Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN8183

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/00815
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG7471
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8183
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; artt. 1:157, 397 BW. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1355
JWB 2010/475
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/00815

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 14 september 2010

CONCLUSIE inzake:

[De man],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. P.J. de Groen,

tegen

[De vrouw],

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. E.C.M. Hurkens.

Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie.

1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: de man, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2008. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, de beschikking van de rechtbank Utrecht van 9 april 2008, waarin deze de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken en een door de man aan de vrouw te verstrekken tijdelijke bijdrage in het levensonderhoud ad € 2.000,- per maand heeft vastgesteld, vernietigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een alimentatie van € 4.092,- per maand aan de vrouw zal voldoen.

2. Het cassatiemiddel bevat twee (hoofd)klachten, die zien op de verdiencapaciteit van de vrouw respectievelijk haar inkomen uit vermogen als door het hof vastgesteld.

3. De eerste klacht is (kennelijk) gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7 dat thans niet te verwachten is dat de vrouw binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Geklaagd wordt dat het hof het begrip "zich in redelijkheid kan verwerven" in de zin van art. 1:157 BW heeft miskend, althans een onvoldoende begrijpelijke of gemotiveerde beslissing ter zake heeft gegeven.

3.1De klacht mist feitelijke grondslag voor zover zij ervan uitgaat (verzoekschrift onder 2.4-2.5) dat in hoger beroep tussen partijen als vaststaand had te gelden dat de vrouw in de Randstad - waar zij tijdens het huwelijk woonde en vanwaar zij na de scheiding naar Friesland is verhuisd - voldoende mogelijkheden had om aanvullende inkomsten te verwerven. Voorts ontbreekt een vermelding van de vindplaatsen in de gedingstukken waar de daarop betrekking hebbende stellingen van partijen zijn aangevoerd, zodat de klacht niet voldoet aan de daaraan ex art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen.

3.2 Dat het hof niet is uitgegaan van de door de klacht voorgestane lezing dat de vrouw in haar beroepschrift (p. 9) tot uitdrukking heeft gebracht dat zij in ieder geval wel in enige mate (aanvullend) in haar behoefte kan voorzien (verzoekschrift onder 2.6 en 2.8), is niet onbegrijpelijk. Voorts ziet deze lezing eraan voorbij dat het hof van belang heeft geacht dat, gelijk de vrouw wel heeft aangevoerd, niet te verwachten is dat zij binnen afzienbare tijd over voldoende verdiencapaciteit beschikt om geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gelet op de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de vrouw nog anderhalf jaar nodig heeft voor de afronding van haar opleiding tot coach, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk 's hofs overweging dat aan zijn oordeel niet afdoet dat de vrouw een afgestudeerde juriste is, gelet op haar leeftijd (57 jaar ten tijde van het wijzen van de beschikking) en het feit dat zij tot op heden geen werkervaring heeft opgedaan op juridisch gebied. Het beroep op het beweerdelijk van algemene bekendheid zijnde feit dat afgestudeerde juristen, ook zij die nog geen juridische werkervaring hebben opgedaan, in ieder geval de kans hebben om binnen afzienbare tijd enige inkomsten te verwerven, baat het middel niet; onjuist noch onbegrijpelijk is dat het hof zich heeft gebaseerd op het debat dat partijen op het punt van de voor de vrouw in onderhavig geval werkelijk bestaande mogelijkheden hebben gevoerd, en niet op het (beweerdelijke) bestaan van een kans in algemene zin. Het beroep op vermeende maatschappelijke opvattingen omtrent het langer betaald blijven werken van ouderen (verzoekschrift onder 2.9) faalt reeds omdat niet wordt aangegeven waar deze stelling naar voren is gebracht.

3.3 Voor zover het middel klaagt dat het hof op grond van het feit dat de vrouw een eigen onderneming heeft gehad - en derhalve over werkervaring beschikt - tot een ander oordeel had moeten komen (verzoekschrift onder 2.10 en 2.11 sub b)), faalt het reeds omdat het geen vindplaatsen van de betreffende stellingen in feitelijke instanties vermeldt. Voorts miskent de klacht dat de weging van dergelijke feiten en omstandigheden is voorbehouden aan de feitenrechter, aan wie bij de beoordeling van een verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ex art. 1:157 lid 1 jo. art. 1:397 lid 1 BW een grote mate van vrijheid toekomt; oordelen terzake zijn derhalve beperkt vatbaar voor toetsing in cassatie.(1) Dit geldt ook voor het beweerdelijk vaststaande feit dat de vrouw geen medische of andere beperkingen heeft (verzoekschrift onder 2.10).

3.4 Het verwijt dat het hof voor wat betreft de verdiencapaciteit van de vrouw nader onderzoek had moeten doen (verzoekschrift onder 2.11 sub a)) miskent dat de vrouw naar het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof voldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat zij op korte termijn niet in staat is geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien, en gaat voorts uit van een op de rechter rustende onderzoeksplicht die geen steun vindt in het recht.

3.5 Anders dan het middel stelt (verzoekschrift onder 2.12), is, gelet op het ontbreken van verdiencapaciteit, de (beperkte) omvang van de door het hof vastgestelde aanvullende behoefte - waarmee wordt gedoeld op de vastgestelde behoefte voor zover daarin niet wordt voorzien door de pensioenaanspraak van de vrouw - niet relevant.

4. De tweede klacht komt op tegen de berekening van het vermogen van de vrouw en de op basis van dit vermogen door het hof becijferde jaarlijks rente-inkomsten in rov. 4.8.

4.1 De klacht mist feitelijke grondslag voor zover zij het hof verwijt (verzoekschrift onder 3.2) dat het ervan uitgaat dat van de aan de vrouw uitgekeerde overwaarde van de voormalige echtelijke woning ad € 623.677 nog een vermogen resteert van € 150.000; blijkens rov. 4.8 is het hof uitgegaan van een resterend vermogen van € 223.677. Hetzelfde geldt waar de klacht ervan uitgaat (verzoekschrift onder 3.2 en 3.4) dat het hof van oordeel is dat de vrouw in redelijkheid € 400.000 uitgeeft aan de verbetering van de nieuwe woning en de aanschaf van inboedelgoederen; het hof heeft immers vastgesteld dat de vrouw € 225.000 heeft afgelost op de hypothecaire lening en € 25.000 aan meerwerk heeft besteed, en heeft het redelijk geacht om voor het plaatsen van een keuken en badkamer en voor de complete inrichting van de woning rekening te houden met een bedrag van € 150.000. Gelet op de omvang van de woning, de uit de door het hof vastgestelde feiten blijkende welstand van partijen tijdens het huwelijk en de door het middel aangehaalde stelling van de vrouw dat zij voornemens is een praktijkruimte in het pand in te richten, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, te meer niet indien wordt bedacht dat de vrouw de betreffende kosten had begroot op € 400.000. De onder 3.3 van het verzoekschrift opgenomen motiveringsklacht stuit daarop af.

5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het middel niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. De conclusie strekt mitsdien tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Vgl. (onder meer) HR 19 oktober 2007, LJN BA5803, NJ 2007, 563; HR 22 september 2006, LJN AX8848, NJ 2006, 520; HR 24 november 1995, LJN ZC1896, NJ 1996, 260 en HR 25 november 1977, LJN AC6115, NJ 1978, 359.