Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN1258

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
09/01017
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BH0953
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN1258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Echtscheiding; een beschikking houdende echtscheiding waartegen hoger beroep is ingesteld, gaat pas in kracht van gewijsde in de zin van art. 1:163 lid 3 BW, nadat de appelbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan, ook in de gevallen dat het hoger beroep wellicht te laat is ingesteld; deze regel lijdt geen uitzondering in gevallen waarin van meet af aan iedere twijfel over de tijdigheid of rechtsgeldigheid van het aangewende rechtsmiddel is uitgesloten, reeds omdat de vraag of daadwerkelijk “iedere” twijfel is uitgesloten weer aanleiding kan geven tot discussie en onzekerheid; Hoge Raad komt in zoverre terug op HR 6 januari 1961, NJ 1963, 150.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1263
RFR 2010/136
NJ 2010/667 met annotatie van S.F.M. Wortmann
NJB 2010, 1996
FJR 2011, 28 met annotatie van I.J. Pieters en P. Dorhout
JWB 2010/433
JPF 2011/23 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01017

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 1 juli 2010

CONCLUSIE inzake:

[De man],

verzoeker tot cassatie,

adv.: mr. E.H. van Staden ten Brink,

tegen

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze zaak gaat het om de vraag op welk moment de in art. 1:163 lid 3 BW bedoelde termijn voor inschrijving van een echtscheidingsbeschikking geacht moet worden te zijn aangevangen indien hoger beroep is ingesteld en de appelrechter tot het oordeel is gekomen dat appellant niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de appeltermijn.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

a. Bij beschikking van 12 december 2005 (hierna: de echtscheidingsbeschikking) heeft de rechtbank 's-Gravenhage onder meer de echtscheiding uitgesproken tussen verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en [de vrouw] (hierna: de vrouw).

b. Op 14 maart 2006 heeft de vrouw bij het hof 's-Gravenhage hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking ook voor zover daarbij de echtscheiding was uitgesproken.

c. Bij beschikking van 31 mei 2006 heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

d. Op 13 september 2006 heeft de griffier van de Hoge Raad een verklaring van non-cassatie afgegeven.

e. Bij brief van 15 september 2006 heeft de man verweerder in cassatie (hierna: de ambtenaar) verzocht de echtscheidingsbeschikking in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand.

f. Bij besluit van 20 september 2006 heeft de ambtenaar geweigerd de echtscheidingsbeschikking in te schrijven wegens overschrijding van de wettelijke zes maandentermijn als bedoeld in art. 1:163 lid 3 BW.

g. Op het verzoek van de man d.d. 14 november 2006 is bij beschikking van 1 mei 2007, ingeschreven op 21 mei 2007, opnieuw de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.

1.2 Bij inleidend verzoekschrift ex art. 1:27 BW d.d. 26 oktober 2006 heeft de man de rechtbank 's-Gravenhage verzocht a) te bepalen dat de ambtenaar gehouden is de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 alsnog binnen zeven dagen na de uitspraak, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn in te schrijven, en b) de ambtenaar en iedere belanghebbende die het verzoek tegenspreekt tezamen te veroordelen aan de man een volgens het gebruikelijke tarief te begroten bijdrage in de proceskosten te betalen.

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de echtscheidingsbeschikking pas in kracht van gewijsde is gegaan op de dag dat geen cassatie meer kon worden ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof, zijnde 1 september 2006, zodat de ambtenaar het verzoek tot inschrijving d.d. 15 september 2006 ten onrechte heeft afgewezen.(2) De ambtenaar heeft tot zijn verweer aangevoerd dat de echtscheidingsbeschikking reeds op 14 maart 2006 in kracht van gewijsde was gegaan omdat op die dag de appeltermijn van drie maanden was verstreken, zoals het gerechtshof heeft vastgesteld, zodat de termijn van inschrijving is geëindigd op 13 september 2006.

1.3 Bij beschikking van 10 september 2007 heeft rechtbank vastgesteld dat de vraag voorlag op welke datum de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de echtscheidingsbeschikking eerst na het verstrijken van de aan 's hofs beslissing d.d. 31 mei 2006 verbonden cassatietermijn op 1 september 2006 in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de termijn als bedoeld in art. 1:163 lid 3 BW ten tijde van het inschrijvingsverzoek nog niet was verstreken. Gelet op de ontbinding van het huwelijk per 21 mei 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de man om de ambtenaar te gelasten de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 alsnog in te schrijven evenwel afgewezen wegens gebrek aan belang. Voorts is de ambtenaar veroordeeld in de proceskosten.

1.4 De ambtenaar is van voormelde beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Gravenhage met het verzoek de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kostenveroordeling betreft en, opnieuw rechtdoende, de man en iedere belanghebbende die het verzoek tegenspreekt tezamen te veroordelen in de proceskosten van beide instanties. De man heeft verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld met het verzoek, houdende vermeerdering c.q. wijziging van eis, te bepalen dat de ambtenaar gehouden is de registers van de burgerlijke stand aan te vullen met een akte van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 en te gelasten dat in de akte van inschrijving als datum van echtscheiding 18 september 2006 wordt vermeld, met doorhaling van de inschrijving van de tweede echtscheidingsbeschikking d.d. 21 mei 2007.

1.5 In zijn beschikking van 10 december 2008 heeft het hof onder meer als volgt overwogen:

"6. (...) De rechtbank heeft volgens de ambtenaar ten onrechte geoordeeld dat de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 eerst in kracht van gewijsde is gegaan na het verstrijken op 1 september 2006 van de termijn, waarbinnen de vrouw nog cassatie kon instellen tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof.

7. De man heeft de stellingen van de ambtenaar gemotiveerd weersproken.

(...)

10. (...) De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, is of de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 in kracht van gewijsde is gegaan.

11. Het hof is met de ambtenaar van oordeel dat de ambtenaar in beginsel zelfstandig kan beoordelen of de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan en of de termijn van zes maanden voor het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking is verstreken.

12. Indien een belanghebbende partij van mening is dat de ambtenaar ten onrechte de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft geweigerd, heeft hij de bevoegdheid zich te wenden tot de rechtbank, op grond van het bepaalde in artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek. (...)

13. Tussen partijen staat vast dat de vrouw op 14 maart 2006 in hoger beroep is gekomen van de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005. Bij beschikking van 31 mei 2006 heeft dit hof haar niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Partijen hebben tegen die beschikking geen cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

14. In zijn beschikking van 31 mei 2006 heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

"(...) Het beroepschrift, dat bij het hof is ingekomen op 14 maart 2006, richt zich tegen een beschikking van 12 december 2005. (...) De termijn voor hoger beroep eindigde op zondag 12 maart 2006. De laatste dag van de hoger beroepstermijn was derhalve 13 maart 2006 en het beroep is derhalve te laat ingesteld, zodat de vrouw niet-ontvankelijk is."

15. Het hof stelt derhalve vast dat de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep vanwege het te laat door haar instellen daarvan. Het hof is van oordeel dat een te laat ingesteld hoger beroep niet tot gevolg heeft, dat de beschikking in eerste aanleg niet in kracht van gewijsde is gegaan.

16. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 in kracht van gewijsde is gegaan op 13 maart 2006. De man had derhalve uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, om inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand moeten verzoeken, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:163 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Dat heeft hij niet gedaan.

17. Hij heeft eerst bij brief van 15 september 2006 (vallende op een vrijdag), die volgens de ambtenaar bij de gemeente is ingekomen op 18 september 2006, de ambtenaar verzocht tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 over te gaan.

18. Het hof is dan ook van oordeel dat de ambtenaar op juiste gronden de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft geweigerd. De echtscheidingsbeschikking heeft haar kracht (...) verloren. De rechtszekerheid is daarmee gediend."

Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd ten aanzien van de kostenveroordeling en, in zoverre opnieuw beschikkende, de man veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige.

1.6 De man heeft tegen beschikking van het hof tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. De ambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend.

2. Inleiding

2.1 De echtscheiding komt op grond van art. 1:163 lid 1 BW tot stand door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.(4) De inschrijving - door middel van een zogenoemde latere vermelding - kan niet geschieden voordat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan (art. 1:20 lid 2 BW).(5) Zij moet echter worden verzocht uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, bij gebreke waarvan de beschikking haar kracht verliest (art. 1:163 lid 3 BW). Indien het verzoek een beschikking in te schrijven te vroeg (voordat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan) of te laat (later dan zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking) wordt gedaan, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand inschrijving weigeren (art. 1:20c jo 1:18b BW). Wordt de beschikking niettemin ingeschreven, dan kan een bevel tot doorhaling worden verzocht (art. 1:24 BW).

2.2 Centraal staat derhalve het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde gaat. Dit is het moment waarop tegen de beschikking geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.(6) Doorgaans betekent dit dat geen inschrijving kan plaatsvinden gedurende de appel- of cassatietermijn, noch gedurende een appel- of cassatieprocedure. De ambtenaar van de burgerlijke stand zal zich een oordeel moeten vormen omtrent de vraag of en, zo ja, wanneer de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Ofschoon sedert 1 januari 1995 niet meer vereist is dat de ambtenaar bij de inschrijving melding maakt van de verklaring van de griffier "strekkende tot bewijs dat tegen de uitspraak door geen wettig middel kan worden opgekomen"(7), wordt er van uitgegaan dat een dergelijke griffiersverklaring (ook wel: akte van non-appel) wel moet zijn verkregen wil het inschrijvingsverzoek kunnen worden gehonoreerd.(8) De oordeelsvorming van de griffier wordt geacht te zijn vereenvoudigd door het voorschrift dat deze door de griffier van het gerecht waarbij hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld terstond van dat beroep op de hoogte wordt gesteld (art. 820 lid 3 Rv).(9) Het procesreglement voor verzoekschriftprocedures in familiezaken van de hoven houdt ook rekening met de afgifte van een verklaring van non-appel door de griffier van het hof.(10) Deze kan beoordelen of het petitum van een appelschrift in een echtscheidingsprocedure al dan niet mede betrekking heeft op de echtscheiding zelf.

2.3 Complicaties kunnen zich voordoen indien een rechtsmiddel wordt ingesteld en niet aanstonds duidelijk is of dit rechtsgeldig is. In een geval waarin inschrijving van het bij verstek gewezen echtscheidingsvonnis had plaatsgevonden tijdens een verzetprocedure - omdat de man/verzoeker meende dat het verzet niet-ontvankelijk was - heeft Uw Raad geoordeeld dat door het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing van de rechtbank waarbij de vrouw in haar verzet tegen het echtscheidingsvonnis ontvankelijk was verklaard, onherroepelijk was komen vast te staan dat het verstekvonnis ten tijde van de inschrijving ervan geen kracht van gewijsde had en daarom niet had mogen worden ingeschreven.(11)

Het spiegelbeeld doet zich voor indien hangende de appelprocedure van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking wordt afgezien - in de veronderstelling dat deze nog geen kracht van gewijsde heeft - en de appelrechter vervolgens (met kracht van gewijsde) vaststelt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan te nemen valt - Uw Raad heeft dit eerder in het midden gelaten(12) - dat de echtscheidingsbeschikking, achteraf bezien, nimmer aan het oordeel van de appelrechter onderworpen is geweest en dus reeds in kracht van gewijsde is gegaan op het moment dat de beroepstermijn was verstreken.(13) Het inschrijvingsverzoek had derhalve, achteraf bezien, binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn gedaan moeten worden. Afhankelijk van het moment waarop de (onherroepelijke) rechterlijke beslissing valt, is niet uitgesloten dat die termijn reeds verstreken is en inschrijving derhalve niet meer mogelijk is. De vraag is of c.q. in hoeverre van betrokkenen (verzoeker, ambtenaar) kan worden gevergd dat zij beoordelen of tijdens de lopende beroepsprocedure zekerheidshalve tot inschrijving moet worden overgegaan, met het risico dat de inschrijving ten onrechte blijkt te zijn gedaan en alsnog moet worden doorgehaald.

2.4 Deze vraag is beantwoord in het arrest van Uw Raad van 6 januari 1961, NJ 1963, 150 m.nt. DJV. Daarin is overwogen dat de onvolkomenheid van de regeling van de toenmalige artikelen 276 leden 4 en 5 BW (overeenkomend met het huidige art. 1:163 lid 3 BW) en 48 lid 1 onder 3 BW (bepalend dat een griffiersverklaring in de akte moet worden vermeld) er niet toe mag leiden dat

"betrokkenen - ambtenaar van den burgerlijken stand enerzijds, procespartijen en haar raadslieden anderzijds - zich in gevallen, waarin twijfel (omtrent de rechtsgeldigheid van het aangewende rechtsmiddel, A-G) mogelijk is, gedwongen zouden zien om, eventueel vooruitlopende op de beslissing van den rechter die te zijner tijd over de ontvankelijkheid van het verzet of van het beroep zal hebben te oordelen, zelfstandig, en met uit den aard der zaak onzekeren uitslag, zich een oordeel dienaangaande te vormen;

dat door zulks aan te nemen afbreuk zou worden gedaan aan den eis van rechtszekerheid die, in een materie als de onderhavige, zwaar behoort te wegen en die zich er tegen verzet dat in gevallen, waarin niet van meet af aan iedere twijfel was uitgesloten, de al of niet rechtsgeldigheid van de inschrijving van het vonnis van echtscheiding - mogelijk eerst na jaren en met alle voor de betrokken procespartijen verstrekkende consequenties - opnieuw ter discussie wordt gesteld;

dat mitsdien het stelsel der wet hierop neer komt, dat in gevallen van twijfel als bovenbedoeld pas na des rechters beslissing aangaande de rechtsgeldigheid van het aangewende rechtsmiddel de in art. 276, lid 4, genoemde termijn van zes maanden een aanvang neemt."

Voorts heeft Uw Raad in zijn arrest van 3 maart 1961, NJ 1963, 151 geoordeeld dat met de eis van rechtszekerheid in zaken betreffende de staat van personen

"onverenigbaar is (...) dat - met het oog op de vraag of de echtscheidingsuitspraak door het verstrijken van den appeltermijn kracht van gewijsde heeft verkregen - de ontvankelijkheid van zodanig appel reeds vóór de uitspraak van den appelrechter door anderen dan dezen rechter zou moeten worden beoordeeld."

In de beschikking van Uw Raad van 15 juli 1986(14) is in het algemeen nog benadrukt dat een uitleg van art. 1:163 BW, die afbreuk doet aan de rechtszekerheid die het mede beoogt te bevorderen, dient te worden vermeden.

2.5 Uit deze uitspraken kan, naar het voorkomt, worden afgeleid dat naar het oordeel van Uw Raad het stelsel van de wet hierop neer komt dat in geval van twijfel over de rechtsgeldigheid van het aangewende rechtsmiddel de termijn van art. 1:163 lid 3 BW eerst een aanvang neemt na de beslissing van de rechter dienaangaande.(15) Gelet op het vereiste van rechtszekerheid ligt het in de rede om daarbij uit te gaan van een beslissing met kracht van gewijsde.(16)

3. Beoordeling van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen hetgeen het hof in de bestreden beschikking heeft overwogen en beslist, met name in de rov. 11 en 15-18 (aangehaald hiervoor onder 1.5). Het bevat een rechts- en een motiveringsklacht.

3.2 Volgens de rechtsklacht getuigen genoemde overwegingen van de onjuiste rechtsopvatting dat de termijn van zes maanden als bedoeld in art. 1:163 lid 3 BW aanvangt op de datum waarop, naar achteraf blijkt, dan wel door de ambtenaar zelfstandig is beoordeeld (met de correctiemogelijkheid van art. 1:27 BW), geen ontvankelijk rechtsmiddel is ingesteld tegen de beslissing waarbij de echtscheiding is uitgesproken, ook in het geval wèl een rechtsmiddel is ingesteld, maar twijfel bestaat over de tijdigheid respectievelijk de rechtsgeldigheid anderszins daarvan. Volgens het middel neemt de termijn van art. 163 lid 3 BW in een dergelijk geval in het algemeen en op zijn vroegst pas een aanvang na de beslissing van de appelrechter omtrent de rechtsgeldigheid c.q. de ontvankelijkheid van het beroep, en mogelijk ook pas na het ongebruikt verstrijken van een eventuele cassatietermijn na de beslissing van de appelrechter. Het middel verwijst in dit verband naar de uitspraken van Uw Raad van 6 januari 1961, NJ 1963, 150 m.nt. DJV en van 3 maart 1961, NJ 1963, 151 (hiervoor aangehaald onder 2.4).

Voor het geval zulks anders kan zijn indien van meet af aan iedere twijfel omtrent de (ik begrijp: niet-)ontvankelijkheid of (niet-)rechtsgeldigheid van het aangewende rechtsmiddel is uitgesloten, klaagt het middel dat het hof zijn beslissing daarop niet heeft gebaseerd en, zo dit wel het geval mocht zijn, zijn beslissing op dit punt niet naar behoren heeft gemotiveerd. Het middel stelt daartoe dat in dit geval niet van meet af aan duidelijkheid bestond omtrent de niet-ontvankelijkheid van het beroep, in welk verband het er op wijst dat de vrouw inhoudelijk en indringend heeft betoogd dat zij wel tijdig in beroep was gegaan en dat het hof die vraag uitvoerig heeft behandeld en daarover na vier weken heeft beslist.

3.3 Uit hetgeen in de inleiding (met name onder 2.4-2.5) is opgemerkt, volgt dat het middel naar mijn mening terecht betoogt dat art. 1:163 lid 3 BW aldus moet worden uitgelegd dat in geval van twijfel omtrent de rechtsgeldigheid c.q. ontvankelijkheid van een aangewend appel de in het artikel bedoelde termijn een aanvang neemt na de (onherroepelijke) beslissing van de appelrechter ter zake. Het gaat hier, naar het mij voorkomt, om een uitzondering op de hoofdregel dat de termijn aanvangt met het in kracht van gewijsde gaan van de echtscheidingsbeschikking. De stelplicht ter zake van feiten die de toepasselijkheid van die uitzonderingsregel kunnen dragen, rust derhalve op degene die de inschrijving verzoekt.

3.4 Anders dan het middel stelt, blijkt uit de bestreden beschikking evenwel niet dat het hof voormelde uitzonderingsregel heeft miskend. Zoals hiervoor onder 1.2 en 1.3 is weergegeven, had het debat in eerste aanleg zich geheel toegepitst op de vraag op welke datum de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Met zijn grief 2, weergegeven in rov. 6 van 's hofs beschikking, is de ambtenaar opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan na het verstrijken op 1 september 2006 van de termijn waarbinnen de vrouw nog cassatie kon instellen tegen de beslissing van het hof in de echtscheidingsprocedure. Hij heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat een tardief gebleken appel niet wegneemt dat de beschikking na afloop van de beroepstermijn in kracht van gewijsde is gegaan. In zijn verweerschrift(17) heeft de man, evenals in eerste aanleg, betoogd dat de echtscheidingsbeschikking eerst in kracht van gewijsde is gegaan na het verstrijken van de aan 's hofs beslissing verbonden cassatietermijn. Het hof heeft vervolgens - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, is wanneer(18) de echtscheidingsbeschikking van 12 december 2005 in kracht van gewijsde is gegaan (rov. 10). De rechtsstrijd in hoger beroep was derhalve beperkt tot de vraag op welk moment de echtscheidingsbeschikking kracht van gewijsde heeft verkregen, op welke vraag het hof - eveneens in cassatie onbestreden - heeft geantwoord in rov. 16. De man heeft in feitelijke instanties geen beroep gedaan op de hiervoor onder 3.3 weergegeven uitzonderingsregel. Voor zover het middel beoogt te klagen dat het hof verzuimd heeft die rechtsgrond met toepassing van art. 25 Rv ambtshalve bij te brengen, faalt de klacht omdat de man noch binnen het door de grieven ontsloten gebied, noch ook daarbuiten de feitelijke basis voor toepassing van de regel heeft aangevoerd.(19) Het middel geeft ook geen vindplaatsen in de gedingstukken. Hierop stuit het middel in zijn geheel af.

3.5 Voor het geval Uw Raad hierover anders zou oordelen, zal nader op het cassatiemiddel worden ingegaan.

3.6 In het middel ligt de stelling besloten dat (het hof tot het oordeel had moeten komen dat) sprake is van een geval waarin twijfel mogelijk was over de ontvankelijkheid van het appel als bedoeld in het arrest van Uw Raad van 6 januari 1961. Naar mijn mening moet het daarbij gaan om een objectief gerechtvaardigde twijfel. Het is vanuit een oogpunt van rechtszekerheid noodzakelijk noch wenselijk dat de inschrijvingstermijn zou worden verlengd voor situaties waarin - objectief gezien - van meet af aan duidelijk is dat een ingesteld beroep niet-ontvankelijk is, zoals bijvoorbeeld in het geval van een evident onverschoonbare termijnoverschrijding.

3.7 Naar het hof heeft vastgesteld, was het beroepschrift ingediend op 14 maart 2006, terwijl 13 maart 2006 de laatste dag van de wettelijke beroepstermijn was (rov. 14). Het is vaste rechtspraak dat in het belang van een goede rechtspleging beroepstermijnen strikt gehanteerd moeten worden. Afwijken van de wettelijke beroepstermijn kan in zijn algemeenheid niet worden aanvaard, aangezien het toelaten van overschrijdingen van die termijn in strijd zou komen met het belang van de wederpartij (c.q. andere betrokkenen), dat terstond na het verstrijken van de termijn komt vast te staan of de gegeven beslissing al dan niet in kracht van gewijsde is gegaan. Tot de beschikking van Uw Raad van 28 november 2003 werd een te laat ingediend beroep - ondanks eventuele fouten van het rechterlijke apparaat - niet-ontvankelijk verklaard. Wel werd aanvaard dat onder omstandigheden aan de appellant wordt toegestaan om, in afwijking van de wettelijke regeling pas later in een aanvullend verzoekschrift de gronden van het beroep te ontwikkelen.(20) In de beschikking van 28 november 2003(21) aanvaardde Uw Raad een uitzondering op de regel dat een niet tijdig ingediend beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Die uitzondering is gerechtvaardigd indien degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. In een zodanig geval moet de beroepstermijn verlengd worden. Met gevallen als zojuist bedoeld moet op één lijn worden gesteld het geval waarin de griffie de beschikking nog wel binnen de beroepstermijn, maar zo laat heeft verzonden of verstrekt dat daartegen binnen die termijn redelijkerwijs zelfs niet meer een beroepschrift kan worden ingediend waarin de gronden voor het beroep niet zijn opgenomen. Uit latere rechtspraak van Uw Raad blijkt dat de strikte hantering van beroepstermijnen nog steeds hoofdregel is en een verlenging van de wettelijke beroepstermijn alleen gerechtvaardigd wordt geacht in de in de beschikking van 28 november 2003 benoemde situaties.(22) Een dergelijke situatie deed zich in casu niet voor: de beschikking was op 15 december 2005 verstrekt. In zoverre was er objectief bezien geen reden om te twijfelen aan de niet-ontvankelijkheid van het te laat ingestelde appel.

3.8 Ook overigens zou het hof aan de hand van de gedingstukken niet tot objectief gerechtvaardigde twijfel omtrent de niet-ontvankelijkheid van het beroep hebben moeten concluderen. Ten betoge dat het appel ondanks het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn ontvankelijk was heeft de vrouw aangevoerd(23), samengevat, dat a) de rechtbank op 12 december 2005 uitspraak heeft gedaan zonder partijen daarvan op de hoogte te stellen, zodat de datum van afgifte van de beschikking (15 december 2005) als ingangsdatum van de beroepstermijn heeft te gelden, b) de griffier de beschikking eerst heeft ondertekend op 15 december 2005, zodat de beschikking toen pas rechtskracht heeft verkregen, en c) de rechtbank in strijd met het bepaalde in art. 805 lid 2 Rv verzuimd heeft te vermelden binnen welke termijn hoger beroep kan worden ingesteld, ìn welk verband zij wijst op de uitzondering als bedoeld in HR 28 november 2003, NJ 2005, 465. Dat er volgens het hof in zijn beschikking van 31 mei 2006(24) geen twijfel over de niet-ontvankelijkheid van het appel kon bestaan, blijkt uit de wijze waarop de stellingen a) en b) worden verworpen:

"Uit niets blijkt dat indien partijen niet van een aanhouding van de uitspraakdatum door een rechterlijke instantie op de hoogte worden gesteld, dat tot gevolg heeft dat de beroepstermijn pas ingaat op het moment van de afgifte van de uitspraak.", en

"Voorts is het hof van oordeel dat uit artikel 230 lid 3 Rv, noch anderszins uit de wet blijkt, dat een beschikking pas rechtskracht krijgt als deze door zowel de rechter als door de griffier is ondertekend."

Ten aanzien van stelling c) stelt het hof eveneens vast dat de wet aan het achterwege laten van de bedoelde vermelding geen gevolgen verbindt; voorts geldt, als opgemerkt, dat de in de beschikking van 28 november 2003 omschreven omstandigheden zich in casu niet voordeden.

3.9Uit het vorenstaande volgt dat ook de motiveringsklacht faalt.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van het gerechtshof 's-Gravenhage van 10 december 2008, p.2, i.v.m. de beschikking van de rechtbank van 10 september 2007, onder "Feiten".

2 Volgens weergave van de rechtbank op p. 2 van de beschikking. Zie ook inleidend verzoekschrift, p. 4 en pleitnotities mr Alkemade d.d. 16 juli 2007, p. 2 onderaan.

3 Het verzoekschrift tot cassatie is op 10 maart 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

4 Zie over de inschrijving in het algemeen Asser-De Boer (2006), nrs. 661-662; Personen- en familierecht (Wortmann), art. 163, aant. 1-2, en P. Dorhout, Inschrijving van een echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, FJR 2003, p. 222 e.v. (waarbij zij aangetekend dat het in voetnoot 3 genoemde art. 52 aanhef en onder c Besluit Burgerlijke Stand is vervallen, zie Besluit Burgerlijke Stand 1994).

5 Vgl. o.m. HR 15 juli 1986, LJN AC4267, NJ 1987, 933 m.nt. WHH en HR 8 oktober 1976, LJN AC0522, NJ 1977, 284 m.nt. E.A.A.L.

6 De beschikking gaat eveneens in kracht van gewijsde indien partijen uitdrukkelijk berusten, zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht (2009), nrs. 121 en 183; Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 60; A. Heida e.a., Echtscheidingsrecht (2007) p. 56-58. Dit geval blijft hier verder buiten bespreking.

7 Art. 52 aanhef en sub c Besluit burgerlijke stand (oud).

8 Aldus Toelichting bij het Besluit burgerlijke stand 1994, Stb. 1994, 160, p. 29. Zie over de noodzaak van een griffiersverklaring ook T&C Rv (Nauta), 2010, art. 820, aant. 5, 6; Personen- en familierecht (Wortmann), art. 163, aant. 2; Wortmann/Van Duijvendijk, Compendium van het personen- en familierecht (2009), nr. 104; Hugenholtz/Heemkerk (2009), nr. 183; Vlaardingerbroek e.a. Het hedendaagse personen- en familierecht (2008), p. 175; Heida e.a., Echtscheidingsrecht (2007), p. 58 en P. Dorhout, FJR 2003, p. 222 e.v..

9 MvT, TK 1990-1991, 21 881, nr. 3, p. 7. Eerder was, met het oog op de positie van de griffier, een bepaling voorgesteld volgens welke, op straffe van niet-ontvankelijkheid, aantekening van het beroep moest worden verzocht in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv. De griffier zou dientengevolge slechts hebben te onderzoeken of er binnen de wettelijke termijn blijkens het door hem gehouden register een rechtsmiddel is aangewend. Zie MvT, TK 1985-1986, 19 242, nr. 3, p. 21-22.

10 Zie art. 6 Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken (geldend van 1 juli 2006 tot 1 maart 2008) en art. 2.6.3 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (vanaf 1 maart 2008).

11 HR 8 oktober 1976, LJN AC0522, NJ 1977, 284 m.nt. EAAL.

12 HR 3 maart 1961, NJ 1963, 151.

13 Zie ook Veegens in zijn noot onder HR 6 januari 1961, NJ 1963, 150.

14 HR 15 juli 1986, LJN AC4267, NJ 1987, 933 m.nt. WHH.

15 Vgl. Asser/De Boer (2006), nr. 662.

16 Vgl. Haardt in zijn noot onder Hof Amsterdam 4 juni 1974, LJN AB6850, NJ 1975, 11.

17 Zie met name verweerschrift in appel, p. 3. Zie ook pleitnotities mr Alkemade d.d. 31 oktober 2008, p. 1 en proces-verbaal d.d. 31 oktober 2008, p. 2.

18 De beschikking vermeldt kennelijk abusievelijk: of.

19 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 133, 137.

20 Zie conclusie A-G Spier voor HR 13 oktober 1989, LJN AD0943, NJ 1990, 495 m.nt. JBMV en de daar aangehaalde jurisprudentie. Zie voorts Snijders/Wendels, Civiel appel (2009) nrs. 43, 45, 331 en 333; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nrs. 39, 40; en de noot van F.J.H. Hovens bij HR 10 juni 2005, LJN AT1097, JBPr 2005, 64.

21 HR 28 november 2003, LJN AN8489, NJ 2005, 465, m.nt. W.D.H. Asser. Zie ook JBPr 2004, 17 m.nt. E. Gras.

22 Zie bijv. HR 10 juni 2005, LJN AT1097, NJ 2005, 372 en HR 31 maart 2006, LJN AV3387, NJ 2006, 232. Zie voorts Snijders/Wendels, Civiel appel (2009), nr. 43.

23 Zie ook de pleitnotities van mr Kaouass d.d. 3 mei 2006, overgelegd als prod. 2 bij inleidend verzoekschrift.

24 Overgelegd als prod. 3 bij inleidend verzoekschrift.