Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO0080

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/01458 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO0080
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Bewijs (voorwaardelijk) opzet op medeplegen. In de nadere bewijsoverweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de participanten dan wel de schippers bewezen heeft geacht, aangezien verdachte wist dat de vereiste documenten ontbraken en niettemin in één geval aan de schipper opdracht gaf te gaan varen zonder dat de ontbrekende documenten aanwezig waren. Uit die wetenschap heeft het Hof het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op het medeplegen van de verboden gedragingen afgeleid. Op grond waarvan die wetenschap aan verdachte kan worden toegerekend en moet worden aangenomen dat de opdracht van verdachte uitging, heeft het Hof echter niet nader aangeduid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat de bij verdachte verantwoordelijke personen over die wetenschap beschikten en de opdracht gaven of lieten geven. In zoverre kan uit de bewijsmiddelen en hetgeen het Hof in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld niet zonder meer volgen dat verdachte opzet heeft gehad. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/334
NJB 2011, 589
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01458 E

Mr. Vellinga

Zitting: 5 oktober 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte 3]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte wegens "Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd" strafbaar verklaard en bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/01458E, 09/01455E en 09/01456E. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, acht middelen van cassatie voorgesteld.

4. Alvorens de middelen te bespreken schets ik de onderhavige zaak en het wettelijk kader dat in voorliggend geval van toepassing is.

5. De onderhavige zaak heeft betrekking op het medeplegen van opzettelijk vervoeren van containers met gevaarlijke stoffen op schepen in strijd met op de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gebaseerde voorschriften, hierin bestaande dat op die schepen de voor het vervoer van gevaarlijke stoffen voorgeschreven documenten niet aanwezig waren. Verdachte (hierna: [verdachte 3]) is een - (in cassatie niet bestreden) door het Hof als rechtspersoon aangemerkt - operationeel samenwerkingsverband tussen de bedrijven [medeverdachte 1] (verdachte in zaak 09/01456E), [D] B.V. en [medeverdachte 3] (verdachte in zaak 09/01455E), die doen in het vervoeren van containers. Dat samenwerkingsverband is gericht op een zo efficiënt mogelijk vervoer van containers. [Verdachte 3] wordt "bemand" door personen, afkomstig van de deelgenoten in het samenwerkingsverband, die bepalen met welk schip de door de deelgenoten ten vervoer aangenomen containers meegaan.

6. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"1.

zij op 9 mei 2003, in de gemeente Reimerswaal, opzettelijk, samen en in vereniging met (een) ander handeling(en), bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stof(fen) en met een vervoermiddel die waren aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b. van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name hebben zij en haar mededader met het samenstel van de duwboot [E] en de duwbakken [F] en [G] een aantal met gevaarlijke stoffen beladen (tank)containers vervoerd over het Schelde-Rijnkanaal, terwijl de navolgende voorschrift(en) van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd(en) genomen, immers in strijd met voorschrift

- 1.4.2.2.1 heeft zij als vervoerder in het kader van 1.4.1, in voorkomend geval in het bijzonder, niet zich er van vergewist dat de voorgeschreven documenten aan boord van bovengenoemd samenstel werden meegenomen en

- 1.4.2.2.3 werd toen door de vervoerder overeenkomstig 1.4.2.2.1. een overtreding van het ADNR werd vastgesteld doordat de schipper van bovengenoemd samenstel meldde dat niet alle voorgeschreven documenten aan boord aanwezig waren, de zending verder vervoerd voordat aan de voorschriften was voldaan;

2.

zij op 29 maart 2003, in de gemeente Dordrecht, opzettelijk, samen en in vereniging met (een) ander (een) handeling bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stof(fen) en met een vervoermiddel die waren aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b. van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name hebben zij en haar mededader met het samenstel van de duwboot [A] en de duwbakken [B] en [C] een aantal met gevaarlijke stoffen beladen (tank)containers vervoerd over de Dordtsche Kil, terwijl het navolgende voorschrift van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd genomen, immers heeft in strijd met voorschrift

- 1.4.2.2.1 zij als vervoerder in het kader van 1.4.1, in voorkomend geval in het bijzonder, niet zich er van vergewist dat de voorgeschreven documenten aan boord van bovengenoemd samenstel werden meegenomen;

3.

zij op 5 juni 2003, in de gemeente Tholen, niet(1) opzettelijk, samen en in vereniging met (een) ander (een) handeling bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stof(fen) en met een vervoermiddel die waren aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b. van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name hebben zij en haar mededader met het samenstel van de duwboot [E] en de duwbakken [F] en [G] een aantal met gevaarlijke stoffen beladen tankcontainers vervoerd over het Schelde-Rijnkanaal, terwijl het navolgende voorschrift(en) van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd genomen, immers heeft in strijd met voorschrift

- 1.4.2.2.1. zij als vervoerder in het kader van 1.4.1, in voorkomend geval in het bijzonder, niet zich er van vergewist dat de voorgeschreven documenten aan boord van bovengenoemd samenstel werden meegenomen;"

7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een geschrift, zijnde een overeenkomst tussen [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) en [H] B.V., handelend onder de naam [J] ([J]), ondertekend namens [medeverdachte 1] door [betrokkene 6] en namens [J] door [betrokkene 10].

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Partijen zijn het volgende overeengekomen.

[J] verplicht er zich toe alle containers haar aangeboden welke in aanmerking kunnen komen voor het vervoer over water tussen de zeehavens Antwerpen en Rotterdam (...) exclusief te boeken bij [medeverdachte 1]. Dit voor een periode van 12 maanden met ingang van 1 januari 2003 en eindigend op 31 december 2003. [Medeverdachte 1] verbindt er zich er toe de door [J] geboekte containers te behandelen als een goed huisvader en te vervoeren volgens de door [J] opgegeven instructies.

Als addendum 2 is bij deze overeenkomst een overzicht van tarieven en betalingsvoorwaarden gevoegd. Voor wat betreft het vervoer tussen Antwerpen - Rotterdam vice versa is daarin onder meer opgenomen:

IMCO-toeslag: (...) in het licht van het feit dat de melding nu centraal via ons [verdachte 3] wordt gedaan, vervalt het behandelen van de IMCO-lading door [J] zelf (...)

2. Een geschrift, zijnde een huurovereenkomst tussen [medeverdachte 1] (huurder) en [H] B.V. handelend onder de naam [J] (verhuurder), d.d. 4 februari 2003 ondertekend namens huurder door [betrokkene 6] en namens verhuurder door [betrokkene 10] en [betrokkene 11]. Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

De huurder huurt van verhuurder en verhuurder verhuurt aan huurder: de duwcombinatie [E] (duwboot) + [G] (duwbak) + [F] (duwbak).

1.3. Verhuurder garandeert dat de duwcombinatie met voldoende vakkundig en bevoegd personeel bemand is en in het bezit is van de nodige geldige certificaten, patenten etc. en aan de ADNR eisen voldoet om containers met gevaarlijke lading te varen. (...) Controle over de toegestane hoeveelheden ADNR lading geschiedt voor belading door de huurder.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 20030100230-1, d.d. 27 oktober 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 9 mei 2003 vond op het Schelde-Rijnkanaal, binnen de gemeente Reimerswaal een controle plaats op de bepalingen van de Wet (Vervoer) Gevaarlijke Stoffen aan boord van de duwboot [E] met daarvoor gekoppeld de duwbakken [F] en [G].

4. Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 2003010230-1, d.d. 21 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] en andere daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

5. Een geschrift, zijnde het containerdossier, als bijlage gevoegd bij het onder 4 vermelde proces-verbaal, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de vervoerde (tank) containers [001] en [002] waren beladen met de onder het regime van het ADNR vallende gevaarlijke stof ethyleendiamine, en dat de ADNR vervoersdocumenten ten aanzien van die containers ontbraken.

Lading [G]

GNCODE

Soort lading Gevaarlijke stof

Benaming goed document geen document

Benaming goed wetgeving anorganische nitraten, n.e.g.

Hoeveelheid9999 kg

Container

Nummer [003]

Controlegetal okéja

Gevaarlijke stoffen

RegimeADNR

Containernummer [003]

Vervoersnaam ontbreekt

Geen vervoerdocument 5.4.1.1.1

6. Het proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 2003010230-3, d.d. 8 juni 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 11 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Ik ben schipper aan boord van de [E]. De [E] vormt op dit moment samen met de duwbakken [F] en [G] een eenheid. De lading heb ik op 9 mei 2003 in Antwerpen geladen. Omstreeks 18.00 uur op die dag kreeg ik per fax een aantal documenten aan boord. Dat waren documenten die de gevaarlijke stoffen moeten begeleiden. Daar stonden een beperkt aantal gevaarlijke stoffen op. Dat was op zich niet ongebruikelijk, we krijgen wel vaker op een later tijdstip documenten aangeleverd. Na controle van de vervoerdocumenten en de containers op het stuwplan zag ik dat ik vervoersdocumenten te kort kwam.

