Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO1371

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09/05110
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2009:BK4514
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO1371
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, art. 3.22 Wet IB 2001, winst uit zeescheepvaart, algemene kosten niet zijnde orgaankosten pro rata toerekenbaar aan winst uit zeescheepvaart en normaal belaste winst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 445 met annotatie van vanDaal
FutD 2010-2450
V-N 2011/10.12
BNB 2011/86 met annotatie van A.O. Lubbers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. HR 09/05110

Rolnr. Hof 08/00026

Rolnr. Rb. Awb 06/1599

Derde Kamer (A)

Vennootschapsbelasting 2002

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

MR. P.J. WATTEL

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 6 oktober 2010 inzake:

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

TEGEN

X B.V.

1. Procesverloop

1.1. Aan de belanghebbende is voor 2002 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag ad € 4.374. Daarmee is impliciet het verlies van de belanghebbende over 2002 vastgesteld op nihil. De Inspecteur heeft de aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak verminderd tot één naar een belastbaar bedrag ad € 3.126.

1.2. De belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank).(1) De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 7 januari 2008 gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar bedrag ad € 2.244.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij Gerechtshof Leeuwarden (hierna: het Hof).(2) De Inspecteur heeft bij verweer incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep van de belanghebbende bij uitspraak van 10 november 2009 gegrond verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ongegrond. Het Hof heeft de aanslag verminderd tot nihil en het verlies vastgesteld op € 3.895.

1.4. De Staatssecretaris heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De belanghebbende heeft verweer gevoerd. De partijen hebben elkaar niet van re- en dupliek gediend.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:(3)

"2.1 Eiseres is volledig aandeelhoudster van vijf dochtermaatschappijen. Deze dochtermaatschappijen nemen voor de volgende bedragen als commanditair vennoten voor een zeker percentage deel in afzonderlijke commanditaire vennootschappen (cv) waarin (steeds) een zeeschip wordt geëxploiteerd.

- A BV € 102.926

- B BV € 92.152

- C BV € 19.995

- D BV € 73.986

- E BV € 73.986

De beide eerstgenoemde dochters zijn daarnaast voor een zeker percentage aandeelhouder in een besloten vennootschap die optreedt als beherend vennoot van de respectieve cv waarin zij als commandiet deelnemen.

2.2 Eiseres vormt met de onder 2.1 genoemde dochtermaatschappijen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2.3 Eiseres heeft op 3 juni 1997 verzocht de winst uit zeescheepvaart op de voet van (...) thans artikel 3.22, vierde lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (...), te mogen bepalen aan de hand van de tonnage van schepen waarmee die winst wordt behaald. Bij beschikking van 1 juli 1997 heeft verweerder dit verzoek toegewezen, waardoor het tonnageregime met ingang van 1996 van toepassing is op de winst uit zeescheepvaart van eiseres. De beherende vennootschappen waarin door A BV respectievelijk B BV een deelneming wordt gehouden, hebben niet geopteerd voor het tonnageregime.

2.4 De forfaitair vastgestelde winst uit zeescheepvaart over 2002 bedraagt € 1.665. Voorts heeft eiseres in 2002 een bedrag van € 2.709 aan rente genoten.

2.5 Eiseres heeft in haar jaarrekening over 2002 een geconsolideerd bedrag aan algemene kosten opgevoerd van € 8.269, welk bedrag is samengesteld uit de volgende kosten:

Tabel

De post "Overig" bestaat uit onder andere de kosten van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. De accountantskosten bestaan bij de dochtermaatschappijen uit het opstellen van de jaarrekening en bij eiseres uit advies- en consolidatiewerkzaamheden en het opstellen van de jaarrekening. De advieskosten bedragen € 450 en zien op een advies over de aanwendingsmogelijkheden van een bedrag van € 99.319 aan liquide middelen waarover eiseres in 2002 beschikt en waarmee zij de in 2.4 genoemde rentebate heeft gegenereerd. Deze advieskosten zijn bij de uitspraak op bezwaar alsnog volledig in aftrek van de winst gebracht, omdat de baten waar zij betrekking op hebben, niet behoren tot de winst uit zeescheepvaart. Voorts heeft verweerder bij zijn uitspraak op bezwaar naast deze advieskosten alsnog een deel van de onder 2.5 vermelde kosten in aftrek toegelaten, te weten € 798."

3. Het geschil in feitelijke instanties

Bij de Rechtbank Leeuwarden

3.1. De Rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven:

"In geschil is het antwoord op de vraag in welke mate kosten, opgekomen bij een belastingplichtige waarvan het resultaat mede bestaat uit op forfaitaire wijze belaste winst uit zeescheepvaart, die niet rechtstreeks betrekking hebben op concrete winstbestanddelen, ten laste van het resultaat moeten worden gebracht."

3.2. De Rechtbank oordeelde daaromtrent als volgt:

"4.1 De rechtbank overweegt naar analogie van het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 1955, nr. 12 382, gepubliceerd in BNB 1955/285, dat in een geval waarin, zoals hier, voor de bepaling van de winst van een belastingplichtige naast de volgens de -normale- regels van artikel 3.25 Wet IB 2001 vast te stellen jaarwinst, een bijzonder winstbepalingsregime van toepassing is, terwijl sprake is van kosten die niet rechtstreeks betrekking hebben op een van de te onderscheiden winstbestanddelen, toerekening plaats moet vinden van die kosten aan die winstbestanddelen volgens een redelijke grondslag. Het standpunt van eiseres gaat derhalve uit van een onjuiste rechtsopvatting.

4.2 De door verweerder toegepaste methode, waarbij de kosten worden toegedeeld naar rato van het geïnvesteerde vermogen, acht de rechtbank een redelijke grondslag, aangezien verweerder onweersproken heeft gesteld dat in de zeescheepvaart het geïnvesteerde vermogen maatgevend is voor de verdeling van het exploitatieresultaat onder de deelnemers. Verweerder kan echter niet worden gevolgd in zijn uitwerking van die methode, aangezien hij slechts de indirecte kosten van de moedermaatschappij toedeelt. Met de opvatting dat de indirecte kosten van de dochtermaatschappijen volledig worden beheerst door het tonnageregime, omdat de winst van die dochtermaatschappijen volledig is behaald met zeescheepvaart, miskent verweerder het karakter van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting waarbij de belasting wordt geheven alsof er één belastingplichtige is.

4.3 Uit de vastgestelde feiten volgt dat in 2002 het met de winst uit zeescheepvaart gemoeide vermogen een bedrag van € 363.045 beloopt en het met de normaal belaste winst € 99.319. De niet rechtstreeks aan de afzonderlijke winstregimes toe te rekenen kosten belopen € 7.819 (€ 8.269 verminderd met € 450). Derhalve komt van deze kosten voor aftrek in aanmerking: 99.319/462.364 * € 7.819, zijnde een bedrag van € 1.680. Het restant is niet aftrekbaar vanwege de toedeling aan het tonnageregime. Uit het voorgaande volgt dat het belastbaar bedrag moet worden vastgesteld op:

Bij aanslagregeling vastgesteld belastbaar bedrag € 4.374

Direct aftrekbare advieskosten € 450-/-

Indirect aftrekbare kosten € 1.680-/-

Belastbaar bedrag € 2.244

4.4 Het feit dat eiseres middellijk participeert in vennootschappen die als zodanig niet hebben geopteerd voor het tonnageregime leidt niet tot een hogere aftrek van de in geding zijnde kosten, aangezien, gelet op eiseres' eigen keuze voor het tonnageregime, voor de te hanteren verdeelsleutel slechts van belang is of het resultaat uit die deelnemingen is aan te merken als winst uit zeescheepvaart. Gesteld noch gebleken is dat dat niet het geval is."

3.3. De Rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard.

Bij het Hof Leeuwarden

3.4. In hoger beroep (ingesteld door de belanghebbende) heeft het Hof het geschil als volgt omschreven:

"3.1 In hoger beroep is in geschil of van de (...) algemene kosten een bedrag van € 7.021(4) onder de reikwijdte van het zogenoemde tonnageregime valt."

3.5. Het Hof oordeelde daaromtrent als volgt:

"4.1. Ingevolge artikel 3.22, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) wordt onder winst uit zeescheepvaart verstaan, kort gezegd, de winst behaald met de exploitatie van een schip.

4.2. Tussen partijen is kennelijk en terecht niet in geschil dat de ter zake van de onderhavige kosten verrichte werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als "de exploitatie van een schip" in de zin van zo-even genoemde wetsbepaling.

4.3. Volgens onderdeel b van het hiervóór bedoelde vierde lid wordt onder winst uit zeescheepvaart (mede) verstaan de winst behaald met werkzaamheden die direct samenhangen met de exploitatie van een schip.

