Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN9340

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
09/03375 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN9340
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv. Het Hof heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beklag over inbeslagneming in Turkije, omdat het Hof niet – met voldoende zekerheid – zou zijn gebleken dat de beslagen op deze goederen op verzoek van Nederland waren gelegd. Middel klaagt over de motivering van deze beslissing. HR: Art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 09/03375 B

Mr. Vegter

Zitting 28 september 2010

Conclusie inzake:

[Klager](1)

1. De raadkamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft zich op 16 maart 2009 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het klaagschrift van [klager] d.d. 22 mei 2003 over de inbeslagneming in Turkije van aan klager toebehorende goederen met een totale waarde van € 1.741.642,--.

2. Namens klager heeft mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. In het namens klager voorgestelde middel wordt geklaagd over de motivering van de beslissing van het Hof om zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het beklag van klager over de inbeslagneming in Turkije, omdat het Hof niet - met voldoende zekerheid - zou zijn gebleken dat de beslagen op deze goederen op verzoek van Nederland waren gelegd.

4. Voorop gesteld kan worden dat de beklagprocedure van art. 552a Sv op grond van eerdere jurisprudentie(2) ook van toepassing kan zijn in geval ter uitvoering van een Nederlands rechtshulpverzoek beslag is gelegd op voorwerpen (alle zaken en vermogensrechten(3)) in het buitenland. De slotsom van het Hof dat in het onderhavige geval nu juist geen beslag ter uitvoering van een Nederlands rechtshulpverzoek is gelegd, lijkt mij dit niet anders maken. Wanneer in een klaagschrift gesteld wordt dat er wel sprake is van beslag dient daarop beslist te worden. De primaire vraag die hier in het kader van de behandeling van het klaagschrift aan de orde is, is of er wel inbeslagname in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek heeft plaatsgevonden. Op de vraag welke beslissing is aangewezen, indien inderdaad blijkt dat er van (relevant) beslag geen sprake is geweest, geeft, voor zover ik zie, de tekst van art. 552a Sv geen duidelijk antwoord. De in het vierde lid van art. 552a Sv besloten liggende mogelijkheid van onbevoegdverklaring is hier niet van toepassing. Omdat de onbevoegdheidverklaring doorgaans veronderstelt dat een ander gerecht wel bevoegd is, terwijl dat wanneer er van inbeslagname geen sprake is nu juist niet het geval is, lijkt een niet-ontvankelijkheid meer voor de hand te liggen. Ik laat dit punt rusten, omdat het mij voor de beoordeling van het cassatiemiddel onvoldoende relevant voorkomt en het voor klager lood om oud ijzer is. In de cassatieschriftuur wordt er evenmin een punt van gemaakt.

Ik wijs nog op een ander probleem dat rijst indien van inbeslagname ter uitvoering van een Nederlands rechtshulpverzoek inderdaad geen sprake is geweest. Artikel 552a Sv en de regels inzake inbeslagname zijn na het hier aan de orde zijnde rechtshulpverzoek aan Turkije van 4 november 1998 diverse malen gewijzigd. In het onderhavige geval is het een onmogelijke opgave om vast te stellen welke regels inzake inbeslagneming gelden, indien er inderdaad van uit moet worden gegaan dat van inbeslagneming in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek geen sprake is geweest.

Ter inleiding van deze zaak waarvan de behandeling stroef is verlopen, merk ik nog het volgende op. Er kan van worden uitgegaan dat er op 4 november 1998 een rechtshulpverzoek aan Turkije is gedaan. Dat verzoek strekte er toe om (conservatoir) beslag als bedoeld in art. 94a Sv te leggen op zaken die zich in Turkije bevinden met het oog op een door de strafrechter op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot tenminste de hoogte van de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen.(4) Een tegen de inbeslagneming gericht beklag heeft de Rechtbank Breda op 1 juli 2003, nr. RK 03/526 gegrond verklaard, omdat de inbeslagneming een wettelijke grondslag zou ontberen.(5) De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 februari 2004, nr. 01686/03B de beschikking van de Rechtbank vernietigd wegens een onbegrijpelijke motivering en de zaak verwezen naar het Hof te 's-Hertogenbosch. Aan de behandeling van het beklag heeft het Hof 's-Hertogenbosch een fors aantal zittingen gewijd. Dat er op de zaken die in het rechtshulpverzoek worden genoemd beslag is gelegd, staat vast. Verdediging en openbaar ministerie verschilden van mening over de vraag of dat beslag nu wel of niet een inwilliging was van het rechtshulpverzoek. Het Hof oordeelde uiteindelijk dat van beslag op basis van het rechtshulpverzoek geen sprake is geweest.(6) De beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch is de beslissing die thans in cassatie aan de orde is.

