Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN9457

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
09/01630
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN9457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht/Procesrecht. Uitleg overeenkomst. In cassatie kan niet worden geklaagd over uitleg of toepassing van buitenlands recht (art. 79, aanhef en onder b, RO). (art 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1413
JWB 2010/492
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01630

Mr L. Strikwerda

Zt. 1 okt. 2010

conclusie inzake

Hermetic-Pumpen GmbH

tegen

Mr F.H. Tiethoff in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Washington International B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: Hermetic, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een tussenarrest van 27 april 2006 en een eindarrest van 25 november 2008 van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij het tussenarrest heeft het hof de grieven in het door Hermetic ingestelde principaal hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 november 2003, voor zover daarbij de reconventionele vordering van thans verweerder tot cassatie, hierna: de curator, tegen Hermetic tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad werd toegewezen tot een bedrag van Euro 76.539,60 met rente, verworpen. Bij het eindarrest heeft het hof geoordeeld dat de in het incidenteel hoger beroep door de curator aangevoerde grieven tegen het in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank slagen en dit vonnis in zoverre vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de reconventionele vordering van de curator toegewezen tot een bedrag van Euro 149.850,- met rente.

2. Het cassatieberoep berust op drie middelen. De curator heeft de middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

3. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

4. In middel I staan twee klachten centraal. De eerste klacht bestrijdt als rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof - in r.o. 4 van het tussenarrest - inzake de strekking van art. 14 lid 3 van de Terms of Conditions of Purchase die behoren bij de tussen Hermetic en Washington International B.V., hierna: Washington, gesloten overeenkomst. De tweede klacht bestrijdt als rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof - in r.o. 5 van het tussenarrest - omtrent de vraag welke eisen Duits recht stelt aan eigendomsoverdracht en bezitsverwerving in verband met de uitvoering van genoemd art. 14 lid 3 van de Terms of Conditions of Purchase.

5. De eerste klacht faalt, omdat het oordeel van het hof betrekking heeft op de aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de tussen Hermetic en Washington gesloten overeenkomst. Behoudens ten aanzien van de bij de uitleg door het hof gehanteerde maatstaf (waarover het middel geen klacht bevat), kan dit oordeel niet met rechtsklachten worden bestreden. Het oordeel is - ook in het licht van de door Hermetic aangevoerde stellingen, waarnaar het hof in r.o. 4 verwijst - niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

6. De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat klachten over onjuiste uitleg of toepassing van buitenlands recht afstuiten op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Zie bijv. HR 12 maart 2004, NJ 2004, 284 nt. PV. Zie nader Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nrs. 85-87, en W.D.H. Asser, Civiele cassatie (2003), 38-39. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd, nu het steun vindt in het door de curator in het geding gebrachte (aanvullend) rapport van Prof.Dr. H.P. Westermann d.d. 3 juni 2005 omtrent de inhoud en strekking van het Duitse recht.

7. Voor zover de middelen II en III voortbouwen op de klachten van middel I, delen zij het lot van middel I.

8. Voor zover middel II zich voorts richt tegen hetgeen het hof - in r.o. 8 van het tussenarrest - heeft overwogen omtrent art. 37 Fw, faalt het wegens gebrek aan belang. De gewraakte overweging heeft het hof blijkens de aanhef van r.o. 8 kennelijk ten overvloede gegeven.

9. Voor zover middel III voorts klaagt dat het hof zich in r.o. 2.4 van het eindarrest heeft schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en/of van de verweermiddelen van de curator, faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Verwezen zij naar de door de curator genomen memorie na deskundigenbericht d.d. 25 oktober 2007, onder 5 e.v.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,