Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BN2377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
09/04860 Hs
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5568
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BN2377
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef. Aanvrage gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/166
NJB 2011, 309
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04860 Hs

Mr. Fokkens

Zitting 29 juni 2010

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 21 mei 2002(1) wegens 2. "afpersing" en 4. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager ter zake van feit 4 indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef.

4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch van 1 februari 2008, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt en dat de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak sprake is van een door deze dienst uitgevoerde geuridentificatieproef en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.

5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(2) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.

6. Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde bewezen verklaard dat:

"hij op 18 juli 2001 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 650,--, toebehorende aan [benadeelde partij], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], werkzaam bij het Texaco tankstation aan de [a-straat], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- een muts over diens hoofd en/of gezicht heeft getrokken en aldus zijn gelaat heeft verhuld en vervolgens tegen [slachtoffer] heeft geroepen en/of gezegd: "Open de kassa". althans woorden met een dergelijke aarde en/of strekking;

- zich met zijn lichaam (half) over de toonbank waarachter die [slachtoffer] zich bevond heeft gehesen/gebogen in de richting van de kassa en daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend en/of voor afdreiging geschikt voorwerp, heeft getoond, althans zichtbaar voorhanden heeft gehad en

- daarbij heeft geroepen: "Ik wil meer geld", althans woorden met een dergelijke strekking."

7. De bewijsmiddelen houden het volgende in:

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

2.1. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-056375 van 18 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 39 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op voormelde datum afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik ben werkzaam bij het tankstation Texaco aan de [a-straat] te Utrecht. Het tankstation is eigendom van [benadeelde partij]. Ik ben namens hem bevoegd tot het doen van aangifte. Op 18 juli 2001 ben ik begonnen met mijn werkzaamheden. Plotseling stond er een man voor de balie van de kassa. Ik schrok heel erg. Ik zag dat deze persoon een bivakmuts op had. Ik zag geen stukje van zijn hoofd. Deze persoon riep: "Open de kassa." Deze persoon hees zichzelf op de balie. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen vasthield. Ik was echt bang. Ik zag dat hij met zijn linker hand in de kassalade begon te graaien. Hij pakte al het papiergeld uit de kassalade. Ik hoorde dat hij tegen mij riep: "Ik wil meer geld."

Er moet ongeveer een bedrag van 600 à 650 gulden zijn weggenomen. Er is aan niemand toestemming gegeven geld weg te nemen. Het geld is eigendom van [benadeelde partij].

2.2. Een proces-verbaal met nummer PL0913/01-591773 van 24 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie regio Utrecht, divisie recherche (dossierpagina 44 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Naar aanleiding van een overval op 18 juli 2001 op het Texaco tankstation aan de [a-straat] te Utrecht werd door mij ter plaatse een onderzoek ingesteld.

Sporenonderzoek.

In het winkelgebouw lag een fietsstuur links naast de schuifdeur op de grond. Blijkens mij verstrekte informatie was dit stuur daar door de overvaller neergelegd met het kennelijke doel te beletten dat de schuifdeur gesloten werd. Het stuur werd aan beide handvaten door mij voorzien van geurdoeken. Deze werden weggenomen en veiliggesteld.

2.3. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-594704 van 31 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. respectievelijk hoofdagent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord en brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 68 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op voormelde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

U vraagt mij of ik mee wil werken aan een sorteerproef. Ik moet enige tijd metalen buisjes in mijn handen houden en daarna wordt er met een hond een sorteerproef gedaan. Ik zal mijn medewerking verlenen.

2.4. Een proces-verbaal met nummer 13.08.01.11.00.SIMBRU van 13 augustus 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hondengeleider, tevens brigadier van politie regio Amsterdam-Amstelland (dossierpagina 9 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 B van de politie regio Utrecht, district Marco Polo). inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Op 13 augustus 2001 werd door mij een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Iggy. [verbalisant 6] brigadier van politie, was als gecertificeerd helper bij de proef betrokken.

