Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BO2918

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
10/02405
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO2918
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling. Afwijzing op de in art. 288 lid 2, onder d, F. neergelegde grond. Beroep op bijzondere omstandigheden. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1331
JWB 2010/464
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 10/02405

mr. Wuisman

Parketdatum: 3 september 2010

CONCLUSIE inzake:

[Verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

1. Inleiding

1.1 In de voorliggende zaak wordt opgekomen tegen het arrest van 3 juni 2010 van het gerechtshof Leeuwarden, waarin bekrachtigd wordt de afwijzing van het verzoek van verzoekster tot cassatie om toelating tot de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Leeuwarden bij vonnis d.d. 18 februari 2010. In beide instanties wordt geoordeeld dat het verzoek niet kan worden gehonoreerd vanwege het bepaalde in artikel 288 lid 2, sub d Fw. Ten aanzien van verzoekster tot cassatie is nl. in de periode van 18 maart 2003 tot 4 april 2006 de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds van toepassing geweest en die schuldsaneringsregeling is geëindigd met verlening van 'een schone lei'. Ingevolge artikel 288 lid 2, sub d Fw dient een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te worden afgewezen, indien binnen tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend al een dergelijk verzoek is toegewezen en de schuldsaneringsregeling is geëindigd (anders dan om een van de in artikel 288 lid 2, sub d Fw vermelde redenen). Verzoekster tot cassatie stelt zich op het standpunt dat zij onder zodanig bijzondere, haar niet aan te rekenen omstandigheden weer in de toestand van het niet kunnen voldoen van haar schulden is geraakt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid artikel 288 lid 2, sub d Fw ten aanzien van haar geen toepassing behoort te vinden. Die omstandigheden komen, kort samengevat en in hoofdzaak, op het volgende neer:

- verzoekster is in juli 2008 in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1], op wie nog enige schulden uit een vorig huwelijk rusten;

- [betrokkene 1] heeft in de loop van 2008 zijn baan als logistiek medewerker bij een ziekenhuis verloren; daardoor kan hij niet langer de op hem rustende schulden voldoen;

- op zijn verzoek is [betrokkene 1] wel toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling;

- doordat verzoekster met [betrokkene 1] een economische eenheid vormt, staat zij in financieel opzicht ook voor langere tijd onder curatele maar gelden voor haar niet de voordelen die aan een wettelijke schuldsaneringsregeling zijn verbonden; zo zullen vanwege de tussen haar en [betrokkene 1] bestaande algehele gemeenschap van goederen de schuldeisers op haar ten volle verhaal kunnen blijven zoeken voor de schulden.

1.2 Het hof is van oordeel dat ook bij de omstandigheden, waarop verzoekster tot cassatie zich beroept, er geen ruimte is om van het in artikel 288 lid 2, sub d, Fw bepaalde af te wijken. In met name de rov. 6 en 7 van zijn arrest onderbouwt het hof dit oordeel.

1.3 Verzoekster tot cassatie is met een op 10 juni 2010 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Het cassatieberoep is daarmee tijdig ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 De aangevoerde klacht komt hierop neer dat het hof ten onrechte in de bijzondere omstandigheden, waarop verzoekster zich heeft beroepen, geen aanleiding heeft gevonden om een uitzondering op het in artikel 288 lid 2, sub d Fw bepaalde te maken.

2.2 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juni 2009, LJN: BH7357, NJ 2009, 269 voor een geval, waarin sprake is van het te goeder trouw opnieuw ontstaan zijn van schulden binnen tien jaren na het geëindigd zijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat er geen ruimte is voor het toelaten van een uitzondering op artikel 288 lid 2, sub d. In rov. 3.3.1 overweegt de Hoge Raad daartoe onder meer: "Met ingang van 1 januari 2008 is in werking getreden de Wet van 24 mei 2007 houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Stb 192. Bij die wijziging heeft de wetgever bewust - ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2, onder a, Fw - gekozen voor de imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2, aanhef en onder d, Fw, zulks met drie in deze bepaling genoemde uitzonderingen, die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Anders dan de klacht betoogt, moet worden aangenomen dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de imperatieve afwijzingsgrond ook zou gelden voor gevallen als het onderhavige waarin de schuldenaar die binnen de tienjaarstermijn opnieuw verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling, te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de nieuwe schulden. Daarom is er geen ruimte voor aanvaarding van de door het middel bepleite uitzondering, die het imperatieve karakter van de afwijzingsgrond weer zou ontnemen en daarmee afbreuk zou doen aan een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regeling, te weten beheersing - door het stellen van strenge toelatingscondities - van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en de daarmee gepaard gaande werklast voor rechter en bewindvoerder (vgl. de MvT, Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 4 en 5)." Deze overweging doet, naar het voorkomt, ook opgeld voor het onderhavige geval.

2.3 In het verzoekschrift wordt nog verwezen naar diverse, in de vorige instanties niet aan de orde gestelde EVRM- en EU/EG-bepalingen. Dat beroep kan verzoekster tot cassatie niet baten. Lang niet alle bepalingen hebben werking tegenover een burger. Voor zover zij die werking in het algemeen gesproken wel hebben, ontbreekt de feitelijke grondslag die nodig is om te beoordelen of dan wel welke werking die bepalingen in het onderhavige geval hebben. Daardoor valt niet te beoordelen waarom die bepalingen aan een onverkort toepassen ten aanzien van verzoekster tot cassatie van artikel 288 lid 2, onder d, Fw in de weg zouden staan.

3. Conclusie

Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden