Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN6388

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
10/00020
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN6388
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Omgangsregeling tussen vader en kind; art. 1:377a BW. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1270
JWB 2010/438
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/00020

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 27 augustus 2010

CONCLUSIE inzake:

[De moeder],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

tegen:

[De vader],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. I.C. Blomsma.

1. Het door verzoekster tot cassatie, hierna: de moeder, tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de door het gerechtshof Amsterdam bij eindbeschikking van 29 september 2009 vastgestelde omgangsregeling tussen verweerder in cassatie, hierna: de vader, en het minderjarige kind van partijen.

2. Het middel van cassatie keert zich tegen de overwegingen van het hof in rov. 2.7 alsmede tegen de op grond daarvan in het dictum vastgestelde omgangsregeling, en klaagt onder 14.1 dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn. Voor de uitwerking en toelichting van deze klachten wordt verwezen naar hetgeen in het verzoekschrift onder 14.2 t/m 14.9 is aangevoerd.

3. Het onder 14.2 t/m 14.5 aangevoerde bevat geen concrete klachten die voor zelfstandige behandeling in aanmerking komen.

Voor zover het middel er onder 14.5 van uitgaat dat een omgangsregeling bepaaldelijk in het belang van de betrokken minderjarige zelf zal moeten zijn, miskent het dat niet centraal staat de vraag of omgang in het belang van het kind wel gewenst is, maar juist de vraag of de omgang niet gewenst is wegens het bestaan van een (of meer) van de in art. 1:377a lid 3 BW opgesomde ontzeggingsgronden. Vgl. HR 8 december 2000, LJN AA8894, NJ 2001, 648, m.nt. JdB.

Voor zover het middel onder 14.5 berust op de lezing dat de vaststelling van een omgangsregeling naar het oordeel van klinisch psycholoog de heer P.A. Baggelaar een onaanvaardbaar risico voor de geestelijke ontwikkeling van het kind zou inhouden, mist het feitelijke grondslag; Baggelaar heeft in zijn rapportages van 3 maart en 3 augustus 2009 gewezen op de aan een omgangsregeling verbonden risico's voor het kind zonder daaraan een negatief of positief advies te verbinden.

4. De motiveringsklacht onder 14.6 berust op de onjuiste lezing dat het hof zijn van dat van de Raad afwijkende oordeel in het geheel niet heeft gemotiveerd en voorts heeft voorbijgezien aan de waarschuwende bevindingen van Baggelaar. Blijkens rov. 1.3, rov. 2.2 en rov. 2.6 van de bestreden beschikking en rov. 2.3 van de tussenbeschikking van 14 april 2009, heeft het hof zowel het standpunt van de Raad als de bevindingen van Baggelaar (in genoemde rapportages van 3 maart en 3 augustus 2009) onder ogen gezien, doch is het in rov. 2.7, anders dan de Raad, tot het oordeel gekomen dat de spanningen tussen de ouders niet leiden tot de conclusie dat omgang niet in het belang van het kind is. Het hof heeft dit oordeel vervolgens gemotiveerd met de overwegingen dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat de omgang tussen het kind en haar vader in het verleden goed verliep, dat het bovendien in het belang van het kind is te weten wie haar vader is, dat het onthouden van contact met de vader bij het kind kan leiden tot een loyaliteitsconflict en dat er geen contra-indicaties zijn die erop duiden dat de vader zijn vaderrol niet naar behoren invult.

5. Het middel miskent onder 14.7 dat een overweging van louter feitelijke aard niet op juistheid kan worden bestreden. Voor zover het middel ertoe strekt te betogen dat de overweging van het hof dat er geen contra-indicaties zijn die erop duiden dat de vader zijn vaderrol niet naar behoren invult, onbegrijpelijk is in het licht van de bevindingen van Baggelaar, is het tevergeefs voorgesteld. De boosheid van de vader (uit frustratie van het niet kunnen opzetten een omgangsregeling) en het gebrek aan compassie - als vermeld in de rapportage van 3 augustus 2009 - betreffen immers de houding van de vader jegens de moeder, niet zijn houding jegens het kind. De omstandigheid dat Baggelaar heeft benadrukt dat voorkomen moet worden dat het kind het kind van de rekening wordt in het krachtenveld tussen de ouders, brengt, anders dan het middel doet voorkomen, niet mee dat de vader zijn vaderrol niet naar behoren zou kunnen vervullen.

6. Het falen van de voorgaande klachten brengt mee dat de daarop voortbouwende motiveringsklacht onder 14.8 eveneens niet tot cassatie kan leiden; de klacht gaat er immers ten onrechte van uit dat de door het hof gegeven motivering enkel (nog) is gegrond op de omstandigheid dat de omgang tussen het kind en haar vader in het verleden goed verliep. De stelling dat er geen rechtens relevant positief verleden is gelet op het incident tijdens het laatste contact tussen vader en kind op 15 augustus 2007, stuit overigens af op het - in cassatie niet bestreden - oordeel van het hof in rov. 4.4 van zijn tussenbeschikking van 17 april 2008 dat bedoeld incident geen beletsel vormt voor een voorzichtige opbouw van een omgangsregeling nu niet is gesteld en evenmin aannemelijk is geworden dat de contacten die tussen 17 oktober 2006 en 15 augustus 2007 (onder begeleiding) hebben plaatsgevonden, niet goed zijn verlopen.

7. Het middel bevat onder 14.9 geen zelfstandige klachten.

8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de in de middelen aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

9. De conclusie strekt mitsdien tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G