Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN8060

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
10/01646
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2010:BM1226
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling. Afwijzing op de in art. 288 lid 2, onder b, F. neergelegde grond. Voorafgaande schuldbemiddeling verricht door stichting die niet is aangewezen op de voet van art. 48 lid 1, onder d, Wck, noch door de gemeente is gemandateerd als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, F. Hoezeer de stichting ook, gelet op art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wck, wettelijk bevoegd is geweest bedrijfsmatig voor verzoekers schuldbemiddeling te verrichten, het hof heeft haar terecht niet aangemerkt als een persoon of instelling, bedoeld in art. 48 lid 1 Wck, waarnaar art. 288 lid 2, onder b, verwijst. Er bestaat bovendien geen grond als toereikend te aanvaarden dat de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, wordt afgegeven door de stichting, die niet is gemandateerd door het college van burgemeester en wethouders.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op het consumentenkrediet 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1327
NJ 2011/32 met annotatie van P. van Schilfgaarde
NJB 2010, 2101
JWB 2010/467
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 10/01646

mr. Wuisman

Parketdatum: 17 september 2010

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker 1] en [verzoekster 2],

verzoekers tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Verzoekers tot cassatie, die met elkaar zijn gehuwd en samen drie kinderen hebben, hebben ieder bij een op 25 november 2009 bij de griffie van de rechtbank Almelo binnengekomen verzoekschrift om toelating tot de schuldsaneringregeling verzocht. Bij de verzoekschriften zijn verklaringen als bedoeld in artikel 285, lid 1 sub f Fw gevoegd, waarin de vraag of een minnelijk traject is gestart, zonder opgaaf van redenen met 'nee' wordt beantwoord. De rechtbank heeft de verzoeken bij vonnis d.d. 26 januari 2010 afgewezen, na een mondelinge behandeling op 19 januari 2010. De rechtbank overweegt daartoe dat haar uit de verschafte informatie onvoldoende is gebleken dat een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) namens verzoekers een poging heeft gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling met de schuldeisers te komen. Deze omstandigheid levert krachtens artikel 288, lid 2 sub b Fw een afwijzingsgrond op.

1.2 Verzoekers tot cassatie zijn van het vonnis bij het gerechtshof te Arnhem in appel gekomen. In het appelschrift wordt aangevoerd dat weliswaar de Stadsbank Oost Nederland zelf geen inspanningen heeft verricht om een buitengerechtelijke schuldregeling te bereiken, maar dat dit traject wel is verzorgd door de aan een kerkgemeenschap gerelateerde Stichting Quadrans in de persoon van [betrokkene 1]. Die stichting, zo wordt gesteld, verleent al 15 jaar in goede samenwerking met de Stadsbank en andere aangewezen schuldregelingsinstellingen hulp bij schuldsaneringen. Afschriften van brieven die betrekking hebben op de poging van de Stichting om ten behoeve van verzoekers tot cassatie tot een regeling in der minne van de schulden te komen, zijn als bewijs van de poging in het geding gebracht. Nadat de poging niet succesvol was gebleken, is het dossier overgedragen aan de Stadsbank, die de bij de rechtbank ingediende verzoekschriften en de schuldsaneringsverklaringen heeft opgesteld.

1.3 Verzoekers tot cassatie, bijgestaan door hun raadsman mr. Smit, en [betrokkene 1] worden op een op 1 april 2010 gehouden zitting gehoord. Blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal verklaart mr. Smit dat Stichting Quadrans niet is gecertificeerd of gemandateerd om het schuldsaneringstraject voor de gemeente te doen, en [betrokkene 1] dat de Stichting alles in overleg met de Stadsbank doet en dat al 15 jaar en dat de Stadsbank ten onrechte bij de vraag of een minnelijk traject is gestart het antwoord 'nee' heeft aangekruist. In een op 8 april 2010 uitgesproken arrest bekrachtigt het hof het bestreden vonnis van de rechtbank. Daartoe overweegt het hof onder meer: "Het hof is van oordeel dat [verzoekers] niet kunnen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Gebleken is immers dat een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw ontbreekt en dat de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK, nu Stichting Quadrans geen gecertificeerde instelling is als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder d WCK. Het feit dat Stichting Quadrans de bemiddeling om niet heeft uitgevoerd maakt dat, gelet op de doelstelling van artikel 288 lid 2 onder b Fw - te weten dat schuldenaren een erkend en professioneel schuldhulpverleningstraject doorlopen alvorens toegelaten te kunnen worden in het wettelijke traject - niet anders. Dat de WCK schuldbemiddeling om niet (als activiteit) toestaat, neemt derhalve niet weg dat de instellingen die bedrijfsmatig schuldbemiddeling uitvoeren, ervoor moeten zorgen dat zij als 'persoon of instelling' aan de eisen van artikel 48 lid 1 sub b, c of d moeten voldoen, wil hun voorwerk ook kwalificeren als een poging bedoeld in artikel 288 lid 2 onder b Fw" (rov. 3.5) .

1.4 Verzoekers tot cassatie zijn van het arrest van het hof met een op 16 april 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift in cassatie gekomen, hetgeen - gelet op artikel 292 lid 3 Fw - tijdig is.

2. Bespreking cassatiemiddel

De klacht

2.1 Uit hetgeen met name onder 4 t/m 5 van het verzoekschrift naar voren wordt gebracht, valt de klacht te distilleren dat het hof in rov. 3.5 de inspanningen van Stichting Quadrans om ten behoeve van verzoekers tot cassatie tot een minnelijke regeling met hun schuldeisers te komen ten onrechte niet opvat als een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling 'uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Wet op het consumentenkrediet'. De Stichting verleent immers schuldbemiddeling om niet en doet dat voorts met volledig medeweten en volledige instemming van de gemeente. Een aldus opererende stichting dient als een op de voet van artikel 48 WCK tot schuldbemiddeling toegelaten instantie te worden aangemerkt. Dit laatste artikel biedt daartoe ook de ruimte, aangezien het in lid 1 sub a schuldbemiddeling om niet toestaat.

Inleidende opmerkingen

2.2 Ingevolge artikel 285, lid 1 sub f Fw moet bij het verzoekschrift houdende het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten als bijlage worden bijgevoegd een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Deze verklaring dient te zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar of, op basis van een mandaat van genoemd college, door een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of door een krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, WCK aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon. Dit betekent dat aan een verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling dient te zijn voorafgegaan. Doel hiervan is het gebruik van het wettelijke traject te beperken.((1)) In aansluiting hierop wordt in artikel 288, lid 2 sub b Fw als grond voor afwijzing van een verzoek om tot de schuldsaneringsregeling genoemd: "indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet." Deze omschrijving van de personen of instellingen van wie een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling geaccepteerd wordt, is ruimer dan de omschrijving in artikel 285, lid 1 sub f Fw van hen die gerechtigd zijn tot afgifte van de verklaring inzake de poging.((2))

2.3 In artikel 48 lid 1 WCK is op het in artikel 47 WCK voorziene verbod van het zich op beroeps- of bedrijfsmatige wijze verrichten van schuldbemiddeling((3)) een uitzondering gemaakt voor schuldbemiddeling: a. om niet; b. door gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden; c. door advocaten, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet aangesteld, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountantsadministratieconsulenten; d. door natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur.

