Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN2368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
09/02488 Hs
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN2368
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening geurproef. Aanvraag gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1243
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02488 Hs

Mr. Fokkens

Zitting 29 juni 2010

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. De Politierechter te 's-Hertogenbosch heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 18 november 2002 wegens 1. "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 2. "diefstal door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden.

2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef.

4. Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te s'-Hertogenbosch van 23 april 2007, inhoudende -kort gezegd- dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt en dat de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak sprake is van een door deze dienst uitgevoerde geuridentificatieproef en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.

5. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.(1) De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.

6. De Politierechter heeft volstaan met een aantekening mondeling vonnis. Het voorgaande brengt mee dat nu geen vonnis voorhanden is waarin de bewijsvoering is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat de Politierechter, ware hij daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken.

7. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

a. Op 31 augustus 2002 tussen 02.50 uur en 03.04 uur heeft er een poging tot diefstal plaatsgevonden in de vorm van een ramkraak in de juwelierszaak [A] gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats].(2)

b. Getuige [getuige 1] verklaart dat hij eerder die avond om 02.20 een grijskleurige Opel Kadett voorzien van kenteken [AA-00-BB] in de directe omgeving van de plaats delict heeft zien rijden. De bestuurder droeg een basebalpet.(3) Getuige [getuige 1] heeft in de directe omgeving van de plaats delict die grijskleurige Opel Kadett en een roodkleurige Opel Astra met hoge snelheid in dezelfde richting weg zien rijden.(4)

c. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij op 31 augustus 2002 omstreeks 01.15 uur een rode Opel Astra met gedoofde verlichting heeft zien staan ter hoogte van juwelier [A]. Er zaten twee jongens in de auto.(5)

d. Getuige [getuige 3] verklaart dat hij op zaterdag 31 augustus 2002 tussen 03.00 uur en 03.15 uur een grijze Opel Kadett personenauto met de achterzijde twee maal tegen de etalageruit van juwelier [A] heeft zien rijden. Voorts verklaart hij dat de bijrijder is uitgestapt en twee maal hard met zijn voet tegen de etalageruit heeft getrapt. Vervolgens zijn de personen in de betreffende Opel Kadett weggereden.(6)

e. Getuige [getuige 4] verklaart dat zij op zaterdag 31 augustus 2002 omstreeks 03.00 uur een personenauto hard achteruit tegen de etalageruit van juwelier [A] heeft zien rijden. De bijrijder heeft vervolgens nog getracht de etalageruit in te trappen. Vervolgens is de betreffende personenauto weggereden richting de brug.(7)

f. Aanvrager verklaart dat hij de eigenaar is van een roodkleurige Opel Astra personenauto voorzien van kenteken [CC-00-DD]. Aanvrager bevestigt dat hij die avond is aangehouden maar weet zich verder niets te herinneren.(8) Aanvrager beroept zich voor het overige op zijn zwijgrecht.(9)

g. Uit het proces-verbaal van het technisch onderzoek blijkt dat het op de plaats delict aangetroffen stuk kunststof(10) een geheel heeft gevormd met het zwaar beschadigde achterlicht van de grijze Opel Kadett personenauto voorzien van kenteken [AA-00-BB].(11) Deze Opel Kadett is op de avond van de ramkraak aangetroffen in een sloot. (12)

h. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van het stuur en de bestuurderszitting van de grijze Opel Kadett personenauto voorzien van kenteken [AA-00-BB]. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(13)

8. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.

a. Tussen vrijdag 30 augustus 2002 te 23.00 uur en zaterdag 31 augustus 2002 te 08.30 uur is er op de [b-straat] te [plaats] een grijskleurige Opel Kadett voorzien van kenteken [AA-00-BB] ontvreemd.(14)

b. Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van het stuur en de bestuurderszitting van de grijze Opel Kadett personenauto voorzien van kenteken [AA-00-BB]. De geurproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.(15)

9. Behoudens de positieve geuridentificatieproef bevat het dossier geen bewijsmateriaal, waaruit met voldoende mate van aannemelijkheid kan volgen dat aanvrager daadwerkelijk bij de poging tot inbraak en de diefstal betrokken is geweest. Ten aanzien van beide feiten speelt de geuridentificatieproef een doorslaggevende rol. Daaruit volgt dat niet aannemelijk is dat de Politierechter zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 zou zijn gekomen.

Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat de Politierechter, ware hij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2). Ik acht de aanvrage dan ook gegrond.

10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591.

2 Zie het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina's 34-38.

3 Zie het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina's 28.

4 Zie het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina's 39-40.

5 Zie het proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina's 42-43.

6 Zie het proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina's 51-52.

7 Zie het proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina's 53-54.

8 Zie het proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina's 44-46.

9 Zie het proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina's 47-50.

10 Zie het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina's 29.

11 Zie het proces-verbaal van technisch onderzoek, doorgenummerde pagina's 65-66.

12 Zie het proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina's 29.

13 Zie het proces-verbaal van geuridentificatieproef, doorgenummerde pagina's 61-64.

14 Zie het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina's 75-77.

15 Zie het proces-verbaal van geuridentificatieproef, doorgenummerde pagina's 61-64.