Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BN9276

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
09/01751 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BN9276
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01751 P

Mr. Silvis

Zitting 28 september 2010

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 april 2009 aan veroordeelde de verplichting opgelegd om een bedrag van € 35.000,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens veroordeelde heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte het door de officier van justitie tegen de beslissing van de politierechter ingestelde hoger beroep ontvankelijk heeft verklaard, althans dat het hof het verweer van de verdediging op ontoereikende gronden heeft verworpen.

4. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat dat het openbaar ministerie in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de door de griffier van de rechtbank Maastricht d.d. 12 februari 2008 opgemaakte akte rechtsmiddel nietig is, omdat daarop ten onrechte is vermeld dat op genoemde datum ter griffie van de rechtbank is verschenen mr. B.G. Janssen, officier van justitie in het arrondissement Maastricht, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het hoger beroep feitelijk is ingesteld door mr. W. de Loo, ambtgenoot van mr. Janssen voornoemd.

5. Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:

"(...)

Uit de inhoud van het dossier blijkt het volgende.

De akte rechtsmiddel vermeldt dat op 12 februari 2008 mr. B.G. Janssen, officier van justitie in het arrondissement Maastricht, ter griffie kwam, die verklaarde beroep in te stellen tegen de onderhavige uitspraak in de zaak tegen voornoemde veroordeelde. De akte is door de comparant ondertekend met een handtekening, waarbij de afkorting "n.d." (namens deze) is geplaatst.

De door mr. B.G. Janssen ingediende appelschriftuur is opgemaakt op dezelfde datum waarop het beroepen vonnis is gewezen, te weten: 6 februari 2008.

Uit het door mr. Janssen opgemaakte aanvullende proces-verbaal d.d. 17 april 2009 blijkt dat de officier van justitie direct na de terechtzitting in eerste aanleg de appelschriftuur heeft opgemaakt en derhalve meteen na de uitspraak de bedoeling had tegen het vonnis hoger beroep in te stellen. Uit dat aanvullende proces-verbaal blijkt voorts dat mr. Janssen zelf niet in staat was om het hoger beroep in te stellen en vervolgens zijn ambtgenoot mr. W. de Loo uitdrukkelijk heeft verzocht om namens hem het hoger beroep in te stellen.

Aldus is aannemelijk geworden dat, ondanks dat de akte rechtsmiddel vermeldt dat het hoger beroep is ingesteld door mr. Janssen, dit feitelijk is ingesteld door mr. W. de Loo, eveneens officier van justitie in het arrondissement Maastricht.

Het hof is echter van oordeel dat het vorenstaande geen consequenties hoeft te hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat hoger beroep wordt ingesteld door een andere officier van justitie dan degene die ter terechtzitting aanwezig is geweest. Het hof houdt het ervoor dat de griffier van de rechtbank Maastricht als gevolg van een kennelijke misslag op de akte rechtsmiddel de naam van de verkeerde officier van justitie heeft vermeld, welke misslag niet aan het openbaar ministerie mag worden toegerekend.

Ook overigens is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep in de weg staan.

Het hof verwerpt het verweer."

6. Vooropgesteld moet worden dat de uitleg van een akte rechtsmiddel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en in cassatie louter op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.(1)

7. Het hof heeft uit de omstandigheid dat mr. Janssen direct na de terechtzitting in eerste aanleg op 6 februari 2008 de appelschriftuur heeft opgemaakt, afgeleid dat deze de bedoeling had tegen het vonnis hoger beroep in te stellen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat officier van justitie mr. Janssen zijn ambtgenoot mr. W. de Loo uitdrukkelijk heeft verzocht om dit namens hem te doen, omdat hij zelf niet in staat was om het hoger beroep in te stellen. Blijkens art. 404 Sv staat hoger beroep open voor 'de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen' - waaronder dus ook mr. de Loo - terwijl geen rechtsregel zich ertegen verzet dat hoger beroep wordt ingesteld door een andere officier van justitie dan degene die ter terechtzitting aanwezig is geweest.

8. Het hof is kennelijk van oordeel dat als gevolg van een kennelijke misslag de naam van de verkeerde officier van justitie op de akte rechtsmiddel staat vermeld en zodoende sprake is van een kennelijke vergissing van de griffier, die geen consequenties hoeft te hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De uitleg die het hof heeft gegeven aan de onderhavige appèlakte, te weten dat deze een kennelijke vergissing bevat, is gelet op de daaraan door het hof ten grondslag gelegde vaststellingen niet onbegrijpelijk. Dat het hof de door hem vastgestelde vergissing van de griffier van de rechtbank niet voor rekening heeft willen laten komen van de officier van justitie geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de vastgestelde omstandigheden eveneens niet onbegrijpelijk. (2)

9. Het voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 24 oktober 1996, NJ 1996, 148, rov. 6.5.

2 Vgl. HR 22 februari 2005, LJN AR8923 (niet gepubliceerd); HR 20 juni 2006, LJN AV7250.