Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN7735

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
09/01380 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN7735
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvrage gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1394
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01380 H

Mr. Vegter

Zitting: 14 september 2010

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Aanvrager van herziening is bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 10 september 2007 wegens 1. primair "poging tot zware mishandeling" en 2. "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf met aftrek en een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. W.B. Teunis, advocaat te 's-Gravenhage.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling. De destijds aangehouden persoon zou zich voor aanvrager hebben uitgegeven.

4. Ter onderbouwing van de aanvrage wordt het volgende aangevoerd:

1) aanvrager was in de periode van zowel de pleegdatum, te weten 28 oktober 2006, als ook op de zittingsdatum, 10 september 2007, ziek;

2) uit het politieproces-verbaal (prod. 1) betreffende de feiten blijkt dat bij de personalia het GBA-nummer niet is geverifieerd (prod. 3);

3) de onder de verklaring van de verdachte geplaatste handtekening lijkt niet op de handtekening van aanvrager op zijn, in kopie overgelegde, verblijfsdocument (prod. 4);

4) aanvrager kan de feiten niet hebben gepleegd, omdat hij mank loopt en slecht ter been is;

5) uit het proces-verbaal blijkt niet dat de identiteit van de verdachte is gecontroleerd door middel van een verblijfsdocument, paspoort, vingerafdrukken, foto o.i.d.;

6) een eerder herzieningsverzoek is door de Hoge Raad gegrond verklaard (prod. 5) en heeft geleid tot vrijspraak door het Hof (prod. 6);

7) in een andere zaak, waarvan het politieproces-verbaal in kopie (prod. 7) bij de aanvrage is overgelegd, heeft ook een persoon zich uitgegeven voor aanvrager; deze persoon heeft zich als slachtoffer gevoegd; dit dossier bevat een foto van deze persoon (prod. 8), die geen enkele gelijkenis vertoont met een eveneens overgelegde foto (prod. 9) van aanvrager;

8) en ook de handtekening van deze zich voor aanvrager uitgevende persoon (prod. 10) lijkt niet op de handtekening van aanvrager zoals op zijn verblijfsdocument gesteld.

5. Het hierboven onder 1) weergegevene vormt geen onderbouwing voor de aanvraag. De enkele opmerking dat aanvrager op de pleegdatum ziek was, kan zelfstandig noch in samenhang met het overig aangevoerde tot een nader onderzoek leiden. En de opmerking dat aanvrager op de zittingsdatum ziek was heeft niet veel betekenis. Uit het dossier volgt dat de inleidende dagvaarding voor de zitting op 10 september 2007 op 8 augustus 2007 in persoon is uitgereikt aan aanvrager. Hij had derhalve een maand om contact te zoeken met een advocaat om ter zitting duidelijk te maken dat hij niet de juiste persoon was, bijvoorbeeld met mr. Teunis, die hem bij een eerdere herziening ook had bijgestaan. En aanvrager had hoger beroep in kunnen stellen.

6. Het onder 2) aangevoerde strookt met hetgeen in het politieproces-verbaal staat, doch het komt mij voor dat als het GBA-nummer wel geverifieerd was, dit niet veel verschil zou hebben gemaakt, omdat de verdachte zich bediende van de personalia (zij het dat de geboortedatum niet geheel klopte) van aanvrager.

7. Wat betreft het aangevoerde zoals hierboven onder 3) weergegeven: inderdaad tonen bedoelde handtekeningen, ook voor mijn lekenoog, geen gelijkenis. Ik heb voor de volledigheid maar meteen de handtekening van prod. 10 vergeleken met de andere handtekeningen; ook deze handtekening vertoont geen gelijkenis met de handtekening van aanvrager zoals op zijn verblijfsdocument gesteld. Ik twijfel echter over de gelijkenis tussen de handtekening van de verdachte in het als prod. 1 overgelegde politieproces-verbaal en de handtekening van het zich [aanvrager] noemende slachtoffer onder de als prod. 10 overgelegde verklaring. Mijn lekenoog meent ook daar verschil in te zien.