4.4. Belanghebbende betoogt dat de onderwerpelijke werkzaamheden niet direct samenhangen met de exploitatie van een schip, zodat de aan die werkzaamheden verbonden kosten buiten het bereik van de zogenoemde tonnageregeling vallen. Aan een toerekening van de kosten zoals door de Inspecteur wordt bepleit en door de Rechtbank is beslist, wordt volgens belanghebbende niet toegekomen.

4.5. Het Hof onderschrijft het betoog van belanghebbende. De tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.22, vierde lid, onderdeel b, van de Wet (en zijn voorloper artikel 8c, tweede lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964; zie Kamerstukken II, 1995-1996, 24482, nr. 3, blz. 5-6(5), weergegeven in onderdeel 2.5.1 van de conclusie van AG Overgaauw van 19 mei 2006 voor het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2007, nr. 42 765, Ijn: AX7299) vereisen voor de toepassing van de tonnageregeling een directe samenhang tussen de werkzaamheden en de exploitatie van het schip. Mede bezien tegen de achtergrond van de in bovenstaand arrest gegeven beslissing van de Hoge Raad dat de werkzaamheden die de bouw van het schip betreffen niet als direct samenhangend met de exploitatie van het schip kunnen worden aangemerkt, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet worden gezegd dat de onderhavige werkzaamheden, die het opstellen van de jaarrekeningen van de dochtermaatschappijen en van belanghebbende betreffen alsmede zogenoemde consolidatiewerkzaamheden en het doen van fiscale aangiften, als direct samenhangend met de exploitatie van de schepen kunnen worden bestempeld.

4.6. Dit betekent dat de aan die werkzaamheden verbonden kosten buiten het bereik van de zogenoemde tonnageregeling vallen. Aan een toerekening van de kosten, zoals door de Inspecteur - op basis van de bedrijfseconomie - wordt bepleit en door de Rechtbank is beslist, wordt niet toegekomen."

3.6. Het Hof heeft daarom het hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep(6) ongegrond verklaard.

4. Het geschil in cassatie

4.1. De Staatssecretaris stelt één middel voor dat ik als volgt samenvat: het Hof heeft het recht geschonden dan wel zijn uitspraak ontoereikend gemotiveerd door te oordelen dat algemene kosten bij een exploitant van een schip buiten de tonnageregeling in aftrek kunnen worden toegelaten ook in het geval er door deze exploitant geen andere werkzaamheden worden verricht dan de exploitatie van schepen.

4.2. De Staatssecretaris licht zijn middel als volgt toe:

"In het arrest van 2 maart 2007, nr. 42 765, BNB 2007/192c*, is beslist:

"3.1.4. Gedurende de bouw van het schip heeft belanghebbende diverse werkzaamheden verricht. Voor die werkzaamheden heeft belanghebbende van B een vergoeding van ƒ 630.000 ontvangen.

3.2. Het Hof heeft onder meer - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat de door belanghebbende verrichte werkzaamheden waarvoor de vergoeding is ontvangen (nagenoeg) uitsluitend bestonden uit (i) het mede ontwikkelen, ontwerpen en bouwen van een rendabel te exploiteren schip voor containertransport, (ii) het doorvoeren van diverse grotere en kleinere aanpassingen zoals de vergroting van het aanvankelijke ontwerp van 7000 ton naar 9000 ton, het aanpassen van de motor van een 6-cilinder tot een 8-cilindermotor en de ontwikkeling van electrische-hydraulische luiken die snel laden en lossen mogelijk zouden maken, (iii) het voeren van besprekingen met de Technische Universiteit Eindhoven en laboratoria in Duitsland en (iv) het voeren van onderhandelingen met onderaannemers van B.

3.3. De middelen I en II bestrijden vergeefs het oordeel van het Hof dat evengenoemde werkzaamheden niet direct samenhangen met de exploitatie van het schip zodat de vergoeding niet kan worden aangemerkt als winst uit zeescheepvaart als bedoeld in artikel 8c, lid 2, van de Wet. Deze werkzaamheden, die de bouw van het schip betreffen, kunnen niet worden aangemerkt als direct samenhangend met de exploitatie van het schip."

Het gaat in dit arrest om een vergoeding voor werkzaamheden, niet bestaande uit de exploitatie van het scheepvaartbedrijf. In het onderhavige geval gaat het niet om werkzaamheden van belanghebbende. Het gaat om kosten.

(...)

De wettelijke regeling gaat uit van de werkzaamheden die door de exploitant van een schip worden verricht. Met name onderdeel b laat zien dat het gaat om de winst behaald met de werkzaamheden van de exploitant. Het gaat derhalve om werkzaamheden van de exploitant van een schip, welke werkzaamheden verband houden met de exploitatie van het schip.

De dochtermaatschappijen van belanghebbende houden zich uitsluitend bezig met de exploitatie van schepen, in ieder geval de drie laatstgenoemde vennootschappen. Er zijn geen andere werkzaamheden dan de exploitatie van het schip. De werkzaamheden waar het geschil om gaat zijn verricht door derden en worden in rekening gebracht aan belanghebbende. Het behoeft hier niet alleen om accountants te gaan. Het kan om allerlei werkzaamheden gaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om leveranciers van belanghebbende (levensonderhoud bemanning) of de monteur die de scheepsmotor komt repareren. Noch de accountant noch de leverancier noch de monteur exploiteert een zeeschip. Betekent dit dat nu hun werkzaamheden buiten de exploitatie van een schip vallen, de kosten daarmee ook buiten de winst uit zeescheepvaart vallen? Hetgeen het Hof overweegt in r.o. 4.2. van zijn uitspraak wijst op een bevestigend antwoord op deze vraag. Het standpunt lijkt mij onjuist. Indien een vennootschap uitsluitend een zeeschip exploiteert, vallen de kosten die de vennootschap maakt, ook binnen de winst uit zeescheepvaart. Het lijkt niet juist om bepaalde kosten (buiten de tonnageregeling) als verliespost op te nemen in het geval er geen baten zijn en er geen werkzaamheden van belanghebbende zijn die buiten de winst uit zeescheepvaart vallen.

(...)

Over het algemeen gaat het om werkzaamheden van de exploitant van het schip. De winst behaald met deze werkzaamheden valt onder de tonnageregeling. De winst is het saldo van de baten en de kosten. Tot de kosten behoren ook de accountantskosten en vergelijkbare kosten, met name in het geval belastingplichtige geen andere werkzaamheden verricht dan het exploiteren van schepen. De kosten vallen binnen het bereik van artikel 3.22, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Aan onderdeel b wordt niet toegekomen.

Het oordeel van het Hof dat de onderwerpelijke werkzaamheden, zoals die van de accountant, niet direct samenhangen met de exploitatie van een schip acht ik overigens ook niet juist.

Het lijkt erop dat het Hof van oordeel is dat indirecte kosten buiten de tonnageregeling vallen, zodat zij naast de tonnageregeling aftrekbaar zijn. Naar mijn mening moeten de indirecte kosten toegerekend worden aan de werkzaamheden die belanghebbende verricht. Indien uitsluitend sprake is van de exploitatie van een schip, vallen de indirecte kosten binnen de tonnageregeling.

Indien er tevens andere werkzaamheden door belanghebbende zouden worden verricht, moeten de indirecte kosten worden toegerekend. Steun voor deze opvatting is te ontlenen aan het door de Rechtbank vermelde arrest van 22 juni 1955, nr. 12 382, BNB 1955/285 (...).

(...)

De opvatting van het Hof dat de onderhavige werkzaamheden, die het opstellen van de jaarrekeningen van de dochtermaatschappijen en van belanghebbende betreffen alsmede zogenoemde consolidatiewerkzaamheden en het doen van fiscale aangiften, niet kunnen worden aangemerkt als "de exploitatie van een schip" dan wel als direct samenhangend met de exploitatie van de schepen acht ik gegeven de omstandigheden onjuist."

5. (Doel en effect van) de tonnageregeling; "winst uit zeescheepvaart"; kostentoerekening

5.1. Het doel van de tonnageregeling is het tegengaan van het uitvlaggen van schepen en van het verplaatsen van rederijen, om aldus een duurzame ontwikkeling van de zeescheepvaart in Nederland zeker te stellen en maritieme activiteiten in Nederland te bevorderen; aldus de Memorie van Toelichting:(7)

"In de Nota zeescheepvaartbeleid (...) is de betekenis van de zeescheepvaartsector voor de Nederlandse economie aangegeven. Geconstateerd wordt dat bij het huidige beleid het aantal schepen onder Nederlandse vlag afneemt als gevolg van een voortgaande uitvlagging. Als betrekkelijk nieuw verschijnsel komt daar bij dat rederijen hun vestiging naar het buitenland verplaatsen. De ondernemingen in de zeescheepvaart zijn zeer mobiel en verplaatsen onder meer vanwege het fiscale klimaat in toenemende mate hun activiteiten naar andere landen.

Om een duurzame ontwikkeling van de zeescheepvaart in Nederland zeker te stellen is het kabinet van mening dat gunstiger voorwaarden moeten worden gecreëerd voor het exploiteren van zeeschepen vanuit Nederland. In de Nota zeescheepvaartbeleid is daarom een breed pakket aan maatregelen aangekondigd om het uitvlaggen van schepen en het verplaatsen van rederijactiviteiten tegen te gaan."