5. De bestreden beschikking houdt - voor zover voor beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"(...)

C.

Het hof overweegt ten aanzien van al het voorgaande het volgende.

Uit de stukken blijkt genoegzaam dat op de hiervoor onder de nummers 5.2.3 t/m 5.2.26 zaken niet op verzoek van Nederland beslag is gelegd.

Het hof overweegt voorts dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van voornoemd proces-verbaal van [verbalisant 1].

Het hof is van oordeel dat met voornoemd relaas van de verbalisant de hiervoor onder A weergegeven passage uit de brief van [betrokkene 1] van 17 december 2002 (bijlage 5) bij het verzoek om informatie van de advocaat-generaal), voor zover daarin wordt aangegeven dat het rechtshulpverzoek is uitgevoerd, beter kan worden begrepen.

Het rechtshulpverzoek van november 1998 is volgens het relaas van verbalisant [verbalisant 1] daadwerkelijk uitgevoerd alleen niet ten aanzien van het verzoek tot beslaglegging.

Het hof merkt in dat kader nog op dat het fotograferen en taxeren van de onroerende goederen niet impliceert, zoals de raadsvrouw stelde, dat deze tevens op verzoek van Nederland zijn beslagen.

Samenvattend:

Gelet op de brief d.d. 18 mei 2006 (rolnr. 1998/414) van de president van de Rechtbank te Istanbul (bijlage A), de brief van 23 mei 2006 (ministerieel comm.nr. 2006/583) van de officier van justitie te Istanbul (bijlage B) en gelet op het aanvullend proces-verbaal d.d. 20 maart 2006 van verbalisant [verbalisant 1] (bijlage C) is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat aan het rechtshulpverzoek d.d. 4 november 1998 tot beslaglegging geen gevolg is gegeven door de Turkse autoriteiten. Evenmin is het hof gebleken van andere bescheiden waaruit - met voldoende zekerheid - zou kunnen worden afgeleid dat door de Turkse autoriteiten op de hiervoor weergegeven zaken (nr. 5.2.3 t/m 5.2.26) op verzoek van Nederland beslag is gelegd.

Het gevolg hiervan is dat het hof onbevoegd is kennis te nemen van het klaagschrift voor zover strekkende tot opheffing en teruggave van de beslagen op de hiervoor weergegeven zaken.

Hieraan doet niet af de beslissing van de Hoge Raad van 3 juni 2008 LJN BC9015 waarnaar de raadsvrouw in haar pleitnota van 2 februari 2009 verwijst. In die zaak ging het om een beslagzaak waarbij klager op basis van een Europees aanhoudingsbevel op verzoek van de Nederlandse Officier van Justitie op 17 april 2005 in Spanje was aangehouden. Bij de aanhouding zijn - buiten de auto - ook andere goederen in beslag genomen. De klager is daarna aan Nederland overgeleverd. In Nederland heeft hij teruggave verzocht van de auto en de overige goederen. Het beklag is niet-ontvankelijk verklaard wat betreft alle goederen behalve de auto. Tegen die niet-ontvankelijkverklaring is het cassatieberoep gericht.

De Hoge Raad overwoog dat redelijke wetstoepassing mee brengt dat in geval een inbeslagneming heeft plaatsgevonden in het verband van een Europees aanhoudingsbevel, hetzij op verzoek van de Nederlandse Officier van Justitie hetzij op eigen initiatief van de Spaanse uitvoerende autoriteiten, op de voet van art. 552a Sv bij de Nederlandse rechter kan worden geklaagd over (de voortduring) van het beslag.

Een hiermee vergelijkbare situatie doet zich naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak niet voor nu de Turkse autoriteiten in het kader van een eigen strafzaak tegen klager de beslagen hebben gelegd."

6. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het Hof er ten onrechte vanuit gaat dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van het klaagschrift. Het Hof zou hebben miskend dat het Turkse beslag op de goederen een direct gevolg is geweest van het Nederlandse rechtshulpverzoek van 4 november 1998 en dat de Turkse autoriteiten voor het uitvoeren van het Nederlandse verzoek een eigen wettelijke procedure (via Wet nr. 4208) hebben gekozen in plaats van een rechtstreekse ten uitvoerlegging van het rechtshulpverzoek. Refererend aan artikel 3 van het Europese Rechtshulpverdrag voert de steller van het middel aan dat de aangezochte partij de ruimte heeft om aan rogatoire commissies gevolg te geven op de wijze welke zij geschikt acht volgens de procedures waarin haar eigen wetgeving voorziet. Ter onderbouwing van haar betoog verwijst de steller van het middel naar de volgende zich bij de stukken van het geding bevindende documenten:

(i) een rechtshulpverzoek van 4 november 1998, waarin de Nederlandse autoriteiten de Turkse autoriteiten hebben verzocht om in het kader van een ontnemingsprocedure tegen betrokkene op de voet van artikel 94a Sv conservatoir beslag te leggen op onroerende goederen te Istanbul en Diyarbakir, welke ten name waren gesteld van derden (SFO-rapport p.283)

(ii) een aan dit rechtshulpverzoek gehechte lijst (SFO-rapport p.286) met daarop gespecificeerd weergegeven de in Turkije op verzoek van Nederland in beslag te nemen goederen van derden, welke in de bestreden beschikking in navolging van het SFO-dossier worden aangeduid met de nummers 5.2.3, 5.2.10, 5.2.11, 5.2.13, 5.2.17, 5.2. 20, 5.2. 21, 5.2.23 en 5.2.26;

(iii) een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Bakirköy van 30 december 1998 (met rolnummer 1998/1614) (SFO-rapport p. 731 tot en met 734) ter inbeslagneming van deze op de lijst van het rechtshulpverzoek genoemde onroerende goederen;

(iv) een brief van het parket van de hoofdofficier van justitie te Istanbul, gedateerd 23 mei 2006, waarin wordt vermeld dat het vonnis van 30 december 1998 (met rolnummer 1998/1614) van de Arrondissementsrechtbank te Bakirköy ter inbeslagneming van deze in het rechtshulpverzoek van 4 november 1998 gespecificeerde goederen niet op grond van bedoeld rechtshulpverzoek is afgegeven, maar ambtshalve conform artikel 9 van de Wet 4208;(7)

(v) een brief d.d. 17 december 2002 van de Directeur-Generaal Buitenlandse betrekkingen van het Turkse Ministerie van Justitie, onder meer inhoudende: "Uit de informatie die wij van de procureur-generaal bij het Tribunaal voor Staatsveiligheid te Istanbul ontvingen werd meegedeeld dat het als bijlage bij ons schrijven toegezonden verzoek van de officier van justitie te Arnhem is uitgevoerd en het opgestelde document is aan ons ministerie verzonden" (productie 2 bij pleidooi van 7 juli 2005, p. 6); en

(vi) een brief van 15 januari 2003 van Ali Yorulmaz, Procureur-Generaal bij het Staatsveiligheidstribunaal te Istanbul, gericht aan de Procureur van de Republiek te Bakirköy en het Directoraat-generaal Internationale rechtshulp van het Ministerie van Justitie (producties 3 bij pleidooi van 7 juli 2005, p. 3.4 en 3.8).

Op grond van het vorenstaande verzoekt de steller van het middel om vernietiging van de bestreden beschikking.

7. In aanmerking moet worden genomen dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt en daarom aan de motivering van een op basis van dat onderzoek gewezen beslissing geen hoge eisen kunnen worden gesteld.(8) Daar komt nog bij dat de motivering van het Hof het karakter heeft van een feitelijke vaststelling, zodat die motivering slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.

8. Het Hof heeft zijn beslissing om zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het klaagschrift voor zover strekkende tot opheffing en teruggave van de beslagen met name gebaseerd op de bijlagen behorende bij de schriftelijke standpuntbepaling van de Advocaat-Generaal bij het Hof d.d. 14 januari 2009, welke op voorhand door de Advocaat-Generaal bij het Hof aan het Hof en de raadsvrouw is toegestuurd, te weten:

(i) de brief van 18 mei 2006 (rolnr. 1998/414) van de president van de Rechtbank te Istanbul, inhoudende onder meer dat buiten een meervoudige beschikking d.d. 6 april 1998 (nr. 1998, 123) van het substituut-college van de Staatsveiligheidsrechtbank van Istanbul geen (ander) vonnis tot conservatoir beslag bestaat dat op verzoek van de Nederlandse Justitiële Instanties met betrekking tot [klager] en zijn kompanen is uitgesproken; en

(ii) de brief van 23 mei 2006 (ministerieel comm.nr. 2006/583) van de officier van justitie te Istanbul, inhoudende onder meer dat het vonnis tot conservatoir beslag met rolnummer 1998/1614 van 30 december 1998 van de Arrondissementsrechtbank voor Strafzaken van Bakirköy, niet is gegeven op verzoek van de Nederlandse Justitiële Instanties inzake [klager] en zijn medeverdachten, maar dat het gegeven vonnis tot conservatoir beslag conform artikel 9 van de 4208 genummerde wet ambtshalve is afgegeven; en

(iii) het aanvullend proces-verbaal d.d. 20 maart 2006 van de verbalisant [verbalisant 1], inhoudende onder meer dat verbalisant [verbalisant 1] aanwezig is geweest bij de uitvoering van het Nederlandse rechtshulpverzoek van 4 november 1998 door de Turkse autoriteiten. Uit het proces-verbaal blijkt dat deze uitvoering plaatsvond op 26 april 1999 en volgens voornoemde verbalisant inhield dat getuigenverklaringen werden afgenomen, onroerende zaken werden gefotografeerd en dat deskundigen werden begeleid naar onroerende goederen voor taxatie. Tevens blijkt uit dat proces-verbaal dat geen beslaglegging op de gewenste onroerende zaken plaatsvond en dat de verbalisant zich kan herinneren dat de officier van justitie Yorulmaz weigerde deze beslaglegging aan te vragen bij de Staatsveiligheidsrechtbank omdat er reeds beslag was gelegd door de Turkse autoriteiten in het kader van een Turks witwas onderzoek contra [klager].

9. In de cassatieschriftuur wordt de beslissing van het Hof tot onbevoegdverklaring vrijwel uitsluitend bestreden door te verwijzen naar documenten die dateren van vóór het door de Advocaat-Generaal bij het Hof te 's-Hertogenbosch ingediende verzoek van 7 december 2005 gericht aan het Ministerie van Justitie, afdeling internationale rechtshulp te Ankara (Turkije), waarin werd gevraagd of op de onroerende zaken genoemd op de lijst van het Nederlandse rechtshulpverzoek ten behoeve van de Nederlandse autoriteiten beslag was gelegd. Immers verwijst de steller van het middel naar de hiervoor onder 6 weergegeven documenten. Weliswaar wordt eveneens verwezen naar een brief van het parket van de hoofdofficier van justitie te Istanbul, gedateerd 23 mei 2006 (en aldus tenminste één document daterend van nà bedoeld verzoek van 7 december 2005), maar geeft de toelichting op het middel de inhoud van die brief onvolledig weer, in die zin dat niet wordt vermeld dat uit deze brief blijkt dat het vonnis met rolnummer 1998/1614 van 30 december 1998 niet is gegeven op verzoek van de Nederlandse Justitiële instanties inzake [klager] en zijn medeverdachten. Uit de bestreden beschikking blijkt dat het Hof van deze documenten kennis heeft genomen, maar zijn beslissing vervolgens in het bijzonder heeft gebaseerd op de hiervoor onder 8 weergegeven bijlagen behorende bij de schriftelijke standpuntbepaling van de Advocaat-Generaal d.d. 14 januari 2009.

Het Hof heeft er oog voor gehad dat uit de stukken onder 6 vermeld inderdaad op het eerste gezicht de indruk ontstaat dat het rechtshulpverzoek onverkort is tenuitvoergelegd.(9) Het Hof heeft namelijk nog het volgende overwogen: "Het hof is van oordeel dat met voornoemd relaas de hierboven onder A weergegeven passage uit de brief van [betrokkene 1] van 17 december 2002 (bijlage 5 bij het verzoek om informatie van de advocaat-generaal) (zie het citaat als opgenomen in deze conclusie onder 6 punt v; PV), voor zover daarin wordt aangegeven dat het rechtshulpverzoek is uitgevoerd, beter kan worden begrepen. Het rechtshulpverzoek van november 1998 is volgens het relaas van verbalisant [verbalisant 1] daadwerkelijk uitgevoerd, alleen niet ten aanzien van het verzoek tot beslaglegging. Het hof merkt in dat kader nog op dat het fotograferen en taxeren van onroerende goederen niet impliceert, zoals de raadsvrouw stelde, dat deze tevens op verzoek van Nederland zijn beslagen." Daarmee geeft het Hof een begrijpelijke reactie op het verweer in feitelijke instantie van de raadsvrouw. Het cassatiemiddel is in de kern een herhaling van zetten. Het Hof is in het licht van de onder 6 en 8 hierboven vermelde stukken tot de slotsom gekomen dat een deel van het rechtshulpverzoek(10) is uitgevoerd, maar dat inbeslagneming daar niet toe behoorde. Nu in de toelichting op de cassatieschriftuur geen enkel nieuw argument wordt aangedragen waarin de juistheid van deze redenering van het Hof wordt bestreden, is de slotsom dat de motivering van het Hof niet onbegrijpelijk is.

