Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN7061

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
09/00766
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN7061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding; tot de gemeenschap behorend agrarisch bedrijf; vaststelling waarde van varkensrechten voorbehouden aan feitenrechter. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1290
RFR 2011/3
JWB 2010/457
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 09/00766

mr. Wuisman

Roldatum: 10 september 2010 (bij vervroeging)

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

eiseres tot cassatie in het principale cassatieberoep,

verweerster in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

1. [De man],

verweerder in het principale cassatieberoep,

eiser tot cassatie in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. M.L. Kleyn,

2. [De zoon],

verweerder in het principale cassatieberoep,

niet verschenen.

1. Inleiding

1.1 In de voorliggende cassatiezaak zijn twee geschillen aan de orde met niet steeds dezelfde partijen. In de appelfase is het tot een gezamenlijke behandeling van deze twee geschillen gekomen als gevolg van een voeging van de ter zake van die geschillen aanhangige appelprocedures.

1.2 Het ene geschil speelt tussen eiseres tot cassatie in het principale cassatieberoep (hierna: de vrouw) en eiser tot cassatie in het incidentele cassatieberoep (hierna: de man). Dit geschil betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen hen, die ontbonden is geraakt en voor verdeling vatbaar is geworden toen op 9 september 1994 het op 30 december 1961 gesloten huwelijk tussen partijen eindigde door inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand van de echtscheidingsbeschikking van 8 juli 1994.

Toen geen overeenstemming in der minne omtrent de verdeling van de huwelijksgemeenschap kon worden bereikt, is de vrouw in december 1997 tegen de man bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch een procedure gestart, waarin zij om vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap verzoekt. Tot die huwelijksgemeenschap behoort onder meer een varkensfok- en mestbedrijf, dat onder meer gebouwen, erf- en cultuurgrond en ook varkensrechten omvat. Na het uitspreken van tussenvonnissen op 15 januari 1999, 24 december 1999, 21 juli 2000 en 13 augustus 2003 stelt de rechtbank in haar eindvonnis van 31 december 2003 de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast overeenkomstig hetgeen zij heeft overwogen in rov. 19 van het tussenvonnis d.d. 13 augustus 2003 en rov. 2.3 van het eindvonnis.

De man heeft hoger beroep ingesteld eerst bij dagvaarding van 12 november 2003 en vervolgens nog eens bij dagvaarding van 11 februari 2004. In deze twee gevoegde appelzaken (met de rolnummers C031404, resp. C0400281) heeft de man een telkens gelijkluidende memorie van grieven genomen en de vrouw een telkens gelijkluidende memorie van antwoord. Zij heeft bovendien harerzijds incidenteel hoger beroep ingesteld. Er volgen tussenarresten op 27 december 2005, 17 oktober 2006 en 18 december 2007. In het eerste tussenarrest wordt een deskundigenonderzoek door twee deskundigen gelast naar de waarde van twee percelen en van de varkensrechten en naar een bedrijfsschuld aan de Rabobank. In verband met gewijzigde omstandigheden, onder meer bestaande uit de verkoop op last van de bank van het varkensfok- en mestbedrijf, wordt in het tweede tussenarrest de inhoud van het deskundigenbericht opnieuw geformuleerd. Nadat de deskundigenberichten zijn gedeponeerd, besluit het hof in het tussenarrest van 18 december 2007 uit overweging van een doelmatig procesverloop tot voeging van de twee appelprocedures met de twee appelprocedures die bij het hof in het andere geschil aanhangig zijn.

1.3 Bij het andere geschil zijn betrokken enerzijds de vrouw en anderzijds de man en de in cassatie niet verschenen verweerder in het principale cassatieberoep (hierna: de zoon). De man heeft op 13 september 1999 met de zoon, die in de nabijheid van het varkensfok- en mestbedrijf een ander agrarisch bedrijf heeft, een overeenkomst van maatschap gesloten om te komen tot een gezamenlijke exploitatie van een agrarisch bedrijf, een varkenshouderij in het bijzonder. Van de ontbonden huwelijksgemeenschap maken aanvankelijk deel uit mestproductierechten in de zin van de meststoffenwet. Deze rechten zijn in 1998 op de voet van de Wet herstructurering varkenshouderij 'geconverteerd' in varkensrechten. De man heeft deze rechten aan de zoon verkocht, deels op 3 december 2003 en deels op 5 november 2004.

De vrouw is in oktober 2005 tegen de man en de zoon een procedure bij de rechtbank 's-Hertogenbosch begonnen, waarin zij in verband met de verkoop van de varkensrechten door de man aan de zoon, voor een naar de mening van de vrouw veel te lage prijs, onder meer vordert voor recht te verklaren primair dat de verkoop voor vernietiging op de voet van artikel 3:45 BW in aanmerking komt, subsidiair dat de man en de zoon met de verkoop onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en meer subsidiair dat de zoon als gevolg van de verkoop van de varkensrechten jegens haar ongerechtvaardigd is verrijkt.((1)) Voor de primaire verklaring voor recht voert de vrouw aan dat door de verkoop van de varkensrechten voor een veel te lage prijs, haar mogelijkheden om in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap op de man verhaal te zoeken zijn geschaad. In haar tussenvonnis van 7 juni 2006 (rov. 4.5) acht de rechtbank een deskundigenbericht ter zake van de waarde van de varkensrechten geboden. In haar tussenvonnis van 20 september 2006 gaat de rechtbank tot benoeming van een deskundige over. Tevens staat de rechtbank toe dat van het tussenvonnis hoger beroep wordt ingesteld.

De man en de zoon hebben ieder afzonderlijk hoger beroep ingesteld, hetgeen twee appelzaken heeft doen ontstaan: één met het rolnummer C0601431 en één met het rolnummer C0601405. In zijn tussenarrest d.d. 18 december 2007 deelt het hof de mening van de rechtbank dat voor de beoordeling van de door de vrouw gestelde benadeling in haar verhaalsrechten een deskundigenbericht ter zake van de waarde van die varkensrechten geboden is. Omdat in de twee appelzaken betreffende de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap al een deskundigenbericht ter zake van die waarde is uitgebracht, acht het hof een voeging van alle appelzaken gewenst.

1.4 In de vier - van een nieuw rolnummer voorziene - gevoegde appelzaken spreekt het hof op 13 mei 2008 een tussenarrest uit. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om te reageren op de twee al bij het hof gedeponeerde deskundigenberichten in de appelzaken betreffende de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het eindarrest in de vier gevoegde zaken volgt op 21 oktober 2008. Het hof stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast; zie met name de samenvatting in rov. 7.5. Wegens overbedeling dient de man aan de vrouw een bedrag van € 91.927,41 te betalen, waarover hij naar het oordeel van het hof de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van betekening van het eindarrest. Ook kent het hof aan de vrouw een vergoeding toe van € 38.609,51 voor het exclusieve gebruik door de man van het tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende agrarische bedrijf (rov. 7.8). In rov. 7.16 memoreert het hof dat in het tussenarrest van 18 december 2007 is beslist dat de varkensrechten door de man niet voor een te lage prijs aan de zoon zijn verkocht en dat de vrouw door die transactie niet benadeeld is in haar verhaalsmogelijkheden. Voortbouwend hierop wijst het hof de door de vrouw gevorderde verklaringen voor recht af (rov. 7.16 en 7.17).

1.5 Op 10 maart 2009 spreekt het hof nog een arrest uit naar aanleiding van een verzoek van de man om herstel van fouten in het eindarrest van 21 oktober 2008. Het hof wijst het verzoek af. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een kennelijke fout in het eindarrest.((2))

1.6 De vrouw heeft principaal en de man incidenteel cassatieberoep ingesteld. In het principale beroep is mede de zoon gedagvaard. Hij is, ook nadat nog een herstelexploot was uitgebracht, niet verschenen. Er zijn schriftelijke toelichtingen genomen, terwijl van de zijde van de man nog is gedupliceerd.

2. Bespreking van het principale cassatieberoep

2.1 Eerst dient te worden stilgestaan bij het beroep van de man in de conclusie van antwoord op de niet-ontvankelijkheid van het principale beroep. Er wordt gewezen op een nietigheid van de cassatiedagvaarding, te weten het ontbreken van de aanzegging betreffende de gevolgen van het niet verschijnen van een of meer gedaagden in het geval dat meer personen gedagvaard worden, die niet vóór de eerst dienende dag is hersteld. Het genoemde beroep slaagt niet. Over het hoofd wordt gezien dat het gesignaleerde gebrek in de cassatiedagvaarding niet vóór de eerst dienende dag hoeft te zijn hersteld en verder dat het gebrek ook met instemming van de Hoge Raad is hersteld.

