Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BN4348

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
09/03785
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BN4348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03785

Mr. Knigge

Zitting: 6 juli 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 11 september 2009 verdachte wegens "Medeplegen van doodslag" en "Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letstel ten gevolge heeft" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Voor een goed begrip van de zaak vermeld ik, alvorens de middelen te bespreken, de bewezenverklaring en een deel van de bewijsoverwegingen uit het bestreden Promis-arrest.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

hij in de periode van 27 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet die [slachtoffer 1] met knuppels meermalen op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde:

Hij in de periode van 27 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldsbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 2], immers hebben verdachte en/of zijn mededaders die [slachtoffer 2] met knuppels meermalen tegen het lichaam geslagen en die [slachtoffer 2] met een mes in het lichaam gestoken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen."

Ter vermijding van mogelijk misverstand zij opgemerkt dat Sint Maarten (gemeente Harenkarspel) een plaats is in de provincie Noord-Holland. Dat het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit Nederland als pleegplaats vermeldt, heeft te maken met het feit dat niet vaststaat dat de afpersing in haar geheel in Sint Maarten heeft plaatsgevonden.

5. De bewijsoverwegingen van het Hof vangen als volgt aan.(2)

"De vaststaande feiten waarvan het hof uitgaat

Op 28 maart 2006 kreeg de politie opdracht te gaan naar de [a-straat 1] te Sint Maarten, gemeente Harenkarspel. Daar aangekomen zag verbalisant [verbalisant 1] aan de overzijde van de weg een man staan met een bebloed hoofd. De verbalisant zag dat de man slecht liep en dat er een dik stuk touw om zijn nek zat. De man vertelde dat er in het huis nog een vriend was die misschien dood was. Verbalisant trof in het huis een man aan, die geknield met zijn gezicht tegen een kast aanzat. Het huis waarin deze man was aangetroffen was pension "Hier is 't" te Sint Maarten. Door ambulancepersoneel was inmiddels de dood vastgesteld van deze man. De man die met bebloed hoofd op straat was aangetroffen, was inmiddels per ambulance overgebracht naar het Medisch Centrum te Alkmaar. Hij bleek te zijn genaamd [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], Polen.

Het dodelijke slachtoffer bleek te zijn genaamd [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1978 te Polen. Het lichaam werd in beslag genomen. Op 29 maart 2006 heeft de arts en patholoog dr. R. Visser de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer 1]. Bij onderzoek is onder meer een verbrijzeling van de schedel met uitgebreide hersenkneuzing geconstateerd. Er was sprake van een complexe schedelbreuk, alsmede van een breuk van het neusbeen, door inwerking van uitwendig mechanisch, botsend geweld. De letsels gingen gepaard met bloeduitstortingen en waren dus tijdens het leven opgelopen. Het intreden van de dood is zonder meer te verklaren door de schedelverbrijzeling en hersenschade.

De Forensisch geneeskundige P.T. Bet heeft in een geneeskundige verklaring melding gemaakt van de navolgende, door hem bij [slachtoffer 2] geconstateerde letsels:

Inspectie letsels

- bloeduitstortingen voeten/onderbenen;

- door bloederige verbanden bedekte wonden billen;

- streepvormige bloeduitstortingen

- door verband omwikkelde letsels beide handen en polsen;

- wonden lippen + ontbrekende boventanden;

- roodbruine vloeistof in urinekatheter,

Ziekenhuisdossier

- midschacht middelste kootje fractuur;

- toppneumothorax links (linkerlong ingeklapt);

- fractuur neusbot;

- grote barstwonden achterhoofd;

- bloeduitstortingen wangen, ledematen links en rechts.

Orthopaedisch chirurg L.C.M. Keijser heeft schriftelijk verklaard bij [slachtoffer 2] het volgende uitwendig letsel te hebben waargenomen:

- zeer uitgebreide bloeduitstortingen en barstwonden over het gehele lichaam;

- zwelling en standsafwijking rechter wijsvinger;

- scherpe verwonding gelaat;

- zwelling neusrug.

Technisch rechercheur J. van de Hee heeft op 28 maart 2006 in het Medisch Centrum Alkmaar gezien dat [slachtoffer 2] steekwonden in beide billen had. Deze steekwonden werden door hem als volgt omschreven:

"Het letsel op de billen is, gezien de vorm, vrijwel zeker veroorzaakt door een mes en een voorwerp met twee scherpe punten. In de rechterbil bevonden zich 1 steekwond van een mes en twee van een voorwerp met twee scherpe punten. In de linkerbil bevonden zich 3 wonden van een mes en twee van een voorwerp met twee scherpe punten"."

6. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft als ik het goed begrijp alleen op 28 maart 2006 iets willen verklaren over hetgeen zich heeft afgespeeld. Hij heeft in elk geval geen namen kunnen of willen noemen van de personen die de feiten hebben (mede)gepleegd. Wel heeft een naamgenoot van verdachte ("De Engelse [betrokkene 1]") verklaard dat [slachtoffer 2] tegen hem heeft gezegd dat verdachte één van de daders was. Na de weergave van dit en ander bewijsmateriaal, en nadat de conclusie is getrokken dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en verdachte elkaar kenden, overweegt het Hof:

"Wie is de man uit België waarover [slachtoffer 2] spreekt?

De verdachte en [betrokkene 2] zijn op 6 april 2006 in België aangehouden. Engelse [betrokkene 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] tegen hem heeft gezegd dat een van de daders die nu (naar het hof begrijpt: in Nederland) vastzit, in België was aangehouden. Engelse [betrokkene 1] heeft van [slachtoffer 2] bevestigd gekregen dat zijn naamgenoot [verdachte] ermee te maken heeft gehad. Engelse [betrokkene 1] heeft ook verklaard dat de vrouw van de man uit België erbij was toen [slachtoffer 1] hem beledigde. [Betrokkene 3] is de vriendin van [verdachte] en ze hebben samen een zoon, [...]. Uit het voormelde afgeluisterde gesprek tussen [slachtoffer 2] en Engelse [betrokkene 1] en de verklaring daaromtrent van Engelse [betrokkene 1] blijkt naar het oordeel van het hof dat [slachtoffer 2] van mening was dat [betrokkene 3] een voor de man uit België belastende verklaring had afgelegd. [Betrokkene 3] heeft verklaard dat verdachte in de nacht van 27 op 28 maart 2006 in het pension aan de [a-straat 1] te Sint Maarten is geweest. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat [slachtoffer 2] met de man uit België de verdachte [verdachte] heeft bedoeld.

Betrokkenheid van verdachte bii het jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld

Deze betrokkenheid leidt het hof af uit het volgende:

- de verklaring van Engelse [betrokkene 1] dat de man uit België naar het huis van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is gegaan en dat zij samen (de man uit België en [slachtoffer 2]) naar een houten huisje zijn gegaan, waar [slachtoffer 2] werd mishandeld, vastgebonden en vervolgens weer naar huis werd gebracht;

- de verklaring van Engelse [betrokkene 1] dat [slachtoffer 2] hem vertelde dat de daders Poolse mensen waren die [slachtoffer 2] kende;

- de verklaring van [betrokkene 3] dat [verdachte] in de nacht van 27 op 28 maart 2006 naar het pension aan de [a-straat 1] te Sint Maarten is geweest;

- de verklaring van Engelse [betrokkene 1] dat [slachtoffer 2] hem had verteld dat zijn naamgenoot degene was die erbij betrokken was;

- de verklaring van Engelse [betrokkene 1] dat de man uit België instructies gaf aan de mannen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], mishandelden;

- het aantreffen van een DNA-mengprofiel dat overeenkomt met het DNA van de verdachte en dat van [slachtoffer 2] in de door verdachte en zijn vriendin [betrokkene 3] op 27 en 28 maart 2006 gehuurde Suzuki Alto;

- de overeenkomst in maatvoering, profiel en onregelmatigheid tussen een op de plaats van het delict aangetroffen in bloed gezette schoenzoolafdruk en een proefafdruk van een schoenzool van verdachte van een van de schoenen die verdachte in België droeg toen hij werd aangehouden;

- de bevestiging van [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep bij het zien van de foto's, genummerd 7a en 7b, die als bijlage aan het proces-verbaal van de terechtzitting zijn gehecht, dat die schoenen van verdachte waren en door hem al in de periode vóór 27 maart 2006 werden gedragen;

- de verklaring van [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep dat zij er niet van op de hoogte was dat [verdachte] om enige medische reden bepaald schoeisel moest dragen;

- ook overigens is het standpunt van de verdachte dat hij "om medische redenen heeft gevraagd om op doktersvoorschrift zijn persoonlijke schoenen op cel te mogen dragen" niet aannemelijk geworden, omdat dit kennelijk niet langer opging toen de schoenen met een vettige substantie waren besmeurd- en hij de schoenen kennelijk opeens niet meer nodig had. Hieruit kan naar het oordeel van het hof niet anders dan worden afgeleid dat verdachte bevreesd was dat nader onderzoek aan zijn schoenen belastend voor hem zou kunnen zijn.

- het op 28 maart 2006 aantreffen in een groenstrook nabij de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan de [a-straat 1] te Sint Maarten van een Marlboro-peuk met DNA-materiaal van de verdachte;

- de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] over het double shadow mes dat verdachte twee dagen vóór 28 maart 2006 heeft meegenomen;

- de conclusie dat met een vergelijkbaar mes de verwondingen in de billen van [slachtoffer 2] verklaard kunnen worden."

7. In aansluiting daarop bespreekt het Hof het standpunt van de verdediging dat het bewijsmateriaal de mogelijkheid van alternatieve scenario's openlaat. De desbetreffende overweging van het Hof luidt:

"Standpunt van de verdediging (alternatieve scenario's)

Het hof volgt dit standpunt niet. De mogelijkheid dat het aangetroffen DNA-mengprofiel van DNA van de verdachte en van [slachtoffer 2] op andere wijze kan worden verklaard dan door betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde is niet aannemelijk geworden.

De verdediging heeft - afgezien van het opperen van de mogelijkheid dat de verdachte na de aanslag in Sint Maarten daar is geweest en op enige manier contact heeft gehad met [slachtoffer 2] - geen feiten of omstandigheden gesteld, die aanleiding zouden kunnen geven om van de juistheid hiervan uit te gaan. [Verdachte] zelf weigert hierover helderheid te verschaffen. Ten slotte zijn ook voor het overige noch uit de stukken van het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting aanwijzingen te putten die aanleiding geven ervan uit te gaan dat [verdachte] pas vlak na die gebeurtenissen het pension aan de [a-straat 1] te Sint Maarten heeft betreden. De omstandigheid dat er ook andere celsporen dan die van [slachtoffer 2] en de verdachte in de Suzuki Alto zijn aangetroffen, sluit niet uit dat de verdachte en [slachtoffer 2] in die Suzuki Alto hebben gezeten, terwijl bovendien niet aannemelijk is geworden dat een ander of anderen dan verdachte in de nacht van 27 op 28 maart 2006 over de Suzuki Alto kon beschikken, die immers toentertijd in het bezit was van de verdachte. Uit het dossier valt geen enkele concrete aanwijzing te putten dat [betrokkene 2] op enige wijze is betrokken bij de gebeurtenissen in Sint Maarten. Voorts is het hof van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 4] betrouwbaar is. [Betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben beiden de verdachte herkend van een aan hen getoonde foto. De verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] zijn niet met elkaar in strijd met betrekking tot de periode waarin [betrokkene 5] het double shadow mes aan [betrokkene 4] heeft gegeven."

8. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van afgeluisterde telefoongesprekken tussen [slachtoffer 2] en de Engelse [betrokkene 1].

9. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities onder meer aangevoerd:

" - Het afluisteren van gedetineerdenbezoek van [slachtoffer 2] (OVC's)

Ook de gesprekken tussen [slachtoffer 2] en [verdachte] die zijn afgeluisterd in het huis van bewaring Demersluis, stuiten op bezwaren. Allereerst is de weergave van de gesprekken zeer fragmentarisch. Het is kennelijk niet gelukt om een volledige w eergave te produceren, zodat we voor wat betreft de waarheidsvinding niet verder zullen komen dan het interpreteren van fragmenten.

Voor zover de fragmenten zullen worden gebruikt, is met name opmerkelijk dat [slachtoffer 2] in zijn gesprek zou hebben gesproken over een echtpaar, maar verder in het gesprek zegt hij "zij is een Nederlandse". [Betrokkene 1] Engeland zegt hierop over degene die vastzit "die kut laat hem 50 jaar vastzitten". Vervolgens [slachtoffer 2] "die tweede lul, nu vertelt hij shitverhalen". Nog steeds is het niet duidelijk over wie hij het heeft en als hij het al over een bepaald iemand heeft, of hij zijn wetenschap uit het dossier heeft of niet. Op de vraag van [betrokkene 1] Engeland "met wie gingen ze terug?" antwoordt hij: "met die zwarte".

Voor zover al iets uit deze gesprekken kan worden afgeleid, zou dat kunnen zijn dat met "die zwarte" eventueel [betrokkene 2] wordt bedoeld en dat de Nederlandse vrouw [betrokkene 6] is. Laatstgenoemde is namelijk de enige vrouw in de verdachtengroep die, ondanks haar buitenlandse komaf, als Nederlandse vrouw kan worden beschouwd. Zij spreekt Nederlands en in het Oscar-dossier belast zij haar partner [betrokkene 7]. Client daarentegen is door zijn toenmalige partner [betrokkene 3] in het Oscar-dossier hoogstens belast voor zijn aanwezigheid bij pogingen of voorbereidingshandelingen van inbraken. Niet voor feiten waarvoor iemand vijftig jaar zou kunnen krijgen. Uit het Oscar-dossier blijkt dat, zeker voor wat betreft de Breezand-zaak, er een duidelijk verband bestaat tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 7].

De gesprekken zijn te fragmentarisch en dun om een andere dader aan te wijzen, maar om er mijn cliënt in te lezen, gaat echt een paar stappen te ver. Vanuit [slachtoffer 2], de belangrijkste mogelijke bron van bewijs, is dus geen (laat staan overtuigend) bewijsmateriaal gekomen dat cliënt betrokken is geweest bij wat er in Sint Maarten is gebeurd.

Zelfs met het meest creatieve knip- en plakwerk van de afgeluisterde gesprekken, kan daaruit niet worden afgeleid dat [slachtoffer 2] uit eigen wetenschap wist wie de daders waren, behalve dan dat er aanwijzingen zijn dat het om mensen ging, verbonden aan "die zwarte" oftewel [betrokkene 2]. Uit de OVC van [slachtoffer 2]/[betrokkene 1] Engeland van 6 februari 2007 zegt [slachtoffer 2] tegen [verdachte]: "Maar ik ben te weten gekomen wie dat was, kut, wat voor schoft dat zijn, kut". Waarop [betrokkene 1] Engeland antwoordt; "Maar ze moeten gespeeld hebben, dat je niets hebt aangevoeld". Ook hier weer een sterke aanwijzing dat [slachtoffer 2] dan wel uit gegevens van de politie, dan wel uit andere informatie heeft geconcludeerd dat degene over wie hij later spreekt en die door het Openbaar Ministerie als een omschrijving van cliënt wordt beschouwd, de dader is. Uit eigen wetenschap draagt hij deze kennis niet.'"

10. De steller van het middel neemt als uitgangspunt dat dit betoog moet worden aangemerkt als een betrouwbaarheidsverweer. Echter, de verdediging heeft met het verweer niet zozeer de betrouwbaarheid van de afgeluisterde gesprekken in twijfel getrokken, als wel aangevoerd dat de informatie uit die gesprekken te fragmentarisch is om daaraan de conclusie te kunnen verbinden dat verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde gewelddadigheden. Dat zou wellicht een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hebben opgeleverd, als het Hof verdachtes betrokkenheid bij de bewezenverklaarde feiten (alleen) uit de tapgesprekken heeft afgeleid.

11. Dat echter is niet het geval. Onder het kopje "Betrokkenheid van verdachte bij het jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld" somt het Hof de bewijsmiddelen op waaruit het afleidt dat verdachte bij de feiten betrokken was. De tapgesprekken zijn daar niet bij. Die tapgesprekken spelen weliswaar een rol in de bewijsvoering, maar om een zelfstandige rol gaat het daarbij niet. Het Hof overweegt dat de verklaring van de Engelse [betrokkene 1] "wordt ondersteund" door de door het Hof weergegeven tapgesprekken. Daarbij komt dat het Hof zich bepaald niet alleen heeft gebaseerd op de (door de tapgesprekekn ondersteunde) verklaring van de Engelse [betrokkene 1]. Het Hof heeft dus niet geoordeeld dat uit de afgeluisterde gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte als dader bij de feiten betrokken was en heeft dus in zoverre niet beslist in strijd met het gevoerde verweer.

12. Ook overigens mist het middel feitelijke grondslag. Aan de op basis van de tapgesprekken geopperde mogelijkheid dat [slachtoffer 2] en de Engelse [betrokkene 1] het hadden over [betrokkene 2] en diens vrouw [betrokkene 6], gaat het Hof niet stilzwijgend voorbij. Het Hof gaat daarop in onder het kopje "Wie is de man uit België waarover [slachtoffer 2] spreekt?" en onder het kopje "Standpunt van de verdediging (alternatieve scenario's) met de overweging dat uit het dossier "geen enkele concrete aanwijzing" te putten valt voor de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de gebeurtenissen in Sint Maarten.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat het Hof verdachte op basis van tegenstrijdige bewijsmiddelen en/of op ontoereikende gronden heeft aangemerkt als "de man uit België" waarover getuige [slachtoffer 2] spreekt. Het middel bestaat uit twee subklachten.

15. Ten eerste zou de bewijsconstructie innerlijk tegenstrijdig zijn, doordat het Hof redengevend heeft geacht enerzijds dat [slachtoffer 1] al door anderen was doodgeslagen toen verdachte en zijn mededaders met [slachtoffer 2] bij diens woning terugkeerden en anderzijds dat, terwijl [slachtoffer 1] werd geslagen, bloed van hem op verdachte is terechtgekomen. Volgens de steller van het middel zou dit impliceren dat verdachte tegelijkertijd én in de woning van [slachtoffer 2] én in de woning van [slachtoffer 1] is geweest. Aangezien uit de bewijsoverwegingen blijkt dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een woning deelden, in een pension op het adres [a-straat 1] te Sint Maarten, en er dus van twee afzonderlijke woningen geen sprake is, versta ik de klacht aldus dat de bewijsconstructie innerlijk tegenstrijdig zou zijn, omdat die impliceert dat verdachte pas na de dood van [slachtoffer 1] met onder anderen [slachtoffer 2] bij die woning is teruggekomen, terwijl dat niet te rijmen is met het gegven dat verdachte erbij was toen [slachtoffer 1] werd geslagen.

