Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN7726

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
08/05142
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN7726
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuld a.b.i. art. 308 Sr. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld - i.c. het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig handelen - aan het door het s.o. bekomen zwaar lichamelijk letsel uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte op de tafel is gesprongen en daarvan vervolgens weer is afgesprongen, niet z.m. volgen dat verdachte zich ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ heeft gedragen. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/675 met annotatie van P.A.M. Mevis
RvdW 2010/1480
NJB 2011, 53
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/05142

Mr. Knigge

Zitting: 14 september 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Op 20 november 2008 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Dordrecht van 4 december 2007, waarbij de verdachte is veroordeeld - onder aanvulling van gronden - bevestigd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof in navolging van de politierechter is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het in de tenlastelegging voorkomende en aan art. 308 Sr ontleende begrip "schuld", althans dat het Hof de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd.

5. Volgens het Hof is het aan verdachte's schuld te wijten dat een van zijn collega's, te weten: [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Uit de door (de politierechter en) het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 10 november 2006 samen met een aantal collega's, waaronder [slachtoffer], die tegenover hem zat, lunchte in de bedrijfskantine van zijn werk; dat verdachte tijdens die lunch op de tafel is gesprongen; dat hij er meteen weer - aan de andere kant van de tafel - vanaf is gesprongen; dat verdachte daarbij het hoofd van [slachtoffer] heeft geraakt; dat [slachtoffer] direct nadat verdachte van de tafel was afgesprongen een rode vlek op zijn gezicht had en dat later die dag in het ziekenhuis is geconstateerd dat [slachtoffer] ernstig letsel aan zijn gezicht had opgelopen. 's Hofs oordeel, dat verdachte aldus "aanmerkelijk onvoorzichtig" heeft gehandeld, zoals bewezen is verklaard, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "schuld" in de zin van art. 308 Sr(1) en is evenmin onbegrijpelijk.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie m.b.t het begrip "schuld" in de zin van art. 308 Sr recent nog: HR 29 juni 2010, LJN: BL5630.