Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN7054

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
10/00844
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN7054
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Klachten in cassatie tegen door het hof vastgestelde omgangsregeling. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1284
JWB 2010/454
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 10/00844

Mr M.H. Wissink

Parket: 10 september 2010

conclusie inzake

[De moeder]

tegen

[De vader]

1. De moeder heeft tijdig, met een op 1 maart 2010 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift, cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 december 2009. Bij deze beschikking heeft het hof een omgangsregeling vastgesteld en daarbij bepaald dat de vader het kind, [de zoon], bij de moeder haalt en terugbrengt.

2. Het middel kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van artikel 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

3. Het p-v. van de mondelinge behandeling bij het hof bevindt zich bij de stukken. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van het voorbehoud de klachten aan te vullen of te verbeteren na ontvangst van dit p.-v. Ik lees in het verzoekschrift twee klachten.

4. Voor zover randnummers 4.2 en 4.3 erover klagen dat het hof onvoldoende zou hebben onderkend dat (ook) van de man aangepast gedrag kan worden verwacht, faalt het omdat het hof hieraan uitdrukkelijk aandacht heeft besteed in rov. 10, slot.

5. Nr. 4.4 klaagt dat het hof de stellingname uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 14 juni 2007 (blz. 9) - dat het "op dit moment" niet mogelijk en niet in het belang van het kind is om een definitieve omgangsregeling vast te stellen - niet kenbaar in zijn beschouwingen en oordeelsvorming heeft betrokken, hetgeen te meer klemt gezien de reactie van de vrouw op dat rapport. De klacht faalt. Op verzoek van de rechtbank is namelijk een vervolgrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 september 2008 uitgebracht.

6. Daarin heeft de Raad o.m. geconcludeerd:

- Hulpverlening aan moeder heeft geen enkele positieve verandering teweeggebracht in haar opstelling jegens vader; haar inzicht in de betekenis van haar handelen is niet veranderd; zij is niet van plan dit te veranderen omdat zij ervan overtuigd is te handelen in het belang van [de zoon] (p. 9).

- Vader heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt, meer inzicht gekregen in zijn handelen en meer controle over zijn handelen (p. 9).

- Moeder is niet van zins haar weigerachtige houding te veranderen, terwijl de vader zich in het belang van het kind bereid heeft getoond de onderlinge strijd met de moeder meer los te laten (p. 10).

- Er zijn ook uit het aanvullend onderzoek geen gronden naar voren gekomen om geen omgangsregeling vast te leggen (p. 10).

- Het is kiezen uit twee kwaden, maar na wikken en wegen meent de Raad dat het belang van [de zoon] het meest gediend wordt met contacten tussen hem en zijn vader (p. 10).

7. Gezien de conclusie van het vervolgrapport valt niet in te zien waarom het hof afzonderlijk aandacht had moeten besteden aan de genoemde conclusie van het eerdere rapport. Uit de beschikking blijkt dat het hof zich terdege bewust is geweest van het conflict tussen de ouders (rov. 11) en van de angsten van de moeder (rov. 10). Het hof heeft gemotiveerd waarom het voor de houding van de moeder geen rechtvaardiging kan vinden in de beschikbare gegevens (rov. 9-10). Het hof heeft de beide ouders, en nadrukkelijk óók moeder (rov. 12), aangespoord zich in het belang van [de zoon] in te zetten voor contact tussen [de zoon] en zijn vader (rov. 11).

8. De uitspraak van het hof komt mij niet onjuist of onbegrijpelijk voor. Volgens de wet omvat het ouderlijk gezag van de moeder mede de plicht de ontwikkeling van de band van het kind met de vader te bevorderen (vgl. het per 1 maart 2009 geldende artikel 1:247 lid 3 BW). De niet-verzorgende ouder heeft recht op omgang met het kind, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten (vgl. artikel 1:377a BW). Het hof heeft in overeenstemming hiermee geoordeeld.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G