Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN8059

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
10/01928
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Ontbreken goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1, aanhef en onder b, F. Art. 81 RO.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1356
JWB 2010/473
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 10/01928

mr. Wuisman

Parketdatum:17 september 2010

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. G. van der Steen.

1. Inleiding

1.1 Bij vonnis van 30 maart 2010 heeft de rechtbank Almelo het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering afgewezen - kort gezegd - omdat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest. Dit oordeel heeft met name betrekking op een schuld uit een kredietovereenkomst van 2001 met toen Unigarant, thans CMV Bank.

1.2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 26 april 2010 plaatsgevonden. Bij arrest van 3 mei 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het verzoekschrift bevat drie cassatiemiddelen.

2.2 Het eerste middel betoogt dat het hof de schuld bij Unigarant/CMV Bank in het kader van de schuldsaneringsregeling buiten beschouwing had moeten laten vanwege het feit dat deze reeds in 2001 is aangegaan en derhalve buiten de vijfjaarstermijn zoals opgenomen in art. 288 lid 1, sub b, Fw valt.

2.3 Anders dan het middel acht het hof voor de beoordeling van de goeder trouw van de schuldenaar niet reeds beslissend het tijdstip waarop de schuld is ontstaan. Het hof acht ook de periode daarna van belang voor zover het gaat om het (betalings)gedrag van de schuldenaar ten aanzien van de schuld in die periode. Het hof heeft in rov. 3.4 overwogen dat de schuld van [verzoeker] aan Unigarant/CMV Bank weliswaar in 2001 is ontstaan en dat hij daarop heeft afgelost, maar dat hij deze bedragen later weer heeft opgenomen en dat hij de ontslagvergoeding, die hij in 2006 verkreeg, had moeten aanwenden om zijn schulden af te lossen in plaats van te gebruiken voor consumptieve bestedingen als een vakantie in Brazilië. Het hof concludeert aan het slot van rov. 3.4, dat het onbetaald gebleven zijn van de schuld vanaf 2006 hem te verwijten valt. Het hof geeft door ook het betalingsgedrag na het ontstaan van de schuld relevant te achten voor de beoordeling van de geode trouw geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het woordje 'of' in artikel 288, lid 1, sub b, Fw staat daaraan niet in de weg; zie de conclusies, telkens § 2.3, van A-G Keus voor HR 27 februari 2009, LJN BG9913, RvdW 2009, nr. 378 en HR 27 februari 2009, LJN: BH4164, RvdW 2009, nr. 379 en verder B. Wessels, Insolventierecht, IX, 2009, nr. 9066s.

2.4 Het tweede middel voert aan dat het hof de vraag of [verzoeker] de schuld aan CMV Bank vanaf 2006 te goeder trouw onbetaald heeft gelaten, op een onjuiste grondslag beoordeelt en dus ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat [verzoeker] niet te goeder trouw is bij het onbetaald laten van de schuldenlast. [Verzoeker] is van mening dat het hof ten onrechte ex nunc (terugblikkend) heeft getoetst of [verzoeker] te goeder trouw was in plaats van ex tunc (vanuit wat [verzoeker] in 2006 kon voorzien of verwachten). Zijn dienstverband was toen wel geëindigd maar in het verleden had hij altijd weer snel een nieuwe werkgever gevonden, en de bestaande kredietschuld was niet direct opeisbaar. Bij het gebruik van de ontslagvergoeding voor consumptieve bestedingen heeft niet de bedoeling voorgezeten om schuldeisers te benadelen.

2.5 Krachtens art. 288 lid 1 sub b Fw kan het verzoek tot schuldsanering alleen worden toegewezen, indien door de schuldenaar aannemelijk is gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest. Of dit laatste het geval is geweest dient beoordeeld te worden naar de omstandigheden van het geval. Dit laatste brengt mee dat het oordeel omtrent de goede trouw-eis slechts beperkt toetsbaar is in cassatie.

2.6 Het hof neemt in rov. 3.4 in aanmerking dat [verzoeker] in 2006 én zonder werk was én al schulden had, waaronder een zeer aanzienlijke schuld aan CMV Bank. Dan is het besteden van de ontslagvergoeding voor aanzienlijke uitgaven op het consumptieve vlak, zoals voor een vakantie naar Brazilië, niet op zijn plaats. Met dit oordeel, dat strookt met wat [verzoeker] zelf bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank over zijn betalingsgedrag opmerkt, geeft het hof er blijk van voor de beoordeling van de goede trouw van [verzoeker] van de schuld aan CMV Bank te zijn uitgegaan van de omstandigheden in 2006. Van een beoordeling ex nunc is dus geen sprake. In zoverre faalt het tweede middel wegens gemis aan feitelijke grondslag.

Het hof neemt naast de zojuist genoemde omstandigheden ook nog in aanmerking dat [verzoeker] zijn stelling dat hij veelvuldig heeft gesolliciteerd niet met stukken heeft onderbouwd. Daarmee geeft het hof te kennen dat [verzoeker], voor zover hij voor zijn goede trouw een beroep doet op genoegzame inspanningen om weer aan een baan te komen om zo in staat te geraken de bestaande schulden af te lossen, ook in het aannemelijk maken daarvan niet is geslaagd.

Het is in het licht van de door het hof vermelde omstandigheden niet onbegrijpelijk dat het hof de vereiste goede trouw door [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt acht.

2.7 Kortom, het tweede middel treft ook geen doel.

2.8 Het derde middel bouwt geheel voort op het eerste en tweede middel en moet daarom het lot daarvan delen.

3. Conclusie

Geconcludeerd wordt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 10 mei 2010, dus met inachtneming van de in art. 292 lid 3 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen