Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BO2018

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
09/01361
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO2018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Uitleg van verzekeringsvoorwaarden inzake premiebetaling; vraag of een tekortkoming van de verzekeraar bij de inning van de premies de buitengerechtelijke ontbinding van de verzekeringsovereenkomsten door de verzekeringnemer rechtvaardigt. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1291
JWB 2010/452
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01361

Mr L. Strikwerda

Zt. 10 sept. 2010

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Movir N.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak, waarin een verzekeraar de verzekeringnemer aanspreekt tot betaling van achterstallige verzekeringspremies, om een vraag van uitleg van de verzekeringsvoorwaarden inzake de premiebetaling. Voorts is de vraag aan de orde of een tekortkoming van de verzekeraar bij de inning van de premies de buitengerechtelijke ontbinding van de verzekeringsovereenkomsten door de verzekeringnemer rechtvaardigt.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 2.1 sub a t/m f en sub h t/m m van het (eind)vonnis van de rechtbank (zie r.o. 2.1 t/m 2.3 van het arrest van het hof). Zij komen op het volgende neer (zie ook r.o. 3.1.1 van het arrest van het hof).

(i) Eiser tot cassatie, hierna: [eiser], heeft in september 2001 twee arbeidsongeschiktheidsverzekeringen afgesloten bij verweerster tot cassatie, hierna: Movir, een langlopende en een zogeheten eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering.

(ii) In de voorwaarden voor de eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering is - onder meer - de volgende bepaling opgenomen:

"Artikel 9 - premiebetaling

(...)

9.2 Wanbetaling

Indien de verzekerde de premie en de kosten niet tijdig betaalt en weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van arbeidsongeschiktheid die is ontstaan of aan het licht getreden of toegenomen na de premievervaldatum. Een nadere ingebrekestelling door Movir is niet vereist. De verzekerde blijft verplicht de premie en de kosten te voldoen. (...). De dekking gaat weer in op de dag na die waarop de premie en de kosten door Movir zijn ontvangen. Niettemin is Movir bevoegd tijdens de schorsing zonder inachtneming van een opzegtermijn op een door haar te betalen tijdstip te beëindigen."

De voorwaarden voor de langlopende verzekering bevatten - onder meer - de volgende bepaling:

"Artikel 10 - Premiebetaling, premievrijstelling

(...)

10.2 Wanbetaling

Indien de verzekerde het verschuldigde niet tijdig betaald of weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van nadien plaatsvindende gebeurtenissen. Een nadere ingebrekestelling door Movir is niet vereist. De verzekerde dient het verschuldigde alsnog te betalen. De dekking gaat weer in op de dag na die waarop het verschuldigde door Movir is ontvangen. Niettemin is Movir bevoegd tijdens de schorsing de verzekering zonder inachtneming van een opzegtermijn op een door haar te bepalen tijdstip te beëindigen."

(iii) Hoewel door [eiser] een machtiging automatische incasso aan Movir was afgegeven, werd de premie tot maart 2002 abusievelijk bij de tussenpersoon AON, in plaats van bij [eiser] geïnd. Na ontdekking van deze vergissing heeft Movir de betaalde bedragen teruggeboekt naar AON. Movir heeft het betreffende bedrag daarop in rekening gebracht bij [eiser] en aanvankelijk het standpunt ingenomen dat de dekking pas vanaf 4 maart 2002 gold, maar dat wel reeds vanaf september 2001 premie verschuldigd was. Later is Movir - na enige correspondentie - van dit standpunt teruggekomen en heeft zij erkend dat de dekking reeds in september 2001 was ingegaan nu de premies van september 2001 tot en met februari 2002 door AON waren afgedragen.

(iv) Van 1 maart 2002 tot 1 april 2004 heeft Movir de premies voor de verzekeringen maandelijks via automatische incasso bij [eiser] geïncasseerd. Vanaf 1 april 2004 zijn er echter geen premiebetalingen meer bij [eiser] afgeschreven. Daarna heeft Movir op 12 april 2005 met gebruikmaking van de haar door [eiser] afgegeven machtiging in één keer het openstaande bedrag aan verschuldigde premies van Euro 7.392,75 bij [eiser] geïncasseerd. Dit bedrag is echter door [eiser] gestorneerd.

(v) Bij faxbericht van 18 april 2005 heeft [eiser] aan Movir onder meer het volgende medegedeeld:

"Met referte aan mijn voorgaande correspondentie en gelet op de meest recente volstrekt onzorgvuldige handelwijze van Movir ontbind ik hierbij voor zover vereist bovengenoemde overeenkomst van arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Ter toelichting dient het volgende. Movir heeft vorige week zonder enige aankondiging, laat staan overleg, ruim Euro 7000,- af doen schrijven van mijn kantoorrekening. Ik wijs er op dat bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is overeengekomen dat maandelijks premie zou worden betaald doordat Movir gebruik zou maken van een daartoe door mij verstrekte machtiging. Door thans in een keer voormeld bedrag af te doen schrijven, handelt Movir in strijd met hetgeen was overeengekomen en dermate onzorgvuldig dat ik geen enkel vertrouwen meer heb in voortzetting van de onderhavige overeenkomst. Voorts is van belang dat de beoogde premie een periode betreft waarover door toedoen van Movir geen dekking bestond zodat Movir geen aanspraak kan maken op die premie."

(vi) Movir heeft op 28 april 2005 aan [eiser] - onder meer - geschreven dat Movir ten gevolge van een administratieve onjuistheid vanaf 1 april 2004 AON voor de premie had belast, in plaats van [eiser]. De opgelopen premieachterstand heeft Movir begin april 2005 automatisch van de rekening van [eiser] afgeschreven, maar die afschrijving is gestorneerd. Nu van 1 april 2004 tot 1 maart 2005 echter wel van dekking sprake is geweest, verzoekt Movir [eiser] de openstaande premie van Euro 7.908,63 vanaf 15 mei 2005 in vier maandelijkse termijnen te voldoen.

(vii) De polissen zijn per 1 januari 2006 geroyeerd.

(viii) Ondanks herhaalde sommeringen heeft [eiser] de door hem betwiste premie, vermeerderd met rente en kosten, niet voldaan.

3. Bij exploot van 11 december 2006 heeft Movir [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam tot betaling van de achterstallige premies over de periode van 1 april 2004 tot 1 januari 2006, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokostenkosten. Movir heeft daartoe gesteld - kort gezegd - dat [eiser] de achterstallige premies ingevolge de verzekeringsovereenkomsten verschuldigd is en dat de incasso van de premie ineens over de periode 2004 tot maart 2005 weliswaar geen schoonheidsprijs verdient, maar geen wanprestatie oplevert, althans geen wanprestatie die ontbinding van de verzekeringsovereenkomsten rechtvaardigde.

4. [Eiser] heeft verweer gevoerd en daartoe aangevoerd dat hij niets aan Movir verschuldigd is omdat hij de verzekeringsovereenkomsten per 18 april 2005 buitengerechtelijk heeft ontbonden, zodat hij over de periode van 18 april 2005 tot 1 januari 2006 geen premie verschuldigd is. Over de periode van 1 april 2004 tot 18 april 2005 stelt [eiser] evenmin premie verschuldigd te zijn aangezien als gevolg van het feit dat over die periode geen premie is geïncasseerd, krachtens art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden voor die periode geen dekking heeft bestaan.

5. De rechtbank heeft bij vonnis van 17 oktober 2007 het verweer van [eiser] verworpen en de vordering van Movir toegewezen. Wat de premie over de periode van 1 april 2004 tot 18 april 2005 betreft, was de rechtbank van oordeel dat, kort weergegeven, de dekking was blijven bestaan omdat alleen Movir zich op art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden kan beroepen en dat niet heeft gedaan, zodat de dekking niet is opgeschort en dus niet staande gehouden kan worden dat [eiser] over de periode tot 18 april 2005 geen premie verschuldigd zou zijn (r.o. 4.3). Wat de premie over de periode van 18 april 2005 tot 1 januari 2006 betreft, was de rechtbank van oordeel dat de ernst van de tekortkoming van Movir, mede in aanmerking genomen dat Movir de incasso ineens heeft willen herstellen door [eiser] een betalingsregeling aan te bieden, in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond oplevert voor ontbinding van de verzekeringsovereenkomsten (r.o. 4.7).

6. [Eiser] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij arrest van 9 december 2008 heeft het hof het vonnis van de rechtbank (behoudens ten aanzien van de veroordeling wegens buitengerechtelijke incassokosten) bekrachtigd.

7. De vraag of [eiser] over de periode van 1 april 2004 tot 18 april 2005 premie verschuldigd is, heeft het hof in bevestigende zijn beantwoord op grond van onder meer de volgende overweging (r.o. 3.3.2):

"Tussen partijen is niet in geding dat Movir er geen beroep op heeft gedaan dat de dekking wegens niet tijdige premiebetaling per 1 april 2004 zou zijn opgeschort. Gelet op haar eigen stellingen - te weten: dat wél premie was betaald, maar dat deze ten gevolge van een administratieve fout harerzijds niet bij [eiser] maar bij diens verzekeringsadviseur was geïnd - zou een dergelijke toepassing van de hiervóór genoemde bepalingen (het hof doelt op art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden; A-G) naar het oordeel van het hof afstuiten op het bepaalde in artikel 6:248, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (mede in aanmerking genomen dat het huidige artikel 7:934 BW destijds nog niet in werking was getreden).

Weliswaar wil [eiser] in deze procedure die gevolgen - opschorting van de dekking - aanvaarden maar daaraan gaat het hof voorbij omdat dit in het licht van de reeds verstreken periode en in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] in die periode arbeidsongeschikt is geweest, een gratuite bewering is die past bij het standpunt dat geen premie verschuldigd is."

8. De vraag of [eiser] premie verschuldigd is over de periode van 18 april 2005 tot 1 januari 2006 heeft het hof eveneens in bevestigende zin beantwoord. Het hof heeft, onder het uitgangspunt dat de opvatting van [eiser] dat de verzekeringen sedert 1 april 2004 geen dekking meer boden op grond van hetgeen door het hof is overwogen in - de hiervóór aangehaalde - r.o. 3.3.2 onhoudbaar is, daartoe onder meer overwogen (r.o. 3.4.1):

"(D)e omstandigheid dat Movir vanaf 1 april 2004 heeft nagelaten de verschuldigde bedragen maandelijks bij [eiser] te incasseren, om vervolgens op 12 april 2005 een bedrag van Euro 7.392,75 bij hem te incasseren, moet worden aangemerkt als een tekortkoming in de zin van artikel 6:265, eerste lid, BW."

Het hof is evenwel van oordeel dat deze tekortkoming van te geringe betekenis is om de ontbinding met haar gevolgen te rechtvaardigen, gelet op de volgende omstandigheden:

"a. Waar de verschuldigde premies tot april 2004 maandelijks automatisch van [eiser]'s rekening werden afgeschreven, komt het voor risico van [eiser] dat hij (ook na ettelijke maanden) niet heeft opgemerkt dat deze afschrijvingen ophielden terwijl de verzekeringen voortduurden; hij was ervan op de hoogte dat hij maandelijks premies verschuldigd was, zodat van hem verwacht mocht worden dat hij het betreffende bedrag zou reserveren;

b. Het had, mede gelet op het vorenstaande, op de weg van [eiser] gelegen zich op of omstreeks 18 april 2005 eerst tot Movir te wenden teneinde zich nader te laten informeren omtrent hetgeen was voorgevallen, alvorens de buitengerechtelijke ontbinding in te roepen; de tegenwerping van [eiser] dat hij pas naar aanleiding van zijn fax bericht aan Movir van 18 april 2005 op de hoogte raakte van de toedracht en van de omstandigheid dat de dekking niet was opgeschort, terwijl hij daar op 18 april 2005 - toen hij de ontbinding van de overeenkomst inriep - nog niet van op de hoogte was, moet daarom worden gepasseerd;

c. [Eiser] is door de tekortkoming niet benadeeld: de dekking bleef, zoals hiervóór reeds bleek, onverkort gehandhaafd, en ten gevolge van de te late incassering heeft [eiser] zelfs een rentevoordeel genoten;

d. Movir heeft [eiser] in reactie op zijn meergenoemde faxbericht van 18 april 2005 een betalingsregeling aangeboden, waardoor hij het openstaande premiebedrag vanaf 15 mei 2005 in vier maandelijkse termijnen kon voldoen."

9. [Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel, dat door Movir is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

10. De onderdelen 1 en 2 van het middel keren zich tegen de gronden waarop het hof - in r.o. 3.3.2 - tot het oordeel is gekomen dat de dekking over de periode van 1 april 2004 tot 18 april 2005 niet was opgeschort (en dat [eiser] de premie over die periode dus is verschuldigd).

11. Onderdeel 1 bestrijdt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht de overweging van het hof dat tussen partijen niet in geding is dat Movir er geen beroep op heeft gedaan dat de dekking wegens niet tijdige premiebetaling per 1 april 2004 zou zijn opgeschort. De rechtsklacht houdt in dat het hof met deze overweging heeft miskend dat de bepalingen in de voorwaarden van de verzekeringen van Movir rechtsgevolg hebben zonder dat Movir zich daarop behoeft te beroepen. De motiveringsklacht komt erop neer dat het hof is voorbijgegaan aan de essentiële stelling van [eiser] dat de na de ontbindingsverklaring door Movir gedane mededeling dat de dekking is blijven bestaan een poging tot zuivering van het verzuim inhoudt, terwijl de bevoegdheid daartoe reeds met de ontbindingsverklaring was geëindigd.

12. In de door het onderdeel gewraakte overweging ligt besloten dat naar 's hofs oordeel, willen art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden rechtsgevolg hebben, Movir zich daarop moet beroepen. Dit oordeel van het hof berust op zijn uitleg van de bedoelde verzekeringsvoorwaarden. Het kan in cassatie slechts met rechtsklachten worden bestreden voor zover deze zich richten tegen de door het hof bij zijn uitleg gehanteerde maatstaf. De rechtsklacht van het onderdeel is daarop niet gericht, maar op de juistheid van 's hofs uitleg. De juistheid van de door het hof gegeven uitleg kan in cassatie echter niet worden getoetst. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 108 en 109. De rechtsklacht faalt derhalve.

13. De motiveringsklacht, die kennelijk berust op de opvatting dat de art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden rechtsgevolg hebben zonder dat Movir zich daarop behoeft te beroepen, faalt omdat die opvatting niet in overeenstemming is met de - tevergeefs door de rechtsklacht bestreden - uitleg die het hof aan die bepalingen van de verzekeringsvoorwaarden heeft gegeven.

14. Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen de overweging van het hof dat, gelet op de eigen stellingen van Movir - te weten: dat wél premie was betaald, maar dat deze ten gevolge van een administratieve fout harerzijds niet bij [eiser] maar bij diens verzekeringsadviseur AON was geïnd - een beroep van Movir op opschorting van de dekking ingevolge art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden zou afstuiten op het bepaalde in art. 6:248 lid 2 BW. Het onderdeel acht deze overweging onjuist en/of onbegrijpelijk omdat zij inhoudt dat partijen niet zouden moeten vertrouwen op de tekst van een overeenkomst, maar rekening dienen te houden met de (aanvullende en beperkende) werking van de redelijkheid en billijkheid, en er zelfs rekening mee dienen te houden dat de werking van de redelijkheid en billijkheid tot gevolg kan hebben dat aan een tekstueel duidelijke bepaling met een duidelijk rechtsgevolg geen betekenis toekomt als gevolg van een (betwiste) verklaring achteraf van één van de partijen.

15. Ook dit onderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Voor zover het onderdeel wil betogen dat de bestreden overweging berust op een onjuiste en/of onbegrijpelijke toepassing door het hof van de in het eerste lid van art. 6:248 BW bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ter bepaling van de rechtsgevolgen van de onderhavige verzekeringsovereenkomsten, berust het op een verkeerde lezing van 's hofs arrest. De overweging heeft slechts betrekking op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van het tweede lid van art. 6:248 BW. Voor zover het onderdeel wil betogen dat de bestreden overweging berust op een onjuiste en/of onbegrijpelijke toepassing door het hof van het tweede lid van art. 6:248 BW, faalt het wegens gebrek aan belang. De overweging heeft betrekking op het geval dat Movir zich erop zou hebben beroepen dat de dekking wegens niet tijdige premiebetaling per 1 april 2004 zou zijn opgeschort. Dat heeft Movir - onbestreden - niet gedaan. De bestreden overweging heeft derhalve betrekking op een hypothetisch geval en is daarom niet dragend voor het oordeel van het hof dat de dekking over de periode van 1 april 2004 tot 18 april 2005 niet was opgeschort.