En dan is er nog de handtekening het zich [aanvrager] noemende slachtoffer op het "aanvraagformulier medische informatie" (prod. 7, proces-verbaal p. 83). Mijns inziens vertoont deze handetekening met geen van de andere handtekeningen veel gelijkenis, dus ook niet met de andere handtekening (prod. 10) van het zich [aanvrager] noemende slachtoffer.

En als ik dan ook nog de handtekening van aanvrager op de akte van uitreiking bij de inleidende dagvaarding er bij betrek, merk ik op dat die ook met geen van de andere handtekeningen, dus ook niet met de handtekening op het verblijfsdocument, overeenkomst vertoont.

8. Ten aanzien van het hierboven onder 4) weergegevene merk ik op dat ik niet vermag in te zien in hoeverre de omstandigheid dat aanvrager mank loopt relevant is voor de aanvraag. Nog daargelaten overigens dat het slecht ter been zijn zonder enige onderbouwing wordt genoemd. Wellicht wil aanvrager daarmee aanvoeren dat de bij de zaak betrokken portiers het mank lopen uitdrukkelijk zouden hebben genoemd bij hun omschrijving van de verdachten, maar de vraag is in hoeverre de manier van lopen is opgevallen; voorts kenden beide portiers twee verdachten bij naam, [A] (de persoon die zich later [aanvrager] noemde) en [B]. Overigens zie ik niet in hoeverre mank lopen in de weg zou staan aan de gepleegde feiten, inhoudende stenen gooien en bedreigingen uiten.

9. Uit het proces-verbaal blijkt inderdaad dat de identiteit van de zich [aanvrager] noemende verdachte niet is gecontroleerd. Sterker nog, deze verdachte had aanvankelijk de indentiteitskaart van medeverdachte [B] op zak en deed alsof hij dat was, terwijl [B] deed alsof hij zijn broer was. Deze verdachten hadden er kennelijk weinig moeite mee zich als een ander voor te doen.

10. Dan het eerdere gegrondverklaarde herzieningsverzoek. In beginsel hoeft dat niet te betekenen dat daarmee deze aanvraag ook gegrond is. Wel volgt uit de met betrekking tot de eerdere herzieningsaanvraag overgelegde stukken dat ook in die zaak het verschil in handtekening relevant was. Zij het dat de omstandigheid dat aanvrager ten tijde van het gepleegde feit aantoonbaar in Marokko zat, wellicht doorslaggevender was.

11. Wat mij overigens opviel in het op die herzieningsprocedure volgende (als productie 6 overgelegde) arrest van het Hof te Den Haag is dat aanvrager ter zitting blijkbaar (zie p. 5 arrest) desgevraagd had verklaard dat hij een broer heeft, genaamd [A], die geheel op de hoogte is van de personalia van aanvrager en die zich voor hem zou hebben kunnen voordoen. Deze broer stond, destijds in ieder geval, aldus aanvrager, ingeschreven op hetzelfde adres als aanvrager, zijnde het adres van hun moeder in Den Haag; de broer woonde toen echter in Rijswijk.

12. De aangehouden verdachte in de strafzaak waarvan aanvrager herziening vraagt, en die zich voordeed als aanvrager, was bij de beveiligingsmensen/portiers bekend als [A] (prod. 1). Ook zijn medeverdachte [B] verklaart dat zijn vriend [A] heet en dat de werkelijke voornaam van [A] [voornaam aanvrager] is (prod. 1). [B] bevestigt ook dat een aantal van de portiers hem en [A] kennen.

In zijn eerste verhoor doet de verdachte, die zich voordeed als aanvrager, zich voor als zijn vriend [B], omdat hij diens identiteitskaart op zak had. Hij verklaart tijdens dat verhoor: "Mijn naam is [B] maar veel mensen noemen mij [A]".

13. In de aanvrage wordt echter met geen woord gerept over de mogelijkheid dat broer [A] zich wellicht voor aanvrager heeft uitgegeven. Dat had, gelet op het voorgaande, toch eigenlijk wel voor de hand gelegen.

14. Tenslotte wordt nog aangevoerd dat het als productie 7 bij de aanvrage overgelegde politieproces-verbaal in een zaak waarbij een der slachtoffers zich voor aanvrager heeft uitgegeven een foto bevat van dat slachtoffer (prod.8) die geen enkele gelijkenis vertoont met de als productie 9 overgelegde foto van aanvrager. Ik durf dat, door de slechte kwaliteit van de als productie 8 overgelegde foto van het slachtoffer, niet zonder meer te bevestigen, al lijkt "het slachtoffer" een stuk jonger dan aanvrager. Kennelijk is het ook niet de broer van aanvrager, [A]. Ik neem tenminste aan dat aanvrager zijn broer wel zou herkennen en dat wel vermeld zou hebben in de aanvrage.

15. Ik aarzel of hetgeen is aangevoerd voldoende is om een nader onderzoek te doen instellen. Het aangevoerde komt neer op een verschil in handtekeningen, en een foto van iemand die zich als slachtoffer voor aanvrager zou hebben uitgegeven in een andere zaak dan de zaak waarin herziening wordt gevraagd. Op de achtergrond speelt daar wel de eerdere gegrondverklaarde herziening in mee; kennelijk heeft iemand al eens de personalia van aanvrager gebruikt.

16. Ondanks deze aarzeling heb ik een nader onderzoek doen instellen.

17. Brigadier [vetrbalisant 1] van de politie Rotterdam Rijnmond heeft het onderzoek (mede) uitgevoerd. Blijkens haar proces-verbaal van 15 juli 2010 opgemaakt op ambtsbelofte heeft zij aan zowel aanvrager [aanvrager] als aan zijn broer [A] een brief verzonden met het verzoek contact op te nemen met de politie. Geen van beiden heeft op dit verzoek gereageerd. Vervolgens zijn de aangevers uitgenodigd en dezen zijn geconfronteerd met een foto van aanvrager en een foto van diens broer, met de vraag welke persoon hen had bedreigd.

Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2010 opgemaakt op ambtsbelofte door hoofdagent [verbalisant 2] van de politie Rotterdam Rijnmond houdt ten aanzien van deze confrontatie het volgende in:

"Ik verbalisant heb op dinsdag 13 juli 2010 aan aangever [betrokkene 1] en op woensdag 14 juli 2010 aan aangever [betrokkene 2] een tweetal foto's laten zien.

Ik verbalisant heb aan beide mannen gevraagd om naar de foto's te kijken en vervolgens heb ik gevraagd of [betrokkene 1 en 2] een van de personen herkende als zijnde [A] welke, welke op 28 oktober 2006 op de [a-straat 1] te Rotterdam een bedreiging aan [betrokkene 1 en 2] heeft geuit.

Ik zag dat zowel [betrokkene 1 als betrokkene 2] resoluut en zonder enige twijfel de persoon op foto 1 aanwezen. Ik hoorde ook dat zowel [betrokkene 1 als betrokkene 2] tegen mij zeiden: dat weet ik zeker want die kop vergeet ik niet meer.

De persoon op foto 1 is volledig genaamd:

[A], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] in Nederland.

De persoon op foto 2 is volledig genaamd:

[aanvrager], geboren [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]."

18. Beide aangevers hebben derhalve [A], de broer van aanvrager, aangewezen als de persoon die hen bedreigd heeft. Het komt mij voor dat hieruit het ernstige vermoeden voortvloeit dat de Politierechter, ware deze hiermee bekend geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

19. Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Rotterdam zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG