Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN1415

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
09/04634
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1918
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN1415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Hoger beroep tegen een beschikking waarin niet reeds door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde aan het geding is gemaakt - dus tegen een tussenbeschikking - niet-ontvankelijk (op grond van art. 401 lid 2 Rv. in verbinding met art. 416 lid 4 Rv.).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 824
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 401a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1171
JWB 2010/409
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/04634

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 2 juli 2010

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

1. Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie. Partijen zijn in 1976 met elkaar gehuwd. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) heeft op 12 november 2008 aan de rechtbank te Amsterdam verzocht de echtscheiding tussen haar en verweerder in cassatie (hierna: de man) uit te spreken, met nevenvoorzieningen.

2. Tot deze nevenvoorzieningen behoorde het verzoek de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten bedrage van € 9.000,- per maand met ingang van 1 april 2006, zijnde de datum waarop partijen feitelijk hun samenwoning hebben beëindigd.

3. In een afzonderlijk verzoekschrift, ook op 12 november 2008 ingediend, heeft de vrouw verzocht op de voet van art. 821, in verbinding met art. 822, lid 1 onder e, Rv bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag dient te voldoen van € 9.000,- per maand met ingang van 1 april 2006.

4. De man heeft verweer gevoerd. Het verweer hield kort gezegd in: (i) dat partijen een alimentatieovereenkomst hebben gesloten voor een door de man te betalen bedrag van € 1.500,- per maand, waarmee het verzoekschrift van de vrouw niet te verenigen is; (ii) dat het door de vrouw verzochte bedrag haar behoeften te boven gaat, mede omdat zij inmiddels door een andere man wordt onderhouden; (iii) dat het door de vrouw verzochte bedrag de draagkracht van de man te boven gaat. Daarnaast maakte de man bezwaar tegen de verzochte (voorlopige) alimentatievaststelling met terugwerkende kracht tot 1 april 2006.

5. Bij beschikking van 15 april 2009 heeft de rechtbank uitsluitend een beslissing gegeven over de verzochte voorlopige voorzieningen. De rechtbank verwierp het verweer van de man dat een lager alimentatiebedrag dan verzocht tussen partijen is overeengekomen. Na afweging van behoeften en draagkracht kwam de rechtbank uit op een door de man als voorlopige voorziening te betalen partneralimentatie ten bedrage van € 4.500,- per maand. De rechtbank liet deze voorlopige voorziening ingaan op 1 april 2006.

6. Stellende dat er grond is voor een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 824 lid 1 Rv, heeft de man hoger beroep ingesteld. Hij voerde aan dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 822 Rv (in verbinding met art. 821 Rv) is getreden door de voorlopige voorziening niet te beperken tot de duur van het geding (art. 822 lid 1 Rv), noch tot een periode van vier weken voorafgaand aan de datum waarop het echtscheidingsverzoek is ingediend (art. 821 lid 4 Rv). Daarnaast voerde de man grieven aan die gericht waren tegen de verwerping van zijn materiële verweren.

7. De vrouw heeft aangevoerd dat de man in zijn hoger beroep tegen de voorlopige voorziening niet kan worden ontvangen vanwege het rechtsmiddelenverbod van art. 824 lid 1 Rv. Het gerechtshof te Amsterdam heeft een zitting bepaald waarin uitsluitend het geschilpunt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep is behandeld.

8. Bij beschikking van 17 augustus 2009 (LJN: BK1918) heeft het hof gronden aanwezig geacht voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 824 lid 1 Rv. In het dictum van zijn beschikking heeft het hof de man ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof heeft de oproeping van partijen bevolen tegen een nader te bepalen zittingsdatum.

9. Bij verzoekschrift, ingekomen op 17 november 2009, heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man heeft het cassatieverzoek tegengesproken.

10. De beschikking van het hof is mijns inziens aan te merken als een tussenbeschikking. Niet kan worden gezegd dat het dictum een beslissing inhoudt die ten aanzien van een deel van hetgeen in deze procedure door de vrouw werd verzocht een einde maakt aan het geding. De door de vrouw verzochte voorlopige voorziening partneralimentatie is niet toe- of afgewezen. Weliswaar sluit hetgeen het hof in rov. 3.3 heeft overwogen praktisch uit dat het hof (in de nog te geven eindbeschikking) nog zal komen tot een toekenning van partneralimentatie als voorlopige voorziening voor een tijdvak dat eerder aanvangt dan vier weken vóór de datum waarop het inleidend verzoekschrift is ingediend; dit neemt niet weg dat in het dictum van de thans bestreden beschikking een definitieve beslissing over het verzoek (nog) niet is genomen.

11. Uit de overgelegde gedingstukken is niet gebleken dat het hof op de voet van art. 426 in verbinding met art. 401a Rv toestemming heeft verleend voor een tussentijds cassatieberoep. De slotsom is dat de vrouw in haar cassatieberoep niet kan worden ontvangen(1). Om deze reden zie ik af van een inhoudelijke bespreking van het cassatiemiddel.

12. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Vaste rechtspraak. Zie onder meer: HR 6 december 2002, NJ 2003, 62; HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709; HR 8 mei 2009, NJ 2009, 223; HR 25 september 2009, NJ 2009, 459; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2003, nrs. 59-61.