2.2 Het principale beroep is, zo blijkt uit de aanzegging in cassatiedagvaarding, ingesteld tegen het eindarrest van 21 oktober 2008. Er worden zeven middelen van cassatie voorgedragen.

Middel 1

2.3 Middel 1 keert zich tegen de berekening door het hof in rov. 7.2.2 van het eindarrest van de rente over de rekening-courant schuld aan de Rabobank. Betoogd wordt dat het de enkelvoudige rente niet juist heeft berekend. Uitgaande van enkelvoudige rente bedraagt het rentebedrag € 99.002,50 en niet € 155.808,06, zo wordt gesteld.

De klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft bij de rekening-courant schuld samengestelde rente tot uitgangspunt genomen. Dat dit ten onrechte is gebeurd, wordt niet betoogd.

Middel 2

2.4 Middel 2 strekt, zo schijnt het toe, tot bestrijding van de waarde die het hof voor de varkensrechten aanhoudt. Aangevoerd wordt dat het hof daarbij ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de schadeloosstelling, die door de overheid in 1997 in het kader van de bestrijding van de varkenspest is uitgekeerd.

Ook deze klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Bij de bepaling van de waarde van de varkensrechten heeft het hof genoemde schadeloosstelling niet in aanmerking genomen. Deze schadeloosstelling noemt het hof in rov, 7.2.3 sub e in het kader van de vaststelling van de waarde van de varkens, die bij het ontbonden raken van de huwelijksgemeenschap tot die gemeenschap behoorden en daarna in het kader van de bestrijding van de varkenspest zijn geruimd.

Middel 3

2.5 Ook middel 3 keert zich tegen de vaststelling van de waarde van de varkensrechten door het hof. Nu wordt aangevoerd dat de omstandigheden die het hof daarbij in rov. 7.2.7 in aanmerking neemt, uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid ontoereikend zijn.

Voor dit middel geldt eveneens dat het niet opgaat. De bepaling van de waarde van een goed is een aangelegenheid, die goeddeels alleen ter beoordeling van de feitenrechter staat. Het hof neemt - in cassatie niet bestreden - aan dat de prijzen voor varkensrechten in 2003 en 2004 aan sterke fluctuaties onderhevig waren. Dat gegeven bood het hof al de nodige ruimte om geen groot gewicht toe te kennen aan de van de zijde van de vrouw ten processe gestelde algemene marktprijzen. Verder kunnen ook bijzondere omstandigheden van belang zijn bij de bepaling van de aan te houden waarde. Als zodanige bijzondere omstandigheden zijn te beschouwen de omstandigheid dat de varkensrechten in de tussen de man en de zoon gevormde maatschap zijn ingebracht en dat het al lange tijd de bedoeling was dat de vader het varkensfok- en mestbedrijf aan de zoon zou overdoen, wat een transactie binnen familieverband vormt. Voor zover in verband met deze omstandigheden wordt aangevoerd dat vanwege artikel 3:190 BW de varkensrechten niet in de maatschap hadden mogen worden ingebracht (cassatiedagvaarding, blz. 7, derde alinea), vormt dat een stelling waarvoor in ieder geval geldt dat zij in de vorige instanties niet naar voren is gebracht en in cassatie niet voor het eerst kan worden aangevoerd. Bovendien rust de stelling op een onjuiste opvatting over de toepasselijkheid te dezen van artikel 3:190 BW; zie hierna het in 2.6 gestelde. Verder verliest een in een familiekring al lange tijd bestaande bedoeling rechtens niet zonder meer zijn betekenis als gevolg van een echtscheiding tussen man en vrouw. Kortom, bij beschouwing in onderling verband van de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden kan niet worden gezegd dat het hof bij de bepaling van de waarde van de varkensrechten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of tekort schiet in de motivering van zijn beslissing.

Middel 4

2.6 Ter bestrijding van het oordeel van het hof dat de verkoop van de varkensrechten in 2003 en 2004 door de man aan de zoon niet onrechtmatig jegens de vrouw is, wordt in middel 4 betoogd dat het hof ten onrechte niet - met toepassing van artikel 25 Rv, dat de rechter verplicht rechtsgronden ambtshalve aan te vullen - de verkoop van de varkens-rechten aan de zoon als strijdig met artikel 3:190 BW heeft aangemerkt.

De klacht faalt reeds om de volgende reden. In lid 1 van artikel 3:190 BW is, voor zover hier van belang, voor een ontbonden huwelijksgemeenschap bepaald dat een deelgenoot in een dergelijke gemeenschap zonder toestemming van de overige deelgenoten in die gemeenschap niet over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk kan beschikken. Dit verbod strekt ertoe om een deelgenoot het onmogelijk te maken zonder toestemming van de overige deelgenoten de gemeenschap in een aantal kleinere gemeenschappen op te delen.((3)) De verkoop van de varkensrechten door de man aan de zoon is niet geweest een beschikken over een aandeel van de man in een goed van de ontbonden huwelijksgemeenschap in de zin van artikel 3:190 BW. Immers, gesteld noch gebleken is dat de verkoop door de man aan de zoon van de varkensrechten is bedoeld als en geresulteerd heeft in het de zoon deelgenoot doen worden in die rechten, terwijl deze deel bleven uitmaken van een gemeenschap waarvan de vrouw deelgenoot is. Anders gezegd, voor ambtshalve toepassing van artikel 3:190 BW bestond geen aanleiding.

Middel 5

2.7 De op de waardebepaling van de varkensrechten betrekking hebbende motiveringsklacht in middel 5 strandt hierop dat bij de klacht ten onrechte tot uitgangspunt wordt genomen dat het hof in onderdeel e van rov. 7.2.7 (lees: 7.2.3; A-G) van het eindarrest heeft bepaald dat de varkensrechten een waarde hadden van NLG 364.079,- ofwel € 165.265,-. Zie in dit verband ook hetgeen hierboven naar aanleiding van middel 2 is opgemerkt.

Middel 6

2.8 In middel 6 wordt het oordeel van het hof in rov. 7.7 van het eindarrest bestreden dat de wettelijke rente over het door de man wegens overbedeling uit te betalen bedrag verschuldigd wordt vanaf het moment dat het eindarrest aan de vrouw is betekend. Dat moment dient te zijn, zo wordt gesteld, het moment waarop de verdeling van de gemeenschap door de rechter is vastgesteld.

2.9 Voor het in middel 6 verdedigde standpunt omtrent de ingangsdatum wordt tevergeefs een beroep gedaan op HR 8 juli 2005, LJN AT2623, NJ 2005, 486, m.nt. S.F.M. Wortmann. In dit arrest beslist de Hoge Raad niet meer dan dat nog geen wettelijke rente verschuldigd is over een wegens overbedeling verschuldigd bedrag, zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate, waarvan de verschuldigdheid van een bedrag wegens overbedeling afhangt, niet is vastgesteld. Daarmee is evenwel nog niet gezegd wanneer de wettelijke rente wel verschuldigd is, indien de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate, waarvan de verschuldigdheid van een bedrag wegens overbedeling afhangt, wel is vastgesteld. Hiertoe zijn, zo komt het voor, de regels van artikel 6:74 jo. 6:81 BW e.v. in aanmerking te nemen. Nu de toepassing van die regels in het middel niet aan de orde is gesteld, hoeft daarbij hier niet te worden stilgestaan. Volstaan wordt met een verwijzing naar de beschouwingen dienaangaande van A-G mr. De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie, sub 5, voor genoemd arrest van de Hoge Raad en van S.F.M. Wortmann in de annotatie, sub 1, bij het arrest.

Middel 7

2.10 De verwerping door het hof in rov. 7.17 van het beroep van de vrouw op ongerechtvaardigde verrijking van de zoon ten koste van haar als gevolg van de verkoop door de man van de varkensrechten aan hem, wordt in middel 7 bestreden. De verwerping stoelt op de overweging: "Indien al sprake is van verrijking van [de man], dan is deze gebaseerd op de met [de zoon] gesloten overeenkomst en om die reden niet ongerechtvaardigd."

2.11 Primair wordt in het middel tot uitgangspunt genomen dat alleen een overeenkomst tussen de verarmde en de verrijkte een verrijking gerechtvaardigd kan doen zijn. Dit uitgangspunt vindt geen steun in het recht, zoals blijkt uit HR 30 september 2005, LJN AR7928, NJ 2007, 154, m.nt. J.B.M. Vranken. Dit arrest heeft betrekking op de volgende situatie. De eigenaresse van een woning, die een zuster van de eigenaresse al geruime tijd op basis van een recht van bewoning heeft bewoond en waarin deze zuster voor eigen rekening de nodige investeringen heeft gedaan, bewerkstelligt de ontruiming van de woning door die zuster. Vervolgens verkoopt de eigenaresse de woning aan haar zoon voor een prijs die vrij aanzienlijk lager is dan de door de investeringen toegenomen marktwaarde van de woning. De zuster spreekt de zoon tot schadevergoeding aan op grond van ongerechtvaardigde verrijking. In rov. 3.6.3 overweegt de Hoge Raad onder meer: "In een dergelijke situatie geniet de koper van de zaak, als elke koper die een zaak verwerft voor een koopprijs die beneden de marktwaarde ligt, voordeel. Dit voordeel vindt in beginsel rechtvaardiging in de koopovereenkomst. De omstandigheid dat een derde (de verarmde) in het verleden op eigen kosten de zaak heeft verbeterd en daardoor in waarde heeft doen toenemen, brengt in het algemeen niet mee dat een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van de verkoper en de verarming van de verarmde dat de koper ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van de verarmde." Uit dit citaat volgt dat veeleer het tegendeel van het primair aangenomen uitgangspunt geldt. De koopovereenkomst tussen de man en de zoon rechtvaardigt in beginsel de verrijking aan de zijde van de zoon ten koste van de vrouw, indien daarvan sprake zou zijn. Anders gezegd, de onderbouwing die het hof in rov. 7.17 aan de onderbouwing van de verwerping van het beroep van de vrouw op ongerechtvaardigde verrijking geeft, is rechtens juist.

2.12 In de tweede plaats wordt gesteld dat het hof, indien het van oordeel zou zijn geweest dat de overeenkomst tussen de man en de zoon eraan in de weg staat dat de vrouw zich jegens de zoon op ongerechtvaardigde verrijking kan beroepen, geen inzicht heeft verleend in de daartoe leidende overwegingen.

Deze motiveringsklacht faalt. Zoals uit het hiervoor in 2.11 opgenomen citaat uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2005 volgt, kon het hof voor de verwerping van het beroep van de vrouw op ongerechtvaardigde verrijking in beginsel volstaan met te wijzen op de tussen de man en de zoon gesloten overeenkomst. Er worden geen redenen genoemd voor een verder gaande motiveringsplicht van het hof te dezen.

2.14 Het voorgaande voert tot de slotsom dat de zeven in het principale beroep aangevoerde middelen geen doel treffen.

3. Bespreking van het incidentele cassatieberoep

3.1 Blijkens de inleidende paragraaf voorafgaande aan de aangevoerde cassatiemiddelen is het incidentele cassatieberoep gericht niet slechts tegen het eindarrest van 21 oktober 2008 van het hof, maar ook tegen de daarin genoemde tussenarresten en het na het eindarrest op 10 maart 2009 gewezen herstelarrest.

Voor zover het incidentele beroep is gericht tegen de daarin genoemde tussenarresten en het na het eindarrest op 10 maart 2009 gewezen herstelarrest is het beroep niet ontvankelijk. Er worden geen klachten tegen de tussenarresten zelf aangevoerd, terwijl artikel 31 lid 4 Rv geen beroep toelaat tegen een weigering van herstel.

3.2 In het kader van het incidentele cassatieberoep worden zes middelen voorgedragen.

Middel 1

3.3 In middel 1 wordt betreden dat het hof in rov. 7.2.2 van het eindarrest bij de berekening van de rente over de hypothecaire schuld en de rekening-courant schuld aan de Rabobank uitgaat van enkelvoudige rente. Gesteld wordt dat door de Rabobank gerekend wordt met samengestelde rente.

3.4 Voor wat de rekening-courant schuld betreft faalt de klacht, omdat het hof bij die schuld uitgaat van samengestelde rente. Voor wat de hypothecaire schuld betreft faalt de klacht evenzeer, nu niet wordt aangegeven, waaruit blijkt dat de Rabobank ook voor die schuld de rente op samengestelde basis berekende.