Ik vaar in directe opdracht van [verdachte 3] te Sliedrecht. Dat wordt door ons afgekort met [verdachte 3]. Omstreeks 21.00 uur heb ik contact opgenomen met [verdachte 3] en ik heb daar gesproken met [betrokkene 4] (het hof leest: [betrokkene 4]). Zij gaf mij door dat alle vervoersdocumenten die zij in haar bezit had, aan boord van de [E] waren gebracht. Volgens haar waren er bij [verdachte 3] op het kantoor ook geen documenten meer. Omstreeks 21.30 uur heb ik nog contact opgenomen met [medeverdachte 1] te Antwerpen. Ik heb daar gesproken met [betrokkene 12]. [Medeverdachte 1] was de opdrachtgever via [verdachte 3] van deze containers met gevaarlijke stoffen. Volgens [betrokkene 12] waren er geen documenten meer op het kantoor te Antwerpen. Volgens [betrokkene 12] waren deze door [betrokkene 13] van [medeverdachte 1] naar [verdachte 3] opgestuurd.

Ik heb omstreeks 22.00 uur nogmaals gebeld met [verdachte 3] te Sliedrecht. Ik heb [betrokkene 4] doorgegeven wat [betrokkene 12] mij had verteld en dat [medeverdachte 1] alles had doorgezonden aan [verdachte 3]. Zij antwoordde mij dat zij geen documenten meer had, dat er ook niemand meer op kantoor was en dat zij ook niet meer naar kantoor terug zou gaan. Vervolgens kreeg ik de opdracht te gaan varen en [betrokkene 4] voegde daar aan toe "Ik hoop dat je onderweg geen controle krijgt" of woorden van gelijke strekking. Omstreeks 22.30 uur, ik was op dat moment al aan het varen, kreeg ik nog een telefoontje van [betrokkene 4]. Zij belde mij aan boord. Zij had nogmaals contact gehad met [betrokkene 13] van [medeverdachte 1] en deze had aan [betrokkene 4] aangegeven dat de [medeverdachte 1] geen documentatie van [K] België had ontvangen. Ik heb haar toen gevraagd wat ik moest doen; terug naar Antwerpen of doorvaren naar Rotterdam? Zij heeft mij toen gezegd "vaar toch maar door" of woorden van gelijke strekking. Ik ben doorgevaren. Omstreeks 23.30 uur kwam u, de waterpolitie, aan boord en u en uw collega zagen direct dat er gevaarlijke stoffen aan dek stonden. Toen u mij naar die papieren vroeg moest ik natuurlijk erkennen dat ik die niet had. Eigenlijk hoor ik de documenten al voor belading aan boord te hebben. Wij als schippers krijgen deze altijd te laat en als er dan niets komt is er meestal ook geen mogelijkheid meer om iets te corrigeren. Wij worden dan altijd moreel gedwongen om te gaan varen.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit TMC-water, met nummer 2003010230-5, d.d. 13 juni 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 13 juni 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

Ik ben in dienst van [medeverdachte 1] te Antwerpen. U vraagt mij wie de eindverantwoording heeft voor de papieren aan boord. Dat is [verdachte 3] in Sliedrecht. Ik verzamel de informatie, ik maak de vervoersdocumenten op en stuur deze per fax naar [verdachte 3]. Zij bepalen in welk schip deze containers worden vervoerd en zorgen ervoor dat de documenten aan boord komen. De uitvoering van die reizen ligt bij [verdachte 3] maar in opdracht van [medeverdachte 1]. De beslissing om het schip uit Antwerpen te laten vertrekken heb ik genomen samen met [betrokkene 4] van [verdachte 3]. [betrokkene 4] was gebeld door de schipper van de [E] en wij hebben dat toen besproken. De containers waren al geladen. Het lossen van de containers zou betekenen dat de gehele lading uitgelost zou moeten worden. De meeste gevaarlijke stoffen containers stonden onderop. Wij hebben toen het risico genomen dat er niet gecontroleerd zou worden en wij hebben de opdracht gegeven om te gaan varen.

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 2003010230-15, d.d. 30 september 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit procesverbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 30 september 3004 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

Op het moment werk ik voor [verdachte 3]. Ik kijk in de pool van schepen en verzorg het transport. Binnen [verdachte 3] participeren: [medeverdachte 3], [D] en [medeverdachte 1]. Ik weet dat er maandelijks een vergadering is over de kosten en de baten. De planners zijn: [betrokkene 15], [betrokkene 16], [betrokkene 17] en ikzelf, allen van [D]. [betrokkene 18], [betrokkene 19] en [betrokkene 20], alle drie van [medeverdachte 3] en van [medeverdachte 1] [betrokkene 21]. De bedrijven werken binnen [verdachte 3] met ongeveer 15 grote klanten en nog diverse kleine klanten. Voor wat betreft de binnenschepen heb ik het meeste contact met de schippers.

9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 2003010230-7, d.d. 27 juni 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven,

als de op 27 juni 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Ik ben als general manager verantwoordelijk voor alle werkzaamheden binnen het bedrijf [medeverdachte 1], gevestigd te Antwerpen. Ik ben verantwoordelijk voor de dagelijkse werkzaamheden met betrekking tot het vervoer op de lijn Rotterdam-Antwerpen. [Verdachte 3] te Sliedrecht is een operationele samenwerking tussen [D], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Ieder van die partijen heeft zijn schepen en binnen de samenwerking worden deze schepen centraal op een zo efficiënt mogelijke manier ingepland voor transport. ledere partner binnen de samenwerking heeft verantwoordelijkheid voor zijn eigen schepen en klanten. De participanten zijn commercieel volledig zelfstandig verantwoordelijk. [Verdachte 3] is alleen operationeel aansturend voor wat betreft planning en organisatie. Wij hebben één disponent in [verdachte 3] die wij daar detacheren. Verder hebben wij eenmaal per maand een vergadering waarin gesproken wordt met [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van [D] BV, en met de andere partners. We hebben het dan over het verloop van de dagelijkse gang van zaken.

U vraagt mij wie op 9 mei 2003 de schipper van de [E] de opdracht heeft gegeven om te vertrekken. Ik ben op de hoogte van het feit dat één van onze mensen samen met [verdachte 3] een beslissing heeft genomen om de [E] te laten varen met de aangegeven lading aan boord.

10. Het proces-verbaal van bevindingen het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 2003006676-8, d.d. 27 oktober 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven,

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 29 maart 2003 werd een controle uitgevoerd aan boord van de duwboot [A] met daarvoor gekoppeld de duw(bakken) [B] en [C]. Deze controle vond plaats op de Dordtsche Kil, binnen de gemeente Dordrecht.

11. Een geschrift, zijnde het containerdossier.

Het houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Opgemaakt naar aanleiding van de controle genoemd in voornoemd proces-verbaal, dat onder meer inhoudt dat de (tank)containers die met het samenstel van de duwboot [A] en de duwbakken [B] en [C] werden vervoerd waren beladen met de onder het regime van het ADNR vallende gevaarlijke stoffen propargite, sodium perborate piparezine, parfumerleen, methyl decilerate en peroxide en dat de schriftelijke instructies ten aanzien van die containers ontbraken.

12. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, uni| Rivieren West, met nummer 2003006676-2, d.d. 26 september 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 26 september 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Voor de duwboot [A] waren gekoppeld de duwbakken [B] en [C]. De opdracht om te gaan laden/varen was van [verdachte 3] te Sliedrecht. Ik had voor het vervoer van die gevaarlijke stoffen geen schriftelijke instructies ontvangen. Ik heb een boek met gevarenkaarten maar de juiste zaten er niet in. Ik krijg er geen aanvullingen op. Ik krijg die kaarten ook niet automatisch meegestuurd. Ik heb dat gemeld. Ik weet niet of er iets mee gedaan is. U vraagt mij waarom ik ben gaan varen, terwijl de schriftelijke instructies niet aanwezig waren en dus de documentatie niet volledig was. Ik heb een gezin te onderhouden. Als ik niet vaar dan is het met me gedaan, want dan pleeg ik contractbreuk. Met andere woorden: ik voelde mij verplicht om te gaan varen. Als ik een melding geef dat er iets niet in orde is, bepaalt [verdachte 3] of de container mee gaat, of niet mee gaat dan wel wordt uitgelost. Ik ben dus de uitvoerende macht en zij zijn de organiserende macht.

13. Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Zeeuwse Stromen, met nummer 2003011666-13, d.d. 3 november 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 5 juni 2003 werd aan boord van de duwboot [E] met daarvoor gekoppeld de duwbakken [F] en [G], varende op het Schelde-Rijnkanaal, ter hoogte van Tholen een controle uitgevoerd naar de aard en lading van het transport. Naar aanleiding van het aantreffen van drie tankcontainers met gevaarlijke stoffen aan boord van dit duwstel is een afzonderlijk containerdossier opgemaakt.

14. Een geschrift, zijnde het containerdossier dat is opgemaakt naar aanleiding van de controle genoemd in voornoemd proces-verbaal dat onder meer inhoudt dat de (tank-)containers die met het samenstel van de duwboot [E] en de duwbakken [F] en [G] werden vervoerd waren beladen met de onder het regime van het ADNR vallende gevaarlijke stoffen ethylacrylaat, aminen of polyaminen, vloeibaar bijtend NEG, alkylfenolen en trimethyl-phenol en dat de ADNR vervoersdocumenten ten aanzien van die containers ontbraken.

15. Het proces-verbaal van verhoor getuige van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit TMC Water, met nummer 2003011666-2, d.d. 26 september 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 5 juni 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 2], alsmede als vragen van deze opsporingsambtenaren (cursief):

Ik ben schipper aan boord van de duwcombinatie [E] met de duwbakken [F] en [G].

V: Als u deze twee faxen leest wat denkt u dan?

Dat [verdachte 3] er een zooitje van maakt. Ze weten alles zo mooi te vertellen, maar ze wisten niet eens dat ik een container aan boord had staan, die wel op het stuwplan staat. Zij vertikken het om die documenten op tijd aan te leveren terwijl ze vaak al een dag van tevoren die informatie hebben liggen en dan sturen ze die formaliteiten na als je al halverwege bent. Ze dwingen je te gaan varen of om de wet te overtreden, maar dat zullen ze altijd glashard ontkennen.

V: Bent u op de hoogte van het missen van deze documenten?

Nee, ik heb het erg druk gehad aan boord. Ik had alles wel na moeten kijken maar dat is niet gebeurd.

16. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van het Korps Landelijke Politiediensten, Waterpolitie, unit Rivieren West, met nummer 2003011666-6, d.d. 6 oktober 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 6 oktober 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 15]:

De [E] vaart vast voor ons. Iedere container die met dat schip wordt vervoerd is door [verdachte 3] ingepland; zo ook de reis op 5 juni 2003. Het waren drie importcontainers, dus de aanwezigheid van deze drie tankcontainers was op kantoor en binnen [verdachte 3] lang van tevoren bekend, vermoedelijk zelfs meer dan 48 uur.

De bewijsmiddelen zijn -ook in hun onderdelen- slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben."

8. Met betrekking tot het bewijs houdt het arrest van het Hof voorts in:

"Nadere bewijsoverwegingen

Tot de bedrijfsactiviteiten van verdachte behoort het verzorgen van containervervoer van gevaarlijke stoffen over het water tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen. Om tot een zo efficiënt mogelijke benutting van scheepslaadruimte te komen hebben de ondernemingen [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [D] B.V. in het kader van hun gemeenschappelijke onderneming, [verdachte 3] afgesproken dat zij over elkaars laadruimte kunnen beschikken ter voldoening van de vervoersopdrachten, die bij hen door de afzenders van de ladingen worden geplaatst. [Verdachte 3] zorgt ervoor dat alle ladingstromen op elkaar afgestemd worden.

Naar het oordeel van het hof is de eerst verantwoordelijke voor het fysieke vervoer de schipper. In beginsel is het dan ook de schipper die verantwoordelijk is voor het aan boord aanwezig hebben van de juiste documenten met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het begrip 'vervoerder' in de zin van de hier van toepassing zijnde regelingen is evenwel niet beperkt tot degene die het fysieke vervoer verricht: het omvat ook de ondernemingen die al dan niet op basis van een vervoersovereenkomst het vervoer uitvoeren. Naar het oordeel van het hof is de verdachte als zodanig aan te merken. Zij voert het vervoer uit samen met de schipper en de in [verdachte 3] deelnemende ondernemingen. Op al deze personen rusten de verplichtingen die een vervoerder in het kader van voorschrift 1.4.1 heeft, zoals die nader zijn uitgewerkt in voorschriften 1.4.2 en 1.4.3. Ingevolge voorschrift 1.4.1.3 zijn de bepalingen van voorschriften 1.2.1, 1.4.2 en 1.4.3 inzake de definities van de betrokkenen en de voor hun geldende plichten niet van invloed op de voorschriften van het nationale recht inzake de juridische gevolgen (strafstelling, aansprakelijkheid enz.), die samenhangen met het feit of de bedoelde betrokkene bijvoorbeeld een rechtspersoon, een natuurlijk persoon, een voor eigen rekening werkzaam persoon, een werkgever of een werknemer is. De strafbaarstelling van art. 5 van de wet geldt voor een ieder ter zake van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte 'medepleger' is. Het hof is van oordeel dat verdachte ook kan worden aangemerkt als medepleger van de onderhavige feiten, nu sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de participanten of de schipper, alsmede van een gezamenlijke uitvoering. Niet alleen bepaalde verdachte welke containers met gevaarlijke stoffen werden geladen op de bakken van de [E] en de [A] terwijl zij wist dat de vereiste documenten ontbraken, maar zij gaf ook opdracht om (door) te varen zonder dat de schippers door haar waren voorzien van de ontbrekende documenten. Deze feiten en omstandigheden maken dat verdachte ook als pleger bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de controle op de aanwezigheid van de vereiste documenten werd nagelaten op 29 maart 2003. Naar het oordeel van het hof is de onderhavige normschending door verdachte, zowel als pleger (met de participanten of de schipper), als ook als medepleger, even ernstig te noemen, gelet op de positie van de verdachte in de vervoersketen."

9. Artikel 1 Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) luidt:

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

d. binnenwateren: de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel a van de Schepenwet aangewezen lijn;"

Artikel 2 Wvgs luidde ten tijde van het tenlastegelegde:

"1. Deze wet is van toepassing op:

a. het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren;

b. het ten vervoer met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren aanbieden en aannemen van gevaarlijke stoffen;

c. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden;

d. het beladen van een vervoermiddel met gevaarlijke stoffen en het lossen van die stoffen daaruit;

e. het nederleggen van gevaarlijke stoffen tijdens het vervoer.

2. Deze wet is niet van toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid.

3. Deze wet is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid voor zover deze worden verricht met splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Kernenergiewet."

Artikel 3 Wvgs(2) luidde ten tijde van het tenlastegelegde:

"Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, met bij of krachtens die maatregel aangewezen vervoermiddelen:

a. niet is toegestaan; of

b. is toegestaan mits de bij of krachtens die maatregel terzake geldende regels in acht zijn genomen."

Artikel 5 Wvgs luidt:

"Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels."

Artikel 1 en 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen luiden, voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant:

"Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

b. ADR: Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route;

c. ADNR: Règlement pour le transport des matierès dangereuses sur le Rhin;

d. RID: Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses;

(...)

Artikel 2

1. Overeenkomstig het ADR, het ADNR, het RID dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, worden bij ministeriële regeling gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen ten aanzien waarvan het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet met daarbij aangewezen vervoermiddelen:

a. niet is toegestaan; of

b. is toegestaan mits daarbij gestelde regels in acht zijn genomen.

2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid kan aanvullende voorschriften bevatten."

Artikel 2 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen luidde ten tijde van het tenlastegelegde, voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant:(3)

"1. Bij deze regeling behoren vier bijlagen:

a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nederlandse binnenwateren, zijnde de Nederlandse vertaling van het ADNR en de daarvan deel uitmakende bijlagen;

b. bijlage 2: Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen;

(...)

2. Bijlage 1 is van toepassing op de Nederlandse binnenwateren, voorzover bijlage 2 niet van toepassing is."

10. Uit dit wettelijk kader volgt dat op het onderhavige vervoer de voorschriften van het ADNR (Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin) van toepassing waren. Het ADNR vindt zijn oorsprong in het ADN, het 'Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieures'.(4) Het ADNR is in Nederlandse vertaling als bijlage gevoegd bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (art. 2 lid 1 onder a). Ten tijde van het tenlastegelegde was het ADNR 2003 van kracht. Sindsdien is het ADNR drie maal gewijzigd. Bovendien is thans op de binnenwateren waar de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd niet meer het ADNR maar het ADN van toepassing.(5) De voorschriften van het ADN, die aldus sinds 1 juli 2009 van toepassing zijn op Nederlandse binnenwateren (zoals in deze zaak het Nederlandse gedeelte van het Schelde-Rijnkanaal en de Dordtsche Kil), niet zijnde Aktewateren (De Rijn, inbegrepen de Waal en de Lek; art. 1 Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen), verschillen materieel nauwelijks van die van het ADNR.(6) Voor zover de voorschriften wel verschillen, brengen deze in elk geval geen nadelige gevolgen met zich met betrekking tot de inhoudelijke rechten en plichten van een vervoerder.(7) Verandering van in de onderhavige zaak toepasselijke voorschriften door invoering van het ADN voor zover al enig voordeel voor de verdachte meebrengend, spruit dus niet voort uit gewijzigd inzicht van de wetgever. Hierna worden - tenzij anders vermeld - de bepalingen van het ADNR 2003 aangehaald.

11. Het eerste middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat onder het begrip 'vervoer' van het ADNR niet alleen 'vervoeren' maar ook 'ten vervoer aannemen' is te begrijpen.

12. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde nietig verklaard telkens voor wat betreft het onderdeel 'en die (tank)containers ten vervoer met een vervoermiddel over de binnenwateren aangenomen'.

Tegen deze beslissing richt zich het beroep van het openbaar ministerie. De raadsman van de verdachte heeft bepleit de beslissing van de rechtbank in stand te laten.

Het hof overweegt als volgt. De telastelegging heeft betrekking op het verrichten van handelingen bedoeld in art. 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen discrepantie tussen -en daardoor onduidelijkheid voor de verdachte over- de werkingssfeer van de genoemde bepaling en de bepalingen van het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin -ADNR-) die op de voet van het bepaalde in art. 3 en 6 van de wet, het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, en de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, ten deze van toepassing zijn. De bepalingen betreffende de werkingssfeer dienen -gelet op het ook voor de verdachte kenbare beschermingsdoel van de onderhavige regelingen die alle zien op het vervoer van gevaarlijke stoffen- ruim uitgelegd te worden. Onder het begrip 'vervoer' van het ADNR zijn de handelingen 'vervoeren' en 'ten vervoer aannemen' te begrijpen. Het hof is van oordeel dat de telastelegging op dit onderdeel en ook overigens een voldoende duidelijke omschrijving bevat van hetgeen verdachte wordt verweten. Bovendien heeft zij er ter terechtzitting blijk van gegeven te begrijpen waartegen zij zich moest verweren. De dagvaarding voldoet derhalve aan de eisen van art. 261 van het Wetboek van Strafvordering."

13. De tenlastelegging in de onderhavige zaak is voor wat betreft de feiten 1, 2 en 3 toegesneden op overtreding van art. 5 Wvgs. Deze bepaling houdt een verbod in om handelingen als bedoeld in art. 2, eerste lid, Wvgs - waaronder blijkens die bepaling naast het vervoeren ook het ten vervoer met een vervoermiddel over de binnenwateren aannemen van gevaarlijke stoffen is begrepen (lid 1 sub b) - te verrichten, anders dan met inachtneming van de in art. 3 onderdeel b Wvgs bedoelde regels. De betreffende regels waarover deze bepaling spreekt, zijn de regels van het ADNR (art. 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen juncto art. 2 Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen). De Nederlandse wetgever heeft derhalve bepaald dat ook bij het ten vervoer aannemen van gevaarlijke stoffen de voorschriften van het ADNR in acht moeten worden genomen. Dat staat de Nederlandse wetgever vrij, ook al zouden de bepalingen van het ADNR minder ver gaan.(8) Dat laatste is overigens niet het geval. Par. 1.4 ADNR 2003 richt zich tot alle bij het vervoer van gevaarlijke goederen betrokkenen. Een en ander betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de tenlastelegging ook voor wat betreft de in de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde zinsnede 'en die (tank)containers ten vervoer met een vervoermiddel over de binnenwateren aangenomen' voldoet aan de in art. 261 Sv gestelde eisen, wat er ook zij van hetgeen het Hof te dien aanzien heeft overwogen.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat het begrip 'vervoerder' van het ADNR niet beperkt is tot degene die het fysieke vervoer verricht, en bevat de klacht dat 's Hofs oordeel dat verdachte als vervoerder is aan te merken onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, is.

16. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, onder het kopje 'Nadere bewijsoverwegingen' in:

"Tot de bedrijfsactiviteiten van verdachte behoort het verzorgen van containervervoer van gevaarlijke stoffen over het water tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen. Om tot een zo efficiënt mogelijke benutting van scheepslaadruimte te komen hebben de ondernemingen [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [D] B.V. in het kader van hun gemeenschappelijke onderneming, [verdachte 3] afgesproken dat zij over elkaars laadruimte kunnen beschikken ter voldoening van de vervoersopdrachten, die bij hen door de afzenders van de ladingen worden geplaatst. [Verdachte 3] zorgt ervoor dat alle ladingstromen op elkaar afgestemd worden.

Naar het oordeel van het hof is de eerst verantwoordelijke voor het fysieke vervoer de schipper. In beginsel is het dan ook de schipper die verantwoordelijk is voor het aan boord aanwezig hebben van de juiste documenten met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het begrip 'vervoerder' in de zin van de hier van toepassing zijnde regelingen is evenwel niet beperkt tot degene die het fysieke vervoer verricht: het omvat ook de ondernemingen die al dan niet op basis van een vervoersovereenkomst het vervoer uitvoeren. Naar het oordeel van het hof is de verdachte als zodanig aan te merken. Zij voert het vervoer uit samen met de schipper en de in [verdachte 3] deelnemende ondernemingen. Op al deze personen rusten de verplichtingen die een vervoerder in het kader van voorschrift 1.4.1 heeft, zoals die nader zijn uitgewerkt in voorschriften 1.4.2 en 1.4.3. Ingevolge voorschrift 1.4.1.3 zijn de bepalingen van voorschriften 1.2.1, 1.4.2 en 1.4.3 inzake definities van de betrokkenen en de voor hun geldende plichten niet van invloed op de voorschriften van het nationale recht inzake de juridische gevolgen (strafstelling, aansprakelijkheid enz.), die samenhangen met het feit of de bedoelde betrokkene bijvoorbeeld een rechtspersoon, een natuurlijk persoon, een voor eigen rekening werkzaam persoon, een werkgever of een werknemer is. De strafbaarstelling van art. 5 van de wet geldt voor een ieder ter zake van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte 'medepleger' is. Het hof is van oordeel dat verdachte ook kan worden aangemerkt als medepleger van de onderhavige feiten, nu sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de participanten of de schipper, alsmede van een gezamenlijke uitvoering. Niet alleen bepaalde verdachte welke containers met gevaarlijke stoffen werden geladen op de bakken van de [E] en de [A] terwijl zij wist dat de vereiste documenten ontbraken, maar zij gaf ook opdracht om (door) te varen zonder dat de schippers door haar waren voorzien van de ontbrekende documenten. Deze feiten en omstandigheden maken dat verdachte ook als pleger bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de controle op de aanwezigheid van de vereiste documenten werd nagelaten op 29 maart 2003. Naar het oordeel van het hof is de onderhavige normschending door verdachte, zowel als pleger (met de participanten of de schipper), als ook als medepleger, even ernstig te noemen, gelet op de positie van de verdachte in de vervoersketen."

17. Het Hof heeft in onderhavig geval ten laste van verdachte medeplegen van vervoeren in strijd met (een) voorschrift(en) van het ADNR bewezenverklaard. Zo bezien kunnen 's Hofs overwegingen met betrekking tot het begrip 'vervoerder' als bedoeld in het ADNR buiten beschouwing blijven, nu voor medeplegen immers niet is vereist dat de overtreden norm (waarin wordt gesproken van 'vervoerder') zich ook tot de medepleger richt.(9) Niettemin zal ik de vraag onder ogen zien of de door het Hof gegeven uitleg van de toepasselijke wettelijke voorschriften blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

18. Het oordeel van het Hof moet kennelijk aldus worden verstaan dat uit het samenstel van de hiervoor aangehaalde wettelijke voorschriften alsmede de voorschriften van het ADNR 2003 voortvloeit dat de volgens het ADNR 2003 op de vervoerder rustende voorschriften ingevolge de Nederlandse wettelijke voorschriften niet alleen van toepassing zijn op degene die fysiek vervoert, maar ook op ondernemingen die al dan niet op basis van een vervoersovereenkomst het vervoer uitvoeren.

19. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet van het ADNR 2003. Daartoe is het volgende van belang:

- voorschrift 1.2.1 ADNR 2003 omschrijft de vervoerder als "de onderneming, die het vervoer met of zonder vervoersovereenkomst uitvoert."

- de tekst van de volgens de bewezenverklaring geschonden voorschriften 1.4.2.2.1 en 1.4.2.2.3 ADNR 2003, luidende voor zover van belang:

"1.4.2.2.1. De vervoerder moet in het kader van 1.4.1, in voorkomend geval in het bijzonder

(...)

b)zich ervan vergewissen dat de voorgeschreven documenten aan boord worden meegenomen;

(...)

1.4.2.2.3 Indien de vervoerder overeenkomstig 1.4.2.2.1 een overtreding van de voorschriften van het ADNR vaststelt, dan mag hij deze zending niet verder vervoeren totdat aan de voorschriften is voldaan."

sluit niet uit dat onder vervoerder mede worden begrepen ondernemingen die al dan niet op basis van een vervoersovereenkomst het vervoer uitvoeren.

Daar komt nog bij dat voorschrift 1.4.1.3 ADNR 2003 luidt:

"De bepalingen van 1.2.1, 1.4.2 en 1.4.3 inzake de definities van de betrokkenen en de voor hun geldende plichten zijn niet van invloed op de voorschriften van het nationale recht inzake de juridische gevolgen (strafstelling, aansprakelijkheid, enz.), die samenhangen met het feit of de bedoelde betrokkene bijvoorbeeld een rechtspersoon, een natuurlijk persoon, een voor eigen rekening werkzaam persoon, een werkgever of een werknemer is."

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel is gericht tegen de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor zover gebaseerd op het feit dat in het zaaksproces-verbaal een groot aantal suggestieve stellingen en conclusies van opsporingsambtenaren zouden zijn opgenomen.

22. Het Hof heeft bedoeld door de verdediging gevoerde verweer in het bestreden arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, als volgt samengevat en verworpen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

(...)

2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard, nu het zaaksproces-verbaal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering. Het proces-verbaal bevat volgens de raadsman een groot aantal suggestieve stellingen en conclusies van de opsporingsambtenaren, waarvan voorbeelden worden gegeven in de pleitnota.

Met de raadsman en de rechtbank is het hof van oordeel dat de wijze van verslaglegging op onderdelen onjuist is. Dit proces-verbaal betreft echter slechts een gering deel van de resultaten van het opsporingsonderzoek. De specifieke feiten en omstandigheden en de verklaringen van de verdachten, die redengevend zijn voor het bewijs, zijn gerelateerd in afzonderlijke processen-verbaal, die tevens deel uitmaken van het dossier. De bestreden meningen, conclusies en beschouwingen van de hand van de verbalisanten zullen voor het bewijs buiten beschouwing blijven. Het hof is van oordeel dat het voorgaande niet een zodanige inbreuk op de goede procesorde vormt dat zulks tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging moet leiden. Het verweer wordt verworpen."

23. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in aanmerking komt indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.(10)

24. Het Hof heeft blijkens het bestreden arrest geoordeeld dat de wijze van verslaglegging door de verbalisanten in het zaaksproces-verbaal op onderdelen onjuist is, doch dat dit verzuim niet een zodanige inbreuk op de goede procesorde vormt dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging zou moeten leiden. Daarbij neemt het Hof in het bijzonder in aanmerking dat het gewraakte proces-verbaal slechts een gering deel van de resultaten van het opsporingsonderzoek betreft en de specifieke feiten en omstandigheden en de verklaringen van de verdachten, die redengevend zijn voor het bewijs, in afzonderlijke - tevens van het dossier deel uitmakende - processen-verbaal zijn gerelateerd. Voorts oordeelt het Hof dat de bestreden meningen, conclusies en beschouwingen van de verbalisanten voor het bewijs buiten beschouwing zullen blijven.

25. In aanmerking genomen dat door de verdediging niet is aangevoerd dat door genoemd vormverzuim doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekortgedaan en dit evenmin volgt uit 's Hofs overwegingen, geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het Hof het verweer voldoende gemotiveerd verworpen.

26. Het middel faalt.

27. Het vierde middel komt op tegen 's Hofs verwerping van het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel.

28. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"(...)

3. Voorts heeft de raadsman de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte bepleit wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Niet te rechtvaardigen is dat de verdachte is vervolgd terwijl is afgezien van vervolging van de "plegers". Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het openbaar ministerie het onderzoek heeft gericht op de belangrijkste spelers op de markt voor containervervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen, onder wie de verdachte. Niet is betwist dat de door de raadsman bedoelde "plegers" een veel geringer marktaandeel hadden. Van gelijke posities is derhalve geen sprake, en dus ook niet van schending van het gelijkheidsbeginsel. Dat verdachte inmiddels de controle op de aanwezigheid aan boord van de vereiste documenten heeft verbeterd, kan aan deze conclusie niet afdoen. Het verweer wordt verworpen."

29. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof geoordeeld dat niet is gebleken dat de verdachte als één van de belangrijke spelers op de markt in dezelfde positie verkeerde als de door de raadsman bedoelde "plegers". Dit oordeel kan de verwerping van het beroep op het gelijkheidsbeginsel zelfstandig dragen. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd was het Hof niet gehouden aan te geven op grond van welke stukken c.q. op grond van welk deel van het onderzoek ter terechtzitting hij tot het oordeel is gekomen dat van eenzelfde positie geen sprake was.

30. Voor zover wordt betoogd dat niet valt in te zien dat verdachte had moeten betwisten dat de "plegers" een veel geringer marktaandeel hadden dan verdachte, nu immers een vergelijking tussen het marktaandeel van verdachte en de "plegers" op de terechtzitting niet aan de orde is geweest, dient te worden opgemerkt dat - naar het Hof onbestreden heeft vastgesteld - uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het openbaar ministerie het onderzoek heeft gericht op de belangrijkste spelers op de markt voor containervervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen, onder wie de verdachte. Naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld heeft het Hof het marktaandeel als een belangrijke aanwijzing gezien voor het zijn van een belangrijke speler op de onderhavige markt. Daarom heeft het Hof kunnen oordelen dat de raadsman van verdachte, zo de verdachte geen belangrijke speler op de markt zou zijn geweest, zou hebben betwist dat het marktaandeel van de "plegers" veel geringer was ook al zou het marktaandeel ter terechtzitting niet met zoveel woorden ter sprake zijn geweest.

31. Voor zover wordt aangevoerd dat het Hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het verweer van de verdediging omtrent de positie van de afzenders, dient te worden opgemerkt dat in dat kader door de raadsman van verdachte slechts is aangevoerd dat sprake zou zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel nu de afzenders - de plegers van de feiten - niet worden vervolgd. Reeds omdat op geen enkele wijze is onderbouwd dat de afzenders de plegers van de feiten zouden zijn en dit ook niet in de door het Hof vastgestelde feiten besloten ligt, heeft het Hof aan de positie van de afzenders uit een oogpunt van het gelijkheidsbeginsel stilzwijgend voorbij kunnen gaan.

32. Het middel faalt.

33. Het vijfde middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Dit oordeel zou onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed zijn.

34. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, onder het kopje 'Nadere bewijsoverwegingen' in:

"(...) De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte 'medepleger' is. Het hof is van oordeel dat verdachte ook kan worden aangemerkt als medepleger van de onderhavige feiten, nu sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de participanten of de schipper, alsmede van een gezamenlijke uitvoering. Niet alleen bepaalde verdachte welke containers met gevaarlijke stoffen werden geladen op de bakken van de [E] en de [A] terwijl zij wist dat de vereiste documenten ontbraken, maar zij gaf ook opdracht om (door) te varen zonder dat de schippers door haar waren voorzien van de ontbrekende documenten. Deze feiten en omstandigheden maken dat verdachte ook als pleger bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de controle op de aanwezigheid van de vereiste documenten werd nagelaten op 29 maart 2003. Naar het oordeel van het hof is de onderhavige normschending door verdachte, zowel als pleger (met de participanten of de schipper), als ook als medepleger, even ernstig te noemen, gelet op de positie van de verdachte in de vervoersketen."

35. De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen houden met het oog op het bewezenverklaarde medeplegen het volgende in:

- ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten:

o als bewijsmiddelen 6, 8 en 9:

* [verdachte 3] is een operationele samenwerking tussen [D], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]; de planners die werken voor [verdachte 3] zijn onder meer [betrokkene 4] en [betrokkene 15] van [D]; iedere partner binnen de samenwerking heeft verantwoordelijkheid voor zijn eigen schepen en klanten, [verdachte 3] is alleen operationeel aansturend wat betreft planning en organisatie;

- ten aanzien van het feit, gepleegd op 29 maart 2003 (feit 2):

o als verklaring van [betrokkene 1], schipper van de duwboot [A] (bewijsm. 12):

* de opdracht om te laden en te gaan varen kwam van [verdachte 3];

* hij voor het vervoer van de gevaarlijke stoffen geen schriftelijke instructies heeft ontvangen; hij een boek met gevarenkaarten heeft maar de juiste er niet in zaten, hij er geen aanvullingen op krijgt en de kaarten ook niet automatisch worden meegestuurd, hij dat heeft gemeld, maar niet weet of daar iets mee gedaan is;

* hij niettemin is gaan varen omdat hij anders contractbreuk zou plegen;

* als de schipper meldt dat er iets niet in orde is, [verdachte 3] bepaalt of de containers al dan niet meegaan;

- ten aanzien van het feit, gepleegd op 9 mei 2003 (feit 1):

o als verklaring van [betrokkene 3], schipper van de duwboot [E] (bewijsm. 6):

* hij als schipper in directe opdracht van [verdachte 3] voer;

* hij op 9 mei 2003 een aantal documenten aan boord kreeg die de gevaarlijke stoffen moesten begeleiden, op die documenten een beperkt aantal gevaarlijke stoffen stonden, dit niet ongebruikelijk was, daar de documenten wel vaker op een later tijdstip werden aangeleverd;

* hij na controle van de vervoersdocumenten en de containers op het stuwplan zag hij dat hij vervoersdocumenten tekort kwam;

* hij daarop contact zocht met het kantoor van [verdachte 3]; [betrokkene 4] hem meedeelde dat alle vervoersdocumenten die zij in haar bezit had aan boord van de [E] waren gebracht en er bij [verdachte 3] geen documenten meer waren;

* hij vervolgens contact zocht met [medeverdachte 1] (d.i. [medeverdachte 1]; WHV), opdrachtgever via [verdachte 3] van het vervoer van de gevaarlijke stoffen; ook daar kreeg hij te horen dat er geen documenten meer waren;

* daarop zocht hij opnieuw contact met het kantoor van [verdachte 3]; hij deelde aan de aldaar werkzame [betrokkene 4] mede dat ook bij [medeverdachte 1] geen documenten meer waren; [betrokkene 4] gaf hem de opdracht te gaan varen;

* [betrokkene 4] later nog contact zocht met de schipper; desgevraagd deelde zij hem mee dat hij ondanks het ontbreken van de vereiste documenten toch maar door moest varen;

o als verklaring van [betrokkene 5], in dienst van [medeverdachte 1] (bewijsm. 7)

* [verdachte 3] de eindverantwoording heeft voor de papieren aan boord;

* zij de informatie verzamelt, de vervoersdocumenten opmaakt en deze per fax naar [verdachte 3] stuurt;

* [verdachte 3] bepaalt in welk schip de containers worden vervoerd en zorgdraagt dat de documenten aan boord komen;

* de uitvoering van de reizen bij [verdachte 3] ligt maar in opdracht van [medeverdachte 1];

* zij de beslissing om het schip te laten vertrekken samen met [betrokkene 4] van [verdachte 3] genomen heeft; zij toen het risico hebben genomen dat er gecontroleerd zou worden;

o als verklaring van [betrokkene 6], general manager van [medeverdachte 1] d.d. 27 juni 2003 (bewijsm. 9):

* hij op de hoogte is van het feit dat één van "zijn" mensen samen met [verdachte 3] een beslissing heeft genomen om de [E] te laten varen met de aangegeven lading aan boord;

- ten aanzien van het feit, gepleegd op 5 juni 2003 (feit 3):

o als verklaring van [betrokkene 2], schipper van de duwboot [E] (bewijsm. 15):

* [verdachte 3] er volgens hem een zooitje van maakt, omdat "zij" niet wisten dat hij een container aan boord had die wel op het stuwplan stond, zij het vertikken om de documenten op tijd aan te leveren terwijl zij de informatie vaak al een dag tevoren hebben liggen, zij die informatie pas sturen als je halverwege bent, zij zo dwingen te gaan varen of de wet te overtreden;

* hij niet op de hoogte is van het ontbreken van de vereiste documenten; hij het na had moeten kijken maar dat is niet gebeurd;

o als verklaring van [betrokkene 15], volgens bewijsmiddel 8 planner bij [verdachte 3] en afkomstig van [D] (bewijsm.16):

* [E] vast voor "ons" vaart;

* iedere container die met dat schip wordt vervoerd is ingepland door [verdachte 3], zo ook op 5 juni 2003;

* de aanwezigheid van deze containers lang van tevoren bekend was.

36. Met betrekking tot het feit, gepleegd op 29 maart 2003 (feit 2), blijkt niet van aan [verdachte 3] toe te rekenen gedragingen waaruit volgt dat [verdachte 3] zich in bewuste en nauwe samenwerking met de schipper van de [A] opzettelijk niet heeft vergewist dat de voorgeschreven documenten aan boord waren. Van enige aan [verdachte 3] toe te rekenen gedraging blijkt immers geheel niet, al was het alleen maar omdat uit de verklaring van de schipper niet blijkt dat hij [verdachte 3] van het ontbreken van documenten op de hoogte heeft gesteld. Dan zou het nog kunnen zijn dat [verdachte 3] tekort is geschoten in een op haar rustende zorgplicht(11) hierin bestaande dat zij er op toe zou dienen te zien dat de vereiste documenten aan de schipper werden gezonden maar of op haar die zorgplicht rustte, of zij deze heeft verzaakt dan wel of de documenten in het ongerede zijn geraakt, blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet terwijl het Hof zich over enige op [verdachte 3] rustende zorgplicht en waarop deze zorgplicht zou moeten worden gebaseerd niet heeft uitgelaten. Het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen kan dus niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

37. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof wel overwogen dat de verdachte wist dat de vereiste documenten ontbraken en dat zij niettemin opdracht gaf om (door) te varen zonder dat de schippers door haar waren voorzien van de ontbrekende documenten, alsmede dat deze feiten maken dat verdachte ook als pleger bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de controle op de aanwezigheid van de vereiste documenten werd nagelaten op 29 maart 2003; van bedoelde wetenschap blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet. Het lijkt erop dat het Hof hier heeft gewerkt met een soort, uit de verklaring van [betrokkene 2] af te leiden "Lebensführungsschuld"(12) van [verdachte 3]. Een dergelijke figuur kent het Wetboek van Strafrecht echter niet.

38. Voor het op 9 mei 2003 gepleegde feit (feit 1) ligt het anders. De gedragingen van [betrokkene 4], afkomstig van [D], en [betrokkene 5], afkomstig van [medeverdachte 1], die op de hoogte waren van het ontbreken van de vereiste documenten en niettemin hebben besloten de schipper opdracht te geven door te varen, maakten, mede gelet op bewijsmiddel 15 voor zover inhoudende dat het varen zonder de vereiste documenten voor [verdachte 3] gebruikelijk was, deel uit van de normale bedrijfsvoering van [verdachte 3]. Zij waren bovendien dienstig aan (de participanten in) [verdachte 3] omdat uitlossen van de containers kosten mee zou brengen terwijl [verdachte 3] juist was gericht op het zo efficiënt mogelijk vervoeren van de containers.(13) Daarom kunnen die gedragingen worden toegerekend aan [verdachte 3]. Aldus kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat [verdachte 3] in bewuste en nauwe samenwerking met de schipper containers met gevaarlijke stoffen heeft vervoerd terwijl de daarvoor vereiste documenten niet aan boord waren en deze toen de schipper meldde dat deze documenten ontbraken verder heeft vervoerd.

39. Daarbij teken ik aan dat voorschrift 1.4.2.2.1 als onderdeel van een strafbepaling aldus moet worden verstaan dat van zich niet vergewissen dat de vereiste documenten aan boord zijn meegenomen sprake is zowel wanneer men ter zake geen of geen deugdelijk onderzoek heeft ingesteld als wanneer - zoals in het onderhavige geval - men zich de zekerheid heeft verschaft dat de vereiste documenten niet zijn meegenomen.

