Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN4231

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
08/04736
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN4231
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over o.m. Salduz-klacht. HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 08/04736

Mr. Vegter

Zitting 6 juli 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 3 juli 2009 ter zake van feit 1: "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

2. Namens verdachte heeft mr. M. van Delft, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 maart 2005 tot en met 28 december 2005 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld en op 28 december 2005 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 217 hennepplanten."

5. Daartoe heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2005 mei nummer 2005321341-1. opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende als relaas van de verbalisanten (doorgenummerde pagina 000017 en verder):

Op 28 december 2005 werd de woning gevestigd aan de [a-straat 1-1] te [plaats] betreden op grond van artikel 9 lid 1 van de Opiumwet. In totaal zijn 217 hennepplanten aangetroffen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2005 met nummer 2005321341-f opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende als relaas van de verbalisanten (doorgenummerde pagina 000022 en verder):

Verdachte [medeverdachte] verklaarde samen met [verdachte] (het hof begrijpt de verdachte) in de woning, [a-straat 2-1] te [plaats] te verblijven. Tevens verklaarde zij samen met [verdachte] de plantage (het hof begrijpt hennepplantage) te voeren.

3. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd op 15 oktober 2008.

Deze verklaring houdt in zakelijk weergegeven en voor zover van belang:

Gedurende ongeveer vier maanden heb ik samen met mijn vriendin [medeverdachte] in het jaar 2005 een hennepkwekerij in ons huis (het hof begrijpt: [a-straat 2-1]) te [plaats] gehad.

4. Een proces-verbaal van 29 december 2005 met nummer 20055321341-14. opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] voorzover van belang en zakelijk weergegeven inhoudende als de op 29 december 2005 afgelegde verklaring van [verdachte] (doorgenummerde pagina 000045 en verder):

De hennepplantage is ruim een halfjaar geleden opgezet.

5. Een verslag, laboratoriumnummer 2645M05. X-pol.nr. 2005321341, van Bureau Forensisch Technische Onderzoeken van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland van 2 januari 2006.

opgemaakt door drs. R. Jellema op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed.

Dit verslag houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven (doorgenummerde pagina 000057)

Rapport in de zaak contra verdachte [medeverdachte], verdachte van overtreding van de Opiumwet.

ONTVANGST

De onderzoeksaanvraag en het materiaal werden op 30 december 2005 op het politielaboratorium ontvangen.

MATERIAAL

Vijf bovengrondse plantendelen met vrouwelijke bloemen, vers gewicht 113 gram, droog gewicht 25,6 gram.

CONCLUSIE

Het materiaal is hennep."

6. In de toelichting op het middel wordt ten eerste geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet eenduidig kan worden opgemaakt of het bewezenverklaarde telen of aanwezig hebben van hennepplanten heeft plaatsgevonden op het adres [a-straat 1-1] of [a-straat 2-1]. In het proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 1) wordt vermeld [a-straat 1-1]; in het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte (bewijsmiddel 2) wordt vermeld [a-straat 2-1]; de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 3) spreekt over "ons huis", waaraan door het Hof wordt toegevoegd "het hof begrijpt [a-straat 2-1]". Daardoor is niet duidelijk hoe het Hof de in bewijsmiddel 1 genoemde 217 hennepplanten die zijn aangetroffen op huisnummer [1-1] in verband heeft kunnen brengen met de hennepplanten op huisnummer [2-1], waarover verdachte en zijn medeverdachte spreken.

7. In de (gewijzigde) tenlastelegging is als pleegplaats onder meer opgenomen: "(in een pand aan de [a-straat]([1]))." Het Hof heeft die passage in de bewezenverklaring niet opgenomen en heeft volstaan met de bewezenverklaring van [plaats] als pleegplaats. Aan te nemen valt dat het Hof dus oog heeft gehad voor de 'tegenstrijdigheden' voor wat betreft het huisnummer aan de [a-straat]. Het Hof heeft dus met de steller van het middel ingezien dat er uit de bewijsmiddelen niet eenduidig kan worden opgemaakt of het om [a-straat 2-1] of [a-straat 1-1] ging. Nu er (kennelijk ook voor verdachte) geen enkel misverstand over bestond dat hij verantwoordelijk werd gehouden voor plantage inclusief aangetroffen planten (aan de [a-straat]) te [plaats] heeft het Hof tot deze bewezenverklaring kunnen komen. Dat in de bewijsmiddelen twee huisnummers worden genoemd doet daar niet aan af. Er is geen enkele indicatie dat het Hof voor ogen heeft gehad dat het om twee plantages ging. Het Hof heeft in het midden gelaten of het feit is gepleegd op [a-straat 2-1] of [a-straat 1-1] door bewezen te verklaren te [plaats]. Ik zie niet in dat daarmee sprake zou zijn van enige verlating van de grondslag van de tenlastelegging of enig ander gebrek. Daarover wordt ook niet geklaagd. Het eerste middel faalt mitsdien in zoverre.

8. De toelichting op het middel bevat ten tweede de klacht dat zonder nadere motivering uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er meermalen sprake is geweest van het telen van hennepplanten. Betoogd wordt dat de bewijsmiddelen 1 en 5 alleen zien op de aangetroffen hennepplanten, terwijl de bewijsmiddelen 2 t/m 4 niet meer inhouden dan dat verdachte en zijn medeverdachte 4 tot 6 maanden voor het aantreffen van de 217 hennepplanten een hennepkwekerij hebben opgezet.

9. In dit kader is allereerst de wijziging van de tenlastelegging van belang. In de oorspronkelijke tenlastelegging was als tijd opgenomen: op of omstreeks 28 december 2005. Door de in hoger beroep toegelaten wijziging van de tenlastelegging werd dit: op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2005 tot en met 28 december 2005. Door die wijziging kwam het meermalen plegen in beeld. Als er immers sprake is van meer tijdstippen is de kwalificatie meermalen gepleegd niet uitgesloten. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof tot de slotsom kwam dat er sprake is van meermalen medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. Het Hof heeft dat kunnen afleiden uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte. Het vierde bewijsmiddel houdt immers als zijn verklaring in: "De hennepplantage is ruim een halfjaar geleden opgezet." Daaruit heeft het Hof gelet op de gebruikelijke kweekperiode(2) kunnen afleiden dat er tenminste tweemaal is geteeld. Dat het Hof het niet problematisch vindt om deze betrekkelijke ruime conclusie hier te trekken is in het licht van de proceshouding van verdachte goed te begrijpen. Immers uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2007 blijkt dat verdachte meerdere malen hennepplanten heeft gekweekt ("we hebben drie mislukte oogsten gehad. Twee keer is de oogst na twee weken mislukt, de topjes hebben we gerookt.").

10. Als ik het middel goed begrijp klaagt het er ook over dat niet bewezen is dat het meermalen telen telkens 217 planten betreft. Ik neem aan dat die klacht niet geldt voor de aangetroffen 217 planten. De steller van het middel heeft gelijk als hij zegt dat niet vast staat dat het eerdere telen ook steeds 217 planten betrof. Het kan natuurlijk minder zijn geweest, maar ook meer. Erg relevant is het verschil vermoedelijk niet geweest, omdat er anders van de zijde van de verdediging wel een opmerking over zou zijn gemaakt. Wat daar ook van zij, ik meen dat het middel feitelijke grondslag mist. De tenlastelegging en bewezenverklaring behoeven immers niet zo gelezen te worden dat een eerder telen eveneens betrekking had op 217 planten. Het Hof is de vrijheid die de feitenrechter in dat opzicht heeft niet te buiten gegaan. Het eerste middel faalt mitsdien.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat Hof in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM voor het bewijs van het bewezenverklaarde feit gebruik heeft gemaakt van de verklaring die de verdachte bij de politie aflegde zonder dat uit het dossier blijkt dat verdachte erop is gewezen dat hij het recht heeft zich bij of voorafgaand aan het verhoor te verstaan met een advocaat.

12. Noch het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep, noch de pleitnotities van de raadsman houden iets in omtrent de door het middel gestelde omstandigheid dat in het geheel geen sprake van was dat de verdachte de gelegenheid werd geboden om een advocaat te consulteren bij of voorafgaand aan het verhoor. Nu zo een verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, is het middel tevergeefs voorgesteld.(3)

13. De voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak betreffende verdachte [verdachte] met zaaknummer S 08/04737P alsmede de hoofdzaak betreffende medeverdachte [medeverdachte] met zaaknummer S 08/04738 en de ontnemingszaak betreffende medebetrokkene [medeverdachte] met zaaknummer S08/04739P, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Uit paragraaf 8 van de voordeelsrapportage van BOOM maak ik op dat de groei-en bloeitijd gemiddeld negen weken duurt en dat een gemiddelde kweekcyclus van tien weken aannemelijk is.

3 HR 30 juni 2009, LJN:BH3084, NJ 2009, 351 m.nt. T.M. Schalken.