Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BN9223

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/01740
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BN9223
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

N.o.-verklaring in hoger beroep o.g.v. art. 416.2 Sr. De door de raadsman ingediende appelschriftuur houdt niet in dat hij daartoe door verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd. Ter terechtzitting in hoger beroep was de raadsman verschenen, die verklaarde niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. In een geval als i.c., waarin de advocaat, die de appelschriftuur heeft ingediend, ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, brengen beginselen van een goede procesorde mee dat de rechter de raadsman - ook indien deze niet is gemachtigd op de voet van art. 279 Sv - de gelegenheid biedt om zich uit te laten omtrent de vraag of hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd en zal bij bevestigende beantwoording van die vraag toepassing van art. 416.2 Sv achterwege dienen te blijven. Nu niet blijkt dat het Hof de raadsman die gelegen heid heeft geboden, lijden het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak aan nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2011, 107
RvdW 2011/322
NJ 2011/104
NJB 2011, 593

Conclusie

Nr. 09/01740

Mr. Machielse

Zitting 28 september 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 1 mei 2009 bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 13 augustus 2008 waarbij hij wegens "Mishandeling" en "Diefstal" is veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 39 dagen hechtenis(1).

2. Mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en namens de verdachte bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de brief van de raadsman van 21 augustus 2008 ten onrechte niet als een appelschriftuur heeft aangemerkt. Het zou, zo parafraseer ik het middel, van overdreven formalisme getuigen om te eisen dat bij het indienen van een schriftuur moet blijken dat de advocaat bepaaldelijk daartoe is gemachtigd. De steller van het middel doet een beroep op HR 4 december 2007, LJN BB7088 en betoogt dat ook in die zaak in de appelschriftuur niet uitdrukkelijk was vermeld dat de indiener door de verdachte was gemachtigd. Dat heeft de Hoge Raad evenwel niet ervan weerhouden deze schriftuur als appelschriftuur aan te merken. Daaraan voegt de steller toe dat het verzuim om in de schriftuur gewag te maken van de machtiging moet kunnen worden hersteld.

3.2. De verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in hoger beroep. Zijn raadsman, mr. A.B. Baumgarten, is wel verschenen. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt voorts het volgende in:

"Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage, die mededeelt niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De advocaat-generaal vordert, nu door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven op de wettelijk voorgeschreven wijze is ingediend, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep.

Nadat het hof zich kort onderling heeft beraden, sluit de voorzitter het onderzoek en doet het hof terstond uitspraak."

3.3. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid in het hoger beroep

Namens de verdachte is op 19 augustus 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 13 augustus 2008. Tegen dat vonnis kan de verdachte, ingevolge artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, binnen 14 dagen na instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. Bij het Hof is op 21 augustus 2008 een schriftuur ingekomen, waarop geen acht kan worden geslagen nu deze is ingediend door een raadsman die niet verklaart bepaaldelijk daartoe te zijn gevolmachtigd, terwijl ook niet van een schriftelijke bijzondere volmacht blijkt. Derhalve is het voorschrift van artikel 450, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te dezen van overeenkomstige toepassing krachtens artikel 452, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen.

Nu door of namens de verdachte niet op de wettelijk voorgeschreven wijze een schriftuur houdende grieven is ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en het hof geen gronden ziet om ambtshalve over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak, zal het hof ingevolge artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep."

3.4. Het Hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep mede doen steunen op de vaststelling dat de schriftuur van 21 augustus 2008 niet inhoudt de op grond van art. 452, eerste lid, in verbinding met art. 450, eerste lid aanhef en onder a, Sv vereiste verklaring van de raadsman dat hij tot indiening van die schriftuur door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd.

3.5. Voornoemde brief bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken en houdt het volgende in:

"APPÈLSCHRIFTUUR & STELBRIEF

Gerechtshof Den Haag

Strafgriffie

(...)

Hierbij stel ik mij als raadsman voor [verdachte] (...).

Cliënt is het niet eens met de door de Rechtbank bewezen verklaarde feiten, daar hij deze feiten (deels) ontkent. Evenmin is cliënt het eens met (de hoogte van) de door de Rechtbank aan hem opgelegde straf / maatregel.

Client was ook niet aanwezig bij de behandeling van de strafzaak door de PR. Hij wenst alsnog door uw Hof gehoord te worden.

Cliënt wenst als getuigen te doen horen alle personen, die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt.

Tevens verzoekt cliënt het ertoe te leiden dat door de stichting Reclassering Nederland/Palier omtrent hem een voorlichtingsrapportage gemaakt wordt."

3.6. Formeel heeft het Hof niets verkeerd gedaan. Art. 452, eerste lid, in verbinding met art. 450, eerste lid aanhef en onder a, Sv vereist inderdaad dat de raadsman bij indiening van een schriftuur verklaart daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Nu de raadsman een dergelijke verklaring niet heeft afgelegd en de verdachte evenmin anderszins zijn bezwaren tegen het vonnis kenbaar heeft gemaakt, opent art. 416, tweede lid, Sv de mogelijkheid voor niet-ontvankelijkverklaring. De raadsman, die ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij door de niet verschenen verdachte niet bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, kon geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als in artikel 279 Sv bedoeld.(2) Het beroep dat de steller van het middel doet op HR 4 december 2007, LJN BB7088 ziet over het hoofd dat over de inhoud van de in die zaak ingediende appelschriftuur in de onderhavige zaak niets vaststaat. Dat ook voor het indienen van een appelschriftuur een machtiging van de advocaat door verdachte is vereist heeft de strekking dat duidelijk is dat de verdachte een keuze heeft gemaakt onder meer betreffende de persoon van de raadsman en de aard en omvang van de handelingen die deze namens hem dient te verrichten. Evenals aan het machtigingsvereiste in artikel 279 Sv zal ook aan het machtigingsvereiste in artikel 450, eerste lid, aanhef en onder a Sv juncto artikel 452, eerste lid Sv strikt de hand moeten worden gehouden. Voor zover het middel de Hoge Raad ertoe tracht te bewegen de teugels hier te laten vieren verdient het mijns inziens geen gehoor.

Het komt mij echter voor dat het Hof, mede gelet op de zwaarte van de sanctie, gehouden was om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te herstellen, door hem voor aanvang van dan wel tijdens de terechtzitting(3) te vragen of hij bepaaldelijk gevolmachtigd was om de appelschriftuur in te dienen.(4) Een dergelijke gelegenheid biedt ook de Hoge Raad advocaten die verzuimen in hun cassatieschriftuur te vermelden dat zij bepaaldelijk zijn gevolmachtigd door degene namens wie zij optreden.(5)

Het proces-verbaal van de terechtzitting noch de bestreden uitspraak houdt in dat het Hof de raadsman er op heeft gewezen dat hij in de appelschriftuur had moeten vermelden dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd was deze namens de verdachte in te dienen, en hem in de gelegenheid heeft gesteld dit verzuim te herstellen. Ook blijkt niet uit de stukken van het geding dat dit vóór de terechtzitting is gebeurd.

Naar mijn mening is de beslissing van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep dan ook ontoereikend gemotiveerd.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De Politierechter heeft bij de strafoplegging zelf de voorlopige hechtenis in mindering gebracht op de taakstraf, die daardoor uitkomt op 78 uren. De vervangende hechtenis is kennelijk bepaald op basis van laatstgenoemd aantal uren.

2 O.m. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 m.nt. Reijntjes, rov. 4.8.

3 Dat is mijns inziens niet in strijd met HR 8 december 2009, NJ 2010, 175, m.nt. Schalken (onder NJ 2010, 176). In de onderhavige zaak gaat het niet om het mondeling opgeven van bezwaren door een niet-gemachtigde raadsman, maar slechts om het herstellen van een formeel verzuim dat zich heeft voorgedaan bij het ruim voor de terechtzitting indienen van schriftelijke grieven.

4 Vgl. T&C Strafvordering, 8e druk, aantekening 2 bij art. 450 Sv (Elzinga); Melai, aantekening 3 bij art. 450 Sv (Elzinga & De Hullu). Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 30 maart 2010, LJN BL3194.

5 Vgl. art. VI, derde lid, van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad.