Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BN8383

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
09/02281
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BN8383
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv, uos. Hetgeen door de raadsman ttz. in h.b. is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit u.o.s. afgeweken, maar heeft i.s.m. art. 359.2 tweede volzin Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Nu het bij het Hof naar voren gebrachte uos ook nieuwe argumenten bevatte n.a.v. het verhoor van beide getuigen door de R-C, kan de motivering door de Pr in het door het Hof bevestigde vonnis niet als een zodanige opgave gelden. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1486
RvdW 2011/935
NJ 2011/415 met annotatie van T.M. Schalken
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02281

Mr. Vellinga

Zitting: 21 september 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Breda waarbij verdachte wegens "mishandeling" is veroordeeld maar geen straf of maatregel is opgelegd en de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is verklaard.

2. Het eerste middel klaagt over de motivering van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

3. In aanmerking genomen dat de echtgenote van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit reeds ernstig ziek was geeft het oordeel van het Hof dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat gesproken kan worden van een situatie waarin doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

4. Het middel faalt.

5. Het tweede middel klaagt over ontoereikende verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv, houdende een beroep op de onbetrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen [betrokkene 1 en 2].

6. Het middel heeft het oog op hetgeen verdachtes raadsman als volgt bij pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd:

"Laat ik het voorzichtig formuleren zou ook wijlen de echtgenote van mijn cl. destijds als getuige zijn gehoord, dan had de rechter, zo de zaak aan de rechter zou zijn voorgelegd, een bredere basis gehad voor een beoordeling. Bij de huidige stand van zaken moet Uw Hof het doen met de verklaringen van aangever en diens echtgenote, waarbij de verklaring van cl. neerkomt op een nadrukkelijke ontkenning van de gestelde feiten.

Met zo weinig materiaal, dat bovendien niet uit onafhankelijke hoek komt, maar uit een bron waarvan, dunkt mij, aannemelijk is geworden dat deze al geruime tijd in onmin leeft met degene tegen wie de aangifte zich richt mag en moet naar het oordeel van de verdediging geëist worden dat die informatie concludent is en niet innerlijk of onderling tegenstrijdig. Daar schort het bewijs in dit geval echter aan.

De verdediging verwijst volledigheidshalve hierbij nogmaals naar haar appèlschriftuur waarin zij haar kaarten in deze zaak op tafel legt.

Er is een aangifte die tot op zekere hoogte ondersteund wordt door een getuigenverklaring van de echtgenote van aangever, welke verklaring echter op wezenlijke onderdelen afwijkt van de aangifte, welke aangifte voorts niet ondersteund wordt door enig van buiten komend onafhankelijk bewijs, noch door van buiten komende feiten of omstandigheden, maar die naar het oordeel van de verdediging door van buiten komende feiten en omstandigheden juist ongeloofwaardig wordt, waar bovendien tegenover staat de ontkenning door cl. die nimmer eerder met justitie in aanraking is geweest en een blanco strafblad heeft, terwijl partijen, cl. en aangever met diens echtgenote, in een verstoorde familierelatie tot elkaar staan.

Met de getuigenverhoren van aangever en diens echtgenote is de consistentie van hun verklaringen en daarmee van het bewijs er niet beter op geworden, integendeel. Wat betreft de aangifte en de wijze waarop de mishandeling volgens deze zou hebben plaatsgevonden, wil ik allereerst nogmaals wijzen op het feit dat uit het pv van aangifte blijkt dat in het geheel geen uiterlijke kenmerken of sporen van geweld aanwezig waren. Voorts dat uit een door mij in het geding gebrachte medische verklaring van 31 januari 2008 van mijn medisch adviseur blijkt dat deze van oordeel is dat het ontbreken van enig uiterlijk kenmerk van toegepast geweld in de hals van het slachtoffer niet concludent is met de aangifte.

Ik wijs uw Hof in aanvulling daarop nog op de onderbouwing van de door aangever als benadeelde partij ingediende vordering, waarin onder het kopje 'fysiek letsel' wordt opgemerkt dat het beweerdelijk dichtknijpen van het strottenhoofd erg pijnlijk was en dat benadeelde een aantal dagen problemen had met slikken en een pijnlijke keel.

Indien cl. aangever zou hebben mishandeld op de wijze zoals deze in de aangifte stelt en met de gevolgen zoals weergegeven in diens onderbouwing van zijn vordering, kan het niet anders dan dat daarvan uiterlijke sporen zichtbaar waren geweest. Bovendien mag in dat geval verondersteld worden dat aangever zich onder doktersbehandeling zou hebben gesteld of in ieder geval zijn huisarts zou hebben geconsulteerd, temeer als ik in de onderbouwing van diens vordering onder het kopje "psychisch gevolg" lees dat hij door het voorval geestelijk in de war zou zijn en last heeft van slapeloosheid en angstaanvallen. Ook de echtgenote van aangever heeft noch bij de politie noch als getuige bij de Raadsheer-commissaris iets verklaard over enig zichtbaar letsel zoals verkleuringen, krassen of vegen. Aangever zelf geeft als getuige aan geen aanleiding te hebben gehad om naar de dokter te gaan. Ik denk dat hij daarmee de spijker op zijn kop slaat. Er was ook helemaal geen aanleiding.

Voorts herhaalt de verdediging dat de getuigeverklaring van [betrokkene 2], afgelegd bij de politie, op essentiële onderdelen afwijkt van de aangifte. Volgens de aangifte immers zou cl. aangever met zodanig kracht bij de keel hebben vastgepakt en daarin hebben geknepen, dat hij dat behoorlijk voelde en zich uit paniek lossloeg. [Betrokkene 2] stelt slechts dat cl. aangever bij diens keel pakte en dat deze rustig bleef en cl. hem weer los liet. Wat haar verklaring m.i. met name ongeloofwaardig maakt is het ontbreken van bijzonderheden. Als zoiets zou gebeuren zou dat beslist indruk hebben moeten maken en kan verwacht worden dat de getuige in staat is veel meer details te geven. Zij stelt echter niet te weten of cl. aangever met één of met twee handen bij de keel pakte en evenmin wat deze daarbij zei, terwijl de reactie van aangever volgens haar bovendien heel anders was dan volgens aangever zelf. Uit haar verklaring blijkt bovendien in het geheel niet dat aangever enige pijn voelde of daarvan blijk gaf wat men toch ook zou hebben verwacht bij een mishandeling zoals door aangever omschreven.

In afwijking van haar verklaring bij de politie, verklaart zij ten overstaan van de Raadsheer-commissaris dat aangever met twee handen een afwerende beweging maakte en daarmee de hand van cl. wegsloeg, alsmede dat hij ogenblikkelijk reageerde op het beweerdelijk vastgrijpen door cl. Niet alleen is dit een geheel andere verklaring maar sluit thans bovendien wonderwel aan bij datgene wat aangever daarover heeft verklaard.

In dit verband is ook van belang dat deze getuige bij de politie heeft verklaard: "Wat [verdachte] precies zei weet ik niet, volgens mij iets in de trant van later kom je er wel achter". In afwijking daarvan verklaart zij ten overstaan van de Raadsheer-commissaris. in dat verband: "[verdachte] zei daarop tegen [betrokkene 1] eruit, eruit en ik maak je kapot. Deze van haar eerdere verklaring afwijkende verklaring sluit echter wederom mooi aan op hetgeen aangever als getuige in dat verband heeft verklaard te weten: "Daarop wordt, volgens de verklaring van getuige, [verdachte] woedend en bedreigt hem met de woorden ik maak je kapot en herhaalt dat nog een aantal keren"

Het feit dat deze getuige zich thans schijnbaar ineens details herinnert over gebeurtenissen van twee jaar daarvoor die aansluiten op de recente getuigeverklaring van aangever, maakt dat ik toch -voorzichtig gezegd- wat moeite heb de slotzin in de getuigeverklaring van aangever waarin hij aangeeft "getuige verklaart desgevraagd dat hij met zijn echtgenote niet meer over de details van het voorval in het ziekenhuis heeft gesproken". De parallellie van de beide verklaringen lijkt op het tegendeel te wijzen.

Volgens de getuigenverklaringen van beide genoemde personen stonden aangever en cl. aan weerszijden van het ziekenhuisbed op het moment dat een en ander zou zijn gebeurd. In zijn aangifte heeft aangever ondermeer gesteld "Hij werd nog woester en kwam met zijn gezicht heel dicht tegen mijn gezicht waardoor Ik mij erg bedreigd voelde". Indien men echter ieder aan een zijkant van een ziekenhuisbed staat is dat m.i. praktisch gesproken onmogelijk en dus ook ongeloofwaardig.

De verdediging heeft ook enige correspondentie met het ziekenhuis in het geding gebracht waarbij in het bijzonder aandacht wordt gevraagd voor een opmerking uit de enige schriftelijke reactie zijdens het ziekenhuis, inhoudende dat er overleg is geweest met diverse personen, te weten de behandelend arts en verpleegkundige die betrokken waren bij de zorg rondom wijlen [betrokkene 3] en dat die personen geen informatie tot zich hebben gekregen in welke vorm dan ook, op grond waarvan zij de indruk hebben gekregen dat sprake zou zijn geweest van een handgemeen tussen cl. en diens stiefzoon, terwijl dergelijke informatie evenmin op een later tijdstip tot hen gekomen is, aldus de brief.

Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden is de aangifte, ook in combinatie met de getuigenverklaringen onvoldoende consistent en daarom onvoldoende geloofwaardig om in de gegeven omstandigheden, mede gelet op de verstoorde familierelatie, de overtuigende kracht op te leveren die nodig is voor een veroordeling, zelfs ter zake eenvoudige mishandeling, zodat cl. dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging."

7. Het door het Hof bevestigde vonnis van de Politierechter houdt als weerlegging van een beroep op de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van bedoelde getuigen in:

"Anders dan de verdediging heeft de politierechter geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [betrokkene 1 en 2], nu deze op essentiële onderdelen met elkaar overeenkomen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat er ook in de visie van verdachte een schermutseling heeft plaatsgevonden aan het ziekbed van zijn echtgenote in het ziekenhuis."

8. Verdachtes raadsman geeft een aantal concrete aanwijzingen waarom de voor het bewijs gebezigde verklaringen niet geloofwaardig zijn. Door daar in het geheel niet op in te gaan heeft het Hof de verwerping van het verweer, dat het Hof kennelijk, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk opvat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv, onvoldoende met redenen omkleed.(1) Het mag zo zijn dat de verklaringen van aangever en zijn echtgenote op essentiële onderdelen overeenkomen, daar staat tegenover dat de raadsman met kracht van argumenten betoogt waarom niet geloofwaardig is dat de aangever met zijn echtgenote niet meer over de details van het voorval in het ziekenhuis heeft gesproken, dat er belangrijke verschillen zijn tussen hetgeen de getuige [betrokkene 2] tegenover de politie en tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard, en dat hetgeen deze getuige tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard over de positie van verdachte en aangever ten opzichte van het ziekenhuisbed uitsluiten dat verdachte, zoals aangever heeft verklaard, met zijn gezicht heel dicht bij dat van aangever kwam. Voorts vergt het passeren van het betoog dat het geweld sporen had moeten achterlaten gezien de daaraan ten grondslag gelegde motivering, o.a. een verklaring van een medicus, nadere uitleg. Een en ander klemt temeer nu, zoals verdachtes raadsman heeft aangevoerd, het bewijs louter is gebaseerd op de verklaring van aangever en zijn echtgenote, die beiden in een verstoorde familierelatie tot de verdachte staan.

9. Het middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM3637. In HR 23 maart 2010, LJN BK6929, met kritische noot Y. Buruma achtte de Hoge Raad de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen voldoende met redenen omkleed maar daar had het Hof - anders dan in het onderhavige geval - met zoveel woorden de verschillen tussen de verklaringen onder ogen gezien.