Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BO5364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
09/00942 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO5364
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn medeverdachte door geen toezicht te houden op de naleving van de door het Hof omschreven afspraak, anders zou handelen dan was afgesproken, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de bewezenverklaarde gedraging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1466
NJ 2010/656
NJB 2011, 52
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/00942 E

Mr. Aben

Zitting 31 augustus 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 2 juli 2008 de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4, telkens primair tenlastegelegde medeplegen van opzettelijke overtredingen van een voorschrift gesteld bij de Wet milieubeheer, telkens meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 17.500,=, waarvan € 7.500 voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

2. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens de verdachte cassatie ingesteld, en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bedrijfsafvalstoffen onder meer hebben bestaan uit papier, zoals onder 1 tot en met 3 is bewezenverklaard.

4. De bewezenverklaringen onder 1 tot en met 3 geven een opsomming van een reeks van materialen waaruit het opgeslagen, ingezamelde, respectievelijk vervoerde bedrijfsafval was samengesteld. Van die reeks maakt papier telkens deel uit. In de bewijsmiddelen waarmee het hof deze bewezenverklaringen heeft gestaafd wordt (inderdaad) geen melding gemaakt van papier. De getuige [getuige 1], wiens verklaring als bewijsmiddel 8 is gebezigd voor het onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde, maakt evenwel gewag van het karton dat hij als bedrijfsafval heeft gestort in de van [A] gehuurde container. Karton is - naar algemeen spraakgebruik(1) - dik, uit enige lagen bestaand papier. Het middel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5. Het tweede middel heeft uitsluitend betrekking op het onder 4 bewezenverklaarde. Het valt uiteen in twee klachten.

6.1. Onder 4 heeft het hof bewezenverklaard dat:

"hij, in de periode van 23 februari 2006 tot en met 10 mei 2006 te [plaats], op een of meer percelen aan/nabij de [a-straat] en/of de [b-straat] (kadastraal bekend onder [A001] en/of [A002]), tezamen en in vereniging met een ander meermalen, opzettelijk, zich van afvalstoffen, te weten grond vermengd met kunststof, blik, steen, plastic zakken, hout, papier, puin, spoorbielzen en/of glas, heeft ontdaan door deze (telkens) - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten."

6.2. De bewezenverklaring betreft een tweetal buurpercelen te [plaats], kadastraal bekend onder de nummers [A001] en [A002], gelegen aan de [a-straat] en (nabij) het [b-straat] aldaar. Het eerstbedoelde perceel is onverpacht grasland dat (naar ik begrijp) namens het Rijk in beheer is bij Rijkswaterstaat. Het tweede perceel betreft een lap grond in eigendom van de getuige [betrokkene 2], en verhuurd aan medeverdachte [betrokkene 1]. Op welgeteld acht tijdstippen binnen de bewezenverklaarde periode is geconstateerd dat op de genoemde percelen vervuilde grond of puin is gestort. [Betrokkene 1] erkent dat er zonder toestemming stortingen van puin en grond hebben plaatsgehad op het door hem van [betrokkene 2] gehuurde perceel.

6.3. Het hof heeft omtrent het bewijs van het onder 4 tenlastegelegde nader overwogen:

"Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde overweegt het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn medeverdachte door geen toezicht te houden op de naleving van de afspraak dat de grond eerst op zijn bedrijf ter controle zou worden aangeboden anders zou handelen dan was afgesproken. Ten aanzien van dit feit concludeert het hof derhalve dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het buiten een inrichting storten van afvalstoffen."

6.4. De eerste klacht wijst op de gebrekkige motivering van de bewezenverklaring, waarvan met name verdachtes voorwaardelijk opzet gericht op (het medeplegen van) het zich ontdoen van afvalstoffen.