Voor zover voorts wordt betoogd dat artikel 3 van het Europese Rechtshulpverdrag de aangezochte partij de ruimte geeft om aan rogatoire commissies gevolg te geven op de wijze welke zij geschikt acht volgens de procedure waarin haar eigen wetgeving voorziet, is dat op zich zelf wel juist, maar raakt dat de begrijpelijkheid van de motivering van het Hof niet. Immers in de onderhavige zaak heeft het Hof zich niet onbevoegd verklaard om kennis te nemen van een klacht op grond van artikel 552a Sv tot opheffing en teruggave van de beslagen goederen omdat de beslagen zouden zijn gebaseerd op Wet nr. 4208, maar omdat is gebleken dat in het geheel geen beslaglegging op grond van een Nederlands rechtshulpverzoek heeft plaatsgevonden. Ook in zoverre is de overweging dat het Hof onbevoegd is kennis te nemen van het klaagschrift voor zover strekkende tot opheffing en teruggave van de beslagen derhalve niet onbegrijpelijk. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Het voorgestelde middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken betreffende [medeverdachte 1] (S 09-03373B), [medeverdachte 2] (S 09-03370B), [medeverdachte 3] (S 09-03372B), [medeverdachte 4] (S 09-03371B), [medeverdachte 5] (S 09-03369) en [medeverdachte 6] (S 09-03374B), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie bijvoorbeeld HR 21 september 1999, NJ 2000/161 en het aan de aan de beslissing van het Hof in deze zaak voorafgaande verwijzingsbeschikking van de Hoge Raad van 3 februari 2004, nr. 01686/03 B (niet gepubliceerd).

3 Zie voor terminologische kwesties die de aard van de onderhavige zaak te buiten gaan: TK 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 20-22.

4 Voor zover ik uit de stukken kan opmaken heeft de ontnemingsprocedure nog niet tot een onherroepelijke einduitspraak geleid.

5 Het beklag tegen inbeslagneming van een hotel in Engeland is ongegrond verklaard. Dat beslag is in het kader van de onderhavige procedure niet meer van belang.

6 Zie voor de samenwerking met onder andere Turkije op het terrein van ontneming J.A.Moors en M.J.Borgers, Knelpunten in de internationale samenwerking in ontnemingszaken, IVA Tilburg 2006, p. 40-42.

7 De Engelse vertaling van de bepaling van deze Wet (The Law on prevention of money laundering and amendments to the law No.2313 regarding the control of narcotic drugs, law No.657 regarding state personnel and decree law no.178 regarding establishment and functions of the ministry of finance, Law No.4208, 19 November 1996 (de volledige tekst is op het internet te vinden op: http://km.undp.sk/uploads/public/File/AC_Practitioners_Network/Turkey_Prevention_Of_Money_Laundering_Law.doc) luidt: "If there is serious circumstantial evidence about money laundering, the authority to give an order of freezing of claims and rights in banks and non-bank financial institutions as well as in real and other legal persons, including the values existing in deposit boxes; annulling the right of disposition completely or partially; the seizure of property, negotiable instruments, cash and other valuables; holding the assets in custody and taking other precautionary measures on claims and rights, belongs to the Peace Court Magistrate during the preliminary investigation and to the Court during the trial.

Requests for precautionary measures are concluded immediately as a result of evaluation of documents and at the latest within 24 hours.

Public Prosecutors may also decide to freeze claims and rights in cases where it is necessary to avoid delay. Public Prosecutors' Office notifies the Peace Court Magistrate about the decision at the latest within 24 hours. Peace Court Magistrate decides at most within 24 hours whether to approve the decision or not; in case of non-approval, the decision of the Public Prosecutor becomes void."

8 Zie HR 21 september 1999, besch. nr. 3994, LJN ZD1097, HR 25 september 2007, LJN BA2279 en HR 10 maart 2009, LJN BG9222, Uit HR 31 maart 2009, LJN BG7765 kan worden afgeleid dat te algemene frases als reactie op een verweer tekort kunnen schieten. Het betrof hier de enkele vaststelling dat 'op basis van de thans beschikbare gegevens er onvoldoende aanleiding [bestaat] te oordelen dat er onrechtmatigheden kleven aan het gelegde beslag.'

9 Het lijkt er op dat ook het openbaar ministerie in deze procedure aanvankelijk niet steeds voor ogen heeft gehad dat van inbeslagneming op basis van een Nederlands rechtshulpverzoek geen sprake is geweest. Alleen om die reden lag nader onderzoek zoals op instigatie van het Hof verricht voor de hand.

10 Behalve het vermelde fotograferen en taxeren behoorde daartoe ook nog het horen van getuigen.