Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN8532

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
10/01606
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8058
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8532
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Echtscheiding en partneralimentatie. Verwerping pensioenverweer; art. 1:153 BW. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1371
PJ 2013/53
JWB 2010/478
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 10/01606

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 24 september 2010 (spoed)(1)

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

Deze zaak, waarin het pensioenverweer van de vrouw aan de orde is alsmede de vraag of tegelijkertijd over de echtscheiding en de nevenvoorzieningen had dienen te worden beslist, leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2009 is op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de behandeling van de nevenverzoeken aangehouden. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 4 november 2009 - op het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie op een bedrag van € 7.389,- bruto per maand vast te stellen - bepaald dat de man € 3.539,- per maand dient te voldoen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Voorts is in die beschikking op het verzoek van zowel de man als de vrouw het huurrecht respectievelijk aan hem en aan haar toe te wijzen, bepaald dat de man de huurder van de echtelijke woning is.

1.2 Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 20 januari 2010, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de door de vrouw bestreden beschikking van 9 september 2009 bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof bij beschikking van 20 april 2010 de eveneens door de vrouw bestreden beschikking van de rechtbank van 4 november 2009, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en - verkort weergegeven - bepaald dat de man de vrouw als uitkering in haar levensonderhoud € 6.638,- bruto per maand dient te betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Het tijdig(2) door de vrouw tegen eerstgenoemde beschikking ingestelde cassatieberoep bevat twee(3) klachten.

1.3 De eerste klacht richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.2 dat het pensioenverweer terecht door de rechtbank is verworpen en klaagt dat het hof art. 1:153 lid 1 BW heeft geschonden en dat gelet op de omstandigheden van het geval een voorziening dient te worden getroffen die ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. Het hof heeft evenwel, aldus de klacht, verzuimd alle relevante omstandigheden in "haar (!) beschikking" op te nemen.

1.4 De klacht faalt.

Het hof heeft - in cassatie niet bestreden - allereerst in de bestreden rechtsoverweging het wettelijk voorschrift van art. 1:153 lid 1 BW vooropgesteld, inhoudende dat het echtscheidingsverzoek niet kan worden toegewezen voordat een voorziening is getroffen, indien de andere echtgenoot het verweer voert dat als gevolg van de echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek tot een echtscheiding heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen.

1.5 Het hof heeft vervolgens - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat het voor de vrouw bestaande vooruitzicht op pensioen als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW wordt gevormd door het door de man bij zijn werkgever opgebouwde pensioen en een risicoverzekering bij Winterthur waarvan de vrouw verzekeringnemer is. Beide vooruitzichten gaan naar het oordeel van het hof niet verloren of worden niet verminderd. In een dergelijk geval behoeft geen voorziening getroffen te worden en komt de rechter, in dit geval het hof, niet toe aan een beoordeling van de omstandigheden die tot een billijke vergoeding zouden moeten leiden. Van een schending van art. 1:153 lid 1 BW is dan ook geen sprake.

1.6 De tweede klacht is gericht tegen de verwerping door het hof van de stelling van de vrouw dat de rechtbank tegelijkertijd had dienen te beslissen over de echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen.

1.7 Ook deze klacht faalt.

Het hof heeft in rechtsoverweging 4.3 terecht vooropgesteld dat indien de echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken, slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden herstel van de band tussen de echtscheiding en nevenvoorzieningen kan plaatsvinden en bewerkstelligd kan worden dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Het hof heeft daarop de door de vrouw gestelde bijzondere omstandigheden genoemd en beoordeeld. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

1.8 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De man heeft in zijn verweerschrift in cassatie om een spoedbehandeling gevraagd.

2 Het verzoekschrift is op 16 april 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

3 De op p. 7 van het cassatieverzoekschrift opgenomen klacht dat "tenslotte de rechtbank Amsterdam in de beschikking van 4 november 2009 ten onrechte de jaarlijkse bonus van de man niet in de draagkracht [heeft] betrokken", is geen cassatieklacht omdat het (a) niet opkomt tegen een oordeel van het hof en (b) zich richt tegen een oordeel dat in dit cassatieberoep niet betrokken is nu de beschikking van de rechtbank van 4 november 2009, waarvan de vrouw in hoger beroep is gekomen, heeft geleid tot de andere beschikking van het hof van 20 april 2010.