(1) ziet de Hoge Raad in geval een met het beslag te dienen strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag niet (langer) vordert, ten aanzien van een beslag op de voet van art. 94 Sv twee gevallen onder ogen:

a. een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - heeft op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave; dan dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt;

b. de beslagene heeft op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv, dat het openbaar ministerie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, te weten degene die - naar het oordeel van het openbaar ministerie - redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; dan dient de rechter te beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Hiermee is nog niet de vraag beantwoord aan de hand van welke maatstaf de rechter dient te beslissen in een geval, waarin de beslagene op de voet van art. 552a Sv heeft verzocht om teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp doch de rechter op grond van de stukken van het geding aannemelijk acht dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt.

8. Als hoofdregel ten aanzien van beklag tegen beslag op de voet van art. 94 Sv ziet de Hoge Raad in voormelde beschikking (rov. 2.8) dat de rechter in geval het belang van strafvordering de voortduring van het beslag niet vordert, hij de teruggave van het voorwerp aan de beslagene dient te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In HR 7 juli 2009, LJN BI0539, NJ 2009, 404 was een geval aan de orde waarin de Officier van Justitie, hoewel het belang van strafvordering niet langer het beslag vorderde, de teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag aan klager weigerde omdat hij dat geldbedrag wilde bewaren ten behoeve van degene die redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt. De Rechtbank verklaarde vervolgens het beklag van de beslagene, strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager ongegrond omdat - in de samenvatting van de Hoge Raad - een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag moest worden aangemerkt. Aldus had de Rechtbank in de ogen van de Hoge Raad de juiste maatstaf aangelegd. Dit betekent dat ook wanneer zich niet het geval voordoet als hiervoor onder b beschreven het de rechtbank vrijstaat het beklag van een beslagene af te wijzen omdat een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. Die vrijheid hangt (kennelijk) niet af van de vraag of de rechthebbende zich tegen teruggave aan de beslagene heeft verzet, of de officier van justitie het voornemen te kennen heeft gegeven het voorwerp te zullen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en of de rechthebbende bekend is. Doordat niet wordt geëist dat de rechthebbende bekend is wordt, hoewel de rechtbank niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat een voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende(2), een daarmee vergelijkbaar resultaat bereikt. Immers, als de beslagene niet redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp kan worden aangemerkt dan kan het - afgezien van res derelicta - moeilijk anders dan dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt ook al is die ander (nog) niet bekend.(3)

9. In de onderhavige zaak is geen sprake van beklag op de voet van art. 94 Sv maar van beslag op de voet van art. 94a Sv. In zijn hiervoor genoemde overzichtsbeschikking ziet de Hoge Raad niet in zijn algemeenheid onder ogen welke maatstaf de rechter dient aan te leggen bij beoordeling van beklag tegen beslag op de voet van art. 94a Sv wanneer het met dat beslag te dienen strafvorderlijk belang het beslag niet langer vordert. De Hoge Raad beperkt zich tot het geval waarin een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend. Dan dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en - indien dat het geval is - of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet. Moet klager als eigenaar worden aangemerkt en is hij niet te kwader trouw in de in art. 94a, derde of vierde lid, Sv bedoelde zin, dan ligt het voor de hand dat teruggave aan klager moet worden bevolen, ook indien er wel grond bestaat aan te nemen dat een ontnemingsvordering succes zal hebben. Immers, ook in dat geval zal het wederrechtelijk verkregen voordeel niet op het goed van de argeloze derde verhaald kunnen worden.

10. Daarmee blijft de vraag welke maatstaf dient te gelden als het met beslag op de voet van art. 94a Sv te dienen belang van strafvordering de voortduring van het beslag niet langer vordert en de klager, onder wie het voorwerp in beslag is genomen, geen derde is in vorenbedoelde zin, dan wel een derde over het onder hem gelegde beslag klaagt doch niet aannemelijk is dat buiten redelijke twijfel is dat hij als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt.(4) Nu de ten aanzien van het beslag op de voet van art. 94 Sv te hanteren hoofdregel overeenstemt met het bepaalde in art. 116 Sv, deze bepaling zowel van toepassing is op beslag op de voet van art. 94 als op beslag op de voet van art 94a Sv en deze bepaling niet differentieert naar de aard van het beslag, meen ik dat bedoelde hoofdregel - afgezien van het door de Hoge Raad in zijn overzichtsbeschikking, rov. 2.15, genoemde geval - ook van toepassing is op beklag over beslag op de voet van art. 94a Sv.(5)

11. Tegen deze achtergrond moet de beslissing van het Hof kennelijk aldus worden begrepen dat het klaagschrift ongegrond is omdat klager, nu hij meermalen heeft aangegeven dat het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag niet zijn eigendom is, niet redelijkerwijze als rechthebbende van dat geldbedrag kan worden beschouwd.

12. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet van hantering van een onjuiste maatstaf, en is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk.(6) Daarbij teken ik aan dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] niet als eigenaar van het inbeslaggenomen geldbedrag kon worden aangemerkt, niet uitsluit dat hij redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat geldbedrag moet worden beschouwd.

13. Het middel faalt.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, LJN BL2823, rov. 2.6.

2 HR 28 september 2010, LJN BL2823.

3 In dezelfde zin HR 7 juli 2009, LJN BI0524, NJ 2009, 405.

4 Kuiper (R. Kuiper, 552a-beklag tegen 94(a)beslag, Strafblad 2008, p. 83-111) bespreekt dit punt ook niet.

5 Vgl. HR 31 maart 2009, LJN BH1478, NJ 2009, 178, rov. 4.5, waarin ook niet wordt gedifferentieerd naar de aard van het beslag.

6 Vgl. HR 31 maart 2009, LJN BH1478, NJ 2009, 178 t.a.v. een klager die zelf niet de beslagene was, waarin in rov. 4.5 wordt overwogen: "Opmerking verdient nog dat de raadkamer die dient te beslissen op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van op de voet van art. 94 of art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen, niet de bevoegdheid heeft de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten van die voorwerpen, nu een met art. 116 of art. 353 Sv vergelijkbare regeling ontbreekt. Indien degenen die in een art. 552a Sv-procedure om teruggave hebben verzocht niet redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt, dient de raadkamer - ook als het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet - hun verzoeken om teruggave af te wijzen."