Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN7725

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
08/05038
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5027
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN7725
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen. Gegronde bewijsklacht. Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat voldaan is aan het vereiste van een - op het voorhanden hebben van die voorwerpen gerichte - bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en mededader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/642
RvdW 2010/1422
NJB 2010, 2304
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/05038

Mr. Vellinga

Zitting: 14 september 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bevestigd de bij vonnis van de Rechtbank te Utrecht gegeven vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 1 meest subsidiair en 1 uiterst subsidiair, het vonnis vernietigd ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde, en verdachte wegens 2. "Medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de straf voor de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van februari 2006 tot en met 25 maart 2006 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een pistool, zijnde een tot een scherp vuurwapen omgebouwd (oorspronkelijk) alarmpistool, merk BBM en de daarbij behorende munitie van categorie III, te weten patronen van het kaliber 6.35 mm (merk Browning), voorhanden heeft gehad."

5. Deze bewezenverklaring berust, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, op de volgende bewijsmiddelen:

"5.

Het als bijlage bij het proces-verbaal van 24 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier van politie, district Eemland-Zuid, PL0940/06-098352 M, gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 5], beiden brigadier van politie Utrecht, team grootschalig onderzoek, opgemaakte proces-verbaal van 6 december 2006 (dossierpagina 2682-2685) voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

U vertelt mij dat er DNA-onderzoek is gedaan op het wapen waarmee [slachtoffer] zou zijn doodgeschoten en dat er op dit wapen een mengprofiel DNA is aangetroffen. Verder vertelt u mij dat dit mengprofiel een sterke aanwijzing geeft dat mijn DNA deelt uitmaakt van dit mengprofiel. U vraagt mij hoe het kan dat mijn DNA op het wapen is aangetroffen. Ik wist dat mijn vriend dat wapen had en ik heb het wapen vastgehouden. Ik weet niet meer precies wanneer ik het wapen heb vastgehouden. Dit was ergens in januari of februari van dit jaar, dus 2006. Dit was in de auto van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] was daar bij. Ik ging die dag mijn haar vlechten en [betrokkene 1] was naar Rotterdam. [Betrokkene 1] heeft mij na het invlechten van mijn haar opgehaald. [Betrokkene 1] vertelde mij dat hij een wapen had gekocht. Hij liet mij dit wapen zien. Het was een klein zwart wapen. Op dezelfde dag dat ik het wapen heb vastgehouden, heb ik ook kogels bij het wapen gezien. Dit is de dag van aanschaf van het wapen door [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] liet mij de kogels zien. De kogels waren goudkleurig.

Ik was in de wijk Schothorst in Amersfoort. Ik stapte bij [betrokkene 1] in de auto en we reden naar industrieterrein de Isselt. [Betrokkene 1] vertelde mij toen een wapen te hebben. [Betrokkene 1] liet mij toen ook meteen het wapen zien. Ik heb het wapen vastgehad om te kijken wat het nou was. Ik had het handvat van het wapen vast en de loop weer naar voren. [Betrokkene 1] heeft de kogels er uit gehaald om te laten zien. Ik heb deze kogels niet vast gehad.

6.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof van 21 mei 2008, voorzover inhoudende:

Toen [betrokkene 1] een wapen had gekocht, heeft hij het mij 's avonds laten zien. Het magazijn zat er toen niet in. De patronen zaten in het magazijn. Ik heb alleen het pistool vastgehouden. Ik weet niet meer wanneer dit was. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] in februari 2006 geld heeft gepind voor het pistool. [Betrokkene 1] heeft gezegd dat hij het pistool op de dag dat hij het mij liet zien in Rotterdam had gekocht.

7.

Het als bijlage bij het proces-verbaal van 24 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier van politie, district Eemland-Zuid, PL0940/06-098352 M, gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 5], beiden brigadier van politie Utrecht, team grootschalig onderzoek, opgemaakte proces-verbaal van 7 december 2006 (dossierpagina 2706) voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

U vertelt mij dat op het wapen waarmee ik op [slachtoffer] heb geschoten een mengprofiel DNA is aangetroffen en dat er een sterke aanwijzing is dat dit DNA van [verdachte] is. Vraag: Kun je vertellen hoe het die avond nadat je terugkwam uit Rotterdam (hof: nadat [betrokkene 1] het wapen had aangeschaft) is gegaan?

Ik belde [verdachte] of ze al klaar was bij de kapper. Ik ben [verdachte] gaan halen. Voordat ik haar weg bracht zijn we wat rondgereden over een industrieterrein. We zijn daar gestopt en hebben wat gepraat. Vervolgens heb ik haar naar huis gebracht."

6. Voorts houdt het bestreden arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, onder het kopje 'Bewezenverklaring met betrekking tot feit 2' in:

"Verdachte heeft op 6 december 2006 tegenover de politie verklaard dat zij in januari of februari 2006 een door [betrokkene 1] gekocht wapen heeft vastgehouden. Zij heeft verklaard dat [betrokkene 1] haar met de auto ophaalde. Hij was die dag naar Rotterdam geweest en hij vertelde haar dat hij een wapen had gekocht. Hij liet haar het wapen zien toen zij bij hem in de auto zat en verdachte heeft dat wapen toen vastgehouden. [Betrokkene 1] heeft ook de kogels uit het wapen gehaald en die aan verdachte laten zien. Gelet op de verklaring van [betrokkene 1] gaat het hof ervan uit dat deze gebeurtenis in februari 2006 heeft plaatsgevonden.

Of verdachte het wapen vaker of langer in haar handen heeft gehad kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld. Het hof is evenwel van oordeel dat verdachte zich bewust is geweest van het wapen en ook gedurende zekere, zij het korte tijd, mede de beschikkingsmacht over dat wapen en munitie heeft gehad. Op grond hiervan is er sprake geweest van het voorhanden hebben van het wapen en munitie door verdachte als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie."

7. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende vooropgesteld te worden.

8. Het Hof heeft tenlastelegging en bewezenverklaring aldus verstaan dat daarin het begrip voorhanden hebben is gebezigd in dezelfde betekenis waarin het voorkomt in art. 26 WWM.

9. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 WWM is naast de aanwezigheid van het wapen of de munitie (al dan niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte) en een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie, een zekere macht van de verdachte over het wapen of de munitie vereist.(1)

10. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en zijn bewijsoverweging vastgesteld dat verdachte het door haar vriend [betrokkene 1] gekochte wapen, terwijl zij met hem in zijn auto zat, gedurende korte tijd heeft vastgehouden en voorts dat [betrokkene 1] de kogels uit het wapen heeft gehaald en deze aan verdachte heeft laten zien. Het Hof leidt hieruit af dat verdachte zich bewust is geweest van het wapen en ook gedurende zekere, zij het korte tijd, mede de beschikkingsmacht over dat wapen en die munitie heeft gehad. Op grond van voornoemde omstandigheden is het Hof van oordeel dat verdachte een wapen en munitie voorhanden heeft gehad, als bedoeld in art. 26, eerste lid, WWM.

11. Het enkele uit handen van de eigenaar in handen krijgen en kortstondig, onder toezicht van de eigenaar in handen houden van een wapen brengt mijns inziens niet mee, dat van voorhanden hebben als bedoeld in art. 26 WWM kan worden gesproken. Uit louter het even mogen vasthouden van het wapen in de door de eigenaar van het wapen bestuurde auto valt niet af te leiden dat verdachte enige macht van betekenis over het wapen had. In de omstandigheden van het geval kon zij het niet weggooien, verstoppen, meenemen, verkopen of iets dergelijks. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "voorhanden hebben "als bedoeld in art. 26 WWM dan wel is onvoldoende gemotiveerd.

12. Het voorgaande geldt a fortiori voor de munitie die de verdachte alleen is getoond maar die zij niet in handen heeft gehad.

13. Voort wat betreft het bewezenverklaarde medeplegen diene het volgende op. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de vriend van verdachte, nadat hij in Rotterdam het bewuste wapen had gekocht, verdachte met zijn auto heeft opgehaald en met haar naar een industrieterrein is gereden, hij haar heeft verteld dat hij een wapen had gekocht, hij het wapen en de munitie aan verdachte heeft laten zien en verdachte het wapen heeft laten vasthouden. In het licht van deze omstandigheden geeft 's Hofs oordeel dat verdachte ter zake van het voorhanden hebben van het wapen en de munitie zo bewust en nauw met haar vriend heeft samengewerkt dat sprake is van het tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III en de daarbij behorende munitie van categorie III voorhanden hebben, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder van het begrip medeplegen, dan wel is het oordeel van het Hof ook te dien aanzien onvoldoende gemotiveerd.(2) Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien hoe uit het enkel uit handen van de eigenaar van het wapen even vasthouden van dat wapen en die munitie kan worden afgeleid dat verdachte met het oog op dat voorhanden hebben van dat wapen en die munitie bewust en nauw met de eigenaar van het wapen en de munitie heeft samengewerkt.

14. Ter zijde merk ik nog op dat het Hof in het kader van zijn motivering met betrekking tot de vrijspraak voor feit 1 - welke vrijspraak niet aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen - heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het wapen mede is aangeschaft door verdachte, dan wel dat zij daarvan vooraf op de hoogte was of daar financieel aan heeft bijgedragen.

15. Het middel slaagt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde en de strafoplegging, en in zoverre tot terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie D.H. de Jong en H.G.M. Krabbe, De Wet Wapens en Munitie, een strafrechterlijk commentaar, Samsom H.D. Tjeenk Willink 1989, p. 80-96 en de daar genoemde jurisprudentie. Zie voorts wat betreft de tweede voorwaarde HR 26 januari 1999, NJ 1999, 537, m.nt. T.M. Schalken en HR 2 februari 2010, LJN BK6138, NJ 2010, 86.

2 Zie voor een geval waarin het bewijs van het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen wel geleverd werd geacht HR 7 juli 2009, LJN BI3888, NJ 2009, 389, m. nt. M.J. Borgers. In het daar berechte geval lag het wapen voor de stoel van de bestuurder maar zei niet alleen de bestuurder maar ook de bijrijder (de verdachte) aan de politie niet te weten van wie de auto was, waarin zij hadden gereden, en liepen zij weg.