2.4 De bepaling in artikel 288, lid 2 sub b Fw is ingevoerd bij de per 1 januari 2008 van kracht geworden Wet d.d. 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringregeling natuurlijke personen, Stb 2007, nr. 192. De verwijzing naar artikel 48 lid 1 WCK in de bepaling impliceert dat een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling, die niet is uitgevoerd in een beroeps- of bedrijfsmatig verband door een persoon of instelling die in artikel 48 lid 1 WCK wordt genoemd, niet is te beschouwen als een poging waarop toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan volgen, zodat afwijzing van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten dient te volgen. De bepaling is voortgekomen uit amendement 20, dat tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer van de zojuist genoemde wet is ingediend door de leden Noorman-Den Uyl, Weekers en Huizinga-Heringa. Achter het stellen van de eis van uitvoering van de minnelijke schuldregeling door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK steekt het oogmerk om de kwaliteit van en daarmee ook het vertrouwen in de buitengerechtelijke schuldenregeling te verhogen, zodat ook daadwerkelijk bereikt wordt dat in (veel) grotere mate schuldproblematiek in dat stadium en niet pas in het wettelijke traject tot oplossing wordt gebracht.((4)) In een brief van 27 oktober 2005 aan de voorzitter van de Tweede Kamer ontraadt de minister van justitie evenwel het amendement. Als reden hiervoor voert de minister aan dat in het amendement tot uitgangspunt wordt genomen schuldbemiddeling op de voet van 48 WCK. In dat artikel is alleen sprake van schuldbemiddeling door personen die optreden in de uitoefening van beroep of bedrijf. Hierdoor zal bijstand van een buurman, familielid, kerkelijke instelling of de werkgever zijn waarde verliezen.((5)) Het amendement wordt niettemin aangenomen.((6))((7))

2.5 Met het streven om de kwaliteit van schuldbemiddeling te verhogen houdt ook verband de bepaling in lid 2 van artikel 48 WCK die voorziet in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur de eis te stellen van een certificaat voor de verlening van schuldbemiddeling door de in lid 1 van dat artikel genoemde personen. Deze bepaling gaat terug op een enige malen aangepast amendement, dat de kamerleden Huizinga-Heringa, Noorman-Den Uyl en Weekers tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer van de hierboven al genoemde wet van 24 mei 2007, Stb 2007, nr. 192 hebben ingediend. Aanvankelijk wordt voorgesteld de eis van een certificaat voor schuldbemiddeling rechtstreeks in de wet neer te leggen, maar later wordt dit voorstel in die zin gewijzigd dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eis van een certificaat voor schuldbemiddeling kan worden gesteld.((8)) Met deze wijziging is tegemoetgekomen aan de wens van de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid om eerst ruimte te laten voor een reeds lopend overleg over een regeling van certificering op vrijwillige basis en pas op een regeling daarvan bij wet (AMvB) terug te vallen, indien dat overleg geen resultaat oplevert.((9))

Er zijn intussen onder auspiciën van het Nederlands Normalisatie-instituut door een normencommissie, waarin vertegenwoordigers van diverse bij schuldhulp betrokken organisaties zitting hebben, twee groepen NEN-normen ontwikkeld: NEN 8048-1 (eisen te stellen schuldhulporganisaties) en NEN 8048-2 (eisen te stellen aan hulpverleners).((10)) Aan de hand van de opgestelde normen kan de gewenste certificering worden uitgevoerd. Of dan wel in welke mate die certificering ook daadwerkelijk in de praktijk plaats zal gaan vinden, is nog onduidelijk. Er zijn de nodige kosten aan verbonden.((11))

2.6 Er is van 4 juli 1998 tot 4 juli 2000 een AMvB van kracht geweest als bedoeld in artikel 48, lid 1 sub d WCK, waarin de natuurlijke personen of rechtspersonen of categorieën daarvan worden aangewezen die zich beroeps- of bedrijfsmatig bezig mogen houden met schuldbemiddeling. De geldigheidsduur van deze AMvB is niet verlengd. In een brief van 19 oktober 2007 aan de Tweede Kamer deelt de staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid het volgende mee: "Het kabinet heeft het voornemen om een AMvB onder de wet op het consumentenkrediet vast te stellen op grond waarvan onder een aantal strikte voorwaarden private schuldhulpverleners wordt toegestaan vergoedingen voor schuldbemiddeling aan schuldenaars te vragen. Zoals gemeld zijn private partijen momenteel bezig in een normcommissie om normen te ontwikkelen voor schuldhulpbemiddeling. Deze normen zullen certificering van schuldhulpverleners mogelijk maken. De bovenbedoelde AMvB wordt pas opgesteld nadat de normen zijn vastgesteld door de normcommissie."((12)) Op vragen over wantoestanden in de schuldhulpverlening, die op 21 januari 2010 door het kamerlid Karabulut zijn ingediend, meer in het bijzonder op vraag 9, hebben zojuist genoemde staatssecretaris en de ministers van justitie en van financiën onder meer geantwoord: "Het kabinet heeft (kamerstukken II 2007/2008, 24 515, nr. 119) het voornemen kenbaar gemaakt om het mogelijk te maken dat partijen onder voorwaarden schuldbemiddeling tegen een gemaximeerde vergoeding aanbieden. (......) De verwachting is dat nog dit jaar een AMvB inwerking kan treden waarin dit geregeld wordt." ((13)) Bij navraag is evenwel gebleken dat er thans nog geen ontwerp-AMvB bij de ministerraad ligt. Het is derhalve geheel onduidelijk wanneer op de komst dan wel inwerkingtreding van de AMvB kan worden gerekend.

2.7 Het voorgaande laat zich als volgt samenvatten. Ingevolge artikel 288, lid 1 sub b Fw dient het verzoek om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten te worden afgewezen, indien voorafgaande aan het verzoek niet een poging is gedaan om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling of, indien die poging wel is gedaan, deze niet is uitgevoerd in een beroeps- of bedrijfsmatig verband door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK. Achter de eis van uitvoering van de poging door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK steekt de overweging dat de in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling te verlenen schuldhulp ook van behoorlijke kwaliteit behoort te zijn. Dan krijgt ook dat traject het vertrouwen van schuldeisers, hetgeen noodzakelijk is om te bereiken dat meer schuldenproblematiek buiten het wettelijke traject tot oplossing wordt gebracht. Dat is één van de doeleinden van de per 1 januari 2008 van kracht geworden wijzigingen van de regeling van de schuldsaneringsregeling in de faillissementswet. Tot 'de persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK' horen ook de bij AMvB aan te wijzen natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel categorieën daarvan (sub d van lid 1). Na het vervallen in juli 2000 van een AMvB met een tijdelijk regeling is het tot op heden nog niet tot een nieuwe AMvB gekomen. Afgewacht is het overleg over de ontwikkeling van kwaliteitsnormen aan de hand waarvan certificering kan plaats vinden. Dat overleg heeft op zichzelf inmiddels geresulteerd in de formulering van twee groepen NEN-normen. Daarmee is de kans op de komst van de AMvB vergroot, maar omtrent de datum van het in werking treden van de AMvB bestaat nog immer onzekerheid.

De klacht nader beschouwd

2.7 In artikel 48 lid 1 WCK wordt onder a schuldbemiddeling ook toegelaten, indien deze om niet wordt verleend. Hierop wordt in de klacht een beroep gedaan ten betoge dat het hof ten onrechte de poging van Stichting Quadrans om voor verzoekers tot cassatie een buitengerechtelijke schuldenregeling te bereiken niet heeft beschouwd als een poging waarop toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan volgen. Het hof ziet in rov. 3.5 evenwel in dat gegeven geen aanleiding om de door de Stichting gedane poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen als aanvaarbaar te achten voor het honoreren van het verzoek verzoekers tot cassatie om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Met het enkele feit dat de schuldbemiddeling om niet is verleend, is nog niet gegeven dat dat handelen beantwoordt aan de doelstelling van artikel 288, lid 2 onder b Fw, te weten dat de schuldenaren een erkend en professioneel schuldhulpverleningstraject doorlopen alvorens tot het wettelijke traject te kunnen worden toegelaten. Gelet op wat hierboven is opgemerkt over de parlementaire geschiedenis van artikel 288, lid 2 sub b Fw geeft het hof hiermee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uit die parlementaire geschiedenis blijkt dat de koppeling tussen artikel 288, lid 2 sub b Fw en 48 lid 1 WCK is gemaakt teneinde te bewerkstelligen dat de kwaliteit van de schuldhulp in het kader van het tot stand brengen van buitengerechtelijke schuldregelingen zou worden verhoogd door dat werk alleen te laten verrichten door personen en instellingen die over voldoende kwaliteiten daarvoor beschikken. Uit het enkele feit dat de schuldhulp om niet is verleend, volgt nog niet dat de verleende hulp aan de vereiste kwaliteit voldoet. Anders gezegd, de verwijzing in artikel 288, lid 2 sub b Fw naar lid 1 van artikel 48 WCK dient voor zonder betekenis te worden gehouden, voor zover die verwijzing zich uitstrekt tot lid 1 sub a van artikel 48 WCK.

2.8 Het is intussen op zichzelf niet uitgesloten dat een poging tot het tot stand brengen van een buitengerechtelijke schuldregeling wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die niet valt onder de opsomming van personen en instellingen in lid 1 sub b t/m d van artikel 48 WCK maar wel dezelfde kwaliteiten om een poging tot een buitengerechtelijke regeling uit te voeren heeft als de in lid 1 sub b t/m d van artikel 48 WCK opgesomde personen. Zou moeten worden aangenomen dat met het oog op een dergelijk geval de wet toch de ruimte biedt voor toelating tot de wettelijke schuldsanering? Die vraag lijkt, in ieder geval in beginsel, ontkennend te moeten worden beantwoord.((14)) Het aanvaarden van ruimte voor het maken van een uitzondering voor een geval als zojuist genoemd roept voor de toepassing van artikel 288, lid 2 sub b Fw lastige vragen op. Aan de hand van welke criteria beoordeelt de rechter in een concreet geval of de betrokken persoon of instelling over de vereiste kwaliteiten beschikt? Bovendien, krijgt de rechter wel bij een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling de beschikking over voldoende informatie om verantwoord te kunnen beoordelen of de betrokken persoon of instelling over de vereiste kwaliteiten beschikt? Hoe wordt verder de uniformiteit in de beoordeling van de aanwezigheid van voldoende kwaliteiten verzekerd? Het is ongewenst dat een persoon of instelling door de ene rechter voldoende gekwalificeerd wordt geoordeeld en door de andere niet. Om de toepassing van artikel 288, lid 2 sub b Fw door de rechter met zulke problemen te belasten lijkt geen aanbeveling te verdienen. Het past ook minder bij de bedoeling van de wetgever dat de rechter de juistheid van de inhoud van de verklaring van artikel 285 lid 1, sub f, Fw gaat toetsen. Indien men niettemin toch een uitzondering zou willen toelaten dan zal die, zo schijnt het toe, toch hooguit kunnen worden aanvaard voor het geval waarin het echt duidelijk is dat de betrokken persoon of instelling handelt niet alleen in opdracht maar ook onder toezicht en conform de regels van een persoon of instelling genoemd sub b en c van lid 2 van artikel 288 Fw. De betrokken persoon of instelling is dan te beschouwen als een gecontroleerd verlengstuk van deze persoon of instelling.

2.9 Het zojuist gestelde betekent dat ook het beroep van verzoekers tot cassatie op het feit dat Stichting Quadrans met volledig medeweten en volledige instemming van de gemeente al zo'n vijftien jaar schuldbemiddeling aanbieden niet kan baten. Zelfs indien er al ruimte voor het maken van een uitzondering zou zijn, dan leveren de zojuist genoemde omstandigheden toch niet een genoegzame basis op voor het aanvaarden van een uitzondering op het bepaalde in artikel 288 lid 2 sub b Fw. Het hof oordeelt in rov. 3.6 dan ook niet onterecht dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de verzoeken van [verzoekers] desondanks zouden moeten worden toegewezen, niet is gebleken.

2.10 Het voorgaande voert tot de slotsom dat de aangevoerde klacht faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. De bepaling inzake het verstrekken van informatie over het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling kwam vóór 1 januari 2008 voor in artikel 285, lid 1 sub e Fw. Zij is bij de op 1 december 1998 in werking getreden wet van 25 juni 1998, Stb. 445 in de faillissementswet opgenomen onder f van datzelfde artikel. Zie voor het oogmerk van de bepaling Kamerstukken II 1997/1998, 25 672, nr. 3 (MvT), blz. 1 en 4.

2. Bij deze discrepantie wordt stilgestaan in de conclusie in de zaak,10/01646, die op dezelfde dag is genomen als waarop de voorliggende conclusie is aangeboden.

3. In artikel 47 wordt schuldbemiddeling als volgt omschreven: "het in de uitoefening van een bedrijf of beroep, anders dan door het aangaan van een krediettransactie, verrichten van diensten gericht op de totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijke persoon, die geheel of gedeeltelijk voortvloeit uit een of meer krediettransacties."

4. Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nr. 20H. Het amendement wordt als volgt toegelicht: "Dit amendement zorgt ervoor dat de schuldenaar verplicht is eerst een minnelijke regeling te volgen bij een daarvoor aangewezen instantie. Hierdoor wordt geregeld dat de schuldenaar < er klaar voor is>. En om er voor te zorgen dat het minnelijke traject daadwerkelijk versterkt wordt, alvorens men start aan het wettelijke traject." Zie ook Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nr. 35 (verslag van een wetgevingsoverleg op 16 oktober 2006), waar op blz. 7 als uitlating van Noorman-Den Uyl staat vermeld dat er op het vlak van schuldhulpbemiddeling 'onnoemelijk veel mis is' en verder: "De minnelijke regeling op grond van de Wsnp zou substantieel moeten worden verbeterd. (...) Het is belangrijk dat partijen die gebruik maken van de regeling, en uitvoerders zoals de NVVK en private organisaties zich houden aan de certificering. Zij moeten daarop kunnen worden gecontroleerd en er verantwoording over afleggen. Dit verbetert de kwaliteit, wat bij de schuldeisers nieuw vertrouwen kan wekken." Deze laatste gedachte wordt ondersteund door H.D.L.M. Schruer in haar bijdrage Wetswijziging Wsnp: een hoger slagingspercentage in het minnelijke traject vraagt vooral om inzet van schuldhulpverlenende organisaties in Tijdschrift Schuldsanering 2008/1, blz. 6, 7 en 8.

5. Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nr. 33, bespreking van amendement nr. 20. Zie ook B. Engberts, Tijdschrift Schuldsanering 2007/3, blz. 5 linker kolom, die daar steun aan de minister betuigt.

6. Kamerstukken II, Handelingen 2006/2007, blz. 1462. Het vraagpunt kwam ook in de Eerste Kamer ter sprake; zie Kamerstukken I 2006/2007, 29 942, nr. B (Voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie), blz. 4, waar de vraag aan de minister wordt vermeld om een oplossing in de praktijk aan te geven voor de ongewenste inperking van de kring van personen die hulp kunnen bieden, en kamerstukken I 2006/2007, 29 942, nr. C (MvA), blz.12. De minister suggereert een oplossing via de Recofa-richtlijnen, maar oppert verder dat de nieuwe Insolventiewet de gelegenheid zal bieden om het vraagpunt opnieuw te bezien. In de Recofa-richtlijnen is niet in een oplossing voorzien.

7. Zie over artikel 288, lid 2 sub b Fw nader: B.Wessels, Insolventierecht, deel IX, 2009, nr. 9067i; Losbladige Kluwerbundel Faillissementswet, deel 2, Titel III (H.H. Lammers), artikel 288, aantekeningen 8.2 t/m 8.2.4.

8. Zie Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nrs. 15, 27 en 32.

9. Zie Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nr. 35 (verslag van een wetgevingsoverleg op 16 oktober 2006), blz. 25 en 28.

10. Over de NEN-normen en de achtergrond ervan is meer informatie te verkrijgen via de website van Nederlands Normalisatie-instituut (www.NEN8048.nl en www.NEN8048-2.nl).

11. Zie over dit kostenaspect J. van Rossen, Opleiding en kosten voor NEN-certificering, Tijdschrift Schuldsanering 2010/1, blz. 3 e.v.

12. Zie Kamerstukken II 2007/2008, 24 515 (dossier Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting), nr. 119, blz. 12.

13. Kamerstukken II 2009/2010, Handelingen, aanhangsel 1637.

14. In die zin wordt ook geoordeeld door: Rb Arnhem 4 februari 2008, LJN BC5512, met een annotatie in Tijdschrift Schuldsanering 2008/4, blz. 37 e.v.; Hof Arnhem 10 april 2008, LJN BD3935; Rb Maastricht 15 juli 2008, LJN BD8244, met een annotatie in Tijdschrift Schuldsanering 2009/3, blz. 35 e.v.; Hof 's-Hertogenbosch 25 september 2008, LJN BG3774.