16. De onderdelen 3, 4 en 5 van het middel zijn gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 3.4.1 - dat de tekortkoming van Movir van te geringe betekenis is om de buitengerechtelijke ontbinding met haar gevolgen te rechtvaardigen.

17. Onderdeel 3 klaagt in de eerste plaats dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te onderzoeken of de tekortkoming van Movir van te geringe betekenis is om de ontbinding te rechtvaardigen, nu door Movir op deze uitzonderingsregel geen beroep is gedaan. In de tweede plaats wordt het hof verweten te hebben miskend dat de tekortkoming er tevens in is gelegen dat op enig moment de dekking onder de verzekering is komen te vervallen, althans onzekerheid is ontstaan over de vraag of er dekking bestond, welke tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen zelfstandig kan rechtvaardigen.

18. De klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de gedingstukken blijkt dat, anders dan het onderdeel stelt, Movir gemotiveerd een beroep heeft gedaan op de in art. 6:265 lid 1 BW opgenomen uitzondering op de ontbindingsbevoegdheid. Zie o.m. de memorie van antwoord zijdens Movir onder 39 e.v.

19. Ook de tweede klacht faalt. Zij mist feitelijke grondslag voor zover zij berust op het uitgangspunt dat de dekking per 1 april 2004 is opgeschort. Het hof heeft - tevergeefs bestreden in cassatie - vastgesteld dat dit niet het geval is geweest. Dat [eiser] in onzekerheid zou hebben verkeerd over het voortbestaan van de dekking, berust op zijn uitleg van art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden die het hof - tevergeefs bestreden in cassatie - als onhoudbaar heeft afgewezen en kan niet gelden als een tekortkoming van Movir in de nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten.

20. In onderdeel 4 van het middel wordt geklaagd over de omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen bij de beantwoording van de vraag of het als tekortkoming in de zin van art. 6:265 lid 1 BW aangemerkte gedrag van Movir bij de incasso van de premie in april 2005 de door [eiser] ingeroepen ontbinding met haar gevolgen kunnen rechtvaardigen. Het middel betoogt dat de in r.o. 3.4.1 onder a t/m d genoemde omstandigheden door het hof ten onrechte van belang zijn geoordeeld.

21. Bij de beoordeling van dit onderdeel dient vooropgesteld te worden dat bij de beantwoording van de vraag of een toerekenbare tekortkoming voldoende ernstig is om ontbinding van de overeenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen, rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Vgl. HR 10 augustus 1992, NJ 1992, 715, HR 27 november 1998, NJ 1999, 197, en HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 208 nt. JH.

22. Waarom de onder a genoemde omstandigheid geen relevante omstandigheid is bij de beoordeling van de vraag of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigde, wordt door het onderdeel niet toegelicht en valt ook niet in te zien. Het hof heeft de omstandigheid kennelijk van belang geoordeeld in verband met de vraag of de tekortkoming, in aanmerking genomen het belang waarin [eiser] daardoor werd geschaad, van te geringe betekenis is om de ontbinding met haar rechtsgevolgen te rechtvaardigen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

23. Het betoog dat het hof niet met de onder b genoemde omstandigheid rekening had mogen houden, omdat "uit de wettelijke bepaling (gedoeld wordt op art. 6:265 lid 1 BW) volgt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden", berust op een onjuiste rechtsopvatting. Uit dezelfde wettelijke bepaling volgt immers dat in uitzonderingsgevallen de tekortkoming vanwege haar bijzondere aard of geringe betekenis geen ontbinding rechtvaardigt.

24. Voor zover het onderdeel klaagt over het in aanmerking nemen door het hof van de onder c genoemde omstandigheid, kan het evenmin doel treffen. De klacht bouwt voort op door onderdeel 1 verdedigde, maar naar het - in cassatie tevergeefs bestreden - oordeel van het hof onhoudbare opvatting dat de art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden als rechtsgevolg hebben dat de dekking wordt opgeschort zonder dat Movir zich daarop behoeft te beroepen. Waarom de onder c genoemde omstandigheid bovendien geen relevante omstandigheid is, wordt door het onderdeel niet toegelicht en valt ook niet in te zien. Het hof heeft de omstandigheid kennelijk, evenals de onder a genoemde omstandigheid, van belang geoordeeld in verband met de vraag of de tekortkoming, in aanmerking genomen het belang waarin [eiser] daardoor werd geschaad, van te geringe betekenis is om de ontbinding met haar rechtsgevolgen te rechtvaardigen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

25. Op de zojuist genoemde grond strandt ook het door het onderdeel geuite bezwaar tegen het in aanmerking nemen door het hof van de onder d genoemde omstandigheid.

26. Onderdeel 5 van het middel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte de vraag of [eiser] de premie over de aan de ontbinding voorafgaande periode premie verschuldigd is, op heeft laten gaan in de vraag of de tekortkoming van Movir de ontbinding rechtvaardigt. De tweede klacht houdt in dat, ook indien moet worden aangenomen dat over de aan de ontbinding voorafgaande periode dekking heeft bestaan, het hof bij de beoordeling van de vraag of de tekortkoming van Movir de ontbinding rechtvaardigt, een drietal essentiële stellingen van [eiser] onbesproken heeft gelaten.

27. De eerste klacht faalt. Het hof heeft de vraag of [eiser] premie verschuldigd is over de aan de ontbinding voorafgaande periode behandeld in r.o. 3.3 t/m 3.3.2. Het hof heeft, evenals de rechtbank, deze vraag in bevestigende zin beantwoord, zulks op de grond dat, naar zijn uitleg van art. 9.2 en 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden, over die periode de dekking en dus ook de verplichting om premie te voldoen bleef bestaan. Vervolgens heeft het hof in r.o. 3.4 de vraag onderzocht of de tekortkoming van Movir bij de incasso van de premie ontbinding rechtvaardigt. Dat het hof bij de beantwoording van deze vraag belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat de dekking in de periode voorafgaande aan de ontbinding was blijven bestaan, betekent niet dat het hof geen onderscheid zou hebben gemaakt tussen de vraag of [eiser] over die periode premie verschuldigd was en de vraag of de tekortkoming van Movir ontbinding rechtvaardigt. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.

28. Ook de tweede klacht strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. De door het onderdeel bedoelde en als essentieel aangemerkte stellingen van [eiser], houden in

- dat [eiser] op het moment van ontbinding tot de conclusie is gekomen dat géén dekking bestond,

- dat de door [eiser] opgegeven redenen voor de ontbindingsverklaring (reeds) voldoende waren om ontbinding te kunnen rechtvaardigen, en

- dat de overeenkomsten in ieder geval per 18 april 2005 zijn geëindigd, omdat sprake was van een tekortkoming van Movir waar het het uitvoeren van de automatische incasso betreft, dit gelet op de aard van de overeenkomsten en het belang van tijdige premiebetaling.

Het hof deze stellingen niet onbesproken gelaten, maar verworpen. De eerstbedoelde stelling wordt door het hof verworpen in de overweging die in r.o. 3.4.1 is gewijd aan de aldaar onder b bedoelde omstandigheid. De twee andere stellingen vinden een verwerping in de algemene overweging van het hof in r.o. 3.4.1 dat de omstandigheid dat Movir vanaf 1 april 2004 heeft nagelaten de verschuldigde premies maandelijks bij [eiser] te incasseren, om vervolgens op 12 april 2005 een bedrag van Euro 7.392,75 bij hem te incasseren, weliswaar moet worden aangemerkt als een tekortkoming in de zin van art. 6:265 lid 1 BW, maar dat deze tekortkoming, gelet op de onder a t/m d genoemde omstandigheden, van te geringe betekenis is om de ontbinding met haar gevolgen te rechtvaardigen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,