Middel 2

3.5 In middel 2 wordt erover geklaagd dat het hof in rov. 7.2.3 onder f van het eindarrest als bedrag uit de verkoop van een polsuikerquotum aanhoudt een bedrag van NLG 21.000,- in plaats van NLG 12.000,-. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het hier gaat om een verschrijving en dat het hof een verzoek om de verschrijving te corrigeren in zijn arrest van 10 maart 2009 zonder nadere motivering heeft afgewezen.

3.6 De klacht faalt. In de eerste plaats worden geen vindplaatsen in de processtukken genoemd waaruit zou moeten blijken dat het hof van een onjuist bedrag is uitgegaan. Verder, het debat over het polsuikerquotum is als volgt verlopen. In haar memorie van antwoord in het principaal appel tevens grieven in het incidenteel appel d.d. 3 augustus 2004, blz. 24, sub 14.3 noemt de vrouw als nog in de verdeling te betrekken een bedrag van NLG 21.000, - wegens verkoop van een polsuikerquotum, dat in 1996 geheel ten goede van de man is gekomen. In zijn memorie van antwoord in het incidenteel appel, blz. 3, ad grief 1, eerste alinea, bestrijdt de man de verkoop en het ontvangen bedrag niet, maar acht hij het bedrag een onderdeel van de waarde van het bedrijf. In de rov. 4.13.1 t/m 4.13.4 van zijn tussenarrest van 27 december 2005 staat het hof onder meer bij deze post stil. Hij wenst nadere informatie over de post. De man dient jaarstukken over te leggen, waaruit blijkt dat de opbrengst van de verkoop van het quotum aan het bedrijfsvermogen is toegevoegd en de deskundigen, die opnieuw de waarde van het bedrijf dienen te bepalen, dienen in hun rapport mee te delen of zij het bedrag van NLG 21.000,- in die waarde hebben opgenomen. Vanwege de verkoop van het bedrijf op last van de Rabobank komt het niet meer tot een hernieuwde bepaling van de waarde van het bedrijf door deskundigen. Bij zijn antwoord-memorie na tussenarrest d.d. 4 juli 2006 legt de man als productie een deel van de jaarrekening van 1997 over, waarin onder meer een bedrag van NLG 20.567 als verkoopopbrengst van het polsuikerquotum wordt vermeld. Aan het polsuikerquotum wordt door partijen verder geen aandacht meer geschonken. In het licht van het zojuist vermelde verloop van het debat is het niet onbegrijpelijk dat het hof in verband met het verkochte polsuikerquotum een bedrag van - afgerond - NLG 21.000,- aanhoudt.

Middel 3

3.7 In rov. 7.5 van het eindarrest rekent het hof tot de ontbonden huwelijksgemeenschap een koopsompolis met het nummer RS0120025 en kent het aan die polis een waarde toe van € 15.850,09. In middel 3 wordt betoogd dat het hof daarmee een onjuiste waarde aanhoudt: de polis heeft een waarde van NLG 16.248,- of € 7.373,02. Ook hier wordt daaraan toegevoegd, dat het hof in zijn arrest van 10 maart 2009 een verzoek om correctie heeft afgewezen.

3.8 Hier worden eveneens geen bronnen genoemd, waaruit volgt dat de door het hof voor de polis aangehouden waarde niet klopt. In het licht van het verloop van het debat op dit punt - zie de door de vrouw aangevoerde grief 1 in de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel d.d. 3 augustus 2004, blz. 24, sub 14.4 (vermelding onder overlegging van een bewijsstuk van een op naam van de man staande polis met nummer RS0120025 ter waarde van NLG 34.929,-); de memorie van antwoord in het incidenteel appel d.d. 26 oktober 2004 van de man, blz. 3/4 (ontkenning door de man bij gebrek aan wetenschap van het bestaan van de polis) en de rov. 4.14.1 en 4.14.2 uit het tussenarrest d.d. 27 december 2005 (bij gebreke van voldoende betwisting besluit het hof onder meer tot toedeling van de door de vrouw gestelde polis aan de man onder de verplichting de helft van de waarde daarvan aan de vrouw uit te betalen) - is het aanhouden van een waarde voor de polis van NLG 34.929,- of € 15.850,09 niet onbegrijpelijk.

Middel 4

3.9 Met middel 4 wordt opgekomen tegen hetgeen het hof in de rov. 7.3.1 en 7.3.2 van het eindarrest ter zake van de tot ontbonden huwelijksgemeenschap behorende inboedel heeft overwogen. Daaraan is het volgende voorafgegaan. In rov. 7 van haar tussenvonnis d.d. 13 augustus 2003 stelt de rechtbank aan de hand van onder meer door de man en de vrouw overgelegde lijsten de waarde van de te verdelen inboedel op € 12.000,- vast. Volgens de rechtbank heeft de vrouw uit de inboedel goederen ter waarde van € 4.000,- in ontvangst genomen, terwijl de rest bij de man is gebleven, zodat hij voor een bedrag van € 2.000,- is overbedeeld. Dit bedrag dient hij aan de vrouw uit te keren. In rov. 4.6.3 van zijn tussenarrest van 27 december 2005 stelt het hof vast, dat in appel door de man alleen het oordeel van de rechtbank wordt bestreden dat de reeds uitgevoerde verdeling van de inboedel heeft geleid tot een overbedeling van hem voor een bedrag van € 2.000 en dat hij daartoe een beroep doet op een handgeschreven lijst, die door partijen bij de uitvoering van de verdeling is gehanteerd en waarop allerlei aantekeningen zijn geplaatst. Omdat het hof behoefte heeft aan een toelichting op de lijst, stelt hij de man in de gelegenheid die toelichting te verschaffen. In rov. 7.3.2 van zijn eindarrest stelt het hof vast dat hetgeen de man in zijn antwoordmemorie na tussenarrest (d.d. 4 juli 2006, sub 2) naar voren heeft gebracht, niet toereikend is. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat het de rechtbank ook volgt voor wat betreft haar beslissing inzake de overbedeling.

3.10 Hetgeen in middel 4 naar voren wordt gebracht bestaat deels uit feiten, die in rechte niet vaststaan, en deels uit beweringen en ontkenningen waarmee niet (voldoende) concreet op de door de vrouw gestelde en door de rechtbank aanvaarde overbedeling wordt ingegaan. Dit alles kan niet worden beschouwd als een adequate bestrijding van de rov. 7.3.1 en 7.3.2 uit het eindarrest.

Middel 5

3.11 Met middel 5 wordt de beslissing van het hof in rov. 7.8 van het eindarrest bestreden dat aan de vrouw - behalve een bedrag wegens overbedeling van de man - ook een vergoeding toekomt van € 38.609,51 voor het uitsluitende gebruik dat de man van het mede aan de vrouw toebehorende agrarische bedrijf heeft gemaakt gedurende de periode van 9 september 1994 (ontbinding van het huwelijk) tot 1 maart 2005 (beëindiging van het bedrijf). Genoemd bedrag is berekend op de voet van 4 % (per jaar) van het door de man aan de vrouw uit te keren bedrag wegens overbedeling (€ 91.927,41) gedurende 10,5 jaren. De vrouw heeft de vergoeding opgevoerd in haar memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel d.d. 3 augustus 2004, blz. 25, sub 14.7. In rov. 4.15 van zijn tussenarrest d.d 27 december 2005 besluit het hof dit punt aan te houden totdat kan worden vastgesteld wat partijen over en weer aan elkaar moeten betalen.

3.12 Artikel 3:169 BW houdt in dat, voor zover een regeling niet anders meebrengt, iedere deelgenoot gerechtigd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Heeft een deelgenoot echter het exclusieve gebruik van een gemeenschappelijk goed dan strekt artikel 3:169 BW er mede toe, aldus de Hoge Raad in rov. 3.7 van zijn arrest van 22 december 2000, LJN AA9143, NJ 2001, 59, die deelgenoot te verplichten de deelgenoot, die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Voor het verschuldigd raken van die vergoeding is niet vereist dat het exclusieve gebruik heeft geleid tot een winstgevende exploitatie van het betrokken goed. In het door de Hoge Raad beoordeelde geval gaat het om een pand, waarmee een zaalverhuurbedrijf wordt uitgeoefend in het verband van een vennootschap onder firma die ontbonden is geraakt. Eén van de voormalige vennoten heeft het zaalverhuurbedrijf als eenmanszaak in het pand voortgezet.((4))

3.13 Het middel sluit af met de bewering dat door het hof zonder enige onderbouwing en zonder motivering in afwijking van een gebruikelijke rechtsregel een gebruiksvergoeding wordt toegekend.

Van welke rechtsregel het hof afwijkt wordt niet uit de doeken gedaan. Uit hetgeen hiervoor in 3.12 is opgemerkt, volgt veeleer dat vanwege het - op zichzelf niet bestreden - exclusieve gebruik door de man van het tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorend agrarische bedrijf aan de vrouw in beginsel een gebruiksvergoeding toekomt.

Uit rov. 7.8 van het eindarrest blijkt dat het hof voor de bepaling van de vergoeding mede in aanmerking heeft genomen, dat [de vrouw] van haar kant revenuen heeft genoten uit feitelijk aan haar toebedeelde vermogensbestanddelen en verder ook dat de man wegens daarop door de vrouw gelegd beslag geen genot heeft kunnen hebben van de uitkering van het ministerie van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer voor de geruimde varkens. Dit betekent dat de bewering dat het hof zijn beslissing zonder enige onderbouwing of motivering heeft genomen, feitelijke grondslag mist.

Voor zover een beroep wordt gedaan op omstandigheden ten betoge dat de man zich veel inspanningen heeft moeten getroosten om het bedrijf gaande te houden en dat het hem uiteindelijk toch niet is gelukt om voldoende opbrengsten te generen om de op het bedrijf rustende financieringslasten te financieren, kan dat beroep de man niet baten. Zoals uit het hierboven besproken arrest van de Hoge Raad van 22 december 2000 volgt, hoeft aan het toekennen van een vergoeding niet in de weg te staan dat er door de man bij het voortzetten van het bedrijf geen (voldoende) winst is gemaakt.

Uit het bovenstaande blijkt al ten aanzien van middel 5 van zovele en zodanige tekorten dat reeds op die grond kan worden geconcludeerd dat het middel, dat geen klachten over de wijze van berekening van de vergoeding bevat, geen doel treft.

Middel 6

3.14 In rov. 7.10 van het eindarrest overweegt het hof: "Met betrekking tot de verdeling geldt verder dat, ingeval nog belastingaanslagen zullen worden opgelegd in verband met de verkoop van de boerderij met aanhorigheden in 2005, deze aanslagen ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, dienen te komen." Middel 6 heeft op deze beslissing betrekking. In de eerste zin van de tweede alinea wordt gesteld: "Deze bepaling van het Hof is echter niet gemotiveerd, zodat er tussen partijen verschil van mening is ontstaan over de uitleg van deze bepaling." Hieruit en uit wat verder wordt opgemerkt, blijkt dat er tussen partijen meningsverschillen over de toepassing van de geciteerde beslissing zijn gerezen. Eigenlijk stelt middel 6 dus een executiegeschil aan de orde. In verband daarmee worden ook allerlei nieuwe feiten worden opgevoerd. Hiervoor is in cassatie geen ruimte. Het middel faalt dan ook.

3.15 Ook het incidentele beroep leidt, zo volgt uit het voorgaande, niet tot vernietiging van het eindarrest.

4. Conclusie

Geconcludeerd wordt:

- in het principale beroep: tot verwerping;

- in het incidentele beroep: tot niet-ontvankelijkheid, voor zover het beroep gericht is tegen tussenarresten en het op 10 maart 2009 naar aanleiding van het verzoek ex artikel 31 Rv gewezen arrest, en tot verwerping voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Bij een eisvermeerdering zijn de ingestelde vorderingen nog uitgebreid. Zij zijn in cassatie niet van belang.

2. In de door partijen in cassatie overgelegde procesdossiers komen geen stukken met betrekking tot de herstelprocedure voor. In het kader van het incidentele cassatieberoep wordt als bestreden ook het arrest van 10 maart 2009 genoemd. Hierin is aanleiding gevonden om de advocaat van de man, mr. Kleyn, te verzoeken het arrest alsnog toe te zenden. Aan dit verzoek is gehoor gegeven. De advocaat van de vrouw, mr. Carli, is hiervan door de griffie van de Hoge Raad in kennis gesteld.

3. Zie Asser/Perrick, 3-IV, Gemeenschap, 2007, nr. 30; losbladige Kluwerbundel Vermogensrecht (H.H. Lammers), art. 3:190, aant. 3.

4. Zie over de verschuldigdheid van een vergoeding bij exclusief gebruik van een gemeenschapsgoed onder meer: Van Mourik/Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, 2006, blz. 221; Asser/Perrick, 3-IV, Gemeenschap, 2007, nr. 16.