De steller van het middel heeft m.i. een punt als wat betreft de bewijsmotivering louter 's hofs hiervoor aangehaalde bewijsoverweging in ogenschouw wordt genomen. Deze voor meerderlei uitleg vatbare overweging kan de bewezenverklaring niet dragen. Medeplegen van dit opzetdelict komt überhaupt niet in beeld zonder de vaststellingen dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden rechtens gehouden was dit toezicht uit te oefenen en dat hij zich ervan bewust was dat het nalaten daarvan de aanmerkelijke kans op deze verboden stortingen in het leven riep.

6.5. Ofschoon het middel in zoverre terecht is voorgesteld behoeft het niet tot cassatie te leiden. Verdachtes (functioneel) daderschap en opzet kunnen m.i. worden afgeleid uit de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 20) en verdachtes eigen verklaring (bewijsmiddel 21). [Betrokkene 1] heeft namelijk verklaard:

"De grond kwam bij [B] als afval binnen. [Verdachte] heeft met zijn wagens de grond zelf naar mijn perceel laten brengen."(2)

De verdachte heeft verklaard:

"U vraagt mij of er vanuit het bedrijf [A] of het bedrijf [B] bedrijfsafval is gestort op een perceel aan de [b-straat]/[a-straat] te [plaats] wat [betrokkene 1] huurt. Ik kan u verklaren dat uit naam van [B] 10 à 15 stortingen op dit perceel hebben plaatsgevonden. Dit was in de periode van februari 2006 tot mei 2006. Dit waren stortingen van 6 tot 10 kuub per keer. De stortingen bestonden uit bedrijfsafval zijnde grond. U vraagt mij of ik op de hoogte ben van feit dat er ook bedrijfsafval is gestort op een perceel van Rijkswaterstaat. Ik ben hiervan niet op de hoogte en heb geen toestemming gevraagd. U vertelt mij dat [betrokkene 1] het perceel huurt. U vraagt mij of aan de eigenaar van dit perceel toestemming is gevraagd tot het storten van bedrijfsafval op dit perceel. Ik kan u verklaren dat dit door mij niet is gebeurd. U confronteert mij met foto's gemaakt op het perceel dat in gebruik is bij [betrokkene 1]. Ik zie een foto met grond waar bielzen uitsteken."

In onderlinge samenhang bezien leid ik uit een en ander af dat verdachtes verklaring geen betrekking heeft op enige na het delict opgedane kennis van de stortingen. Indien ik dat goed zie, duidt zijn verklaring m.i. op "daderwetenschap". Kortom, wat er ook zij van 's hofs nadere bewijsoverweging, de bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd.

6.6. Voorts formuleert het middel een gegronde, tweede klacht over de motivering van de bewezenverklaring. Dat de afvalstoffen onder meer hebben bestaan uit papier en glas volgt inderdaad niet uit de bewijsmiddelen. Een door mij voorgestane verbeterde lezing van de bewezenverklaring tast de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan(3) en doet aan het middel in zoverre de feitelijke grondslag ontvallen.

7. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

8. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad deze zaak niet meer zal kunnen afdoen binnen een termijn van twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, wat moet leiden tot strafvermindering. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

9. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Waarvoor ik verwijs naar Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 14e editie.

2 Uit de verklaringen van de verdachte zoals opgenomen in de bewijsmiddelen op de bladzijden 1 en 2 van de aanvulling op het verkorte arrest, alsmede uit het relaas dat als bewijsmiddel 5 is genummerd op bladzijde 2 van de aanvulling kan worden afgeleid dat "[B]" een mede door de verdachte geleide onderneming betreft. "[Verdachte]" is naar ik begrijp de verdachte.

3 Vgl. HR 6 mei 2003, LJN AF5449; HR 7 oktober 2003, LJN AI1654; HR 20 februari 2007, LJN AZ4763; HR 4 maart 2008, LJN BC3667, rov. 4.3; HR 17 april 2007, LJN AZ0220, NJ 2007, 248, rov. 4.3.2 en een serie van andere uitspraken die zijn te vinden met de zoektermen "verbeterde lezing bewezenverklaring".