40. Het bewezenverklaarde opzet leidt het Hof blijkens zijn nadere bewijsoverweging af uit de wetenschap van [verdachte 3] dat de vereiste documenten niet aan boord waren. Voor die wetenschap bieden de gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende grond. [Betrokkene 6], general manager van één der participanten in [verdachte 3], [medeverdachte 1], zegt op 27 juni 2003 op de hoogte te zijn van het laten varen van de [E] met de aangegeven lading aan boord(14) maar of hij dat wist op 9 mei 2003 en of die wetenschap ook inhield dat de vereiste documenten niet aan boord waren blijkt uit de bewijsmiddelen niet. Voorts blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen noch uit enige nadere bewijsoverweging dat en waarom de wetenschap van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] aan [verdachte 3] kon worden toegerekend. Uit die bewijsmiddelen blijkt immers niet hoe de organisatie van [verdachte 3] in elkaar stak, of [betrokkene 4] en [betrokkene 5] handelden op eigen houtje of met medeweten of instemming van de leiding van [verdachte 3] (welke?) etc. Uit de verklaring van [betrokkene 2], schipper van de duwboot [E], blijkt van een "staande praktijk" voor wat betreft het laten varen door [verdachte 3] zonder volledige documentatie maar die enkele, niet nader gespecificeerde verklaring lijkt mij bij gebreke van enige nadere motivering door het Hof onvoldoende om in het onderhavige geval wetenschap van [verdachte 3] van het varen zonder de vereiste documenten af te leiden. Handelen door [betrokkene 4] en [betrokkene 5] op eigen houtje sluit dat immers bepaald niet uit.

41. Het onder 1 bewezenverklaarde feit kan dus niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

42. Het onder 3 bewezenverklaarde feit kan evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers niet van enige aan [verdachte 3] toe te rekenen, op het onderhavige geval betrekking hebbende concrete gedraging anders dan dat [verdachte 3] het vervoer van de containers heeft ingepland. Ook al zou de bewezenverklaring zo moeten worden gelezen dat er sprake was van het plegen van niet opzettelijk zich vergewissen van het aan boord zijn van de vereiste documenten, dan nog bevatten de gebezigde bewijsmiddelen daarvoor onvoldoende bewijs omdat daaruit niet blijkt van het in concreto niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van [verdachte 3] kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.(15) Van enig onderzoek daarnaar blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen in het geheel niet, nog niet eens naar de vraag of aan [verdachte 3] is medegedeeld dat er documenten ontbraken dan wel dat [verdachte 3] onvolledige documentatie of in het geheel geen documentatie heeft opgestuurd naar de schipper.

43. Het middel slaagt.

44. Ten overvloede merk ik nog het volgende op.

45. In de toelichting op de het middel wordt betoogd dat op [verdachte 3] niet de plicht rustte er in te voorzien dat werd voldaan aan de voorschriften 1.4.2.2.1 en 1.4.2.2.3. Ook al zou dat juist zijn, dan neemt dit niet weg dat dit aan het medeplegen van schending van die voorschriften niet in de weg staat.(16)

46. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat overtreding van de in de bewezenverklaring genoemde ADNR-voorschriften niet te Reimerswaal plaatsvond maar te Antwerpen wordt miskend dat aan verdachte niet het niet naleven van die voorschriften wordt verweten maar het medeplegen van vervoeren terwijl die voorschriften niet zijn nageleefd. Dat vervoeren vond blijkens de gebezigde bewijsmiddelen - ten aanzien van feit 1 - plaats in de gemeente Reimerswaal.

47. Het zesde middel klaagt dat het Hof niet heeft beslist op het verweer van de verdediging dat indien de planners geen gegevens hadden omtrent de aanwezigheid in de containers van ADNR-goederen, zij dit ook niet aan de schipper konden doorgeven.

48. De pleitnota van de raadsman van verdachte in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"(...) Wat betreft de benodigde informatie en documentatie, geldt dat die door de afzenders, via de terminal aan boord bij de schipper dient te komen. In verband met hun planningswerkzaamheden beschikten ook de planners, via [D], [medeverdachte 3] of [medeverdachte 1], over gegevens, welke de planners ten overvloede aan de schipper - zonder dat daar enige verplichting voor was - doorgaven. Indien de planners geen gegevens hadden omtrent ADNR - er zijn ook een heleboel containers die geen ADNR-goederen bevatten - konden zij dat ook niet aan de schipper doorgeven."

49. Genoemde omstandigheid staat op zichzelf aan het bewezenverklaarde medeplegen niet in de weg. Derhalve kon het Hof aan dit verweer voorbijgaan.

50. Het middel faalt.

51. Het zevende middel komt met verscheidene klachten op tegen de bewijsvoering.

52. Een deel van de klachten is hiervoor reeds aan de orde gekomen dan wel in verband met hetgeen hiervoor is besproken niet (meer) van belang. Deze klachten zullen hierna buiten bespreking blijven. Dat geldt ook voor zover de klachten berusten op feiten en omstandigheden waarop in hoger beroep geen beroep is gedaan en waaromtrent door het Hof ook niets is vastgesteld.

53. Met de klacht dat het door het Hof onder 3 gebezigde bewijsmiddel(17) niet een proces-verbaal van bevindingen betreft, wordt kennelijk beoogd te klagen dat het Hof voornoemd proces-verbaal niet voor het bewijs had mogen bezigen, nu dit geen mededeling van feiten en omstandigheden bevat die door de relaterende opsporingsambtenaar zelf zijn waargenomen of ondervonden (art. 344 lid 1 sub 2o Sv). Ter toelichting wordt erop gewezen dat de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] niet zelf de daarin gerelateerde controle heeft uitgevoerd.

54. Deze klacht berust blijkens de toelichting op feiten en omstandigheden waaromtrent bij het Hof niets is aangevoerd en door het Hof niets is vastgesteld. Derhalve mist deze klacht feitelijke grondslag. Overigens faalt de klacht reeds bij gebrek aan belang. Immers, ook indien het bewijsmiddel niet aan de eisen van art. 344 lid 1 sub 2o Sv zou voldoen, kan het betreffende stuk gelden als een ander geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 sub 5o Sv.(18)

55. Voor zover wordt geklaagd dat het in bewijsmiddel 3 opgenomen relaas van [verbalisant 1] niet bijdraagt aan bewijs van het ten laste gelegde, wordt miskend dat uit dit bewijsmiddel blijkt van tijd en datum van het bewezenverklaarde feit 1.

56. De klacht dat aan bewijsmiddel 5 geen bewijs voor het ten laste gelegde valt te ontlenen, miskent dat dit bewijsmiddel bewijst dat sprake is van goederen die onder het ADNR-regime vallen.

57. De klacht dat het Hof niet heeft beslist op een door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer heeft betrekking op de volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 juni 2008 aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota van de raadsman van verdachte voor zover inhoudende:

"Wat betreft de vervoersdocumenten, geldt dat die vervoersdocumenten - die door de afzenders (als [L], [K], etc.) worden verschaft - de lading begeleiden. Bij een container die bij een terminal aankomt zijn ook de vervoerdocumenten. Indien de container bij de terminal aan boord van een schip wordt geladen, geeft de terminal die documenten aan boord van het schip. Daarbuiten staat, dat ook [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [D] de gegevens van de vervoerdocumenten van de opdrachtgevers, de afzenders, ontvangen. Die worden door hen, of in het overleg terzake van de planning, gebruikt voor de planning van de containers aan boord van de schepen. In het overleg terzake van de planning worden de gegevens van de containers verzameld en aan het desbetreffende schip ter kennis gebracht. Enige verplichting daartoe bestaat echter niet.

Dat brengt ons op een punt dat in eerste instantie wel is aangegeven, maar wellicht toch onderbelicht is gebleven.

Immers, bij de containers, het gaat steeds om containers met aansluiting zeevervoer, zitten ook alle gegevens van de zeevaart. Zie bladzijde 153 ev van het proces-verbaal. Op die vervoersdocumenten staan alle gegevens die randnummer 5.4 van het ADNR verlangt.

In het proces-verbaal bladzijde 153 ev is ook te zien dat de verbalisanten feilloos over de gegevens van de containers beschikken.

Vervoerdocumenten van het ADNR zijn vormvrij: als de gegevens van randnummer 5.4.1.1.1 er maar in staan. En dat is het geval.