Op 9 augustus 2001 werd door mij de geuridentificatieproef voorbereid in politiebureau Marco Polo Utrecht, waarbij ik de verdachte, de controlepersoon en 5 figuranten ieder twee geurdragers liet vasthouden. Nadat zij de geurdragers gedurende 5 minuten in handen hadden gehouden, kon worden aangenomen dat hieraan voldoende menselijke lucht kleefde. De geuren werden Iggy aangeboden. Nadat ik Iggy geur gaf van het corpus delicti (geurmonsters linker en rechter handvat fietsstuur) liet ik Iggy zoeken. Ik zag dat Iggy een geurdrager wilde apporteren. De helper gaf mij een teken dat Iggy de geurdrager van de verdachte had gekozen.

Mij bleek dat Iggy geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (geurmonsters linker en rechter handvat fietsstuur) en de geurdragers welke waren vastgehouden door verdachte [verdachte].

2.5. Het hof heeft op de prints van de band uit de bewakingsvideo met de nummers 10 tot en met 19, die horen bij het onder 2.2 genoemde proces-verbaal, en die kennelijk het verloop van de overval laten zien, waargenomen dat de man die blijkens deze prints de handelingen verricht overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer], zoals hiervoor weergegeven in bewijsmiddel 2.1, bij binnenkomst een los fietsstuur in zijn hand heeft en dat op de drempel van de openstaande schuifdeur neerlegt (print met nummer 10. bladzijde 54 van het genoemde proces-verbaal) en daar laat liggen als hij de winkel binnengaat (print met nummer 11).

8. Samengevat komt de hierboven onder 7 weergegeven bewijsconstructie van het Hof op het volgende neer. Het bewezenverklaarde feit betreft een diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken in een Texaco tankstation aan de [a-straat] te Utrecht. Aanvrager is met bivakmuts over het hoofd getrokken en bewapend met een vuurwapen het tankstation binnen gelopen. Door het stuur van een fiets tussen de automatische schuifdeuren te plaatsen heeft hij kennelijk willen verhinderen dat de deuren zich zouden sluiten. Toen aanvrager voor de balie stond heeft hij geroepen: "Open de kassa." Vervolgens heeft aanvrager het papiergeld uit de kassa gepakt, waarop hij heeft gezegd dat hij nog meer geld wilde. Toen de aangeefster zei dat ze dit niet had is aanvrager de shop uitgelopen. Het fietsstuur is later door verbalisant ter plaatse voorzien van geurdoeken die zijn veiliggesteld ten behoeve van een geuridentificatieproef. Deze geurproef had een positieve uitkomst ten opzichte van de aanvrager.

9. Behoudens de als bewijsmiddel 2.4 gebezigde positieve geuridentificatieproef houden de bewijsmiddelen voor wat betreft feit 4 niets in, waaruit kan volgen dat de aanvrager daadwerkelijk bij de diefstal met geweld betrokken is geweest. Ook het dossier en de nadere bewijsoverweging bevatten geen bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager daadwerkelijk betrokken is geweest bij het onder 4 tenlastegelegde. Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is dat het Hof zonder de uitkomst van de positieve geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 4 zou zijn gekomen.

Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Hof, ware het op de hoogte geweest van de omstandigheden dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze was uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).

10. Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage gegrond is. Dat betekent, gelet op art. 476, tweede lid, Sv, dat, mocht het Hof met vernietiging van het arrest van het Hof tot een vrijspraak komen van hetgeen onder 4 is tenlastegelegd, het voor het overige feit de daarvoor in aanmerking komende straf zal hebben te bepalen.

11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Hof zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor het onder 2 tenlastegelegde feit op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Tegen 's Hofs arrest is beroep in cassatie ingesteld door de aanvrager, welk beroep op 13 december 2002 is ingetrokken.

2 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591.