Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN5612

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08/04953
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN5612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Samenwerkingsovereenkomst en overeenkomst tot oprichting c.v. Partijen verkeerden bij afbreken onderhandelingen overwijziging van de bestaande contractuele verhoudingen o.g.v. in samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichtingen niet in precontractuele fase. Ook bij vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat, staat het rechter vrij te beslissen dat niet aannemelijk is dat schade is geleden (vgl. HR 8 april 2005, NJ 2005, 371).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1286
RCR 2011/3
NJB 2010, 2051
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/04953

Mr. L. Timmerman

Zitting: 13 augustus 2010

Conclusie inzake:

1. [Eiseres 1],

2. ARCADIS PLANREALISATIE B.V.,

3. BIO SCIENCE PARK I C.V.,

4. [Eiseres 4],

5. BIO SCIENCE PARK I B.V.,

eiseressen tot cassatie,

tevens verweersters in het incidenteel cassatieberoep

(hierna: "[eiseres 1]", "Arcadis", "BSP C.V.", "[eiseres 4]" en "BSP B.V." en gezamenlijk "[eiseres] c.s.")

tegen

STICHTING DIENST LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK,

verweerster in cassatie,

tevens eiseres in het incidenteel cassatieberoep

(hierna: "DLO")

1. Inleiding

1.1 Deze zaak heeft betrekking op de afwikkeling van een samenwerkingsovereenkomst en de ontbinding van een commanditaire vennootschap. Aan de orde is de vraag welke schade is geleden en of een gelegd leveringsbeslag onrechtmatig is gelegd. Tevens wordt aan de orde gesteld of het afbreken van onderhandelingen over een gewijzigde samenwerkingsovereenkomst onrechtmatig is.

2. Feiten(1)

2.1 In 1999 is tussen partijen overeengekomen dat zij gezamenlijk een bedrijventerrein te Lelystad, het Bio Science Park (hierna: "het BSP"), ontwikkelen en realiseren. Hiertoe sluiten zij een samenwerkingsovereenkomst af. Een onderdeel van het bedrijventerrein vormde het Kennis Facilitair Instituut (KFI). De samenwerkingsovereenkomst verplichtte tot het oprichten van een commanditaire vennootschap die het bedrijventerrein zou ontwikkelen en exploiteren.

2.2 [Eiseres 1] is enig aandeelhoudster van [eiseres 4]. Arcadis (voorheen: [A] B.V. (hierna: "[A]")) is enig aandeelhoudster van BSP B.V.. [Eiseres 1], Arcadis en BSP C.V. worden hierna gezamenlijk ook wel "[eiseres 1] c.s." genoemd. [Eiseres 4] en BSP B.V. worden hierna gezamenlijk ook wel "de beherend vennoten" genoemd.

2.3 DLO exploiteert een onderneming op het terrein van landbouwkundig onderzoek. DLO heeft als privaatrechtelijke rechtspersoon een personele unie met de publiekrechtelijke rechtspersoon Wageningen University and Research Centre (hierna: "WUR"). DLO is enig aandeelhoudster van DLO Holding B.V., die op haar beurt weer enig aandeelhoudster is van ID-Lelystad B.V. (hierna: "IDL"). IDL is onderdeel van de Animal Sciences Group (hierna: "ASG") van de WUR. In het hiernavolgende wordt onder DLO tevens worden verstaan WUR, IDL dan wel ASG en vice versa.(2) DLO/WUR/IDL/ASG wordt hierna ook wel "de commanditaire vennoot" genoemd.

2.4 BSP C.V. (hierna ook wel: "de C.V.") is de commanditaire vennootschap die is opgericht voor de ontwikkeling en realisering van het BSP.

2.5 Op 22 december 1999 is tussen IDL enerzijds en [eiseres 1] en Arcadis anderzijds de "Samenwerkingsovereenkomst Bio Science Park" (hierna: "de samenwerkingsovereenkomst") gesloten. De voor de onderhavige zaak relevante bepalingen van deze overeenkomst luiden als volgt:

"Artikel 1 Onderwerp van de samenwerking

1.1 Partijen gaan hierbij een samenwerking aan die gericht is op de gezamenlijke ontwikkeling en realisering van het BSP, [...]

1.2 De sub 1.1 bedoelde ontwikkeling en realisatie van het BSP dient plaats te vinden met inachtneming van:

a. Het door partijen op te stellen c.q. uit te werken en goed te keuren businessplan;

b. De door partijen nog vast te stellen grondexploitatie;

c. De subsidie-overeenkomst tussen DLO en de Provincie Flevoland d.d. ............;

d. De uitgangspunten en voorwaarden als vervat in deze samenwerkingsovereenkomst en in de overeenkomsten die voortvloeien uit hoofde van deze samenwerkingsovereenkomst.

1.3 Deze samenwerkingsovereenkomst [...] duurt voort zolang de ontwikkeling en realisatie van het BSP nog niet is voltooid, onverlet de mogelijkheden van tussentijdse beëindiging en/of ontbinding als vermeld in deze samenwerkingsovereenkomst.

Artikel 2 Oprichting Bio Science Park C.V.

2.1 Partijen zullen de ontwikkeling en realisatie van het BSP zo spoedig mogelijk [...] inbrengen in een door hen op te richten commanditaire vennootschap, genaamd Bio Science Park C.V. (hierna: "BSP C.V.").

2.2 DLO zal commanditaire vennoot in de BSP C.V. zijn. [A] en [eiseres] zullen rechtstreeks dan wel indirect risicodragend participeren in de BSP C.V. [...] Het risico van DLO in haar hoedanigheid van commanditaire vennoot in de BSP C.V. zal derhalve beperkt zijn tot haar inbreng in de BSP C.V..

2.3 DLO zal als commanditaire vennoot in de BSP C.V. inbrengen (gelden ter hoogte van) de EU-bijdrage uit hoofde van de subsidie-overeenkomst tussen DLO en de Provincie Flevoland, zulks ten behoeve van de ontwikkeling en realisatie van het BSP en onder de condities als voortvloeiend uit de subsidie-overeenkomst. DLO zal voor de inbreng van deze EU-bijdrage niet in de boeken van de BSP C.V. worden gecrediteerd. [...] DLO zal in verband met haar inbreng als commanditaire vennoot voor 0,1% gerechtigd zijn in de winst van de BSP C.V.

(.....)

2.5 Indien de EU-bijdrage niet of niet in de mate zoals voorzien in de tussen partijen overeen te komen grondexploitatie door DLO in de BSP C.V. zal kunnen worden ingebracht, zal dit door ieder van partijen kunnen worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid die partijen verplicht medewerking te verlenen aan aanpassing (en eventueel zelfs beëindiging) van de samenwerkingsovereenkomst en overeenkomsten die uit deze samenwerkingsovereenkomst voortvloeien, voor zover ongewijzigde instandhouding van deze overeenkomst(en) jegens één van partijen onredelijk zou zijn. [...]

Artikel 3 Uitgifte van de grond

3.1 DLO verplicht zich jegens [A] en [eiseres] en jegens de (nog op te richten) BSP C.V. om de gronden benodigd voor de ontwikkeling en realisatie van het BSP (circa 48 ha.), van welke gronden DLO thans eigenaar is, in erfpacht uit te geven aan de beherend vennoten [...]

[...]

Artikel 4 Grondexploitatie, businessplan en taakverdeling

[...]

4.4 Het is de (primaire) verantwoordelijkheid van DLO om zich in te spannen om de beoogde EU-bijdrage voor de ontwikkeling en realisatie van het BSP veilig te stellen, [...]

[...]

5.1 [...] indien een partij per 1 maart 2000 [...] van mening mocht zijn dat de ontwikkeling en realisatie van het BSP zoals door partijen thans gedacht redelijkerwijs niet haalbaar is, dan is die partij c.q. de meest gerede partij gerechtigd over te gaan tot ontbinding van deze overeenkomst [...]. Als gevolg van dit bericht zal deze overeenkomst en alle overeenkomsten die op basis van deze overeenkomst tussen partijen zijn aangegaan [...] automatisch met ingang van 1 april 2000 zijn ontbonden, [...]

5.2 In geval van ontbinding van de samenwerking op de voet van artikel 5.1 zal tussen partijen als volgt worden afgerekend. [...] Strikt interne kosten van [A] en [eiseres] [...] zullen voor rekening en risico van de partij blijven die deze kosten heeft gemaakt. De door DLO gemaakte kosten zullen voor rekening van DLO blijven. DLO zal weer geheel vrijelijk kunnen beschikken over de in erfpacht uitgegeven grond en [A] en [eiseres] c.q. de door hen tussengeplaatste projectvennootschappen zullen volledige medewerking verlenen aan het ongedaan maken van de uitgifte [...]

[...]

Artikel 6 Verdere taakverdeling inzake ontwikkeling en realisatie

6.1 [A] krijgt (deel)opdracht(en) van de BSP C.V. voor het integraal ontwerpen en realiseren, tegen marktconforme prijzen, van de boven- en ondergrondse infrastructuur van het BSP, waaronder met name het bouw- en woonrijp maken van de in ontwikkeling te brengen gronden. [...]

6.2 [Eiseres] zal/zullen door de BSP C.V. (deel)opdracht(en) worden verleend voor het ontwerpen en uitvoeren tegen marktconforme prijzen van het Kennis Facilitair Instituut (hierna: "KFI") [...]"

2.6 De partijen bij de samenwerkingsovereenkomst (hierna ook wel: "de vennoten") hebben, eveneens op 22 december 1999, de "Overeenkomst tot oprichting van de commanditaire vennootschap Bio Science Park C.V." (hierna: "de C.V.-overeenkomst") ondertekend, die de navolgende voor de onderhavige zaak relevante bepalingen bevat:

"IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. dat partijen in het kader van de door hen gesloten samenwerkingsovereenkomst d.d. ..... december 1999 zijn overeengekomen om een commanditaire vennootschap Bio Science Park C.V. op te richten waarin DLO als commanditaire vennoot en [eiseres] en [A] als beherend vennoten - danwel via tussen te plaatsen projectmaatschappijen als beherende vennoten - zullen participeren;

B. dat BSP C.V. in overeenstemming met de samenwerkingsovereenkomst voor eigen rekening en risico de ontwikkeling, realisatie en exploitatie zal voeren van het project genaamd "Bio Science Park" (hierna "BSP"), één en ander zoals door partijen in de samenwerkingsovereenkomst voorzien en zoals partijen verder genoegzaam bekend;

[...]

Artikel 2 Doel

2.1 De vennootschap heeft ten doel:

[...] alles voorzover betrekkelijk tot het BSP c.s. verband houdend met de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van het BSP.

[...]

Artikel 4 Duur en opzegging

4.1 De vennootschap is aangegaan voor onbepaalde tijd.

4.2. De beherende vennoten en de commanditaire vennoot kunnen de vennootschap niet opzeggen.

Artikel 5 Inbreng, kapitaal- en verliesrekeningen

5.1 De beherende vennoten brengen in de vennootschap in de hen ter beschikking staande kennis, arbeid en vlijt en - nadat daartoe (eventueel) unaniem door de vergadering van vennoten is besloten - het benodigde werkkapitaal. In verband met hun inbreng worden [A] en [eiseres] als beherende vennoten ieder gerechtigd tot 49,95% in de winst van de vennootschap. Verliezen van de vennootschap komen voor 50% voor rekening van ieder der beherende vennoten met inachtneming van het bepaalde in artikel 9.

5.2 De commanditaire vennoot brengt in de vennootschap in (contanten ter hoogte van) de EU-bijdrage uit hoofde van de subsidie-overeenkomst tussen DLO en de Provincie Flevoland, voor zover en zodra de commanditaire vennoot de beschikking krijgt over de hier bedoelde EU-bijdrage en overigens onder de condities als voortvloeiend uit de subsidie-overeenkomst. De commanditaire vennoot wordt voor de inbreng van deze contanten niet in de boeken van de vennootschap gecrediteerd. De vennootschap en de (andere) vennoten zijn derhalve op geen enkele wijze gehouden bij ontbinding van de vennootschap [...] , om de door de commanditaire vennoot ingebrachte contanten als bedoeld in dit artikel aan de commanditaire vennoot terug te betalen, [...]

In verband met haar inbreng wordt DLO als commanditaire vennoot voor 0,1% gerechtigd in de winst van de vennootschap, doch DLO zal niet delen in verliezen van de vennootschap, evenwel met inachtneming van het bepaalde in artikel 9.

[...]

Artikel 9 Winst- en verliesdeling

[...]

9.4 Door de vennootschap te lijden verliezen komen ten laste van de beherende vennoten in de verhouding 50:50, met dien verstande dat de commanditaire vennoot niet aansprakelijk is voor - noch gehouden zal zijn bij te dragen in - enig verliessaldo tot een hoger bedrag dan zijn inbrengverplichting als bedoeld in artikel 5, [...]. Het meerdere verlies komt derhalve ten laste van de beherende vennoten.

[...]

Artikel 10 Wijziging van de vennootschapsbepalingen/ontbinding

10.1 [...] kan slechts de vergadering van vennoten besluiten tot [...] ontbinding van de vennootschap [...]

[...]

Artikel 11 Defungeren van een vennoot en voortzetting

11.1 Onverminderd het bepaalde in artikel 5 van de samenwerkingsovereenkomst tussen DLO, [eiseres] en [A] wordt de vennootschap ten aanzien van een vennoot beëindigd:

a. doordat jegens hem artikel 7A:1684 BW toepassing vindt (relatieve ontbinding door de rechter);"

2.7 Op 23 december 1999 heeft IDL een ondernemingsplan (versie 2.1) voor het BSP uitgebracht. De voor de onderhavige zaak relevante passages hiervan luiden als volgt:

"[...] Het bedrijvenpark dient in een periode van 10 jaar (2000-2009) gerealiseerd te zijn. [...]

Kennis Facilitair Instituut

[...] Het Instituut wordt (gedeeltelijk) als eerste gebouw gerealiseerd en is daarmee richtinggevend voor de aan te trekken verdere activiteiten. [...]

[...] [Eiseres] en Arcadis treden binnen het Consortium op als risicodragers, ontwikkelaars en realisatoren. ID-Lelystad brengt de benodigde gronden in het samenwerkingsverband in en is de eindbegunstigde van de in voorliggend ondernemingsplan aangevraagde Europese steun.

[...] Het economisch risico is voor ID-Lelystad beperkt tot inbreng van de grond.

[...] periode 2000-2002 [...] Dit is de periode waarin de infrastructuur en een eerste fase van het Kennis Facilitair Instituut in het kader van de huidige EPD-programma gerealiseerd dienen te worden.

[...] Subsidies [via het EU-structuurfonds, in het kader van de regeling Enig Programmatisch Document Flevoland (EPD), rechtbank] worden geraamd op circa f 11.000.000. Gezien de ontwikkeling van de investeringen is f 8.000.000 toegerekend aan het jaar 2000 en f 3.000.000 aan het jaar 2001."

2.8 Op 30 of 31 december 1999 heeft DLO een subsidieovereenkomst gesloten met de provincie Flevoland (hierna: "de Provincie"). Deze bevat, voor zover relevant, de navolgende bepalingen:

"1.2 De Provincie verstrekt de Stichting [DLO, rechtbank] een bijdrage [...] van maximaal Nlg 11.000.000 [...]

1.3 De Provincie verstrekt bovendien een EFRO-bijdrage van Hfl. 1.217.825 [...] als bijdrage in de kosten van acquisitie en promotie, [...]

2.4 De Stichting zal ervoor zorgdragen dat het gehele project en de daarmee beoogde doelstelling(en) uiterlijk per 31 december 1999 volledig is opgedragen, dat de betalingen vóór uiterlijk 1 december 2001 zijn verricht.

De Stichting zal er tevens voor zorgdragen dat de eindafrekening uiterlijk 15 december 2001 is verricht en ingediend bij de Provincie. [...]"

2.9 Op of omstreeks 5 september 2000 is [eiseres 4] in de plaats getreden van [eiseres 1] als vennoot van de C.V. en BSP B.V. in de plaats van Arcadis.

2.10 Op 27 november 2000 hebben de vennoten de "Aanvullende overeenkomst Bio Science Park" gesloten. Voor zover relevant, is hierin vastgelegd dat telkens nadat vijf jaar zijn verstreken nadat DLO grond heeft uitgegeven, DLO de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst zal uitnodigen om de voortgang van de samenwerking te evalueren. Als DLO daarna van oordeel is dat die voortgang stagneert in een mate of op een wijze dat van haar redelijkerwijs niet langer kan worden verwacht dat zij die voortzet, zijn partijen jegens elkaar op geen enkele wijze gehouden tot schadevergoeding in verband met die opzegging (artikel 1.6).

2.11 Ontwikkelingsmaatschappij Meerschip B.V. (hierna: "Meerschip") heeft in samenwerking met de C.V. en in opdracht van [eiseres 1] een ontwerp voor het KFI gemaakt. Op 28 maart 2002 is daarvoor een bouwvergunning verkregen.

2.12 Nadat de in de subsidieovereenkomst genoemde termijnen (zie 2.8 hierboven) niet haalbaar waren gebleken, heeft de Provincie zich jegens de C.V. bereid verklaard bij de Europese Commissie uitstel te vragen om de eindtermijn te verlengen tot 1 oktober 2002 op voorwaarde dat het KFI op die datum gerealiseerd zou zijn. Onder andere omdat er vanuit de markt onvoldoende aanmeldingen voor vestiging in het KFI binnenkwamen, heeft de C.V. bij brief van 11 maart 2002 aan de Provincie bericht niet aan de nadere voorwaarde te kunnen voldoen.

2.13 Met het oog op het alsnog verkrijgen van subsidie heeft de C.V. in overleg met de Provincie besloten het project te faseren. Zo is het bouwrijp maken van circa 14 ha. grond aangemerkt als afgerond project in het kader van de subsidieovereenkomst. Bij beschikking van 13 september 2002 heeft de Provincie de EU-bijdrage voor dit project vastgesteld op f 2.796.712,-.

2.14 Daarna hebben de C.V. en de Provincie overleg gevoerd over een vervolgsubsidie onder nieuwe Europese regels, te weten het Enig Programmerings Document Flevoland 2 (EPD2) voor de periode 2002-2006. Zij hebben vastgesteld dat in het kader van EPD2 subsidie slechts kan worden verstrekt aan een rechtspersoon waarin een overheidslichaam een bepalende invloed heeft. Noch de C.V. noch DLO kan als zodanig worden aangemerkt. De Provincie heeft de C.V. daarop bericht dat zij ter realisering van het KFI voornemens is een subsidieovereenkomst te sluiten met de publiekrechtelijke rechtspersoon Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland (hierna: "OMF"). Daarbij heeft de Provincie DLO uitgenodigd om voor € 1.500.000,- te participeren in een samenwerkingsverband.

2.15 Op 17 april 2003 hebben de beherende vennoten een (concept) ondernemingsplan (versie maart 2003) voor het BSP opgesteld. Dit plan vermeldt dat, (ook) met subsidie, pas met de bouw van het KFI kan worden begonnen als bijna 100% van de beschikbare ruimtes op voorhand is verhuurd, waarbij is vermeld: "De inschatting is dat medio 2003 aan deze voorverhuur eis kan worden voldaan." Medio 2003 was nog een enkele ruimte in het KFI (voor)verhuurd en ook nadien was dit niet anders.

2.16 Op 7 oktober 2003 vindt een vennotenoverleg plaats. Tijdens dit overleg blijkt dat het probleem is ontstaan dat enerzijds de Provincie van WUR een actieve rol wenst en anderzijds WUR in de C.V. de rol heeft van "stille vennoot". WUR wil gevrijwaard worden van schade en claims en wil geen risico lopen. Van de zijde van WUR wordt voorgesteld om onderzoek te verrichten en plannen te ontwikkelen om een doorstart te maken, waarbij gezocht moet worden naar andere opties om het "partnership" met Arcadis en [eiseres 1] in welke vorm dan ook te continueren. Hierbij moet de samenwerkingsvorm zoals geregeld in de C.V.- en samenwerkingsovereenkomst worden veranderd of zelfs ontbonden. Van de zijde van Arcadis en [eiseres 1] wordt akkoord gegaan met het feit dat WUR bijdraagt aan het zoeken naar alternatieven, mits helder is hoe het voortraject financieel afgewikkeld wordt. Partijen spreken de intentie uit om verder met elkaar samen te werken.

2.17 Blijkens een verslag van een overleg over het KFI en het BSP op 10 oktober 2003 is, mede op basis van een rapport van Ernst & Young, een ieder van mening dat "het concept" nog steeds zeer kansrijk is. Duidelijk wordt dat ten behoeve van een snelle start onderscheid gemaakt moet worden tussen de realisatie van het KFI enerzijds en het BSP anderzijds.

2.18 Op 4 december 2003 vindt een (voortgangs)bespreking plaats tussen alle betrokken partijen. Tijdens deze bespreking komt aan de orde dat er een nieuwe rechtspersoon zal worden opgericht die de subsidie voor het KFI zal aanvragen en de grond van de C.V. zal kopen. Het verslag van deze bespreking vermeldt, voor zover relevant:

"Deze bespreking beoogde tot meer concrete afspraken te komen met betrekking tot de realisatie van het KFI op het BSPL te Lelystad. [...] Afspraak was, dat alle partijen zouden nagaan welke "beweging" zij elk konden maken om financieel voldoende tot elkaar te komen.

Partijen zijn bijeen zonder dat sprake is van mandaat. [...]

[...] Conform de oorspronkelijke intenties zal het consortium het BSPL met de huidige parkopzet verder ontwikkelen. [...]

Voor Wageningen UR is het perspectief tot verdere ontwikkeling van het BSPL een van de belangrijkste overwegingen om wel/niet in te stemmen met de deal. [...]

7. Wageningen UR blijft binnen het huidige consortium stille vennoot en zal dus niet een deel van het (exploitatie)risico van het BSPL voor zijn rekening nemen. In een nieuwe rechtspersoon zou Wageningen UR wel risicodragend kunnen participeren voor de ontwikkeling van het KFI, mede afhankelijk van de hoogte van de gevraagde financiering. [...]

[...]

Allen zegden toe zich maximaal in te spannen om de gemaakte afspraken van hogerhand vastgesteld te krijgen, alle kritische data te halen, [...] en uiteindelijk op deze wijze het KFI te realiseren."

2.19 Naar aanleiding van voornoemd verslag van de bespreking van 4 december 2003 heeft [betrokkene 1] van WUR bij e-mail van 10 december 2003 aan [betrokkene 2] van de Provincie als volgt laten weten:

"[...] Ik wil het verslag best voor akkoord tekenen. Ik wil er wel bij vermelden dat dit niet automatisch betekent dat ik (namens Wageningen UR) voor alle opties positief advies ga uitbrengen aan mijn beslissers (ik neem aan dat dat helder is). [...]"

2.20 Op 7 januari 2004 is de aanvraag voor een Europese bijdrage in het kader van EPD2 betreffende het KFI ingediend. Op het aanvraagformulier is als naam van de aanvrager ingevuld:

"nieuw BV, opgericht door:

Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland BV i.o.

Wageningen Universiteit en Researchcentrum"

In paragraaf 2.1 van het aanvraagformulier wordt het project als volgt beschreven:

"Het Kennis Facilitair Instituut Lelystad is een initiatief van de Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland en Wageningen Universiteit en Researchcentrum. [...]"

2.21 Een Statenvoorstel van 8 januari 2004, bestemd voor een vergadering van Provinciale Staten en betrekking hebbend op het verlenen door de Provincie van een bijdrage aan het KFI, vermeldt onder andere:

"Er zal een nieuwe Overheids B.V. worden opgericht door de Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland (OMFL) en het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR). In de nieuwe rechtspersoon zal de OMFL een belang van minder dan 50% bezitten. [...]

De noodzaak om een publieke partij te vinden die het KFI wil ontwikkelen en beheren is gezien de Europese staatssteunregels evident. [...]

De OMFL en de WUR zullen in de vorm van een nieuw op te richten rechtspersoon, een Overheids B.V., het KFI ontwikkelen en beheren. [...]

De ontwikkeling van het businesspark is een marktaangelegenheid waarin geen rol is weggelegd voor de OMFL. Er is dus sprake van een knip in het oorspronkelijke projectplan."

Voorts blijkt dat WUR een financiële bijdrage aan het KFI zal leveren van € 1.500.000,-. Het Statenvoorstel vermeldt verder:

"[...] De Raad van Bestuur van de WUR heeft informeel laten weten bereid te zijn een bedrag van € 1,5 miljoen beschikbaar te willen stellen voor de medefinanciering van het KFI Lelystad.

De financiering van het KFI is nog niet hard gemaakt. Echter, er zal pas een overeenkomst met de nieuwe rechtspersoon worden afgesloten indien:

[...]

2 de financiering van WUR is aangetoond à € 1.500.000,-;

[...]"

2.22 Tijdens een vennotenoverleg van 4 februari 2004 geeft WUR aan dat het ontbinding van de samenwerkingovereenkomst noodzakelijk acht, omdat het te complex wordt wanneer WUR met het OMF verdergaat. Het verslag van dit overleg vermeldt, voor zover relevant:

"3 Stand van zaken KFI

GS stelt een extra subsidie beschikbaar t.w.v. € 300.000 [...] Totale subsidie volgens de krant € 3.300.000. Bouw van de KFI lijkt hiermee verzekerd.

[...]

[Betrokkene 1] [van WUR] meldt dat de RvB van de WUR naar het perspectief van de CV heeft gekeken waarover het niet erg optimistisch is m.n. omdat:

- het project vertraging heeft opgelopen en de RvB geen geduld meer heeft

- zij geen meerwaarde ziet in de participatie

- de afhankelijkheid van de WUR groter is dan verwacht

- zij een nieuwe start willen en

- de samenwerkingsovereenkomst hiervoor willen ontbinden

- zij vinden dat de relatie met de Provincie redelijk negatief is

[...]

Een ieder spreekt zijn teleurstelling hierover uit:

- [betrokkene 3] [van Arcadis] stelt dat Arcadis de intentie heeft om in alle omstandigheden samen met [eiseres] en de WUR naar oplossingen te zoeken. Het moment is in zijn optiek vreemd omdat er juist nu een positief besluit is genomen omtrent het KFI en hiermee de katalysator is gevonden om het project versneld op te pakken.

[...]

- [betrokkene 4] [van Arcadis] stelt dat de start van het project altijd afhankelijk is geweest van de toekenning van subsidie en dat is nu pas definitief. [...]

Een aantal mogelijkheden hoe hiermee om te gaan wordt besproken:

- een optie zou zijn wanneer de WUR uit de CV stapt maar zich wel aan de afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst houdt [...]

[...]"

2.23 Op 11 maart 2004 besluit de Provincie om de vervolgsubsidie (onder EPD2) definitief te verstrekken aan de publiekrechtelijke rechtspersoon OMF.

2.24 Bij brief van 12 maart 2004 bericht DLO aan de beherend vennoten (kort gezegd):

- dat de beoogde snelle realisatie van het volledige park niet meer mogelijk is;

- dat een vervolgsubsidie, waardoor in ieder geval met de bouw van het KFI zou kunnen worden begonnen, niet aan het huidige consortium zal kunnen worden verstrekt omdat de eindbegunstigde van de subsidie geen partij is die overwegend publiekrechtelijk van aard is;

- dat als gevolg van voornoemde ontwikkelingen de huidige samenwerking inmiddels ver achterloopt bij de realisering van de oorspronkelijke doelstelling, die door de beherend vennoten inmiddels in zoverre gewijzigd is dat vooralsnog nog slechts een gedeeltelijke ontwikkeling van het terrein wordt beoogd;

- dat er momenteel nog geen bedrijven geworven zijn voor het KFI - er is zelfs geen enkel huurcontract getekend -, terwijl er evenmin uitzicht is op aanmerkelijke veranderingen op korte termijn;

- dat er door de beherend vennoten tot op heden geen relevante plannen zijn ontwikkeld die deze patstelling kunnen doorbreken;

- dat DLO door OMF en de Provincie is gevraagd te participeren in een nieuwe - publieke - rechtspersoon die de beoogde bouw van het KFI op korte termijn zou kunnen realiseren, maar deelname van DLO aan een nieuw samenwerkingsverband slechts kan geschieden indien DLO daarbij actief (waaronder risicodragend) participeert;

- dat een aanpassing van de samenwerkingsovereenkomst onder de afspraak dat DLO haar plaats in het huidige consortium handhaaft en daarnaast deelneemt in het nieuwe samenwerkingsverband, voor DLO niet aan de orde is, onder andere omdat een actieve rol waarbij DLO ook risicodragend is, zich niet verhoudt met de positie van stille vennoot in het huidige consortium;

- dat de huidige samenwerkingsvorm geen uizicht biedt op een spoedige realisatie van het KFI;

- dat DLO om die reden overweegt te participeren in de nieuwe rechtspersoon, waarin DLO via IDL een actieve rol moet vervullen, maar dat als voorwaarde voor die participatie de huidige C.V. en de samenwerkingsovereenkomst beëindigd zullen moeten worden.

Alvorens DLO tot opzegging of ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst en de daarmee samenhangende overeenkomsten overgaat, stelt zij de beherend vennoten nog eenmaal in de gelegenheid om binnen uiterlijk twee weken na het op 16 maart 2004 nog te houden vennotenoverleg aan te geven:

"1. of zij in staat zijn om de beoogde EU-subsidie volgens andere kanalen dan de thans ontgonnen af te dwingen;

2. of zij in staat zijn (binnen de gestelde termijn van twee weken) een geloofwaardig, alternatief bedrijfsplan (inclusief financierings- en grondexploitatieplan) te ontwikkelen voor het gehele park;

3. of zij in staat zijn een dergelijk plan op verantwoorde wijze en zonder verdere vertraging uit te voeren."

2.25 Bij brief van 29 maart 2004 berichten de beherend vennoten niet aan de verzoeken in de brief van 12 maart 2004 te kunnen voldoen. Tevens spreken zij de hoop uit dat zij in nader overleg in de lijn van de in het verleden gemaakte afspraken tot een oplossing kunnen komen. Een eventuele uittreding van DLO als commanditaire vennoot is bespreekbaar.

2.26 Bij brief van 12 april 2004 zegt DLO de samenwerkingsovereenkomst op tegen 1 juni 2004, waarna [eiseres 1] c.s., op 1 juni 2004, conservatoir beslag leggen op de grond van DLO.

3. Procesverloop

3.1 Door partijen zijn twee procedures aanhangig gemaakt die bij incidenteel vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2004 respectievelijk bij arrest van het hof Amsterdam van 8 februari 2007 gevoegd zijn:

- een door DLO aanhangig gemaakte procedure tegen de beherend vennoten, aangeduid als "de C.V.-procedure", bij de rechtbank met rolnummer: H 04.2008 en bij het hof met rolnummer: 06/1737; en

- een door [eiseres 1] c.s. aanhangig gemaakte procedure tegen DLO, aangeduid als "de S.O.-procedure", bij de rechtbank met rolnummer: H 04.2102 en bij het hof met rolnummer: 06/1736.

3.2 In de C.V.-procedure heeft DLO bij dagvaarding van 3 juni 2004 in conventie ontbinding van de C.V. gevorderd en benoeming van vereffenaars. In reconventie hebben de beherend vennoten (na wijziging van eis) eveneens ontbinding van de C.V. gevorderd, alsmede een veroordeling van DLO tot betaling van (i) een bedrag van € 1.941.548,81 wegens gemaakte kosten ter uitvoering van de C.V.-overeenkomst, welke vordering zij baseren op de op DLO rustende ongedaanmakingsverplichting na ontbinding van de C.V., (ii) een bedrag van € 2.918.278,- wegens kosten en geleden verlies, verminderd met het toegewezen bedrag onder (i) en (iii) schadevergoeding wegens gederfde winst, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.3 Na bij tussenvonnis van 23 november 2005 een comparitie van partijen te hebben gelast, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 9 augustus 2006 de C.V. ontbonden en de beherend vennoten tot vereffenaars benoemd. In reconventie heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte aan de zijde van de beherend vennoten betreffende de vorderingen tot ongedaanmaking en tot vergoeding van geleden verlies. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft de rechtbank (in rov. 3.12) afgewezen, omdat de beherend vennoten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gederfde winst. Iedere verdere beslissing heeft de rechtbank aangehouden.

3.4 In de S.O.-procedure hebben [eiseres 1] c.s. bij dagvaarding van 11 juni 2004 in conventie (na wijziging van eis) een verklaring voor recht gevorderd dat de opzegging door DLO van de samenwerkingsovereenkomst nietig is en ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst gevorderd, alsmede een veroordeling van DLO tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en tot betaling van een bedrag van € 1.941.548,81, indien en voor zover in de C.V.-procedure deze vordering wordt afgewezen. In reconventie heeft DLO een verklaring voor recht gevorderd dat het beslag dat op 1 juni 2004 door [eiseres 1] c.s. op haar grond is gelegd, onrechtmatig is en zij (hoofdelijk) gehouden zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden, alsmede een hoofdelijke veroordeling van [eiseres 1] c.s. tot vergoeding van de door DLO geleden schade.

3.5 In eerdergenoemd eindvonnis van 9 augustus 2006 heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat de opzegging door DLO van de samenwerkingsovereenkomst nietig is, de samenwerkingsovereenkomst ontbonden, alsmede DLO veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat ter zake van gemiste opdrachten als bedoeld in artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen toegewezen.

3.6 DLO heeft bij dagvaarding van 3 oktober 2006 bij het hof Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank van 23 november 2005 en van 9 augustus 2006.

3.7 Bij arrest van 17 juli 2008 heeft het hof in de S.O.-procedure het tussenvonnis van de rechtbank van 23 november 2005 bekrachtigd en het eindvonnis van de rechtbank van 9 augustus 2006 in conventie bekrachtigd voor zover daarin voor recht is verklaard dat de opzegging door DLO van de samenwerkingsovereenkomst nietig is en in reconventie bekrachtigd met dien verstande dat het op 1 juni 2004 gelegde beslag vanaf 9 november 2006 onrechtmatig is. Eveneens bij arrest van 17 juli 2008 heeft het hof in de C.V.-procedure het tussenvonnis van de rechtbank van 23 november 2005 bekrachtigd en het eindvonnis van de rechtbank van 9 augustus 2006 in reconventie vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de beherend vennoten betreffende een veroordeling van DLO tot betaling van € 1.941.548,81 en tot betaling van schadevergoeding wegens gederfde winst afgewezen, alsmede de zaak naar de rol verwezen voor het nemen (als bedoeld in rov. 3.11.3 en 3.11.4 van het hof) van een akte aan de zijde van [eiseres 1] c.s. betreffende hun vordering tot vergoeding van kosten en geleden verlies ter realisatie van het KFI. Iedere verdere beslissing heeft het hof aangehouden.

3.8 Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld.(3) DLO heeft tot verwerping geconcludeerd en op haar beurt incidenteel cassatieberoep ingesteld. Ten aanzien van het incidenteel cassatieberoep hebben [eiseres] c.s. tot verwerping geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunten over en weer schriftelijk laten toelichten. Namens [eiseres] c.s. is gerepliceerd en namens DLO is gedupliceerd.

4. Bespreking van het principaal cassatiemiddel

DE S.O.-PROCEDURE

I. Klachten tegen rov. 3.10.1-3.10.3 van het hof:

afwijzing van de vordering van [eiseres 1] c.s. betreffende het missen van overeengekomen opdrachten

4.1 In rov. 3.10-3.10.4 wijst het hof, anders dan de rechtbank(4), de vordering van [eiseres 1] c.s. af tot veroordeling van DLO tot betaling van een schadevergoeding (nader op te maken bij staat) wegens het missen van de in artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst overeengekomen opdrachten tot het ontwerpen en realiseren van de boven- en ondergrondse infrastructuur van het BSP, daaronder begrepen het leveren en aanbrengen van de benodigde asfaltverhardingen en de (kans op) opdrachten voor de bebouwing.

Klachten tegen rov. 3.10.1 (artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst)

4.2 In rov. 3.10.1 oordeelt het hof dat [eiseres 1] c.s. de mogelijkheid van gederfde winst, voortvloeiend uit de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst en bestaande uit gemiste opdrachten als bedoeld in artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Aan dit oordeel legt het hof ten grondslag dat [eiseres 1] c.s. de onderbouwde stelling van DLO dat er onvoldoende belangstelling bij bio science-bedrijven bestond om zich in het bedrijvenpark te vestigen, onvoldoende gemotiveerd hebben betwist. Het hof acht hierbij van doorslaggevend belang (kort gezegd) dat medio 2003 nog geen enkele ruimte van het KFI was (voor)verhuurd en dit in maart 2004 nog steeds niet het geval was, terwijl (voor)verhuur wel cruciaal was om het BSP van de grond te laten komen. Dit laatste blijkt onder andere uit een rapport van Ernst en Young van 2 september 2003. Dat rapport spreekt over een "kip/ei-situatie": potentiële huurders zijn terughoudend omdat er geen harde garantie kan worden gegeven voor de opleveringsdatum van het gebouw en het consortium start niet met de bouw zonder 70% voorverhuur. Voorts overweegt het hof dat [eiseres 1] c.s. hun stellingen niet hebben betrokken op de vraag hoe in hun visie het totale BSP-project, als DLO de samenwerking niet had opgezegd, succesvol had kunnen worden gerealiseerd in die zin dat zij daadwerkelijk, zonder dat de beschikbare ruimte van het KFI (in voldoende mate) zou zijn verhuurd, winst zouden hebben kunnen maken. De stelling dat ná het verlenen van de subsidie met de bouw van het KFI kon worden begonnen, zodat de voorverhuureis niet langer meer gold, legt (aldus nog steeds het hof) in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal: de realisatie van het KFI-gebouw betekent nog niet dat er ook zonder verhuur van de beschikbare ruimte winst had kunnen worden gegenereerd. Op grond van een en ander concludeert het hof dat [eiseres 1] c.s. evenmin voldoende concrete en feitelijke onderbouwing hebben gegeven van hun stelling dat zij schade lijden doordat zij als gevolg van de nietige opzegging geen opdrachten hebben gekregen.

4.3 Onderdeel I.1.1.1 van het middel stelt dat sprake is van een ontoelaatbare discrepantie tussen de twee door het hof in rov. 3.10.1 gehanteerde criteria voor de toewijsbaarheid van de onderhavige vordering van [eiseres 1] c.s. tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Enerzijds hanteert het hof het rechtens juiste criterium (in de eerste volzin van rov. 3.10.1) dat [eiseres 1] c.s. slechts de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk moesten maken. Maar anderzijds hanteert het hof (aldus nog steeds het middel) het te strenge criterium (in de slotzin van rov. 3.10.1) dat [eiseres 1] c.s. een voldoende concrete en feitelijke onderbouwing moesten geven van hun stelling dat zij schade lijden.

4.4 Het onderdeel kan niet slagen. Het door het hof gehanteerde criterium voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure dat de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt, is rechtens juist.(5) De eis dat een voldoende concrete en feitelijke onderbouwing gegeven moet worden van de stelling dat schade geleden is, vloeit uit dit criterium voort. Het oordeel van het hof is dan ook niet onjuist en kan evenmin als onbegrijpelijk dan wel als ontoereikend gemotiveerd worden aangemerkt.

4.5 Onderdeel I.1.1.2 voert vervolgens aan dat [eiseres 1] c.s. hun stelling in deze fase van de rechtsstrijd niet met meer "concreet en feitelijk" bewijs behoefden te onderbouwen. Het middel doelt hiermee op de stelling van [eiseres 1] c.s. dat, indien het KFI-gebouw wel dadelijk vanaf april 2004 zou zijn gebouwd, binnen een redelijke termijn in voldoende mate zou zijn verhuurd en daarmee alsnog zijn beoogde "aanjaagfunctie" voor de rest van het BSP-project zou hebben kunnen vervullen. Volgens het middel hebben [eiseres 1] c.s. de globale betwistingen door DLO van de succeskansen voor het KFI en het BSP (met de stelling dat er onvoldoende belangstelling bij bio science-bedrijven bestond om zich in het bedrijvenpark te vestigen) wel degelijk gemotiveerd weersproken (het middel verwijst naar het hieronder te bespreken onderdeel 3). Bovendien heeft (aldus het middel) DLO door haar opzegging van de samenwerkingsovereenkomst in april 2004 en haar weigering sindsdien van elke verdere medewerking aan de realisatie van het KFI- en BSP-project, het leveren van meer "concreet en feitelijk" bewijs zelf gefrustreerd. Het hof had er rekening mee moeten houden dat, zoals in alinea 3.1.7 van de schriftelijke toelichting namens [eiseres] c.s. verwoord wordt(6), DLO "het paard uit de race heeft gehaald", waarop [eiseres 1] c.s. (en de beherend vennoten) zouden moeten wedden.

4.6 Het middel miskent dat het hof wel degelijk met het handelen van DLO rekening heeft gehouden. Het hof constateert immers dat [eiseres 1] c.s. niet hebben gesteld dat, indien DLO de samenwerkingsovereenkomst niet zou hebben opgezegd, het totale BSP-project desondanks succesvol had kunnen worden gerealiseerd in die zin dat zij daadwerkelijk, zonder dat de beschikbare ruimte van het KFI (in voldoende mate) zou zijn verhuurd, winst zouden hebben kunnen maken. Met andere woorden, het hof heeft wel degelijk rekening gehouden met de situatie waarin DLO "het paard niet uit de race zou hebben gehaald". Aldus mist het onderdeel feitelijke grondslag.

4.7 Onderdeel I.1.2 klaagt dat onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd zijn de oordelen van het hof in rov. 3.10.1 betreffende in de eerste plaats het door [eiseres 1] c.s. niet betrekken van hun stellingen op de vraag hoe zij winst zouden hebben kunnen maken als DLO de samenwerking niet had opgezegd en in de tweede plaats de stelling van [eiseres 1] c.s. dat ná het verlenen van de subsidie met de bouw van het KFI kon worden begonnen. Dit onderdeel wordt uitgewerkt in de onderdelen I.1.2.1-I.1.2.4.

4.8 Onderdeel I.1.2.1 klaagt dat niet valt in te zien waarom door de snelle realiseerbaarheid van het KFI-gebouw vanaf april 2004 niet de voordien bestaande "kip/ei-situatie" zou zijn doorbroken, omdat (aldus het middel) alsdan het aantrekken van huurders niet meer zou zijn afgestuit op het ontbreken van "een harde garantie voor de opleveringsdatum".

4.9 Het onderdeel kan niet slagen, omdat het miskent dat het hof juist tot uitgangspunt neemt dat de beschikbare ruimte van het KFI níet (in voldoende mate) zou zijn verhuurd, óók ingeval DLO de samenwerking niet had opgezegd en het KFI-gebouw kon worden gerealiseerd. Dit oordeel is feitelijk van aard en daarmee aan het hof als feitenrechter voorbehouden. Het oordeel kan voorts niet als onbegrijpelijk dan wel als ontoereikend gemotiveerd worden aangemerkt.

4.10 Onderdeel I.1.2.2, dat is gericht tegen het feitelijke oordeel van het hof dat ook indien het KFI-gebouw daadwerkelijk zou zijn gerealiseerd, dit niet (in voldoende mate) zou zijn verhuurd, faalt op dezelfde gronden als hierboven genoemd.

4.11 Onderdeel I.1.2.3 leest in de overweging van het hof dat de realisatie van het KFI-gebouw nog niet betekent dat er ook zonder verhuur van de beschikbare ruimte winst had kunnen worden gegenereerd, het oordeel dat de gunning van de in artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst bedoelde opdrachten aan [eiseres 1] c.s. afhankelijk zou zijn geweest van met de verhuur van het KFI-gebouw te genereren winsten en klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [eiseres 1] c.s. niet bij de verhuuropbrengsten van het KFI-gebouw betrokken zouden zijn geweest en ook de gunning van de betreffende opdrachten niet van een winstgevende verhuur-exploitatie van het KFI afhankelijk was gesteld.

4.12 Het middel gaat eraan voorbij dat het hof heeft vooropgesteld dat (voor)verhuur cruciaal was om het BSP van de grond te laten komen. Dit feitelijke oordeel is aan het hof als feitenrechter voorbehouden en kan niet als onbegrijpelijk worden aangemerkt.

4.13 Onderdeel I.1.2.4 acht onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd waarom het hof een bevestigend antwoord op de vraag of - DLO's opzegging weggedacht - door [eiseres 1] c.s. winsten zouden zijn gegenereerd, afhankelijk stelt van de realisatie van het totale BSP-project, omdat ook indien slechts gedeelten van het BSP-project zouden zijn ontwikkeld, door [eiseres 1] c.s. winsten zouden zijn behaald.

4.14 Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat uit de overwegingen van het hof niet kan worden opgemaakt dat het hof zijn oordeel omtrent de winstprognoses voor [eiseres 1] c.s. heeft beperkt tot het totale BSP-project. Het hof heeft vastgesteld dat [eiseres 1] c.s. niet hebben gesteld dat indien DLO de samenwerking niet zou hebben opgezegd, zij ondanks dat de beschikbare ruimte van het KFI niet (in voldoende mate) zou zijn verhuurd, wel winst zouden hebben kunnen maken. De opmerking van het hof betreffende de realisatie van het totale BSP-project sluit niet uit dat het hof wel als voldoende aannemelijk zou hebben geoordeeld een stelling van [eiseres 1] c.s. dat indien DLO de samenwerking niet zou hebben opgezegd en het BSP-project gedeeltelijk zou zijn gerealiseerd, zij ondanks dat de beschikbare ruimte van het KFI niet (in voldoende mate) zou zijn verhuurd, wel winst zouden hebben kunnen maken.

4.15 Onderdeel I.1.3 klaagt dat de oordelen van het hof in rov. 3.10.1 ontoereikend gemotiveerd zijn in het licht van het betoog van [eiseres 1] c.s. (respectievelijk van de beherend vennoten) ter onderbouwing van hun vordering. Het onderdeel klaagt voorts dat door het hof niet kenbaar is verdisconteerd dat dit betoog (slechts) behoeft te voldoen aan het criterium dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. Dit onderdeel wordt uitgewerkt in de onderdelen I.1.3.1 en I.1.3.2.

4.16 Onderdeel I.1.3.1 stelt dat DLO haar betwisting van de succeskans van het KFI- en BSP-project steeds slechts zeer kort en in min of meer dezelfde, zeer globale bewoordingen heeft geuit. Het middel verwijst hierbij naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen (in rov. 3.12 van het eindvonnis van 9 augustus 2006). Bovendien heeft DLO (aldus het middel) haar stellingen/betwistingen inzake de slechte marktsituatie respectievelijk BSP-kansen in de eerste plaats ingebracht in het kader van haar streven om de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst en de blokkering van de realisatie van het KFI- en BSP-project te rechtvaardigen.

4.17 Het onderdeel faalt. Door te oordelen dat [eiseres 1] c.s. de mogelijkheid van gederfde winst onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt, heeft het hof wel degelijk kenbaar gemaakt dat het de stellingen van [eiseres 1] c.s. heeft getoetst aan het criterium dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt. Door voorts te verwijzen naar de onderbouwde stelling van DLO dat er onvoldoende belangstelling bij bio science-bedrijven bestond om zich in het bedrijvenpark te vestigen en vervolgens uiteen te zetten welke omstandigheden het in dit verband van doorslaggevend belang acht, heeft het hof zijn oordelen niet ontoereikend gemotiveerd.

4.18 Onderdeel I.1.3.2 geeft een opsomming van hetgeen [eiseres 1] c.s. (en de beherend vennoten) hebben aangevoerd ter bestrijding van het betoog van DLO.

4.19 Al hetgeen het onderdeel opsomt, staat ter beoordeling van het hof als feitenrechter en komt niet voor toetsing in cassatie in aanmerking. De oordelen van het hof kunnen, zoals hierboven al aangegeven, niet als ontoereikend gemotiveerd worden aangemerkt. Het onderdeel kan dan ook niet slagen.

Klachten tegen rov. 3.10.2 (artikel 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst)

4.20 In rov. 3.10.2 geeft het hof een oordeel over de vordering van [eiseres 1] c.s. op grond van artikel 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst, te weten een schadevergoeding wegens het missen van opdrachten in het kader van het ontwerpen en uitvoeren tegen marktconforme prijzen van het KFI. Het hof overweegt dat vaststaat dat op 28 maart 2002 een bouwvergunning is verstrekt voor de bouw van het KFI en [eiseres 1] in samenwerking met (ontwikkelingsmaatschappij) Meerschip het ontwerp daarvoor heeft opgesteld. De vraag resteert (aldus het hof) of [eiseres 1] c.s. opdrachten zouden hebben gekregen voor de uitvoering van het ontwerp. DLO heeft onbetwist gesteld dat artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst niet meer actueel was, omdat inmiddels Europese aanbestedingsregels van kracht waren geworden, die tot een publieke aanbesteding van het ontwerpen en uitvoeren van het KFI verplichten. Dit standpunt sluit aan bij het Statenvoorstel van 8 januari 2004. In ieder geval hebben [eiseres 1] c.s. (aldus nog steeds het hof) geen dan wel onvoldoende onderbouwing gegeven van hun standpunt dat zij ten gevolge van de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst daadwerkelijk opdrachten hebben gemist: ook als de samenwerkingsovereenkomst in stand zou zijn gebleven, was het weinig aannemelijk dat zij, gezien de gewijzigde regelgeving en de gewijzigde onderlinge verhouding van partijen een geslaagd beroep hadden kunnen doen op artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst.

4.21 Onderdeel I.2.1 klaagt dat het hof in rov. 3.10.2 op onbegrijpelijke wijze de goed te onderscheiden artikelen 6.1 en 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst (betreffende, volgens het middel, infrastructuuropdrachten respectievelijk bouwopdrachten) over één kam geschoren heeft en/of met elkaar verward heeft.

4.22 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst ziet op opdrachten voor het ontwerpen en realiseren van de infrastructuur van het BSP en artikel 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst ziet op opdrachten voor het ontwerpen en uitvoeren van het KFI (zie 2.5 hierboven). In rov. 3.10.1 geeft het hof een oordeel met betrekking tot artikel 6.1 en in rov. 3.10.2 over artikel 6.2. Rov. 3.10.1 heeft betrekking op het BSP en rov. 3.10.2 op het KFI. In rov. 3.10.1 noemt het hof het KFI wel, maar slechts om aan te geven dat (voor)verhuur van het KFI cruciaal was om het BSP van de grond te laten komen. In rov. 3.10.2 heeft het hof het uitsluitend over het KFI en de gewijzigde regelgeving die hierop van invloed was, hetgeen ook blijkt uit de verwijzingen door het hof naar de onbetwiste stelling van DLO over de Europese aanbestedingsregels en het Statenvoorstel van 8 januari 2004. Deze stelling van DLO(7) en dit Statenvoorstel(8) zien uitsluitend op het KFI en de gewijzigde regelgeving ten aanzien hiervan. Gelet op een en ander moet het er dan ook voor worden gehouden dat de verwijzing door het hof naar artikel 6.1 op de 9e en op de laatste regel van rov. 3.10.2 op een verschrijving berust en het hof hier kennelijk artikel 6.2 bedoeld heeft.

4.23 Onderdelen I.2.2, I.2.3.1 en I.2.3.2 nemen eveneens ten onrechte tot uitgangspunt dat rov. 3.10.2 op artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft en kunnen dan ook evenmin slagen.

4.24 Onderdeel I.2.4 stelt dat voor zover al aangenomen zou moeten worden dat het hof per abuis artikel 6.1 heeft geschreven in plaats van artikel 6.2, onbegrijpelijk is waarom het gezien de "gewijzigde (Europese) regelgeving" en/of de "gewijzigde onderlinge verhouding van partijen" weinig aannemelijk was dat [eiseres 1] c.s. - bij het wél voortbestaan van de samenwerkingsovereenkomst - een geslaagd beroep op artikel 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst zouden hebben kunnen doen voor het verkrijgen van andere BSP-bouwopdrachten dan die voor het KFI-gebouw.

4.25 Het middel miskent wederom dat rov. 3.10.2 uitsluitend op het KFI ziet en niet ook op andere BSP-bouwopdrachten. Het onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag en kan niet slagen.

4.26 Onderdeel I.2.5.1 stelt dat voor zover het oordeel van het hof in rov. 3.10.2 tevens zou berusten op een impliciete doorwerking van zijn oordeel in rov. 3.10.1., het draagvlak hiervoor onvoldoende duidelijk en ontoereikend gemotiveerd is.

4.27 Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat uit rov. 3.10.2 niet valt af te leiden dat dit tevens berust op het oordeel in rov. 3.10.1.

4.28 Onderdeel I.2.5.2 acht onjuist althans ontoereikend gemotiveerd het oordeel van het hof dat [eiseres 1] c.s. onvoldoende onderbouwing hebben gegeven van hun standpunt dat zij ten gevolge van de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst daadwerkelijk opdrachten hebben gemist of dat het weinig aannemelijk was dat zij gezien de gewijzigde regelgeving en de gewijzigde onderlinge verhouding van partijen een geslaagd beroep hadden kunnen doen op artikel 6.1 en/of 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst. Het middel baseert zich hierbij op (i) het "lichte" criterium voor de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat, (ii) de ongeoorloofde frustratie door DLO van een verdere ontwikkeling van het KFI en de rest van het BSP en op (iii) de door [eiseres 1] c.s. voor hun vordering gegeven onderbouwing.

4.29 Het oordeel van het hof is feitelijk van aard en daarmee aan het hof als feitenrechter voorbehouden. Door zijn oordeel te baseren op de gewijzigde regelgeving en de gewijzigde onderlinge verhouding van partijen, heeft het hof zijn oordeel niet ontoereikend gemotiveerd. Door voorts te oordelen dat het weinig aannemelijk was dat [eiseres 1] c.s. een geslaagd beroep op de samenwerkingsovereenkomst hadden kunnen doen, heeft het hof evenmin het criterium voor de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat miskend.

Klachten tegen rov. 3.10.3 (overige schadeposten)

4.30 In rov. 3.10.3 oordeelt het hof ten aanzien van overige schadeposten dat [eiseres 1] c.s. niets dan wel onvoldoende hebben gesteld. Het hof komt tot de conclusie dat [eiseres 1] c.s. de mogelijkheid van gederfde winst uit exploitatie van het KFI dan wel uit exploitatie van het totale bedrijventerrein, als gevolg van de nietige opzegging van de samenwerkingsovereenkomst, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt.

4.31 Onderdeel I.3.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.10.3 inzake "overige schadeposten" onbegrijpelijk is, nu de onderhavige vordering van [eiseres 1] c.s. geheel en uitsluitend betrekking had op door hen, als gevolg van de aan DLO toerekenbare ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst, gemiste opdrachten ex artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst.

4.32 De stelling van het middel dat de vordering van [eiseres 1] c.s. geheel en uitsluitend betrekking had op gemiste opdrachten ex artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst, onderschrijft het oordeel van het hof dat [eiseres 1] c.s. ten aanzien van overige schadeposten - naast de schadeposten ex artikel 6.1 en 6.2 van de samenwerkingsovereenkomst, welke schadeposten het hof in rov. 3.10.1 respectievelijk 3.10.2 besproken heeft - niets dan wel onvoldoende hebben gesteld. Het onderdeel mist dan ook belang.

4.33 Onderdeel I.3.2 acht onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat [eiseres 1] c.s. de mogelijkheid van gederfde winst uit exploitatie van het KFI dan wel uit exploitatie van het totale bedrijventerrein, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt, nu [eiseres 1] c.s. in geen enkel opzicht betrokken zouden zijn geweest bij de winst uit exploitatie van het KFI en het BSP en hun vordering slechts betrekking had op gemiste opdrachten voor de infrastructuur- en bouwwerken.

4.34 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof betreft de conclusie van het hof op grond van rov. 3.10.1, 3.10.2 en 3.10.3, welke overwegingen betrekking hadden op de door het middel genoemde gemiste opdrachten (alsmede op de overige schadeposten, ten aanzien waarvan [eiseres 1] c.s. niets gesteld hebben). Hierin ligt besloten dat ook de conclusie van het hof uitsluitend op deze gemiste opdrachten ziet.

II Klachten tegen rov. 3.13 van het hof:

onrechtmatigheid van het door [eiseres 1] c.s. op de grond van DLO gelegde leveringsbeslag ten laste van DLO

4.35 Rov. 3.13 van het hof ziet op het leveringsbeslag dat [eiseres 1] c.s. op 1 juni 2004 ten laste van DLO op de grond van DLO hebben gelegd nadat DLO de samenwerkingsovereenkomst had opgezegd. De rechtbank heeft op vordering van DLO (in reconventie) geoordeeld dat dit leveringsbeslag onrechtmatig is. Het hof overweegt allereerst dat [eiseres 1] c.s. ex artikel 3.1 van de samenwerkingsovereenkomst een aanspraak hadden op uitgifte van de grond in erfpacht aan de beherend vennoten, zodat zij op 1 juni 2004 gerechtigd waren om leveringsbeslag te leggen omdat de opzegging door DLO van de samenwerkingsovereenkomst nietig was zodat die overeenkomst doorliep. Vervolgens overweegt het hof dat de rechtbank bij vonnis van 9 augustus 2006 op vordering van [eiseres 1] c.s. de samenwerkingsovereenkomst heeft ontbonden en blijkens dit vonnis beide partijen ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst vorderden. Daarmee stond (aldus het hof) vast dat geen der partijen nog prijs stelde op nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, zodat na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep (op 9 november 2006) het gelegde leveringsbeslag als onrechtmatig moet worden beschouwd.

4.36 Onderdeel II.1 is gericht tegen het oordeel van het hof dat het beslag vanaf het verstrijken van de appeltermijn van het betreffende vonnis van de rechtbank, gezien de daarin uitgesproken en in appel niet bestreden ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst, als onrechtmatig moet worden beschouwd. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is (wegens strijd met art. 19 en/of 24 Rv) althans ontoereikend gemotiveerd. De betreffende vordering van DLO was (aldus het onderdeel) slechts gebaseerd op onbevoegdheid van [eiseres 1] c.s. om destijds tot beslaglegging ex art. 730 Rv over te gaan. Zonder daartoe strekkende eiswijziging mocht het hof niet oordelen dat dit beslag na het verstrijken van de appeltermijn alsnog als onrechtmatig moet worden beschouwd.

4.37 Het onderdeel neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat voor het oordeel van het hof een eiswijziging door DLO noodzakelijk was. DLO heeft (in de S.O.-procedure) in reconventie gevorderd een verklaring voor recht dat het door [eiseres 1] c.s. op de grond van DLO gelegde beslag onrechtmatig is en [eiseres 1] c.s. gehouden zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. DLO heeft aan deze vordering (onder andere) ten grondslag gelegd dat er een rechtsgeldig einde is gekomen aan de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen en DLO in verband daarmee geen verplichting heeft de grond in de commanditaire vennootschap in te brengen.(9) Bij de beoordeling van deze vordering van DLO - welke beoordeling feitelijk van aard is en derhalve aan het hof als feitenrechter is voorbehouden - kon het hof in aanmerking nemen dat de rechtbank de samenwerkingsovereenkomst had ontbonden en beide partijen ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst hadden gevorderd. Op grond hiervan kon het hof vaststellen dat geen der partijen nog prijs stelde op nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en vervolgens concluderen dat het beslag na het verstrijken van de appeltermijn als onrechtmatig moet worden beschouwd. Van een aanvulling dan wel uitbreiding van de feitelijke grondslag is geen sprake en het oordeel van het hof is evenmin ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

4.38 Onderdeel II.2 mist feitelijke grondslag voor zover het (evenals in onderdeel II.1) tot uitgangspunt neemt dat voor het oordeel van het hof een eiswijziging door DLO noodzakelijk was. Het onderdeel kan voorts niet slagen op de grond dat in het oordeel van het hof niet alle relevante omstandigheden van het geval zijn verdisconteerd. Zoals hierboven bij de bespreking van onderdeel II.1 al aangegeven, kan het oordeel van het hof niet als ontoereikend gemotiveerd worden aangemerkt. De door het middel aangehaalde omstandigheden van het geval (te weten de stelling van [eiseres 1] c.s. dat DLO het overleg tussen partijen heeft vertraagd en het door [eiseres 1] c.s. later gelegde conservatoir verhaalsbeslag) doen hier niet aan af.

III Bezemklacht

4.39 De door het middel (op p. 13 van de cassatiedagvaarding) opgeworpen bezemklacht bouwt voort op de klachten van de hierboven besproken onderdelen I en II. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, zodat dit ook voor deze bezemklacht heeft te gelden.

DE C.V.-PROCEDURE

IV Klachten tegen rov. 3.11.2 en 3.11.3 van het hof:

afwijzing van de vordering van de beherend vennoten tot vergoeding van gederfde winst (rov. 3.11.2) en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de beherend vennoten tot vergoeding van nutteloos gemaakte kosten en geleden verlies (rov. 3.11.3)

4.40 In rov. 3.11.2 oordeelt het hof voor wat betreft de vordering van de beherend vennoten tot vergoeding van gederfde winst dat zij hun stelling dat de mogelijkheid van schade wegens gederfde winst aannemelijk is, onvoldoende hebben onderbouwd. Het hof verwijst voor dit oordeel naar zijn overwegingen onder 3.10, alsmede naar rov. 3.12 van het vonnis van de rechtbank van 9 augustus 2006. Rov. 3.10 van het hof, waarin het de vordering van [eiseres 1] c.s. betreffende het missen van overeengekomen opdrachten afwijst, is hierboven aan de orde gesteld. In rov. 3.12 van het vonnis van 9 augustus 2006 oordeelt de rechtbank dat de beherend vennoten tegenover de gemotiveerde betwisting door DLO onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gederfde winst. Aan dit oordeel legt de rechtbank ten grondslag dat DLO heeft gewezen op de gebeurtenissen van 11 september 2001 en de daaropvolgende economische recessie, de afnemende buitenlandse belangstelling voor bio science-bedrijven, alsmede het realiseren van life science-projecten in Nederland waarvoor geen specifieke voorverhuureisen golden, welke belangstellende bio science-bedrijven uit Lelystad weghielden. Voorts acht de rechtbank relevant dat de beherend vennoten niet in staat zijn gebleken om aan de eis van voorverhuur, van aanvankelijk 70% en later 100%, te voldoen. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat afgezien dat het de vraag is of het project op enig moment daadwerkelijk zou zijn gerealiseerd, de beherend vennoten tegenover de stelling van DLO onvoldoende hebben gesteld om tot de conclusie te komen dat zij bij realisatie van het project daadwerkelijk winst zouden maken.

4.41 Onderdeel IV.1 klaagt dat voornoemd oordeel van het hof in rov. 3.11.2 ontoereikend gemotiveerd is. Dit onderdeel wordt uitgewerkt in de onderdelen IV.1.1-IV.1.2.ii.

4.42 Onderdeel IV.1.1 klaagt dat in het oordeel van het hof geen enkele inzichtelijke en controleerbare respons is gegeven op grief A waarmee de beherend vennoten rov. 3.12 van het vonnis van de rechtbank hebben bestreden(10), alsmede op hun stelling dat de rechtbank voor hun schadestaatvordering ter zake van gederfde winst niet het juiste criterium heeft gehanteerd (te weten dat de mogelijkheid van schade slechts aannemelijk behoeft te zijn).

4.43 In grief A hebben [eiseres] c.s. uiteengezet dat op enig moment een subsidie was verkregen voor de realisatie van het KFI, waarmee het KFI zou zijn gerealiseerd en vervolgens de ontwikkeling van het BSP zou zijn aangejaagd.(11) In rov. 3.10.1 heeft het hof onder andere overwogen dat (voor)verhuur cruciaal was om het BSP van de grond te laten komen en realisatie van het KFI-gebouw (na de subsidieverlening) nog niet betekent dat er ook zonder verhuur van de beschikbare ruimte winst had kunnen worden gegenereerd. Door in overweging 3.11.2 naar rov. 3.10 te verwijzen (welke overweging, zoals in het voorgaande is gebleken, niet als onjuist en evenmin als onbegrijpelijk dan wel als ontoereikend gemotiveerd kan worden aangemerkt), heeft het hof grief A voldoende gemotiveerd verworpen. Zoals voorts in het voorgaande (bij de bespreking van onderdeel I.1.1.1) is gebleken, heeft het hof het juiste criterium voor de toewijsbaarheid van de vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat gehanteerd. Op grond van een en ander kan het onderdeel niet slagen.

4.44 Onderdeel IV.1.2.i stelt dat het hof met zijn verwijzing naar rov. 3.10 miskent dat in rov. 3.10 een andere overeenkomst (namelijk de samenwerkingsovereenkomst in plaats van de C.V.-overeenkomst), een andere materie (namelijk gemiste infrastructuur- en bouwopdrachten in plaats van gemiste grond- en projectexploitatie) en ook andere partijen (namelijk [eiseres 1] c.s. in plaats van de beherend vennoten) aan de orde waren dan in rov. 3.11.2.

4.45 Uit het oordeel van het hof in rov. 3.10.1 dat [eiseres 1] c.s. niet hebben gesteld hoe het totale BSP-project succesvol had kunnen worden gerealiseerd in die zin dat zij daadwerkelijk winst zouden hebben kunnen maken, volgt dat evenmin aannemelijk is dat de beherend vennoten op grond van de C.V.-overeenkomst met ditzelfde BSP-project winst zouden hebben kunnen maken. Mede gelet op de niet onbegrijpelijke samenhang die het hof in rov. 3.11.2 heeft aangenomen tussen de samenwerkingsovereenkomst en de C.V.-overeenkomst, heeft het hof dan ook de afwijzing van de vordering van de beherend vennoten op rov. 3.10 kunnen baseren, zodat het onderdeel moet falen.

4.46 Onderdeel IV.1.2.ii stelt dat rov. 3.10 de afwijzing van de vordering van de beherend vennoten niet kan dragen op de in de onderdelen I.1 tot en met I.3 aangevoerde gronden.

4.47 Nu uit het voorgaande i gebleken dat de onderdelen I.1 tot en met I.3 niet tot cassatie kunnen leiden, heeft hetzelfde te gelden voor onderdeel IV.1.2.ii, nu dit onderdeel uitsluitend op deze onderdelen is gebaseerd.

4.48 In rov. 3.11.3 geeft het hof een oordeel over de vordering van de beherend vennoten tot vergoeding van nutteloos gemaakte kosten en geleden verlies. DLO heeft als verweer tegen deze vordering met een beroep op artikel 9.4 van de C.V.-overeenkomst gesteld dat van schadeplichtigheid van een commanditaire vennoot geen sprake kan zijn omdat haar interne bijdrageplicht niet verder kan strekken dan de inbreng in de C.V. Het hof is van oordeel dat deze stelling niet opgaat met betrekking tot de kosten/verliezen die zijn gemaakt ter realisering van het KFI, omdat aan DLO een verwijt kan worden gemaakt van de ontbinding van de C.V. en het hof als uitgangspunt neemt dat het KFI zou zijn gerealiseerd als DLO de samenwerkingsovereenkomst niet had opgezegd. De stelling dat op DLO geen bijdrageplicht rust gaat volgens het hof wél op met betrekking tot de kosten/verliezen die gemoeid zijn geweest met de ontwikkeling van het bedrijvenpark in zijn totaliteit. Over deze laatste kosten/verliezen overweegt het hof dat [eiseres] c.s., mede gelet op hetgeen het hof in rov. 3.10 heeft overwogen, onvoldoende concretisering en onderbouwing hebben gegeven van hun stelling dat het totale bedrijventerrein tot ontwikkeling zou zijn gekomen als het KFI eenmaal zou zijn gerealiseerd.

4.49 Onderdeel IV.2.1 klaagt dat, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet valt in te zien waarop het (impliciete) oordeel van het hof is gebaseerd dat alleen het KFI (en dus geen enkel ander onderdeel van het BSP-project) zou zijn gerealiseerd. De verwijzing door het hof naar rov. 3.10 acht het onderdeel, op de gronden vermeld in de onderdelen I.1 tot en met I.3 en IV.1, onvoldoende gemotiveerd.

4.50 Uit het voorgaande volgt dat de onderdelen I.1 tot en met I.3 en IV.1 moeten falen. Onderdeel IV.2.1, dat uitsluitend op deze onderdelen is gebaseerd, moet hetzelfde lot delen.

4.51 Onderdeel IV.2.2 klaagt dat, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet valt in te zien hoe de overweging van het hof dat niet aannemelijk is dat het totale bedrijventerrein tot ontwikkeling zou zijn gekomen, het oordeel kan dragen dat de beherend vennoten slechts aanspraak hebben op vergoeding van de kosten/verliezen die op de realisering van het KFI betrekking hebben. Dit onderdeel wordt uitgewerkt in de onderdelen IV.2.2.1 en IV.2.2.2.

4.52 Onderdeel IV.2.2.1 stelt dat genoemde overweging van het hof de mogelijkheid impliceert dat het hof het niet onaannemelijk heeft geacht dat naast het KFI ook andere gedeelten van het BSP tot ontwikkeling zouden zijn gekomen. Zoals immers (aldus het middel) door de beherend vennoten gesteld en door het hof niet verworpen, hadden de beherend vennoten bij hun grondexploitatie van elk afzonderlijk in ontwikkeling te brengen BSP-gedeelte telkens weer een deel van de vooraf door hen voor de ontwikkeling van het BSP gemaakte kosten/verliezen (buiten die voor het KFI) kunnen terugverdienen.

4.53 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Uit de rov. 3.11.3 en (de in rov. 3.11.3 door het hof aangehaalde) rov. 3.10 die erop neerkomen dat het hof het aannemelijk acht dat als DLO de samenwerkingsovereenkomst niet had opgezegd, het KFI wél, maar het totale bedrijventerrein níet zou zijn gerealiseerd, kan niet worden afgeleid dat het hof het wel aannemelijk heeft geacht dat naast het KFI ook andere gedeelten van het BSP wel zouden zijn gerealiseerd. Het onderdeel kan dan ook niet slagen.

4.54 Onderdeel IV.2.2.2 stelt dat geen al te strenge eisen mogen worden gesteld aan het door de beherend vennoten te leveren bewijs van de in onderdeel IV.2.2.1 genoemde terugverdienmogelijkheid vanwege de geheel aan DLO toerekenbare frustratie van de ontwikkeling van het KFI en (de rest van) het BSP.

4.55 Zoals uit de bespreking van onderdeel IV.2.2.1 hierboven volgt, is de terugverdienmogelijkheid niet aan de orde en derhalve bewijslevering hiervan (ook als hier geen al te strengen eisen aan zouden mogen worden gesteld) evenmin, zodat ook dit onderdeel moet falen.

4.56 Onderdeel IV.3, ten slotte, betreft een bezemklacht die voortbouwt op de klachten van de hierboven besproken onderdelen IV.1. en IV.2. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, zodat dit ook voor deze bezemklacht heeft te gelden.

5. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

5.1 Het incidenteel cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.9, 3.11.1(12), 3.11.3 en 4.1 van het hof.(13)

Klachten tegen rov. 3.9 en 4.1 van het hof:

nietigheid van de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door WUR (DLO) en passeren van bewijsaanbod

5.2 In rov. 3.9.1 overweegt het hof (onder andere) dat als gevolg van gewijzigde Europese subsidie-regelgeving aan de oorspronkelijk bedoelde opzet van het BSP geen uitvoering meer kon worden gegeven en partijen bij elkaar te rade zijn gegaan over een aanpassing van de samenwerking en het uitwerken van een nieuw concept. Tijdens een bespreking van 4 december 2003 is aan de orde gekomen dat er een nieuwe (publieke) rechtspersoon zal worden opgericht die de subsidie zal aanvragen voor de realisatie van het KFI en de grond van de C.V. zal kopen. Blijkens het verslag van deze bespreking zou WUR risicodragend kunnen participeren in de ontwikkeling van het KFI. Zij heeft vervolgens als medeoprichter van de nieuwe B.V. op 7 januari 2004 een aanvraag ingediend voor de vervolgsubsidie en blijkens het Statenvoorstel van 8 januari 2004 zal WUR een financieringsbijdrage voor de bouw van het KFI leveren van € 1.500.000,-.

5.3 In rov. 3.9.2 oordeelt het hof (onder andere) dat onder de geschetste omstandigheden de opzegging van de samenwerkingovereenkomst door WUR (DLO) als nietig moet worden gekwalificeerd. Artikel 2.5 van de samenwerkingsovereenkomst jo. art. 6:248 lid 1 BW verplicht partijen om medewerking te verlenen aan een aanpassing van de overeenkomst als de EU-bijdrage niet of niet in de mate als voorzien in de C.V. kan worden ingebracht. Partijen hebben zich aan deze verplichting gehouden en zijn telkens met elkaar in overleg getreden om de mogelijkheden te onderzoeken de benodigde vervolgsubsidie alsnog toegekend te krijgen. Daarmee had (aldus nog steeds het hof) de samenwerkingsovereenkomst een wijziging ondergaan die de onderlinge verhouding tussen partijen nader, zij het nog niet definitief, heeft ingevuld en bepaald. Het beroep dat DLO heeft gedaan dat ongewijzigde instandhouding van de samenwerkingsovereenkomst jegens haar onredelijk zou zijn, moet volgens het hof worden afgewezen: beide partijen hebben meegewerkt aan wijziging. Voorts oordeelt het hof dat [eiseres] c.s. op grond van verklaringen en gedragingen van WUR erop hebben kunnen en mogen vertrouwen dat de samenwerking werd voortgezet.

5.4 In rov. 3.9.3 overweegt het hof (onder andere) dat niet gebleken is dat DLO op enige wijze rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde en voor haar kenbare belangen van de contractspartners bij de gevolgen die de opzegging voor hen te weeg zou brengen.

5.5 Onderdeel 3.1 van het incidenteel cassatiemiddel(14) klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 en 3.9.3 onjuist althans onbegrijpelijk is. Het hof had (aldus het middel) bij de beantwoording van de vraag of [eiseres] c.s. erop mochten vertrouwen dat de samenwerking tussen [eiseres] c.s. en WUR zou worden voortgezet, niet alleen moeten toetsen (zoals het hof in rov. 3.9.2 heeft gedaan) of van WUR verwacht mocht worden dat zij met [eiseres] c.s. zou dooronderhandelen, maar eveneens of [eiseres] c.s. erop mochten vertrouwen dat WUR zou gaan deelnemen in het (publiekrechtelijke) samenwerkingsverband met derden. Het middel stelt dat in dit kader van belang is of de derden die aan het samenwerkingsverband zouden gaan deelnemen erop mochten vertrouwen dat WUR met hen zou dooronderhandelen. Het afbreken van dergelijke onderhandelingen is (aldus het middel) niet snel onaanvaardbaar, aangezien het om een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf gaat. Pas wanneer zou komen vast te staan dat het afbreken van de onderhandelingen jegens de derden ongeoorloofd is, mochten (aldus nog steeds het middel) [eiseres] c.s. erop vertrouwen dat de samenwerking tussen WUR en [eiseres] c.s. zou worden voortgezet.

5.6 Het onderdeel stelt ten onrechte dat het hof bij de beantwoording van de vraag of [eiseres] c.s. erop mochten vertrouwen dat de samenwerking tussen [eiseres] c.s. en WUR zou worden voortgezet, had moeten toetsen of [eiseres] c.s. erop mochten vertrouwen dat WUR zou gaan deelnemen in het (publiekrechtelijke) samenwerkingsverband met derden. Zoals ook het middel zelf aangeeft(15), heeft als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.(16) Het hof heeft aan zijn oordeel dat [eiseres] c.s. op grond van verklaringen en gedragingen van WUR erop hebben kunnen en mogen vertrouwen dat de samenwerking werd voortgezet, ten grondslag gelegd (in rov. 3.9.2) dat WUR als haar intentie heeft uitgesproken de samenwerking voort te zetten en als medeoprichter van de overheids-B.V. de aanvraag voor een vervolgsubsidie heeft ingediend, waarin staat vermeld dat zij een bijdrage van € 1.500.000,- zal leveren als onderdeel van de financiering van het KFI. Hiermee heeft het hof voornoemde maatstaf niet miskend. Het oordeel van het hof, dat aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, is evenmin onbegrijpelijk. Het onderdeel kan dan ook niet slagen.

5.7 Onderdeel 3.2 stelt dat voor zover het oordeel van het hof in rov. 3.9.2 dat de samenwerkingsovereenkomst een wijziging had ondergaan die de onderlinge verhouding tussen partijen nader, zij het nog niet definitief, heeft ingevuld en bepaald, aldus moet worden begrepen dat partijen de op 4 december 2003 voorgestelde aanpassing hebben geaccepteerd, dit oordeel rechtens onjuist is omdat het in strijd is met de beslissing van de rechtbank (in rov. 9.9 van haar tussenvonnis van 23 november 2005) dat de aanpassing van 4 december 2003 niet is overeengekomen.

5.8 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. De overweging van het hof dat de samenwerkingsovereenkomst gewijzigd was maar de onderlinge verhouding tussen partijen nog niet definitief heeft ingevuld en bepaald, impliceert juist dat partijen de voorgestelde aanpassing (nog) niet hadden geaccepteerd.

5.9 Onderdeel 3.3 bevat geen zelfstandige klacht.

5.10 In rov. 4.1 passeert het hof (in de S.O.-procedure) de bewijsaanboden in zowel het principaal als het incidenteel appel, omdat zij (aldus het hof) niet betrokken zijn op voldoende geconcretiseerde stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden.

5.11 Onderdeel 4 klaagt dat deze beslissing van het hof rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Onderdeel 4.1 verwijst naar de overweging van het hof (in rov. 3.9.2) dat als WUR haar standpunt dat zij de samenwerkingovereenkomst zou willen ontbinden hard had willen maken jegens [eiseres] c.s., zij daarvan in de periode na het overleg van 4 februari 2004 en voordat de subsidie definitief werd toegekend, blijk had moeten geven. Het middel stelt dat WUR bij memorie van grieven (in alinea 134) heeft gesteld dat in die periode is gesproken over de risicodragende rol van WUR en de financiële participatie in het publiekrechtelijke samenwerkingsverband, dat WUR van deze stelling bewijs heeft aangeboden (in alinea 138 van de memorie van grieven) en niet valt in te zien dat het bewezen zijn van deze stelling niet van belang is voor de beslissing van het hof.

5.12 In alinea 134 van de memorie van grieven wordt gesteld dat na het vennotenoverleg van 4 februari 2004 overleg tussen DLO en [eiseres] c.s. heeft plaatsgevonden over de risicodragende rol van DLO in het nieuwe consortium, over het feit dat DLO daarin financieel diende te participeren, over de ontwikkeling van de rest van het BSP, alsmede over het feit (volgens DLO) dat [eiseres] c.s. hebben laten weten niets te voelen voor deelname aan een dergelijk samenwerkingsverband en pogingen om te komen tot aanpassing van de samenwerkingsovereenkomst waarbij [eiseres 1] c.s. in een nieuw publiekrechtelijk samenwerkingsverband zouden participeren, niet zijn ondernomen. Het bewijsaanbod in alinea 138 van de memorie van grieven heeft betrekking op gesprekken tussen DLO en [eiseres] c.s., waarin duidelijk werd dat tussen partijen geen oplossing kon worden bereikt over deelname door DLO aan een nieuw consortium. Niet gezegd kan worden dat deze stellingen en dit bewijsaanbod het bewijs kunnen leveren dat DLO (WUR) in de periode na 4 februari 2004 heeft laten blijken dat zij de samenwerkingsovereenkomst zou willen ontbinden, en evenmin dat een en ander tot een ander oordeel van het hof hadden kunnen leiden. Het onderdeel moet dan ook falen.

5.13 Onderdeel 5 verwijst naar de overweging van het hof in rov. 3.9.1 dat gesteld noch gebleken is dat WUR in de periode na het overleg van 4 februari 2004 op de in dit overleg besproken mogelijkheden, waaronder de mogelijkheid dat WUR uit de C.V. stapt maar zich wel aan de afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst houdt, is teruggekomen of met voorstellen is gekomen om de zaken in der minne te regelen. Onderdeel 5.1 klaagt dat deze overweging van het hof onbegrijpelijk is gezien voornoemde stellingen en voornoemd bewijsaanbod van DLO in alinea's 134 en 138 van de memorie van grieven, zodat de beslissing van het hof in rov. 3.9.2 dat de opzegging door WUR nietig is, niet in stand kan blijven.

5.14 Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat de bestreden overweging van het hof geen zelfstandig dragende overweging betreft. Het hof heeft (in rov. 3.9.1) zijn beslissing dat de opzegging door WUR nietig is tevens gebaseerd op (onder andere) de omstandigheid dat WUR als medeoprichter van de nieuwe B.V. een aanvraag heeft ingediend voor de vervolgsubsidie en in het Statenvoorstel van 8 januari 2004 is opgenomen dat WUR een financieringsbijdrage voor de bouw van het KFI zal leveren van € 1.500.000,-.

5.15 Onderdeel 6 verwijst naar de overweging van het hof in rov. 3.9.1 dat WUR in aansluiting op hetgeen op 4 december 2003 is besproken, als medeoprichter van de nieuwe B.V. op 7 januari 2004 een aanvraag heeft ingediend voor de vervolgsubsidie, dat in het Statenvoorstel van 8 januari 2004 is opgenomen dat WUR een financieringsbijdrage voor de bouw van het KFI zal leveren van € 1.500.000,- en dat gesteld noch gebleken is dat dit bedrag in het voorstel is opgenomen zonder voorafgaand overleg met de Raad van Bestuur van WUR. Onderdeel 6.1 klaagt dat het hof ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer van [eiseres] c.s. heeft aangevuld, aangezien (aldus het middel) [eiseres] c.s. zich er niet op hebben beroepen dat de Raad van Bestuur van WUR akkoord was met het opnemen van het bedrag van € 1.500.000,- in het Statenvoorstel.

5.16 Het onderdeel faalt. [Eiseres] c.s. hebben wel degelijk gesteld dat de Raad van Bestuur van WUR akkoord was met het beschikbaar stellen van een bedrag van € 1.500.000,-, te weten in alinea's 34 en 35 van de memorie van antwoord.

5.17 Onderdeel 6.2 klaagt dat rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 3.9.2, voortvloeiende uit voornoemde overweging van het hof in rov. 3.9.1, dat [eiseres] c.s. aan het aanvragen en verlenen van de subsidie het vertrouwen konden ontlenen dat WUR instemde met de financieringsbijdrage van € 1.500.000,-, aangezien (aldus het middel) in het subsidiebesluit, in de subsidieaanvraag en in het Statenvoorstel was vermeld dat de financiering door WUR niet hard was gemaakt en nog moest worden aangetoond.

5.18 Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De omstandigheid dat de financiering door WUR nog niet definitief was, doet niet af aan het oordeel dat [eiseres] c.s. aan de subsidieaanvraag en -verlening door WUR het vertrouwen konden ontlenen dat WUR met de financieringsbijdrage instemde. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling van het middel(17) dat uit de verlening van een subsidie niet noodzakelijk een verplichting voortvloeit om de gesubsidieerde activiteit ook daadwerkelijk te verrichten. Ook dit doet niet af aan het bij [eiseres] c.s. gewekte vertrouwen.

5.19 Onderdeel 6.3 richt zich tegen de overweging van het hof in rov. 3.9.2 dat de stelling van DLO dat aan het aanvragen van de subsidie noch aan het verlenen daarvan het vertrouwen kan worden ontleend dat de met de subsidie beoogde activiteit daadwerkelijk zal worden uitgevoerd, in dit verband niet relevant is: het gaat immers (aldus nog steeds het hof) om de vraag of [eiseres] c.s. aan het feit dat DLO de aanvraag heeft ingediend, het vertrouwen heeft kunnen en mogen ontlenen dat DLO de samenwerking wenste voort te zetten. Het middel klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat deze geen (begrijpelijke) weerlegging vormt van het betoog van DLO. Het hof gaat er (aldus het middel) aan voorbij dat WUR (DLO) heeft betoogd dat het bij een subsidieaanvraag en -verlening niet ongebruikelijk is dat deze eerst wordt aangevraagd en verleend en dat pas dan wordt bezien of aan de in het verleningsbesluit gestelde voorwaarden kan worden voldaan, waarbij het regelmatig voorkomt dat de gesubsidieerde activiteit niet wordt uitgevoerd omdat niet aan de voorwaarden kan worden voldaan.

5.20 Het onderdeel kan niet slagen op dezelfde gronden als genoemd bij de bespreking van onderdeel 6.2 hierboven; het gegeven dat niet uitgesloten is dat de gesubsidieerde activiteit uiteindelijk niet wordt uitgevoerd, doet niet af aan het vertrouwen dat [eiseres] c.s. aan de subsidieaanvraag en -verlening mochten ontlenen dat DLO de samenwerking wenste voort te zetten.

5.21 Onderdeel 7 betoogt dat de beslissing van het hof in rov. 3.9.2 dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door WUR nietig is omdat [eiseres] c.s. erop mochten vertrouwen dat de samenwerking tussen WUR en [eiseres] c.s. door WUR zou worden voortgezet, onbegrijpelijk is gelet op het ontbreken van perspectief voor de ontwikkeling van het totale BSP. Het middel stelt dat het vertrouwen dat [eiseres] c.s. konden en mochten hebben in de voortzetting van de samenwerking door WUR, mede afhankelijk was van het perspectief voor het totale BSP. In rov. 3.10.1 en 3.11.3 heeft het hof beslist dat (gezien de onvoldoende belangstelling van bio science-bedrijven voor het BSP) [eiseres] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat - ook nadat het KFI zou zijn gerealiseerd - het totale BSP tot ontwikkeling zou zijn gekomen. Volgens het middel ligt in deze beslissing besloten dat ten tijde van het door het hof in rov. 3.9.2 aangenomen vertrouwen van [eiseres] c.s. geen perspectief bestond ten aanzien van de ontwikkeling van het totale BSP, zodat niet valt in te zien dat [eiseres] c.s. er desalniettemin op mochten vertrouwen dat de samenwerking zou worden voortgezet.

5.22 Het onderdeel faalt. De beslissing van het hof dat [eiseres] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het totale BSP tot ontwikkeling zou zijn gekomen staat los van het oordeel dat [eiseres] c.s. op grond van bepaalde omstandigheden erop mochten vertrouwen dat de samenwerking tussen WUR en [eiseres] c.s. zou worden voortgezet. Er kan vertrouwen tot voortzetting van een samenwerkingsverband zijn gewekt ondanks weinig rooskleurige vooruitzichten.

5.23 Onderdeel 8 verwijst naar de overweging van het hof in rov. 3.9.2 dat als DLO haar standpunt dat zij de samenwerkingsovereenkomst zou willen ontbinden hard had willen maken jegens [eiseres] c.s., zij daarvan in de periode na het overleg van 4 februari 2004 en voordat de subsidie definitief werd toegekend blijk had moeten geven, dat zij dat niet heeft gedaan en dat (aldus nog steeds het hof) voor zover zij betoogt dat haar deelname aan de nieuwe financieringsconstructie een voorwaardelijke was, zij dit standpunt ondubbelzinnig kenbaar had moeten maken, hetgeen zij eveneens heeft nagelaten. Het middel klaagt in onderdeel 8.1 dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van DLO. Het middel doelt op de stelling van DLO dat zij in het vennotenoverleg van 4 februari 2004 en daarvoor al heeft aangegeven dat zij in het nieuwe samenwerkingsverband niet risicodragend wilde participeren en zij tijdens dit overleg in duidelijke bewoordingen heeft aangegeven dat zij de samenwerkingsovereenkomst wenste te beëindigen. Voorts heeft DLO gesteld dat ook na dit overleg nog gesprekken hebben plaatsgevonden waarin de risicodragende rol wederom aan de orde kwam en in die gesprekken geen oplossing kon worden bereikt vanwege elementaire geschilpunten. Ten slotte wijst het middel erop dat het perspectief voor de ontwikkeling van het totale BSP één van de belangrijkste overwegingen voor WUR was om wel of niet deel te nemen en dat uit rov. 3.10.1 van het hof blijkt dat dat perspectief er niet was.

5.24 Het onderdeel faalt. Het hof heeft overwogen dat DLO in de periode ná het overleg van 4 februari 2004 duidelijk had moeten maken dat zij de samenwerkingsovereenkomst wilde ontbinden. Hetgeen DLO tíjdens dit overleg op 4 februari 2004 en daarvóór heeft aangegeven, is volgens kennelijk niet doorslaggevend. Het hof acht de periode na 4 februari 2004 kennelijk cruciaal. Dat is niet onbegrijpelijk. Dat is het tijdvak waarin het er op aankwam. Voor de gesprekken die ná dit overleg hebben plaatsgevonden, heeft te gelden dat (zoals hierboven bij de bespreking van onderdelen 4 en 4.1 al is aangegeven) niet gezegd kan worden dat DLO heeft laten blijken dat zij de samenwerkingsovereenkomst zou willen ontbinden. Ten slotte is ook het oordeel van het hof in rov. 3.10.1 dat perspectief voor de ontwikkeling van het totale BSP ontbrak, niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of DLO in de periode ná het overleg van 4 februari 2004 duidelijk heeft gemaakt dat zij de samenwerkingsovereenkomst wilde ontbinden.

5.25 Onderdeel 9 bevat geen zelfstandige klacht.

5.26 Onderdeel 10 verwijst naar rov. 3.9.1, waarin het hof overweegt dat enige dagen nadat de subsidie definitief was verstrekt, WUR eerdergenoemde (in 2.24 hierboven) brief van 12 maart 2004 aan de beherend vennoten heeft gestuurd en daarna zonder nader overleg, hoewel daartoe uitdrukkelijk uitgenodigd, de samenwerkingsovereenkomst bij brief van 12 april 2004 heeft opgezegd. Vervolgens verwijst het middel naar rov. 3.9.3, waarin het hof overweegt dat DLO het aanbod tot overleg met [eiseres] c.s. d.d. 29 maart 2004 niet had mogen weigeren, al was het maar om te pogen om tot een redelijke afwikkeling van de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst te komen en dit (aldus nog steeds het hof) te meer geldt nu een uittreden van DLO uit de C.V. voor [eiseres] c.s. een bespreekbaar punt vormde. Onderdeel 10.1 klaagt dat de overweging van het hof in rov. 3.9.3 dat DLO het aanbod tot overleg met [eiseres] c.s. niet had mogen weigeren, rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is vanwege de stelling van DLO dat [eiseres] c.s. zelf op 16 maart 2004 hebben aangegeven verder overleg niet meer zinvol te achten.

5.27 Het door het middel aangehaalde bericht van [eiseres] c.s. van 16 maart 2004 betreft een e-mail van 16 maart 2004 die door [A] B.V. namens [eiseres] c.s. is verstuurd aan [betrokkene 1] van WUR(18). Op 16 maart 2004 had een vennotenoverleg plaatsgevonden. Aannemelijk is dat tijdens dit overleg de door DLO in haar brief van 12 maart 2004 beschreven patstelling aan de orde is gekomen. Blijkens het tijdstip van de e-mail (20:01 uur) kan ervan uit worden gegaan dat de e-mail ná dit overleg verzonden is. De e-mail vermeldt, voor zover relevant, dat Arcadis en [eiseres] besloten hebben "(voorlopig) te stoppen met de voorbereidingen mbt Bio 2004. Gelet op de ontstane situatie zijn wij van mening dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de WUR ligt." Onder deze omstandigheden kan de betreffende e-mail niet zodanig worden opgevat dat (zoals het middel betoogt) [eiseres] c.s. verder overleg niet zinvol meer achten en kan niet als rechtens onjuist althans onbegrijpelijk worden aangemerkt de overweging van het hof in rov. 3.9.3 dat DLO het aanbod tot overleg dat [eiseres] c.s. op 29 maart 2004 alsnog hebben gedaan, niet had mogen weigeren. Het onderdeel moet dan ook falen.

5.28 Onderdeel 10.2 klaagt dat de overweging van het hof in rov. 3.9.3 dat zijn oordeel dat DLO het aanbod tot overleg met [eiseres] c.s. niet had mogen weigeren te meer geldt nu een uittreden van DLO uit de C.V. voor [eiseres] c.s. een bespreekbaar punt vormde, onbegrijpelijk is voor zover deze overweging zelfstandig dragend is voor zijn oordeel dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door DLO nietig is. [eiseres] c.s. waren namelijk (aldus het middel) alleen maar bereid tot beëindiging van de samenwerking in de C.V. indien DLO aan hen een volledige financiële compensatie zou bieden voor het voortraject, terwijl (aldus nog steeds het middel) zij hier gezien rov. 3.11.1 van het hof niet (althans nauwelijks) toe gehouden was, zodat de eis die [eiseres] c.s. aan het uittreden van DLO stelden, geen reële optie was.

5.29 Het onderdeel mist belang, omdat de bestreden overweging van het hof geen zelfstandig dragende overweging betreft. Het hof heeft zijn oordeel dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door DLO nietig is, namelijk tevens gebaseerd op zijn overwegingen in rov. 3.9.1 en 3.9.2. De overweging van het hof dat nu [eiseres] c.s. niet afwijzend stonden tegenover een uittreden van DLO uit de C.V., DLO het aanbod tot overleg met [eiseres] c.s. niet had mogen weigeren, is bovendien niet onbegrijpelijk; niet uigesloten is dat partijen in nader overleg overeenstemming hadden kunnen bereiken omtrent de door [eiseres] c.s. aan dit uittreden gestelde eis van volledige financiële compensatie.

5.30 Onderdeel 11 verwijst naar de overweging van het hof in rov. 3.9.3 dat niet is gebleken dat DLO op enige wijze rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde en voor haar kenbare belangen van de contractspartners bij de gevolgen die deze opzegging voor hen teweeg zou brengen. In dit verband is (aldus nog steeds het hof) van belang dat DLO niet dan wel niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat het KFI-gebouw zou zijn gerealiseerd als DLO de samenwerkingsovereenkomst niet had opgezegd, omdat aan alle voorwaarden om tot bouw over te gaan nadat de subsidie was verleend, was voldaan. Met onderdeel 11.1 klaagt het middel dat laatstgenoemde overweging van het hof onbegrijpelijk is. Het middel baseert deze klacht (kort gezegd) op de navolgende stellingen van DLO: de financieringsbijdrage door WUR was nog niet definitief en aan de aanvraag en verlening van de subsidie kon niet het vertrouwen worden ontleend dat de financieringsbijdrage door WUR daadwerkelijk ter beschikking zou worden gesteld, over de prijs voor de uitgifte (in erfpacht) van de grond voor het KFI bestond nog geen overeenstemming en (voor)verhuur van de ruimtes van het KFI bleef uit.

5.31 Ook voor dit onderdeel heeft te gelden dat het belang mist, omdat de bestreden overweging van het hof geen zelfstandig dragende overweging betreft, nu het hof de nietigheid van de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door DLO tevens heeft gebaseerd op zijn rov. 3.9.1 en 3.9.2. De overweging kan evenmin als onbegrijpelijk worden aangemerkt. Voornoemde stellingen van DLO doen niet af aan het oordeel dat WUR bij [eiseres] c.s. het vertrouwen had gewekt dat de samenwerking zou worden voortgezet.

5.32 Onderdeel 11.2 gericht tegen rov. 3.11.3 van het hof bevat geen zelfstandige klacht.

5.33 Onderdeel 12 bevat evenmin een zelfstandige klacht.

5.34 Onderdeel 13 verwijst naar rov. 3.9.4, waarin het hof de stelling van DLO verwerpt dat de opzegging gerechtvaardigd was omdat [eiseres 1] c.s. niet aan hun verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst hadden voldaan, ook niet na daartoe door DLO te zijn aangemaand bij brief van 12 maart 2004. Nog daargelaten (aldus het hof) dat op DLO de verplichting rustte in het kader van de C.V. om zorg te dragen voor subsidiebijdragen, heeft zij onvoldoende onderbouwing gegeven van haar stelling dat de vertraging in de ontwikkeling van het bedrijvenpark aan [eiseres 1] c.s. te verwijten valt. De eisen die zij in haar brief van 12 maart 2004 heeft gesteld, vormen - nog daargelaten de onredelijk korte termijn van twee weken - geen rechtvaardiging voor de opzegging en moeten in het licht van de geschetste feiten en omstandigheden als onredelijk worden bestempeld. Onderdeel 13.1 klaagt dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof de stellingen van DLO op onbegrijpelijke wijze heeft weergegeven. Het middel stelt dat DLO heeft aangevoerd dat er geen mogelijkheden meer waren om het BSP op basis van de oorspronkelijke opzet te realiseren. Het middel stelt voorts dat DLO zich erop heeft beroepen dat [eiseres] c.s. het KFI/BSP niet wilden realiseren zonder subsidie (welke subsidie niet langer aan de C.V. kon worden toegekend) en evenmin wilden meewerken aan uittreding van DLO uit de C.V. zonder compensatie van verlies. De brief van 12 maart 2004 ziet het middel als een logische stap van DLO om tot een oplossing van deze patstelling te komen. Op grond van een en ander kan niet worden gesteld (aldus het middel) dat DLO zich erop heeft beroepen dat de vertraging in de ontwikkeling van het BSP aan [eiseres 1] c.s. te verwijten valt. De brief van 12 maart 2004 zag alleen maar op een formele bevestiging van [eiseres] c.s. dat zij geen andere oplossingen meer zagen.

5.35 Wat er ook zij van het precieze doel dat DLO met haar brief van 12 maart 2004 voor ogen had, niet gezegd kan worden dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat vanwege de daarin gestelde eisen en korte termijn deze brief geen rechtvaardiging vormde voor de opzegging door DLO. De - overigens niet onbegrijpelijke - wijze waarop het hof de stellingen van DLO heeft weergegeven, doet hier niet aan af. Het onderdeel faalt.

5.36 Onderdeel 13.2 bouwt voort op onderdeel 13.1 en klaagt dat onjuist althans onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 3.9.4 dat de eisen die DLO in haar brief van 12 maart 2004 heeft gesteld, geen rechtvaardiging vormen voor de opzegging door DLO en in het licht van de geschetste feiten en omstandigheden als onredelijk moeten worden bestempeld. Het middel klaagt voorts dat het hof heeft miskend dat de subsidie niet meer door de C.V. kon worden verkregen.

5.37 Blijkens rov. 3.9.1, waarin het hof overweegt dat als gevolg van gewijzigde Europese regelgeving de beoogde subsidie slechts kon worden verstrekt aan een rechtspersoon waarin een overheidslichaam bepalende invloed heeft, terwijl geen van de vennoten in de C.V. en geen van de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst als zodanig kon worden aangemerkt, heeft het hof geenszins miskend dat de subsidie niet meer door de C.V. kon worden verkregen. Voor het overige heeft voor onderdeel 13.2 op dezelfde gronden als voor onderdeel 13.1 te gelden dat dit moet falen.

Klachten tegen rov. 3.11.1 en 3.11.3 van het hof:

aan [eiseres] c.s. toekomende waardevermeerdering van de door de beherend vennoten bouwrijp gemaakte grond en vergoeding aan de beherend vennoten van de kosten van het bouwrijp maken van de grond

5.38 Onderdeel 14 bevat geen zelfstandige klacht.

5.39 Onderdeel 15 verwijst naar rov. 3.11.3, waarin het hof overweegt dat aannemelijk is dat de beherend vennoten verlies hebben geleden, bestaande uit onder meer de kosten die door de beherend vennoten zijn gemaakt ter uitvoering van de C.V.-overeenkomst voor het voorbereiden, opstellen, enz. van het bestemmingsplan, alsmede de kosten voor het bouwrijp maken van de grond, voor zover die betrekking hebben op de realisatie van het KFI. Onderdeel 15.1 klaagt dat het (impliciete) oordeel van het hof dat de beherend vennoten aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor het verlies in de vorm van gemaakte kosten voor het bouwrijp maken van de grond bestemd voor het KFI, onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat dit oordeel tegenstrijdig is met het oordeel van het hof in rov. 3.11.1 voor zover het de gronden betreft die waren bestemd voor het realiseren van het KFI. In rov. 3.11.1 merkt het hof op dat het door [eiseres] c.s. aan de orde gestelde punt over de waardevermeerdering van de bedrijfskavels die door DLO in erfpacht zouden worden uitgegeven en die door de beherend vennoten bouwrijp zijn gemaakt, in het kader van de vereffening na ontbinding van de C.V. aan de orde kan worden gesteld. Volgens het middel kunnen de beherend vennoten echter niet zowel een vergoeding ontvangen voor de waardevermeerdering van de gronden wegens het bouwrijp maken daarvan en tevens een vergoeding voor de met dit bouwrijp maken gemoeide kosten. Hooguit zouden de beherend vennoten (aldus nog steeds het middel) aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor de kosten van het bouwrijp maken van de gronden voor zover deze de waardestijging overtreffen.

5.40 Het onderdeel mist feitelijke grondslag, omdat (anders dan het middel veronderstelt) het hof in rov. 3.11.1 geenszins heeft geoordeeld dat de beherend vennoten een vergoeding voor de waardevermeerdering van de gronden wegens het bouwrijp maken daarvan kunnen ontvangen; het hof heeft slechts opgemerkt dat het door [eiseres] c.s. aan de orde gestelde punt over de waardevermeerdering in het kader van de vereffening na ontbinding van de C.V. aan de orde kan worden gesteld. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

5.41 Onderdeel 16 bevat geen zelfstandige klacht.

6. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal en incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ontleend (voor zover niet anders vermeld) aan rov. 1a-1ff van het (tussen)vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2005 en aan rov. 3.2.1-3.3.19 van het in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 17 juli 2008. Blijkens rov. 2 van het hof is ook het hof van de door de rechtbank in rov. 1a-1ff (met uitzondering van een deel van rov. 1q) vastgestelde feiten uitgegaan. Overigens verspringt de nummering van het hof vanaf rov. 3.3.3; vermoedelijk had dit rov. 3.2.3 e.v. moeten zijn. In het hiernavolgende zal de nummering van het hof aangehouden worden.

2 Vgl. rov. 9.3 van het (tussen)vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2005 en rov. 3.1 van het arrest van het hof Amsterdam van 17 juli 2008.

3 Zoals al vermeld, is het arrest van het hof van 17 juli 2008. De cassatiedagvaarding is van 17 oktober 2008.

4 In rov. 4.5 van het eindvonnis van de rechtbank van 9 augustus 2006.

5 Zie onder andere de conclusie van A-G mr. Wuisman, alinea 2.5 vóór HR 19 februari 2010, LJN BK8094, RvdW 2010, 333 en HR 28 oktober 2005, LJN AU2902, NJ 2006, 558.

6 In navolging van Bouman en Van Wassenaer van Catwijck, zie C.J.M. Klaassen, 'Schadevergoeding. Letselschade. Verlies arbeidsvermogen', bespreking van HR 15 mei 1998, NJ 1998, 624, RvdW 1998, 110C (inzake: J.H. Vehof-Vasters/Helvetia Schadeverzekering N.V.), A&V 1998, nr. 4, p. 97, alinea 6.

7 Memorie van grieven van 22 maart 2007, alinea 237 en memorie van antwoord in het incidenteel appel van 26 juli 2007, alinea 17.

8 Aangehaald door het hof in rov. 3.3.14.

9 Conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 4 augustus 2004, alinea 97.

10 Grief A in alinea 49 van de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van [eiseres] c.s. van 31 mei 2007.

11 Zie p. 32 van de in voetnoot 10 genoemde memorie.

12 Rov. 3.11.1 van het hof wordt in de aanhef niet genoemd, maar blijkens onderdelen 14 en 15 is het middel tevens tegen deze overweging gericht.

13 Het middel stelt in de aanhef dat het tevens is gericht tegen rov. 3.13, 5 en 6 van het hof, maar het bevat geen daartegen gerichte zelfstandige klachten.

14 Onderdelen 1 en 2 van de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep van DLO bevatten het antwoord in het principaal cassatieberoep respectievelijk de inleiding van het incidenteel cassatieberoep.

15 In alinea 3.1.5 van de schriftelijke toelichting namens DLO.

16 HR 12 augustus 2005, LJN AT7337, NJ 2005, 467 (CBB/JBO). Zie tevens de in rov. 3.6 van dit arrest aangehaalde uitspraken.

17 In alinea 3.5.4 van de schriftelijke toelichting namens DLO.

18 Overgelegd als productie III bij antwoordconclusie na comparitie in eerste aanleg van DLO van 26 april 2006.