16. In de toelichting op het middel wordt geciteerd wat het Hof, op pagina 8 van het bestreden arrest, vanaf de vijfde regel van boven, zou hebben overwogen met betrekking tot de verklaring van 'Engelse [betrokkene 1]'. Het citaat eindigt met de zin: "Toen ze hem terugbrachten was [slachtoffer 1] al door anderen doodgeslagen" [mijn cursivering, Kn]. In het bestreden arrest luidt de desbetreffende zin echter: "Toen ze hem terugbrachten was [slachtoffer 1] al door anderen geslagen. (bladzijde 350)"(3).

17. In de toelichting op het middel wordt dus onjuist geciteerd uit het bestreden arrest. Derhalve mist de klacht feitelijke grondslag.

18. Het middel bevat voorts de klacht dat 's Hofs oordeel dat [slachtoffer 2] met "de man uit België" verdachte heeft bedoeld onvoldoende is gemotiveerd. In de eerste plaats zou het Hof hebben moeten vaststellen welke specifieke belediging [slachtoffer 1] tegen de man uit België heeft geuit en of hij dit uitsluitend in de nacht van 27 op 28 maart 2006 kan hebben gedaan. Ik vermag niet in te zien waarom het Hof dat zou hebben moeten doen. De steller van het middel maakt dat ook niet duidelijk.

19. In de tweede plaats zou de verklaring van [betrokkene 3] dat verdachte in de bewuste nacht na de fatale gebeurtenissen in het pension in Sint Maarten is geweest, niet belastend zijn voor verdachte. Inderdaad bezigt het Hof het woordje "na" in de weergave van [betrokkene 3]s verklaring op p. 7 van het arrest. In aanmerking genomen dat het feit dat de verdachte na de fatale afloop in het pension aanwezig was bepaald niet uitsluit dat hij tijdens de fatale gebeurtenissen eveneens aanwezig was, is het oordeel van het Hof dat de bedoelde verklaring in de ogen van [slachtoffer 2] en de Engelse [betrokkene 1] voor verdachte belastend was bepaald niet onbegrijpelijk.

20. Het middel faalt in beide onderdelen.

21. Het derde middel behelst de klacht dat er onvoldoende bewijs is voor het ten aanzien van feit 2 bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel.

22. Uit de onder punt 5 weergegeven bewijsoverweging blijkt dat de acht steekwonden in zijn billen bepaald niet het enige letsel is dat [slachtoffer 2] is toegebracht. Als gevolg van het geweld heeft hij tevens een ingeklapte linkerlong, een neusbotfractuur en grote barstwonden op zijn achterhoofd opgelopen. Voorts zijn bij hem onder meer zeer uitgebreide bloeduitstortingen over het gehele lichaam geconstateerd en heeft hij boventanden verloren. In het licht van dit 'resultaat' en gelet op het feit dat de verdediging dienaangaande geen verweer heeft gevoerd in feitelijke instantie, heeft het Hof zonder nadere motivering kunnen oordelen dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Mijns inziens doet hier in de onderhavige zaak niet aan af dat de bewijsconstructie niets inhoudt omtrent de nodige medische behandeling en het uitzicht op herstel.(4)

23. Alle middelen falen en kunnen door de Hoge Raad worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De zaak hangt samen met de zaken 09/03997 en 09/04836, waarin ik heden ook concludeer.

2 De voetnoten, waarin het Hof verwijst naar de bewijsmiddelen waaraan het de vermelde feiten en omstandigheden heeft ontleend, laat ik omwille van de leesbaarheid achterwege.

3 P. 350 betreft het Proces-verbaal van verhoor getuige [Kn: 'Engelse'] [betrokkene 1] d.d. 21 februari 2007, nr. 06-012240. Uit dit proces-verbaal, dat zich bevindt bij de stukken van het geding die de Hoge Raad zijn toegezonden, blijkt dat de getuige heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hem heeft verteld dat toen ze hem terugbrachten, [slachtoffer 1] al was "geslagen".

4 Anders dan in HR 10 juli 2001, LJN ZD2893, NJ 2001, 620, waar het middel naar verwijst.