Even verderop merkte de medewetgever op:(8)

"Het wetsvoorstel beoogt (...) het bevorderen van maritieme activiteiten in Nederland."

Deze ratio werpt weinig licht op de vraag die in geschil is. Enerzijds is het ongetwijfeld goed tegen het uitvlaggen dat indirecte kosten ten laste van de normaal belaste winst komen; anderzijds wilde de wetgever "winst" uit zeescheepvaart vrijstellen (althans forfaiteren), hetgeen impliceert dat hij het saldo van bepaalde inkomsten en de daaraan toerekenbare kosten wilde uitzonderen van het normale fiscale winstregime.

5.2. Het geschil gaat over de toepassing van het vierde lid van art. 3.22 Wet IB 2001: de definitie van "winst uit zeescheepvaart". Art. 3.22 luidde in 2002 als volgt:

"1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de artikelen 3.8 tot en met 3.20, 3.25 tot en met 3.65, 3.79 de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald.

2. t/m 3. (...)

4. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 wordt onder winst uit zeescheepvaart verstaan:

a. de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, alsmede de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet en

b. de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a bedoelde exploitatie van een schip.

5. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 is sprake van de exploitatie van een schip, indien de belastingplichtige:

(...).

6. t/m 13. (...)."

5.3. Art. 3.23 Wet IB 2001 bevat de eigenlijke tonnageregeling: het winstbedrag per dag per nettoton dat ongeacht de werkelijke (arm's length) winst verantwoord moet worden indien de exploitant van een zeeschip kiest voor de tonnageregeling.

5.4. Art. 3.22 Wet IB 2001 is ingevoerd per 1 januari 2001.(9) De bepaling is "mede gebaseerd op artikel 8c, eerste tot en met vijfde en elfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964," aldus de medewetgever.(10) Art. 8c(2) Wet IB 1964 luidde vanaf zijn inwerkingtreding per 1 januari 1996 als volgt:(11)

"2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst uit zeescheepvaart verstaan de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, alsmede de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet. Onder winst uit zeescheepvaart wordt mede verstaan de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in de vorige volzin bedoelde exploitatie van een schip."

5.5. De Memorie van Toelichting bij art. 8c(2) Wet IB 1964 houdt onder meer het volgende in:(12)

"De hier gegeven omschrijving bevat enerzijds elementen die zijn ontleend aan het commentaar dat in het OESO-modelverdrag op artikel 8 wordt gegeven (het artikel betreffende de winst uit zeescheepvaart). Anderzijds zijn er in deze omschrijving elementen opgenomen die ook thans reeds in de Nederlandse fiscale wetgeving voorkomen. In het derde lid is aangegeven wat in dit verband onder exploitatie van een schip moet worden verstaan."

En met betrekking tot "werkzaamheden die direct samenhangen" met scheepsexploitatie:(13)

"Voor de toepassing van het onderhavige artikel omvat de winst uit zeescheepvaart mede de winst behaald met werkzaamheden die direct samenhangen met de exploitatie van de hiervoor genoemde schepen. Tot deze werkzaamheden worden gerekend het door de reder in eigen beheer laden en lossen, alsmede de in eigen beheer verrichte cargadoorswerkzaamheden.

Dergelijke direct samenhangende activiteiten vallen alleen onder de regeling voor zover zij worden verricht ten behoeve van door de belastingplichtige geëxploiteerde schepen. Voorts wordt tot de direct samenhangende werkzaamheden gerekend het vervreemden van zaken voor zover die door de belastingplichtige bij de exploitatie zijn gebruikt. Dit betreft niet alleen zeeschepen die door de belastingplichtige worden geëxploiteerd, maar bijvoorbeeld ook onroerende zaken vanwaaruit het beheer plaatsvindt en bedrijfsmiddelen die worden gebruikt voor het laden en lossen van de schepen.

Door het stellen van de eis dat de werkzaamheden direct moeten samenhangen met de exploitatie van een schip heeft het begrip zeescheepvaart voor de onderhavige regeling een meer beperkte reikwijdte dan onder de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. In het commentaar op artikel 8 van het OESO-modelverdrag, dat internationaal op dit punt als maatgevend kan worden beschouwd, worden activiteiten opgesomd die vanwege hun aard of hun nauwe band met het vervoer over zee eveneens tot de winst uit zeescheepvaart moeten worden gerekend, zoals bijvoorbeeld het vervoer van de haven naar een depot, het aansluitende vervoer naar de geadresseerde en het door de rederij in eigen beheer verrichte containervervoer. Een dergelijke ruime afbakening is voor regelingen ter voorkoming van dubbele belasting niet bezwaarlijk, omdat het daarbij alleen gaat om de vraag welk land het heffingsrecht toekomt. Voor dit wetsvoorstel is zij echter minder geschikt. Daardoor zou immers een verschil kunnen ontstaan in fiscale behandeling van aan de zeescheepvaart in enge zin verwante activiteiten, al naar gelang de omstandigheid of zij door een rederij in eigen beheer worden verricht dan wel door een rederij worden uitbesteed aan derden. Een dergelijk verschil zou tot concurrentieverstoring kunnen leiden.

Niet bij alle werkzaamheden zal het op voorhand duidelijk zijn, of er sprake is van samenhangende werkzaamheden welke onder de reikwijdte van de onderhavige regeling vallen. Om onzekerheden op dit punt zoveel mogelijk te voorkomen en de uitvoering van de regeling te vereenvoudigen kunnen belastingplichtigen de inspecteur verzoeken - bijvoorbeeld bij de indiening van het verzoek voor toepassing van de tonnagegrondslag - om aan te geven of de onderhavige regeling op bepaalde activiteiten van toepassing is. De inspecteur zal zo mogelijk vooraf zekerheid geven omtrent de fiscale behandeling van de door belastingplichtige gemelde samenhangende werkzaamheden. Mocht belastingplichtige op een later tijdstip nieuwe activiteiten entameren, waarvan de fiscale behandeling niet op voorhand duidelijk is, dan kan hierover op dat latere tijdstip alsnog zekerheid worden gevraagd."

5.6. Over het kostenbegrip voor de toepassing van de tonnageregeling is in de Memorie van Toelichting nauwelijks iets gezegd; over toerekening van kosten nog minder:(14)

"Op verzoek van de belastingplichtige wordt de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage (hierna ook wel aangeduid met tonnagegrondslag). Indien de belastingplichtige een dergelijk verzoek doet, zijn met betrekking tot de door hem gedreven onderneming waarop het verzoek betrekking heeft niet langer de regels voor de winstbepaling van de artikelen 7 tot en met 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing, maar de in artikel 8c opgenomen vereenvoudigde, forfaitaire regels voor de winstbepaling. Dit betekent dat bij het bepalen van de winst uit zeescheepvaart zowel de feitelijk behaalde omzet als de daarmee samenhangende kosten buiten aanmerking blijven."

Hieruit kan a contrario afgeleid worden dat kosten die niet "samenhangen" met de "feitelijk behaalde omzet" uit zeescheepvaart wél in aftrek komen. Onduidelijk is echter wat de regering hier bedoelt met "samenhang".

5.7. Over de mogelijkheid om de tonnageregeling ook voor een natuurlijke persoon te laten gelden, merkte de regering op:(15)

"(...) dat ook een natuurlijk persoon die als vennoot deelneemt in een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma en in die hoedanigheid winst uit zeescheepvaart geniet, een verzoek kan doen voor toepassing van de tonnagegrondslag. In dat geval zal eerst de winst van de vennootschap volgens de tonnagegrondslag worden bepaald. Vervolgens zal van deze winst een gedeelte worden toegerekend aan de belastingplichtige volgens de winstverdelingsafspraak van de vennootschap. In dit verband zij opgemerkt dat de forfaitaire winstbepaling zowel betrekking heeft op de aan de belastingplichtige toegerekende winst van de vennootschap als op de kosten die verband houden met zijn aandeel in de onderneming die die winst uit zeescheepvaart behaalt. Dit laatste impliceert onder meer dat de kosten die verband houden met de financiering van het aandeel in de vennootschap, bij de belastingplichtige buiten aanmerking blijven."

5.8. De paragraaf in de Memorie van Toelichting over de budgettaire en personele consequenties van de tonnageregeling vermeldt:(16)

"Voorts zullen de werkzaamheden van de belastingdienst kunnen toenemen als er sprake is van belastingplichtigen die naast zeescheepvaart nog andere activiteiten verrichten, en wel in verband met het vraagstuk van winstsplitsing en kostentoerekening met alle correctiegevoeligheid vandien. Anderzijds kan bij belastingplichtigen die alleen zeescheepvaartactiviteiten verrichten, de winst eenvoudiger dan thans worden bepaald."

Deze passage suggereert dat de wetgever ervan uitging dat de belastingplichtige die slechts de zeescheepvaart beoefent (geen andere inkomsten heeft dan die uit exploitatie van een zeeschip of daarmee rechtstreeks samenhangende werkzaamheden) géén kosten aftrekt binnen het normale winstbelasting-regime, dus ook niet indirecte kosten zoals de litigieuze (kosten die niet direct toerekenbaar zijn aan de exploitatie van een schip of aan rechtstreeks daarmee samenhangende werkzaamheden).

5.9. De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Financiën schreven bij de 'evaluatie maritiem fiscaal pakket' aan de Voorzitter van de Tweede Kamer het volgende over toerekening van kosten:(17)

"Aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is verder de toerekening van gemeenschappelijke kosten en opbrengsten en de toerekening van neveninkomsten in het geval de belastingplichtige zowel activiteiten heeft die onder de tonnageregeling vallen als activiteiten waarop de normale regels voor het bepalen van de winst van toepassing zijn. In dat geval moeten de opbrengsten en de kosten zo goed mogelijk aan de afzonderlijke activiteiten worden toegerekend. Bij de toerekening van de kosten gaat het meer in het bijzonder om de toerekening van de algemene kosten, kosten van huisvesting, gemeenschappelijke afdelingen, de kosten van leiding, financieringskosten, e.d. die betrekking hebben op beide activiteiten. Dit heeft overigens niet tot grote problemen geleid."

5.10. In het Belastingplan 2010(18) werd voorgesteld (inmiddels met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 in werking getreden)(19) om ook kabelleggers, pijpenleggers, onderzoeksschepen en kraanschepen onder de tonnageregeling te brengen en wel voorzover de behaalde winst ziet op hun vervoersfunctie.(20) Over kostentoerekening aan de vervoersfunctie c.q. aan de in het gewone winstregime vallende overige functies is niets gezegd. De redactie van Vakstudienieuws tekende aan:(21)

"Voor het ene deel van de winst van kabelleggers c.s. zal het tonnageregime gaan gelden en voor het andere niet-kwalificerende deel blijven de normale winstbepalingsregels gelden. Wij kunnen ons voorstellen dat de aan te brengen splitsing en toerekening van kosten en opbrengsten tot discussies tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst aanleiding zal kunnen geven."

5.11. De belanghebbende moet bij haar winstberekening twee naast elkaar staande regelsets toepassen. De winst (opbrengsten minus kosten) uit zeescheepvaart wordt forfaitair bepaald aan de hand van de tonnage waarmee die winst wordt behaald (zie art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) jo. art. 3.22 Wet IB 2001). Bij die forfaitaire vaststelling doen de werkelijke opbrengsten én de werkelijke kosten van de zeescheepvaart niet ter zake(22) en er kan zich dan ook geen verlies uit zeescheepvaart voordoen. De overige winst - in belanghebbendes geval beleggingswinst - wordt bepaald aan de hand van de normale regels van art. 8 Wet Vpb.

5.12. Niet in aftrek van de 'gewone' winst (de niet-zeescheepvaartwinst) komen dus, kort gezegd, kosten die toerekenbaar zijn aan de exploitatie van een schip voor vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee en aan werkzaamheden die direct samenhangen met dergelijke exploitatie.

5.13. Kager en Prinsen constateerden al in 1996 dat de toerekening van kosten bij de toepassing van de tonnageregeling aanleiding tot discussie zou geven:(23)

"De toerekening van kosten aan kwalificerende en niet-kwalificerende activiteiten zal in dergelijke situaties [PJW: waarin een belastingplichtige winst uit zeescheepvaart geniet en daarnaast andere, niet-kwalificerende, activiteiten verricht] overigens een bron van discussie vormen, vooral waar het gaat om de algemene, niet-direct toerekenbare kosten."

5.14. Ook De la Cousine constateerde:(24)

"(...) [De] definiëring van het begrip winst uit zeescheepvaart leidt tot een beperkt winstbegrip. Dit kan tot gevolg hebben dat een aantal winstcomponenten bij een zeescheepvaartonderneming niet onder het tonnageregime gebracht kunnen worden. (...) Dit zal nog de nodige meningsverschillen geven met betrekking tot de toerekening van gemaakte kosten aan een bepaalde winstcomponent."

5.15. Duidelijk is dat het voor de belastingplichtige gunstig is als gemaakte kosten zo min mogelijk toegerekend worden aan de zeescheepvaart of daarmee direct samenhangende activiteiten; zij zijn dan aftrekbaar van zijn overige, niet forfaitair bepaalde winst.

6. Drie kostentoerekeningsmogelijkheden

6.1. Mijns inziens zijn er drie mogelijkheden om de litigieuze indirecte kosten te verdelen over de niet-zeescheepvaartinkomsten (aftrek) en de zeescheepvaartinkomsten (geen aftrek): (i) een verdeelsleutel: evenredige toerekening volgens een activiteitenbreuk of bezittingenbreuk, zoals de Rechtbank heeft gedaan op basis van het Bosbedrijfarrest HR BNB 1955/285, (ii) de het-één-of-het-ander-benadering, zoals in het Scheepsontwerparrest HR BNB 2007/192, die het Hof in casu volgt en in wezen ook de Staatssecretaris, maar dan de andere kant op, of (iii) de bestaanskostenbenadering, zoals in HR BNB 1992/170.

(i) Evenredige toerekening aan de hand van een sleutel

6.2. De Rechtbank heeft zich gebaseerd op HR BNB 1955/285.(25) Ook die zaak betrof de toerekening van kosten aan twee soorten opbrengst: opbrengst die onder de normale winstbelasting viel en vrijgestelde opbrengst uit bosbedrijf. Het ging om de kosten van omheining van de bosopstanden en van verzekering ervan. U oordeelde dat omheiningskosten aftrekbaar waren voor zover ziende op de omheining van andere gronden dan die waarop het bos stond. Art. 22(1) Besluit Inkomstenbelasting 1941 luidde in 1950:(26)

"1. De winst uit boschbedrijf, voor zover het binnen het Rijk wordt uitgeoefend, blijft buiten aanmerking."

U overwoog:

"dat belanghebbende er van uitgaat, dat hij de opbrengsten, welke hij uit zijn bossen geniet, ontvangt als bezitter van de bossen, doch niet uit bosbedrijf;

dat echter deze zienswijze onjuist is, omdat, nu vaststaat, dat belanghebbende de bossen exploiteert, hij - (...) - een bosbedrijf uitoefent in den zin van art. 22 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, en de uit de exploitatie voortvloeiende baten en lasten in aanmerking komen ter bepaling van de winst uit bosbedrijf;

dat daarom de kosten van verzekering van de bosopstanden alsmede die tot beheer van de bossen behoren tot de ten laste van het bedrijf komende kosten, terwijl hetzelfde geldt voor de kosten van afrastering;

dat toch de Raad van Beroep terecht heeft aangenomen, dat de omheining van een bezitting van 55 HA niet is een afzonderlijk onroerend goed, doch deel uitmaakt van het omrasterde bezit, weshalve de op die omheining vallende kosten naar evenredigheid mede ten laste komen van het bosbedrijf;"

6.3. U ging dus akkoord met evenredige toerekening van de omheiningskosten aan de verschillende ondernemingsactiviteiten op basis van grondoppervlak. Ook de Rechtbank heeft in casu de kosten evenredig toegerekend, maar dan op basis van geïnvesteerd vermogen. De belanghebbende stelt in hoger beroep dat hij "zich met deze analoge toepassing niet [kan] verenigen (...) omdat de toerekening in BNB 1955/285 niet betrekking had op evident algemene kosten maar op evident directe kosten (van een gemeenschappelijke afrastering)." Ik denk dat deze kwalificatie "evident direct" hier onjuist is, hetgeen al volgt uit het door de belanghebbende zelf gebruikte woord "gemeenschappelijk": de omheining omheinde ook andere landerijen dan bosopstanden en de kosten ervan waren dus niet direct toerekenbaar aan (uitsluitend) de bosbouw, maar moesten verdeeld worden over bosbouw en overige activiteiten. Dat betekent, lijkt mij, dat het om indirecte kosten ging.

(ii) De het-één-of-het-ander-benadering

6.4. Deze benadering is kwalificatief: opbrengsten en kosten vallen óf in het ene regime, óf in het andere. Daarbij kan op twee manieren geredeneerd worden. De Staatssecretaris betoogt in wezen dat bij een belastingplichtige (fiscale eenheid) die - vrijwel - geen andere werkzaamheid uitoefent dan de exploitatie van zeeschepen, alle kosten onderdeel zijn het saldobegrip "winst uit de exploitatie van een schip" en dus binnen het tonnageregime vallen, zodat er niets toe te rekenen valt en niets aftrekbaar is: bij een belanghebbende zoals deze valt alles onder de tonnageregeling, tenzij toerekenbaar aan een specifieke andere activiteit dan zeescheepvaart (zoals in casu het beleggen van liquiditeiten: de kosten van beleggingsadvies zijn dan ook in aftrek toegelaten). De Staatssecretaris komt aldus niet voorbij letter a van art. 3.22(4) Wet IB 2001: alleen de beleggingen zijn uitgezonderd van het tonnageregime. Het Hof en de belanghebbende redeneren andersom: alle kosten (en opbrengsten) van een Vpb-plichtige vallen in beginsel onder het normale fiscale winstregime, tenzij zij door wetsduiding onder het tonnageregime vallen; daar vallen zij blijkens de wettekst slechts onder als de werkzaamheden die de kosten oproepen kwalificeren als exploitatie van een zeeschip (art. 3.22(4)(a) Wet IB 2001) of als daarmee rechtstreeks samenhangend (art. 3.22(4)(c) Wet IB 2001). Het samenstellen van jaarrekeningen en die fiscaal consolideren, aangifte doen en ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel zijn volgens het Hof niet aan te merken als exploitatie van een zeeschip en evenmin als werkzaamheden die daar rechtstreeks mee samenhangen. De kosten daarvan vallen dus noch onder letter a, noch onder letter c van art. 3.22(4) Wet IB 2001. Zij vallen dus (geheel) onder het normale fiscale regime. Die kosten hebben niet van doen met de exploitatie van een zeeschip c.a., maar met de exploitatie van een onderneming in het algemeen - welke onderneming dan ook.

6.5. Voor opbrengsten is deze kwalificatieve methode inderdaad toegepast. Het Scheepsontwerparrest HR BNB 2007/192(27) betrof de vraag of de tonnageregeling toepasselijk was op de opbrengsten uit

"(i) het mede ontwikkelen, ontwerpen en bouwen van een rendabel te exploiteren schip voor containertransport, (ii) het doorvoeren van diverse grotere en kleinere aanpassingen zoals de vergroting van het aanvankelijke ontwerp van 7000 ton naar 9000 ton, het aanpassen van de motor van een 6-cilinder tot een 8-cilindermotor en de ontwikkeling van electrische-hydraulische luiken die snel laden en lossen mogelijk zouden maken, (iii) het voeren van besprekingen met de Technische Universiteit Eindhoven en laboratoria in Duitsland en (iv) het voeren van onderhandelingen met onderaannemers van B."

U oordeelde dat deze werkzaamheden onvoldoende te maken hadden met scheepsexploitatie:

"3.3. De middelen I en II bestrijden vergeefs het oordeel van het Hof dat evengenoemde werkzaamheden niet direct samenhangen met de exploitatie van het schip zodat de vergoeding niet kan worden aangemerkt als winst uit zeescheepvaart als bedoeld in artikel 8c, lid 2, van de Wet. Deze werkzaamheden, die de bouw van het schip betreffen, kunnen niet worden aangemerkt als direct samenhangend met de exploitatie van het schip."

6.6. U heeft voorts twee zaken beslist over de toepassing van de tonnageregeling op inkomsten uit beleggingen naast zeescheepvaartwinst. HR BNB 2006/41(28) betrof de vraag of ook onder de tonnageregeling viel de door de belastingplichtige genoten rente op tegoeden die waren verdiend met scheepsexploitatie en die werden aangehouden om te investeren in vervangende schepen c.q. in onderhoud. Het Gerechtshof Amsterdam overwoog daarover:(29)

"5.2. Het Hof is van oordeel dat uit de tekst van de wet voortvloeit dat de op de voet van de tonnageregeling bepaalde winst in de plaats treedt van de met de exploitatie van zeeschepen (en de daarmee direct samenhangende werkzaamheden) behaalde operationele winst, dat wil zeggen het resultaat van de omzet, verminderd met de aan het behalen van die omzet toe te rekenen kosten van de belastingplichtige. Voor de primaire opvatting van belanghebbende, die erop neerkomt dat de winst uit onderneming van de belastingplichtige die zeeschepen exploiteert, uitzonderingsgevallen daargelaten, in volle omvang wordt vervangen door de op de grondslag van de tonnages berekende winst, is geen steun te vinden in de wet en in haar totstandkomingsgeschiedenis. Het Hof wijst er in dit verband op dat in de artikelsgewijze toelichting van het ontwerp van wet waarin de tonnageregeling is opgenomen, bij artikel 8c, eerste lid, is opgemerkt:

'Dit betekent dat bij het bepalen van de winst uit zeescheepvaart zowel de feitelijk behaalde omzet als de daarmee samenhangende kosten buiten aanmerking blijven.' (memorie van toelichting, Kamerstukken II 1995/96, 24 482, nr. 3, blz. 3).

Aan de omstandigheid dat daaraan voorafgaand, meer in het algemeen, wordt opgemerkt dat met betrekking tot de door de belastingplichtige gedreven onderneming niet langer de normale regels voor de winstbepaling van toepassing zijn, komt onvoldoende gewicht toe, nu deze opmerking vervolgens nader wordt geconcretiseerd in de zojuist geciteerde passage.

De omstandigheid dat de forfaitaire winstbepaling aanknoopt bij de tonnage van de desbetreffende schepen duidt er bovendien op dat de tonnageregeling ertoe strekt bij de winstberekening van de belastingplichtige in de plaats te treden van de normale bepaling van het resultaat van slechts de exploitatie van de schepen. Deze maatstaf voor de forfaitaire winstberekening is immers ongeschikt om uitdrukking te geven aan andere bronnen van winst van de belastingplichtige dan de geëxploiteerde schepen.

5.3. Het beleggen van middelen is niet aan te merken als behorend tot de exploitatie van een schip, ook niet als die middelen worden aangehouden met het oog op de investering in een ander, al dan niet een in het desbetreffende boekjaar geëxploiteerd schip vervangend, schip. Tot de operationele winst is evenmin te rekenen de opbrengst van beleggingstegoeden die worden aangehouden als werkkapitaal of voor het te zijner tijd uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan het schip. De daarmee behaalde rentebaten kunnen immers niet worden aangemerkt als omzet die is behaald met de exploitatie van een schip. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat die tegoeden zijn ontstaan door het storten van middelen die zijn verkregen door de exploitatie van een schip.

5.4. De omstandigheid dat blijkens de wetsgeschiedenis in de regeling besloten ligt dat bij keuze voor de tonnageregeling tevens buiten beschouwing blijven resultaten die worden behaald bij de vervreemding van zaken zoals onroerende zaken van waaruit het beheer plaatsvindt en bedrijfsmiddelen die worden gebruikt voor het laden en lossen van de schepen die onder de tonnageregeling vallen, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het gaat hier immers om zaken die worden aangewend bij de exploitatie van de schepen en waarvan de kosten (afschrijvingen en andere lasten) in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het operationele resultaat van de exploitatie van een zeeschip. Het ligt dan in de rede om een positief resultaat op zulke zaken, eventueel naar evenredigheid qua aanwending en tijd, mede onder de tonnageregeling te begrijpen."

U overwoog:

"Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven. De klachten kunnen mitsdien niet tot cassatie leiden."

6.7. De redactie van Vakstudienieuws was het daarmee eens:(30)

"Ons inziens is er een te ver verwijderd verband tussen enerzijds de beleggingsopbrengsten en anderzijds winst behaald met exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen om nog te kunnen spreken van werkzaamheden die direct samenhangen met de exploitatie van een schip."

Van Beelen schreef in zijn NTFR-commentaar onder meer:(31)

"Uit de wet vloeit voort dat de op de voet van de tonnageregeling bepaalde winst, te weten de winst uit exploitatie van zeeschepen of uit werkzaamheden die hiermee direct samenhangen, in de plaats treedt van de feitelijke 'operationele' winst uit zeescheepvaart. Overige winst die door een belastingplichtige wordt behaald, wordt aan de hand van het normale winstregime vastgesteld en belast. Onder overige winst vallen in ieder geval rentebaten, maar kunnen bijvoorbeeld ook verhuuropbrengsten van onroerende zaken vallen. Rentelasten die verband houden met de financiering van het zeeschip vallen wel onder de tonnageregeling, rentelasten die verband houden met de financiering van een onroerende zaak die (deels) verhuurd wordt, komen (gedeeltelijk) ten laste van de overige winst."

6.8. In een vergelijkbaar geval van beleggingsopbrengsten naast winst uit zeescheepvaart verwierp u met toepassing van art. 81 Wet RO het cassatieberoep(32) tegen een uitspraak van het Hof 's-Gravenhage.(33)

6.9. Inkomsten uit scheepsontwerp en uit liquide aangehouden ingehouden zeescheepvaartwinst vallen dus niet onder de tonnageregeling. De daaraan toerekenbare kosten vallen daar dan evenmin onder, maar uit deze rechtspraak over de opbrengstenkant valt niet op te maken of de algemene kosten van een vennootschap die zich (vooral) met zeescheepvaart c.a. bezighoudt in uitgangspunt toerekenbaar zijn aan (a) de zeescheepvaart c.a. (alsdan worden alleen de direct aan eventuele andere activiteiten toerekenbare kosten aan de opbrengsten van die andere activiteiten toegerekend, zoals in casu de kosten van beleggingsadvies), of (b) aan de abstracte totale ondernemingsactiviteit (alsdan worden - andersom - alleen de direct door de zeescheepvaart c.a. opgeroepen kosten toegerekend aan de opbrengst uit zeescheepvaart c.a.; de rest van de kosten (algemeen en indirect) blijft in het normale fiscale winstregime waaraan de vennootschap in uitgangspunt onderworpen is). De Staatssecretaris gebruikt uitgangspunt (a); het Hof uitgangspunt (b). De laatste benadering (die van het Hof) komt - althans in casu - op hetzelfde neer als de orgaankostenbenadering in uw jurisprudentie over toerekening van kapitaalbelasting en emissiekosten en dergelijke bij vennootschappen die voornamelijk vrijgestelde deelnemingsopbrengsten genieten.

(iii) De orgaankostenbenadering (kosten die eigen zijn aan het bestaan van de rechtspersoon)

6.10. Van Daal schreef in NTFR bij de thans aangevallen Hofuitspraak onder meer:(34)

"Genoemde kosten [accountantskosten en overige algemene kosten; PJW] houden naar mijn mening verband met de algemene kosten die eigen zijn aan een bv en die derhalve niet [in] verband kunnen staan tot een specifiek winstregime, zoals de tonnageregeling. Ik verwijs ter zake nog naar een zeer recent arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2009, nr. 08/00324 (...) inzake de aftrekbaarheid van emissiekosten onder de oude deelnemingsvrijstelling."

6.11. In het genoemde arrest (HR BNB 2010/34) overwoog u over emissiekosten:(35)

"3.4. (...) De onderhavige kosten zijn aan te merken als kosten van wijziging van het kapitaal en daardoor in beginsel aftrekbaar op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet. Voorts hebben deze kosten primair betrekking op het bestaan van belanghebbende als beursgenoteerde naamloze vennootschap; de kosten zijn niet afhankelijk van de wijze waarop het kapitaal zal worden aangewend. Dit brengt mee dat deze kosten niet op zodanige wijze verband houden met bepaalde door belanghebbende te behalen voordelen (in het onderhavige geval: voordelen uit de te verwerven buitenlandse groep), dat zij voor de toepassing van artikel 13, lid 1 van de Wet aan die voordelen moeten worden toegerekend."

6.12. Over de aftrekbaarheid van kapitaalsbelasting als gevolg van kapitaalsuitbreiding overwoog u in HR BNB 1992/170:(36)

"4.2. (...) Kapitaalsbelasting behoort (...) tot de bedrijfskosten welke eigen zijn aan de rechtsvorm van belanghebbende. Deze kosten zijn afhankelijk van de omvang van het aandelenkapitaal en niet van de wijze waarop het verkregen kapitaal zal worden aangewend, zodat een direct verband tussen de kosten en de ontvangen hypothecaire interest ontbreekt."

6.13. HR BNB 1994/164 bestendigde de in HR BNB 1992/170 ingezette lijn en ging om ten opzichte van HR BNB 1977/176:(37)

"4.6.1. Bij de beoordeling van deze middelen dient het volgende te worden vooropgesteld.

De uitgaven voor kapitaalsbelasting behoren, gelijk ook het Hof in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1992, BNB 1992/170, heeft geoordeeld, tot de bedrijfskosten welke eigen zijn aan de rechtsvorm van belanghebbende. Deze kosten hebben primair betrekking op het bestaan van belanghebbende als rechtspersoon; zij zijn afhankelijk van de omvang van het kapitaal en niet van de wijze waarop het kapitaal zal worden aangewend. Dit brengt mee dat deze kosten niet op zodanige wijze verband houden met bepaalde door belanghebbende te behalen voordelen, dat zij aan die voordelen kunnen worden toegerekend. Het brengt tevens mee dat, mede gezien hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest van 28 september 1966, BNB 1967/1, de kosten niet bepaaldelijk verband houden met de winst van enig boekjaar.

4.6.2. De Hoge Raad heeft in (...) [HR] BNB 1977/176 geoordeeld dat, indien de uitgifte van aandelen geschiedt met het oogmerk om een deelneming als bedoeld in artikel 13 van de Wet (...) te verwerven of uit te breiden, de daardoor verschuldigde kapitaalsbelasting verband houdt met die deelneming, zodat aftrek van die belasting slechts mogelijk is onder de in artikel 13, lid 4, van de Wet gestelde voorwaarde, doch is, gelet op het hiervóór onder 4.6.1 overwogene nader van oordeel dat niet voldoende gronden bestaan om aan te nemen dat tussen de belasting en de deelneming een verband bestaat als bedoeld in artikel 13, lid 4, van de Wet, dat leidt tot uitsluiting van de deelnemingsvrijstelling."

6.14. De kosten van een beursgang en van investor relations, gemaakt door een zuivere houdster-vennootschap onder het oude deelnemingsvrijstellingsregime, leidden tot een vergelijkbare discussie als die in 6.9 hierboven weergegeven. In de conclusie voor HR BNB 2005/224 schreef ik daarover:

"6. De kosten van notaris, reorganisatie, beursnotering en investor relations; 'verband met een deelneming'

6.1. Tegenover elkaar staan twee benaderingen. De eerste (die van de fiscus) houdt in dat uitgangspunt moet zijn dat de kosten die een zuivere houdstervennootschap maakt, bij gebreke van andere activa steeds verband houden met haar deelnemingen en dat daarop slechts een uitzondering bestaat voor kosten die eigen zijn aan het bestaan van de houdstervennootschap als rechtspersoon, zoals de kosten van oprichting, aandeelhoudersvergaderingen en jaarverslaglegging en - sinds uw hieronder nog te bespreken arrest BNB 1994/164 - de kapitaalsbelasting. De andere - door belastingplichtigen sinds het genoemde arrest aangehangen - benadering houdt in dat de aftrekbeperking van art. 13, lid 4, Wet Vpb. (tekst 1989) alleen die kosten raakt die op zodanige wijze verband houden met bepaalde door de houdstervennootschap te behalen voordelen dat zij aan die voordelen kunnen worden toegerekend, zodat alle kosten van de houdstervennootschap die niet bepaald toerekenbaar zijn aan (buitenlandse) deelnemingen, aftrekbaar zijn. Als ik het goed zie, ziet in de laatste benadering de aftrekbeperking van art. 13, lid 4, Wet Vpb. (tekst 1989) vooral op financieringskosten voor (buitenlandse) deelnemingen en kosten vallende op de aan- en verkoop van die deelnemingen.

(...)

6.4. Art. 13, lid 1 (tot 28 april 1990: lid 4) Wet Vpb. legt twee verbanden: (i) verband tussen de kosten en de deelnemingen ('kosten welke verband houden met een deelneming') en (ii) tussen de kosten en winsten (de kosten die aan het eerste verband - met een deelneming - voldoen, moeten, om voor aftrek in aanmerking te komen, 'middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van binnen het Rijk belastbare winst'). De kosten hoeven dus niet dienstbaar te zijn aan de deelneming; zij moeten - middellijk - dienstbaar zijn aan het binnen het Rijk behalen van belastbare winst. Zouden de kosten dienstbaar (moeten) zijn aan de deelneming, dan zouden zij doorbelast moeten worden aan die deelneming en dus geen onderdeel van de totale winst van de houdstervennootschap uitmaken, zodat een aftrekbeperking bij de houdstervennootschap ter zake geen voorwerp zou hebben. Het gaat om de kosten die niet doorbelast moeten worden aan de deelneming - dus om eigen kosten van de houdster - maar die wél 'verband houden met een deelneming.' Er zijn volgens uw jurisprudentie ook eigen kosten van de houdstervennootschap - zelfs van een zuivere houdstervennootschap - die géén (voldoende) verband houden met de deelneming in de zin van art. 13, lid 1, Wet Vpb.

(...)

6.11. Ik meen dat uit het geciteerde arrest BNB 1994/164 volgt dat niet slechts die kosten van de houdster buiten de aftrekbeperking vallen die 'eigen zijn aan de rechtsvorm' van de houdster (zoals kosten van de aandeelhoudersvergadering, de jaarstukken en de oprichting). Geen enkele rechtsvorm roept immers noodzakelijkerwijs meer kosten van kapitaalbelasting op dan de kapitaalsbelasting over het minimumkapitaal. De kapitaalsbelasting boven dat minimum is - bij afwezigheid van (toepasselijkheid van) fiscale onderkapitalisatieregels - een gevolg van ondernemersbeslissingen, met name van de keuze om activa met eigen vermogen in plaats van met vreemd vermogen te financieren. De wijze van financiering van activa houdt geen verband met de rechtsvorm. Toch achtte u aftrekbaar de kapitaalsbelasting, gevallen op de kapitaalsuitbreiding ten behoeve van de verwerving van een buitenlandse deelneming.

6.12. Ook de tirades in uw arrest BNB 1992/170: 'een direct verband tussen de kosten en de ontvangen hypothecaire interest' en in uw arrest BNB 1994/164: 'niet op zodanige wijze verband houden met bepaalde door belanghebbende te behalen voordelen' en 'niet bepaaldelijk verband houden met de winst van enig boekjaar' (...), suggereren dat niet alleen de kosten in verband met het bestaan van de houdstervennootschap als rechtspersoon, maar ook alle andere niet min of meer finaal aan specifieke (buitenlandse) deelnemingen toerekenbare kosten ontsnappen aan de aftrekbeperking van art. 13, lid 4 (thans lid 1), Wet Vpb. bij gebreke van voldoende verband met die deelnemingen.

(...)

6.15. Ik maak uit uw jurisprudentie op dat 'eigen aan de rechtsvorm' een onvolledig criterium is en dat ook andere kosten die niet op zodanige wijze verband houden met bepaalde door houdstervennootschappen te behalen voordelen, dat zij aan die voordelen kunnen worden toegerekend, buiten de aftrekbeperking van art. 13, lid 4 (thans lid 1), Vpb. vallen bij gebreke van voldoende 'verband.' De zogenoemde orgaankosten (bedrijfskosten die eigen zijn aan de rechtsvorm van houdster en primair betrekking hebben op haar bestaan als rechtspersoon, met name kosten die afhankelijk zijn van de omvang van het kapitaal en niet van de wijze waarop het zal worden gebruikt) kunnen in elk geval niet worden toegerekend aan bepaalde te behalen voordelen. Zij zijn echter niet het enige voorbeeld van houdsterkosten die in onvoldoende verband met de gehouden deelnemingen staan om onder art. 13, lid 4 (thans lid 1), Wet Vpb. te vallen."

6.15. U oordeelde:(38)

"4.4. (...) Deze kosten houden geen zodanig verband met bepaalde door belanghebbende uit haar deelnemingen te behalen voordelen dat zij aan die voordelen kunnen worden toegerekend, en zij kunnen mitsdien niet worden aangemerkt als kosten welke verband houden met de deelneming, als bedoeld in artikel 13, lid 4, van de Wet."

6.16. Strik en De Vries schrijven over dit arrest:(39)

"Het lijkt erop(40) dat de onderhavige kosten geen orgaankosten zijn die door de rechtsvorm van de belanghebbende als zodanig worden opgeroepen (zoals de kapitaalsbelasting; zie HR (...) BNB 1994/164 (...)), maar kosten die in een zodanig los verband staan tot de (buitenlandse) deelneming dat zij noch aan de deelneming hoeven te worden doorberekend, noch onder de aftrekbeperking van art. 13, lid 1, (oud) Wet Vpb. 1969 vielen. Belanghebbende had ook geclaimd dat de reorganisatiekosten die waren gemaakt voor de reorganisatie van het concern waartoe belanghebbende behoorde, strekkende tot oprichting van belanghebbende en de invulling van haar functie als houdstermaatschappij mede met het oog op het naar de beurs brengen van een gedeelte van haar aandelen, in aftrek konden worden gebracht. De Hoge Raad verwees het geding om te laten onderzoeken in hoeverre deze kosten in zodanig verband stonden met de deelnemingen van belanghebbende dat zij onder art. 13, lid 1, (oud) Wet Vpb. 1969 vielen."

6.17. De redactie van Vakstudienieuws tekende bij uw arrest aan:(41)

"Wij interpreteren deze overweging [PJW: r.o. 4.4] van de Hoge Raad zo dat onderhavige kosten geen orgaankosten zijn die door de rechtsvorm van belanghebbende als zodanig worden opgeroepen, zoals dat bijvoorbeeld geldt voor de kapitaalsbelasting (....), maar kosten die (...) in een zodanig losser verband staan tot de (buitenlandse) deelneming dat zij noch aan de deelneming behoeven te worden doorberekend noch onder de aftrekbeperking van art. 13, vierde (tot 1 januari 2004 eerste) lid, (oud) Wet VPB 1969 vallen. Een tussencategorie dus die zich beweegt tussen de aan de (buitenlandse) deelnemingen door te belasten kosten enerzijds (niet aftrekbaar) en de orgaankosten die samenhangen met en worden opgeroepen door de rechtsvorm van de belastingplichtige anderzijds (aftrekbaar). De Hoge Raad volgt in onderhavige arresten dus de lijn zoals die door A-G Wattel in zijn conclusies is uiteengezet."

6.18. Opheikens becommentarieerde uw arrest in NTFR als volgt:(42)

"De Hoge Raad spreekt niet over 'orgaankosten' of kosten 'eigen aan de rechtsvorm'. De Hoge Raad oordeelt geparafraseerd slechts dat het verband met de buitenlandse deelneming niet zo sterk is dat de aftrekbeperking in werking treedt. Dit is een belangrijk oordeel. Het bepalen van orgaan- en 'eigen' kosten is hiermee van minder praktisch en financieel gewicht geworden. De Hoge Raad lijkt - onuitgesproken - de lijn te volgen van de conclusies van Wattel en publicaties van Marres (...). Relatie tot deelnemingen waar ook ter wereld is voor dit soort 'algemene' kosten niet meer relevant."

6.19. Deze benadering, toegepast op de tonnageregeling, zou tot het resultaat leiden dat alleen kosten die voldoende verband houden met een bepaalde opbrengstenbron (de zeescheepvaart) toegerekend worden aan de opbrengst van die bron. De algemene kosten van een zeescheepvaartonderneming, die niet bepaaldelijk worden opgeroepen door de zeescheepvaart, maar ook gemaakt zouden moeten worden als de vennootschap een pianofabriek zou exploiteren, een pure houdster zou zijn of alleen maar zou beleggen, blijven dus bij de vennootschap als belastingplichtige, dat wil zeggen: blijven in het normale algemene winstbelastingregime en zijn dus aftrekbaar.

6.20. Ik meen dat deze jurisprudentie over indirecte kosten van houdsters onder de oude deelnemingsvrijstelling niet zonder meer overplantbaar is naar de tonnageregeling. De tonnageregeling strekt er niet toe om economische dubbele belasting (naar het volle tarief) over dezelfde ondernemingswinst te voorkomen, zoals de deelnemingsvrijstelling, maar is een fiscaal privilege, bedoeld als wapen in de strijd tegen de fiscale concurrentie van andere jurisdicties en is daarmee onderdeel van de beruchte race to the bottom. Onder het oude deelnemingsvrijstellingsregime lag het niet zonder meer voor de hand om algemene kosten aan de deelnemingsvoordelen toe te rekenen, nu toerekening van kosten aan vrijgestelde deelnemingen erop neerkwam dat die kosten nergens aftrekbaar zouden zijn terwijl de winst wel belast was (nl. bij de uitkerende dochtervennootschap). Er was dus aanleiding de toerekening beperkt te houden tot de directe deelnemingskosten. In het geval van de tonnageregeling wordt de gemaakte zeescheepvaartwinst echter überhaupt niet (serieus) belast en is er dus geen reden de toerekening van kosten aan de niet-belaste opbrengstenbron beperkter te houden dan de bedrijfseconomie leert.

6.21. Daar komt bij dat een slechts beperkte toerekening van kosten aan de opbrengsten uit zeescheepvaart c.a. het staatssteuneffect van de tonnageregeling zou vergroten.

7. Beoordeling van het middel

7.1. De Staatssecretaris stelt dat het Hof ten onrechte algemene kosten van een exploitant van zeeschepen buiten de tonnageregeling in aftrek toelaat ook indien die exploitant geen andere werkzaamheden verricht dan het exploiteren van schepen.

7.2. Ik merk op dat het uitgangspunt van het middel (dat de belanghebbende niets anders doet dan zeeschepen exploiteren) in zoverre feitelijke grondslag mist dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld - zie onderdeel 2 van de uitspraak van het Hof (en onderdeel 2.4 van de uitspraak van de Rechtbank) - dat naast de genoten winst uit zeescheepvaart ook normaal belaste winst is genoten uit beleggingen. De daarmee direct samenhangende advieskosten zijn dan ook geheel in aftrek toegelaten.

7.3. Het gaat in casu om de kosten van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, opstellen van jaarrekeningen, het (fiscaal) consolideren daarvan en aangifte doen. De door de Staatssecretaris genoemde kosten van leeftocht voor de bemanning en aandrijving van het schip zijn directe kosten van de zeescheepvaart en daarom mijns inziens niet vergelijkbaar met de litigieuze algemene kosten die elke fiscale eenheid zal moeten maken, onafhankelijk van de aard van haar bezigheden.

7.4. Volgens de in onderdeel 5.6 geciteerde MvT blijven "zowel de feitelijk behaalde omzet als de daarmee samenhangende kosten buiten aanmerking". Onduidelijk is wat "samenhangen" hier betekent, maar de MvT suggereert dat de omzet, behaald met verschillende bezigheden, beslissend is bij de toerekening van algemene kosten aan die verschillende bezigheden. Dat duidt op een verdeelsleutel-benadering. De in onderdeel 5.8 geciteerde passage uit de MvT suggereert dat bij een zeescheepvaart-onderneming zonder andere inkomsten geen enkele kostenpost aftrekbaar is binnen het normale winstbelastingregime omdat er ook geen normaal belaste winst is, zodat alle kosten "samenhangen" met de zeescheepvaartopbrengsten. Dat is niet in strijd met een verdeelsleutelbenadering (voorondersteld wordt immers dat er geen andere winst is dan die uit zeescheepvaart), maar zou wel de orgaankostenbenadering (zie de onderdelen 6.10-6.21) uitsluiten, en ook de benadering die het Hof heeft gekozen.

7.5. Hoewel de wetsgeschiedenis niet erg concludent is op het punt van kostentoerekening, meen ik dat zij in de richting van de oplossing van de Rechtbank wijst (de verdeelsleutelmethode; zie onderdelen 6.2 en 6.3 hierboven). In die richting wijzen ook de overwegingen die ik in 6.20 en 6.21 opnam.

7.6. Ik concludeer daarom dat het middel doel treft en dat de litigieuze kosten toegerekend moeten worden aan alle inkomstenbronnen binnen de onderneming van de belanghebbende volgens een passende omslagsleutel. De door de Rechtbank gekozen sleutel (toerekening naar rato van het in de desbetreffende bezigheid geïnvesteerde vermogen; zie r.o. 4.2, geciteerd in 3.2 hierboven) getuigt - anders dan de belanghebbende meent - mijns inziens geenszins van een onjuiste rechtsopvatting, mede gezien de vaststelling van de Rechtbank dat onweersproken is dat in de zeescheepvaart het geïnvesteerde vermogen maatgevend is voor de verdeling van het exploitatieresultaat onder de deelnemers.

7.7. Het in aanmerking nemen van de algemene kosten van alle gevoegde vennootschappen (niet slechts die van de belanghebbende als zelfstandige vennootschap), getuigt mijns inziens evenmin van onjuist rechtskundig inzicht, nu de fiscale eenheid de belastingplichtige is.

8. Conclusie

Ik geef u in overweging het cassatieberoep gegrond te verklaren, 's Hofs uitspraak te vernietigen en de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Rechtbank Leeuwarden 7 januari 2008, nr. AWB 06/1599, LJN BC2158, NTFR 2008/295.

2 Gerechtshof Leeuwarden 10 november 2009, nr. 08/00026, LJN BK4514, V-N 2010/10.1.2, NTFR 2009/2668, met commentaar Van Daal.

3 Het Hof heeft voor de feiten verwezen naar de feiten zoals vastgesteld door de Rechtbank.

4 PJW: € 7.021 = € 8.269 - € 450 (kosten voor een advies over de gebruiksmogelijkheden van overtollige liquiditeiten) -

€ 798 (reeds door de Inspecteur in bezwaar in aftrek toegelaten).

5 PJW: als geciteerd in onderdeel 5.5 hierna.

6 Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur hield in dat alleen de indirecte kosten van de moedermaatschappij naar rato dienen te worden toegerekend aan de verschillende winstregimes. Op het niveau van de dochtermaatschappijen is deze toedeling niet aan de orde aangezien op hun niveau slechts winst uit zeescheepvaart wordt behaald; zie het verweerschrift van de Inspecteur in hoger beroep, blz. 5.

7 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 1.

8 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 7.

9 Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 215.

10 Kamerstukken II 1998/99, 26 727 (Belastingherziening 2001), nr. 3 (MvT), blz. 106.

11 Wet van 21 december 1995, Stb. 1995, 666.

12 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 4.

13 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 5-6.

14 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 3.

15 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 4.

16 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 3.

17 Kamerstukken II 2002/03, 28 857 (Evaluatie maritiem fiscaal pakket), nr. 1 (Evaluatienotitie), blz. 10-11.

18 Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2010), Stb. 2009/609. Gezien het staatssteun karakter van de regeling is deze voorgelegd aan de Europese Commissie. De voorgestelde wijziging zal pas na goedkeuring van de Europese Commissie bij KB in werking treden waarbij terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 mogelijk is. Kamerstukken II 2009/10, 32 128, nr. 3, blz. 11-12.

19 Regeling van 8 juli 2010, nr. DB/2010/0154M, tot wijziging van de Regeling forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart 2001, Stcrt. 2010/11178, gepubliceerd in V-N 2010/34.9 en NTFR 2010/1750, met commentaar De redactie.

20 Art. 3.22(4)(a) Wet IB 2001 luidt sindsdien:

"4. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 wordt onder de winst uit zeescheepvaart verstaan:

a. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor:

1°. het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee;

2°. het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee;

3°. de exploratie van de zeebodem;

4°. het leggen van kabels dan wel pijpen op de zeebodem, of

5°. het verrichten van takel- en hefwerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet of aan installaties ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee;"

21 V-N 2009/46.3.

22 Kamerstukken II 1995/96, 24 482 (Wijziging van enige belastingwetten in het belang van de zeescheepvaart), nr. 3 (MvT), blz. 3; als geciteerd in 5.6 hiervoor.

23 P.M.E. Kager & D.J. Prinsen, 'Forfaitaire vaststelling winst uit zeescheepvaart', WFR 1996/402, blz. 404.

24 A.G.F.J. de la Cousine, 'Forfaitaire winstbepaling voor de zeescheepvaart: het tonnageregime', Forfaitair 1996/70,

blz. 2-3.

25 HR 22 juni 1955, nr. 12 382, LJN AY2527, BNB 1955/285.

26 Het huidige art. 3.11(1) Wet IB 2001 luidt: "Tot de winst behoren niet voordelen uit bosbedrijf."

27 HR 2 maart 2007, nr. 42 765, na conclusie Overgaauw, LJN AX7299, BNB 2007192, met noot Cornelisse,

V-N 2007/14.18, NTFR 2007/411, met commentaar Verstijnen, FED 2007/32, met noot Meussen.

28 HR 11 november 2005, nr. 40 865, LJN AU6020, BNB 2006/41, V-N 2005/58.10, NTFR 2005/1559, met commentaar Van Beelen.

29 Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2004, nr. 03/01637, LJN AO6235, V-N 2004/30.1.6.

30 V-N 2005/58.10.

31 NTFR 2005/1559.

32 HR 28 april 2006, nr. 41 994, LJN AW4048, V-N 2006/31.1.1, NTFR 2006/609.

33 Gerechtshof 's-Gravenhage 9 maart 2005, nr. 03/02086, LJN AT3180, V-N 2005/32.3.6, NTFR 2005/527. Het Hof

's-Gravenhage had al eerder in overeenkomstige zin geoordeeld: Gerechtshof 's-Gravenhage 23 december 2004,

nr. 02/04863, LJN AS3971, V-N 2005/14.2.2, NTFR 2005/216.

34 NTFR 2009/2668.

35 HR 23 oktober 2009, nr. 08/00324, LJN BK0909, BNB 2010/34, met noot Marres, V-N 2009/53.17, NTFR 2009/2339, met commentaar Doornebal.

36 HR 11 maart 1992, nr. 26 101, na conclusie Verburg, LJN ZC4917, BNB 1992/170, met noot Den Boer,

V-N 1992/1543, FED 1992/449, met noot Kamphuis.

37 HR 2 maart 1994, nr. 29 061, na conclusie Van Soest, LJN ZC5598, BNB 1994/164, met noot Zwemmer,

V-N 1994/1125, FED 1994/341, met noot Verhagen.

38 HR 1 april 2005, nr. 37 032, na conclusie Wattel, LJN AE6417, BNB 2005/224, met noot De Vries, V-N 2005/20.14, NTFR 2005/469, met commentaar Opheikens. Zie in gelijke zin r.o. 3.5 van HR BNB 2005/225 (HR 1 april 2005,

nr. 37 033, na conclusie Wattel, LJN AE6418, BNB 2005/225, met noot De Vries, V-N 2005/20.15, NTFR 2005/470) en r.o. 3.6 van HR BNB 2005/226 (HR 1 april 2005, nr. 37 034, na conclusie Wattel, LJN AE6419, BNB 2005/226, met noot De Vries, V-N 2005/20.16, NTFR 2005/471).

39 S.A.W.J. Strik & N.H. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Hoofdstuk II. Voorwerp van de belasting bij binnenlandse belastingplichtigen, 2.4.5. Deelnemingskosten (art. 13, lid 1, eerste en vierde volzin, (oud) Wet Vpb. 1969), verwervings- en vervreemdingskosten (art. 13, lid 1).

40 PJW: voetnoot in het origineel: "Zie eveneens de Redactie Vakstudie Nieuws in de aantekening onder deze arresten."

41 V-N 2005/20.14.

42 NTFR 2005/469.