De verbalisanten verlangen kennelijk een soort apart binnenvaartdocument - maar dat is niet vereist.

(terzake van zaak 1, zie proces-verbaal bladzijde 589 ev

terzake van zaak 3, zie proces-verbaal bladzijde 823 - 828

(zaak 2 betreft gevarenkaarten, die aan de schipper waren verschaft(verklaringen [betrokkene 7] en [betrokkene 8])).

Het is de afzender die de vervoersdocumenten verschaft bij de desbetreffende container en de terminal die die vervoerdocumenten aan het schip doorgeeft. Dat het schip die nogmaals krijgt via [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [D], al dan niet via het overleg terzake van de planning ([verdachte 3]) is alleen maar meegenomen en extra."

58. In de toelichting op deze klacht wordt gesteld dat het Hof er aan is voorbijgegaan dat vervoersdocumenten van het ADNR vormvrij zijn en dat een apart binnenvaartdocument (dat de verbalisanten verlangen) niet is vereist.

59. Voorschrift 5.4.1 e.v. ADNR 2003 luidt:

5.4.1Vervoerdocument voor gevaarlijke goederen en daarmee samenhangende informatie

5.4.1.1Algemene informatie, die in het vervoerdocument moet staan bij het vervoer in colli, indien losgestort of in tankschepen

5.4.1.1.1Algemene informatie, die in het vervoerdocument moet staan bij het vervoer in colli of indien losgestort

Het (de) vervoerdocument(en) moet(en) de volgende informatie bevatten met betrekking tot alle ten vervoer aangeboden gevaarlijke stoffen of voorwerpen:

a) het UN-nummer, voorafgegaan door de letters "UN" of het stofnummer;

b) de volgens 3.2, Tabel A, kolom 2 juiste vervoersnaam en, indien van toepassing (zie 3.1.2.6), aangevuld met de technische benaming;

c) - voor stoffen en voorwerpen van Klasse 1: de in 3.2, Tabel A, kolom 3 aangegeven classificatiecode. Indien in 3.2, Tabel A, kolom 5 andere nummers van gevaarsetiketten dan 1, 1.4, 1.5 en 1.6 voorkomen, moeten deze direct na de classificatiecode tussen haakjes worden vermeld;

- voor radioactieve stoffen van Klasse 7: zie 5.4.1.2.5;

- voor stoffen en voorwerpen van andere Klassen: de in 3.2, Tabel A, kolom 5 aangegeven nummers van de gevaarsetiketten. Indien meerdere nummers van gevaarsetiketten zijn aangegeven, moeten de nummers volgend op het eerste tussen haakjes worden vermeld;

d) indien toegewezen, de verpakkingsgroep voor de stof of het voorwerp die mag worden voorafgegaan door de letters "VG" (bijv. "VG II") of de hoofdletters in overeenstemming met het woord "Verpakkingsgroep" in de volgens 5.4.1.4.1 gebruikte talen;

e) het aantal en omschrijving van de colli;

f) de totale hoeveelheid van ieder gevaarlijk goed met een verschillend UN-nummer, juiste vervoersnaam of verpakkingsgroep (uitgedrukt in volume of bruto massa, of in netto massa, al naar gelang);

g) de naam en het adres van de afzender;

h) de naam en het adres van de geadresseerde(n);

i) gereserveerd.

De plaats en de volgorde waarin de vereiste informatie in het vervoerdocument moet zijn vermeld, is vrij; a), b), c) en d), moeten echter in de volgorde a), b), c) en d) of in de volgorde b), c), a) en d), zonder dat er informatie tussen staat, uitgezonderd zoals bepaald in het ADNR, worden vermeld.

(...)

60. Uit dit voorschrift blijkt dat het beschreven vervoerdocument vormvrij is maar dat de volgorde van de te vermelden gegevens niet vormvrij is en aan bepaalde regels moet voldoen. Aldus ligt in deze regeling besloten dat het ADNR 2003 een vervoerdocument verlangt dat is opgesteld overeenkomstig die volgorde(19) en de door het ADNR 2003 vermelde gegevens bevat. Dat aan die volgorde is voldaan, is niet aangevoerd. Daarom heeft het Hof aan dit verweer voorbij kunnen gaan.

61. Het middel faalt.

62. Het achtste middel klaagt dat 's Hofs oordeel omtrent het opzet van verdachte onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

63. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest in:

"Het hof is van oordeel dat verdachte ook kan worden aangemerkt als medepleger van de onderhavige feiten, nu sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de participanten of de schipper, alsmede van een gezamenlijke uitvoering. Niet alleen bepaalde verdachte welke containers met gevaarlijke stoffen werden geladen op de bakken van de [E] en de [A] terwijl zij wist dat de vereiste documenten ontbraken, maar zij gaf ook opdracht om (door) te varen zonder dat de schippers door haar waren voorzien van de ontbrekende documenten. Deze feiten en omstandigheden maken dat verdachte ook als pleger bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de controle op de aanwezigheid van de vereiste documenten werd nagelaten op 29 maart 2003. Naar het oordeel van het hof is de onderhavige normschending door verdachte, zowel als pleger (met de participanten of de schipper), als ook als medepleger, even ernstig te noemen, gelet op de positie van de verdachte in de vervoersketen."

64. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat 's Hofs overweging wat betreft het opzet van verdachte met betrekking tot feit 2 te vaag is. Voorts zou dit opzet niet uit de door het Hof genoemde feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

65. Bij de bespreking van het vijfde middel heb ik uiteengezet dat en waarom uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft medegepleegd. A fortiori volgt daaruit dat het bewezenverklaarde opzet ook niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en de gewraakte overweging geen steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.

66. Het middel slaagt.

67. De middelen 3, 4 en 6 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

68. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 3 juli 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan. Dit punt kan onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen.(20)

69. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

70. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Gelet op de kwalificatie en de bewezenverklaring ter zake van de andere feiten heeft het Hof hier abusievelijk "niet" laten staan.

2 Gewijzigd bij Wet van 7 april 2006, Stb. 2006, 217; de wijziging (taalkundige verbetering) is voor de onderhavige zaak niet van belang.

3 Volgens de huidige tekst van deze bepaling is op de Rijn, Lek en Waal het ADNR van toepassing, op overige binnenwateren het ADN.

4 Zie over de geschiedenis van de totstandkoming van deze regelingen Jacques Buissing, Herstructurering internationale voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen, Tijdschrift Vervoer & Recht, 2003, p. 9-16.

5 Art. 1 jo. 2 Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, in werking getreden op 1 juli 2009. Deze wijziging is ingegeven door enerzijds de ECE- en Europese verplichtingen en anderzijds de CCR-verplichtingen. Zie voor een nadere uiteenzetting de toelichting bij Staatscourant 2009 nr. 116.

6 Aldus de toelichting bij Staatscourant 2009 nr. 116.

7 Aldus de toelichting bij Staatscourant 2009 nr. 116.

8 Zo HR 26 mei 2009, NJ 2009, 258 met betrekking tot art. 11 Wvgs op grond van de hier niet toepasselijke, destijds geldende Richtlijn nr. 94/55/EG.

9 HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955, HR 28 februari 2006, LJN AU9096.

10 HR 19 december 1995, NJ 1996, 249, m. nt. Sch. en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, m.nt. YB., r.o. 3.6.5.

11 Vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006, 328, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4.

12 Zie daarover J. Remmelink, Mr. D. Hazewinkel-Suringa's Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1993, vijftiende druk, p. 195 e.v.

13 Vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006, 328, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3 e.v.

14 Vgl. HR 7 februari 1984, NJ 1984, 527, m.nt. 'tH: Uit de bewijsmiddelen valt af te leiden, dat het opmaken van de facturen geschiedde door kantoorpersoneel in dienst van de onderscheidene vennootschappen aan de hand van gegevens, verstrekt door vertegenwoordigers van de betrokken vennootschap, en in opdracht van de directie van deze laatste. Op grond hiervan heeft het Hof kunnen oordelen dat het valselijk opmaken van de facturen, als in de bewezenverklaring bedoeld, telkens is geschied door de desbetreffende vennootschap.

15 Vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006, 328, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4.

16 HR 21 juni 1926, NJ 1926, p. 955, HR 28 februari 2006, LJN AU9096.

17 Het Hof vermeldt kennelijk per abuis als proces-verbaalnummer 20030100230-1 in plaats van 2003010230-1.

18 Vgl. HR 22 juni 1982, NJ 1983, 90.

19 Zo ook voorschrift 5.4.1.1.1 ADNR 2009. In dezelfde zin ADN 2009.

20 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.3.