Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN8535

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
10/03855
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8535
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Aanmerking bij verzoekschrift overgelegde plannenlijst en probleemlijst als behandelingsplan resp. medische aantekeningen; geen schending van regel uit art. 17 lid 3 BOPZ dat een machtiging tot voortgezet verblijf een geldigheidsduur heeft van ten hoogste een jaar na haar dagtekening; duur verleende machtiging behoeft niet te worden worden bekort met de periode die is gelegen tussen het expireren van de vorige machtiging en de verlening van de nieuwe machtiging, nu enkel van belang is dat het verzoek om een opvolgende machtiging is ingediend voordat de geldigheidsduur van de vorige machtigng was verstreken. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1332
JWB 2010/470
JVGGZ 2011/2
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/03855

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 24 september 2010

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te 's-Hertogenbosch

1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op 11 mei 2010 heeft de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd waarin als diagnose is vermeld: "Alzheimerdementie met vasculaire kenmerken". Het verzoekschrift ging verder vergezeld van twee stukken met de opschriften: "Probleemlijst" resp. "Plannenlijst". Betrokkene, thans 75 jaar oud, verbleef op dat moment in een verpleeghuis(1) van de Van Neynselgroep krachtens een op 11 juni 2009 verleende rechterlijke machtiging, met een looptijd tot en met 24 mei 2010.

2. De rechtbank heeft op 31 mei 2010 betrokkene, zijn raadsvrouwe, een specialist ouderengeneeskunde en een ziekenverzorger gehoord. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van een jaar.

3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

4. Onderdeel I van het middel klaagt dat de bestreden beschikking weliswaar vermeldt dat de rechtbank heeft kennisgenomen van "een behandelingsplan en de voortgangsrapportage waaronder de medische aantekeningen", maar dat de bij het verzoekschrift overgelegde "Probleemlijst" en "Plannenlijst" niet als zodanig kunnen worden aangemerkt, vooral nu deze stukken te summiere informatie bevatten. Hieraan voegt het middelonderdeel toe dat de rechtbank heeft verzuimd in te gaan op het ter zitting gevoerde verweer dat het behandelingsplan ontbreekt.

5. Vertrekpunt bij de beoordeling van deze klacht is dat ingevolge art. 16 lid 4 Wet Bopz tezamen met een geneeskundige verklaring ten behoeve van een machtiging tot voortgezet verblijf afschriften dienen te worden overgelegd van de medische aantekeningen (als bedoeld in art. 37a) en van het behandelingsplan (als bedoeld in art. 38, nu betrokkene in een verpleegtehuis verblijft, zie art. 37b lid 1(2)).

6. Wat betreft het behandelingsplan blijkt uit het proces-verbaal dat de raadsvrouwe van betrokkene ter zitting heeft volstaan met de opmerking dat dit stuk ontbreekt. De rechtbank heeft in de beschikking hierop gereageerd met de vaststelling dat zij heeft kennisgenomen van een behandelingsplan en de voortgangsrapportage, waaronder de medische aantekeningen. Anders dan de klacht veronderstelt, behoefde die vaststelling niet nader te worden gemotiveerd: de rechtbank heeft klaarblijkelijk de overgelegde "Plannenlijst" als het behandelingsplan aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat de raadsvrouwe heeft toegelicht waarom de bij het verzoekschrift overgelegde bescheiden niet als een behandelingsplan zouden kunnen of mogen worden aangemerkt(3). De vaststelling is evenmin onbegrijpelijk, ook niet als de "Plannenlijst" wordt gelegd naast de inhoudelijke eisen die art. 2 van het Besluit rechtspositieregelen Bopz (Stb. 1993, 561) aan een behandelingsplan stelt. De betrekkelijk summiere inhoud van de "Plannenlijst" dwingt niet tot een andere conclusie. Opmerking verdient nog dat betrokkene lijdt aan Alzheimerdementie in een gevorderd stadium, dat deze ziekte een progressief karakter heeft en dat als gevolg daarvan de inzetbare therapeutische middelen over het algemeen beperkt zijn.

7. In de feitelijke aanleg is geen beroep gedaan op het ontbreken van de medische aantekeningen. De rechtbank heeft blijkbaar de "Probleemlijst" als zodanig aangemerkt en dat (feitelijke) oordeel is in het licht van art. 37a Wet Bopz niet onbegrijpelijk. De slotsom is dat de klacht faalt.

8. Onderdeel II voert aan dat de rechtbank de looptijd van de vorige machtiging met een periode langer dan een jaar heeft verlengd, aangezien de looptijd van de vorige machtiging eindigde op 24 mei 2010 en de thans verleende machtiging eindigt op 30 mei 2011. Daarmee heeft de rechtbank volgens het middelonderdeel miskend dat een machtiging tot voortgezet verblijf voor een duur van maximaal een jaar kan worden verleend en telkens met een zelfde periode kan worden verlengd, althans heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval een machtiging met een looptijd tot en met 30 mei 2011 wordt verleend.

9. Art. 17 lid 3 Wet Bopz bepaalt dat een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis een geldigheidsduur heeft van ten hoogste een jaar na haar dagtekening. Die norm is niet geschonden. De toelichting op de klacht veronderstelt dat de rechtbank de duur van de verleende machtiging had moeten bekorten met de periode die is gelegen tussen het expireren van de vorige machtiging (24 mei 2010) en de verlening van een nieuwe machtiging (31 mei 2010). Van belang is echter, dat het verzoek om een opvolgende machtiging is ingediend voordat de geldigheidsduur van de vorige machtiging was verstreken(4). Wanneer in dat geval na expiratie van de oude machtiging op het verzoek wordt beslist, staat het de rechter vrij de geldigheidsduur van de nieuwe machtiging al dan niet te bekorten. Dit behoeft in beginsel niet te worden gemotiveerd(5). De klacht faalt derhalve(6). Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

10. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Het inleidend verzoekschrift vermeldt, waarschijnlijk bij vergissing, dat betrokkene op dat moment in het verpleeghuis Boswijk te Vught verbleef. In de stukken is sprake van verpleeghuis Oosterhof te 's-Hertogenbosch.

2 De verwijzing naar art. 38a in het verzoek van de Officier van Justitie berust kennelijk op een vergissing.

3 Overigens vermeldt rubriek 5 van de geneeskundige verklaring dat een afschrift van het behandelingsplan en een bericht over de staat van uitvoering daarvan zijn bijgevoegd.

4 De klacht lijkt zich te baseren op HR 19 januari 1996, LJN-index: ZC1969, NJ 1996, 604, m.nt. JdB, waarin het echter ging om een na expiratie van de lopende machtiging ingestelde vordering tot verlening van een voortgezette machtiging.

5 HR 23 februari 1996 (LJN-index: AD2497), NJ 1996, 618, m.nt. JdB. Zie ook: art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz; HR 24 september 1999 (LJN-index: ZC2974), NJ 1999, 753.

6 Overigens: met betrekking tot voortgezet verblijf in een verpleeginrichting, zoals in casu, opent art. 17 lid 4 Wet Bopz de mogelijkheid tot verlening van een machtiging met een maximale geldigheidsduur van 5 jaar indien valt te verwachten dat stoornis en gevaar zich blijven voordoen.