Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN0581

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
09/04709
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1699
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN0581
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen responsieplichtig verweer. De klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een verweer in de zaak van een medeverdachte bij welk verweer verdachte zich heeft aangesloten, faalt op de in de conclusie van de AG vermelde gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04709

Mr Jörg

Zitting 6 juli 2010

Conclusie inzake:

[verzoeker]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 3 juli 2009 wegens a. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en b. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot 33 maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de teruggave gelast aan verzoeker van het in beslag genomen voorwerp, een en ander zoals in het arrest staat vermeld.(1)

2. Namens verzoeker heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het door de verdediging primair gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer en subsidiair gedane verzoek om verwijzing naar een rechtbank.

4. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 14 januari 2009 is namens medeverdachte [WH] door zijn raadsman, mr. Franken, primair een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd en subsidiair een verzoek gedaan om verwijzing naar een rechtbank. Door de toenmalige raadsman van verzoeker, mr. Van der Werf, die tijdens die terechtzitting tevens waarnam voor de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 2], is medegedeeld dat hij zich namens verzoeker en [medeverdachte 2] aansloot bij het primaire verweer en het subsidiaire verzoek van mr. Franken. De voorzitter van het hof heeft toen aldaar medegedeeld dat het hof op de terechtzitting van 16 januari 2009 zou beslissen op bedoeld verweer en verzoek.

5. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"(...)

De voorzitter deelt het volgende mede als beslissing van het hof op enkele door de verdediging in de zaken tegen de verdachten [WH], [verzoeker] en [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 14 januari 2009 gedane verweren en verzoeken.

Niet-ontvankelijkheidsverweer/verzoek om verwijzing naar een rechtbank

Ter terechtzitting van 14 januari 2009 heeft de raadsman van de verdachte [WH], mr. Franken, verzocht reeds in dit stadium van de procedure in hoger beroep te oordelen over een verweer dat inhoudt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard.

Al eerder tijdens de procedure in hoger beroep, op 28 augustus 2008, heeft de raadsman een verweer met dezelfde strekking gevoerd en dat verweer is op 19 september 2008 verworpen. Over één van de drie gronden waarop het verweer toen was gebaseerd, beschikt de raadsman thans over nieuwe gegevens die, volgens hem, aanleiding moeten geven tot heroverweging.

In de eerste aanleg heeft een strafkamer van de rechtbank Haarlem de zaak tegen [WH] beoordeeld en die beoordeling heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank van 21 december 2007 waartegen nu het hoger beroep bij dit hof dient.

Enkele maanden na dat vonnis heeft een journalist met de voorzitter van die strafkamer gesproken en vervolgens is in De Telegraaf van 21 juni 2008 een aantal aan die voorzitter toegeschreven uitlatingen gepubliceerd. Op een klacht van de raadsman bij het bestuur van de rechtbank heeft dit bestuur gereageerd bij brief van 6 augustus 2008.

De raadsman heeft onlangs de beschikking gekregen over een e-mail die deze journalist kort vóór de publicatie had gestuurd aan de president van de rechtbank en de strafkamervoorzitter, en de antwoord-e-mail van de president, beide van 18 juni 2008. Volgens de raadsman strookt de inhoud van de brief van 6 augustus 2008 niet met de inhoud van de e-mail van de president.

Het hof is bij zijn beslissing van 19 september 2008 ervan uitgegaan dat de strafkamervoorzitter bepaalde aan hem toegeschreven uitlatingen uitdrukkelijk heeft ontkend. De raadsman leidt uit de e-mail van de president af dat dit uitgangspunt niet langer houdbaar is. De raadsman heeft betoogd dat thans blijkt dat de publicatie overeenkomstig de uitlatingen van de strafkamervoorzitter van de rechtbank is en dat daaruit volgt dat de rechtbank in de eerste aanleg niet onpartijdig was.

De raadsman heeft meegedeeld dat aan de president van de rechtbank zal worden gevraagd de discrepantie toe te lichten die er - volgens de raadsman - bestaat tussen de brief van 6 augustus 2008 en de e-mail van 18 juni 2008.

De raadsman heeft primair verzocht het al eerder gevoerde verweer op de aldus aangevulde grondslag alsnog te honoreren en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging te verklaren. Voor het geval dat dit verweer wordt verworpen, heeft hij subsidiair verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv te verwijzen naar een rechtbank. Hij wenst dat de zaak opnieuw in de eerste aanleg zal worden behandeld, en wel door een andere rechtbank dan de rechtbank Haarlem.

Namens de verdachten [verzoeker] en [medeverdachte 2] heeft mr. Van der Werf zich aangesloten bij dit verzoek.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat het bij één of meer van de leden van de rechtbank heeft ontbroken aan onpartijdigheid ten tijde van de procedure in de eerste aanleg en gevorderd dat het primaire verweer en het subsidiaire verzoek zal worden verworpen onderscheidenlijk afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Aan het al eerder gevoerde verweer wordt nu een nieuwe omstandigheid ten grondslag gelegd. Het debat daarover kan echter nog niet rijp worden geacht. Daarbij is mede van belang dat mr. Franken heeft aangekondigd dat hij de president van de rechtbank nog zal vragen de door hem ontwaarde discrepantie toe te lichten. Bij deze stand van zaken ligt het voor de hand dat dit verweer eerst na afloop van het onderzoek ter terechtzitting, bij het eindarrest in hoger beroep, zal worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat op het primaire verweer en het subsidiaire verzoek nu niet wordt beslist.(...)"

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 februari 2009 is wederom namens medeverdachte [WH] door mr. Franken een verzoek gedaan om verwijzing naar een rechtbank. Op die terechtzitting is door de opvolgende raadsman van verzoeker, mr. Van Kleef, medegedeeld dat hij zich namens verzoeker aansloot bij het verzoek van mr. Franken. De voorzitter van het hof heeft toen aldaar medegedeeld dat het hof op de terechtzitting van 6 februari 2009 zou beslissen op bedoeld verzoek.

7. Het proces-verbaal terechtzitting d.d. 6 februari 2009 houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"(...)

De voorzitter deelt mede dat het hof heden uitspraak zal doen op een door de verdediging in de zaak tegen de verdachte [WH] ter terechtzitting van 4 februari 2009 gedaan verzoek, bij welk verzoek mr. Van Kleef in de zaak tegen de verdachte [verzoeker] zich op voornoemde terechtzitting heeft aangesloten.

Verzoek om verwijzing naar een rechtbank

Ter terechtzitting van 4 februari 2009 heeft de raadsman van de verdachte [WH], mr. Franken, verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv te verwijzen naar een rechtbank. Hij wenst dat de zaak opnieuw in de eerste aanleg wordt behandeld, en wel door een andere rechtbank dan de rechtbank Haarlem.

Al eerder tijdens de procedure in hoger beroep, op 14 januari 2009, heeft de raadsman - toen subsidiair - dit verzoek gedaan. Op 16 januari 2009 heeft het hof geoordeeld dat op dit verzoek eerst bij eindarrest zou worden beslist.

De raadsman heeft betoogd dat er op grond van inmiddels tussen hem en de president van de rechtbank Haarlem gevoerde correspondentie aanleiding is bedoelde beslissing niet uit te stellen tot het eindarrest en reeds thans op het verzoek te beslissen. Die correspondentie betreft een brief van mr. Franken van 20 januari 2009 en een antwoordbrief van de president van 26 januari 2009, die in kopie aan het hof zijn overgelegd.

De raadsman van de verdachte [verzoeker], mr. Van Kleef, heeft zich bij dit verzoek aangesloten.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat het herhaalde verweer gereed ligt voor afwijzing en heeft het hof geadviseerd op dit verweer niet eerst bij het eindarrest maar reeds thans te beslissen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de evengenoemde brieven van 20 en 26 januari 2009. Die inhoud is niet van dien aard dat het hof thans anders oordeelt dan op 16 januari 2009. Dat brengt mee dat het hof blijft bij de beslissing dat het verzoek tot verwijzing van de zaken naar een rechtbank eerst na afloop van het onderzoek ter terechtzitting, bij het eindarrest in hoger beroep, zal worden beoordeeld. Het verzoek reeds thans op dit verzoek te beslissen wordt derhalve afgewezen.(...)"

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 mei 2009 is namens medeverdachte [WH] door mr. Franken medegedeeld dat het eerder primair gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer wordt ingetrokken. Het eindarrest in de zaak tegen medeverdachte [WH] bevat een beslissing van het hof op het subsidiair gedane verzoek om verwijzing naar een rechtbank.(2)

9. Het eindarrest in de zaak tegen verzoeker bevat daarentegen geen beslissing van het hof op het in het middel bedoelde verweer respectievelijk verzoek. Volgens de steller van het middel heeft dit verzuim nietigheid tot gevolg.

10. Aangezien een beslissing ontbreekt op hetgeen namens verzoeker ter terechtzitting door zijn raadsman is medegedeeld, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof deze mededeling, inhoudende dat hij zich namens verzoeker aansloot bij hetgeen namens medeverdachte [WH] is aangevoerd, kennelijk niet heeft opgevat als een responsieplichtig verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv onderscheidenlijk verzoek in de zin van 328 Sv. Die aan de feitenrechter toegeschreven uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(3)

11. Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig 'verweer' dan wel 'verzoek' dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen respectievelijk gedaan.(4) Een verweer of verzoek in de zin van voornoemde bepalingen moet stellig, duidelijk en (voldoende) onderbouwd zijn. De enkele mededeling van de raadsman dat hij zich namens verzoeker aansloot bij het door een andere raadsman namens medeverdachte [WH] gevoerde verweer onderscheidenlijk gedane verzoek voldoet niet aan die eis.

12. Bovendien dient een dergelijk verweer of verzoek betrekking te hebben op en relevant te zijn voor de aan de orde zijnde zaak. Hetgeen namens medeverdachte [WH] is aangevoerd had enkel betrekking op diens zaak en betrof de gestelde partijdigheid van de rechtbank jegens hèm. Het had op zijn minst op de weg van de raadsman van verzoeker gelegen dat hij zelf had onderbouwd waarom datgene wat namens medeverdachte [WH] is aangevoerd ook enige relevantie had voor verzoekers zaak.

13. Het (stilzwijgend) oordeel van het hof dat het aangevoerde niet een responsieplichtig verweer dan wel verzoek oplevert, is - in het licht van hetgeen namens verzoeker is medegedeeld - niet onbegrijpelijk, zodat geen sprake is van een met nietigheid bedreigd verzuim.

14. Het eerste middel faalt.

15. Het tweede middel klaagt dat het hof bij zijn afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van officier van Justitie mr. J. Plooij als getuige een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

16. Bij de stukken van het geding bevinden zich:

- een appèlschriftuur ex art. 410 Sv van de toenmalige raadsvrouw van verzoeker, mr. Van der Meer, van 15 januari 2008, inhoudende voor zover van belang:

"(...)

3. Appellant heeft slechts kennis kunnen nemen van een verkort vonnis zodat de door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen hem thans onbekend zijn.

4. Appellant wenst vooralsnog in hoger beroep de navolgende getuigen te horen:

(volgt een lijst van getuigen en medeverdachten, NJ)

(...)

5. Het horen van deze getuigen en medeverdachten dient de toetsing van hun betrouwbaarheid in hoger beroep.

6. Voorts heeft de verdediging (onder meer) de volgende onderzoekswensen in hoger beroep:

(volgt een lijst van onderzoekswensen, NJ)

(...)

7. Na kennisname van het volledige vonnis en de bewijsmiddelen zal appellant zonodig zijn getuigenopgave nader motiveren en aanpassen.(...)"

- een brief van de voorzitter van het hof van 23 juni 2008 aan mr. Van der Meer, inhoudende voor zover van belang:

"(...)

In de zaak van het OM tegen uw cliënt [verzoeker] zal (...) op 28 augustus 2008 een regiezitting plaatsvinden, met een uitloopmogelijkheid op 29 augustus 2008 (...).(...)

Ter wille van een doelmatig verloop van de regiezitting zal deze voorafgegaan worden door een schriftelijke voorbereiding. Zowel de verdediging als het openbaar ministerie wordt in de gelegenheid gesteld eerst haar/zijn wensen kenbaar te maken en vervolgens op elkaars wensen te reageren. Ter regiezitting kunnen eventuele verzoeken/vorderingen mondeling nader worden toegelicht.

Het hof verzoekt de verdediging en het openbaar ministerie uiterlijk op 31 juli 2008 bij schriftuur eventuele onderzoekswensen en andere wensen omtrent de verdere behandeling van de zaak in hoger beroep ter strafgriffie van het gerechtshof in de dienen, met afschrift aan de wederpartij.

Het openbaar ministerie en de verdediging wordt verzocht vervolgens uiterlijk op 14 augustus 2008 bij schriftuur een reactie op elkaars wensen ter strafgriffie in te dienen, met afschrift aan de wederpartij.

Met het oog op een voortvarende behandeling van verzoeken/vorderingen wordt u tevens verzocht:

- de redengeving en onderbouwing te voorzien van exacte vindplaatsen in het dossier;

- bij getuigen en deskundigen de juiste personalia en adresgegevens te vermelden;

- bij getuigen en deskundigen die in eerste aanleg of bij de rechter-commissaris reeds zijn gehoord, tevens de exacte vindplaats in het dossier op te geven.(...)"

- een brief van mr. Van der Meer van 11 juli 2008 aan de voorzitter van het hof, met afschrift aan de advocaat-generaal bij het hof, inhoudende voor zover van belang:

"(...)

In reactie op uw brief van 23 juni 2008 bericht ik u dat de verdediging van [verzoeker] voor de behandeling van het hoger beroep in beginsel de navolgende onderzoekswensen heeft.

1. Benoeming van een deskundige, bij voorkeur Prof. W.A. Wagenaar,(...) teneinde een drietal onderzoeken te verrichten op de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen;

- onderzoek ter beantwoording van de vraag of de herinnering van getuigen beïnvloed is door hetgeen van anderen is opgevangen en/of door hetgeen in de media naar voren is gebracht en/of anderszins tot stand is gekomen zonder dat dit is voortgekomen uit eigen wetenschap. En meer in het bijzonder of de verklaringen zijn afgelegd onder invloed van het proces van 'collaborative story telling'.(...) Het betrouwbaarheidsonderzoek dient primair toegespitst te zijn op de volgende getuigenverklaringen:

(volgt de vermelding van verklaringen van een aantal getuigen worden genoemd, NJ)

(...)

2. Het horen van de getuigen zoals omschreven in de appèlschriftuur onder punt 4.

(volgt de opsomming van een aantal getuigen, NJ)

(...)

Met verwijzing naar de door de verdediging ingediende appèlschriftuur acht de verdediging het hangende het betrouwbaarheidsonderzoek door een deskundige niet in het belang van de verdediging de daarin opgegeven getuigen te doen horen. De conclusie van het betrouwbaarheidsonderzoek kan echter nopen tot een nadere opgave van de getuigen zoals reeds opgegeven bij appèlschriftuur.(...)"

- een faxbericht van de opvolgende raadsman van verzoeker, mr. Van Kleef, van 27 augustus 2008 aan de advocaat-generaal bij het hof, met afschrift aan de voorzitter van het hof, inhoudende voor zover van belang:

"(...)

In deze zaak had ik reeds telefonisch contact met uw ambtgenote en schreef ik ook de voorzitter aan (zoals u bekend). In aansluiting op die brief kan ik u mededelen dat ik nu reeds kan vaststellen dat de verdediging in hoger beroep in ieder geval nog zou willen horen [B]. Ook zal ik verzoeken de leider van het onderzoek te mogen horen.(...)"

17. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 augustus 2008 houdt onder meer het volgende in:

"(...)

onderzoekswensen verdediging

De voorzitter deelt het volgende mede.

De raadslieden wordt achtereenvolgens de mogelijkheid geboden hun onderzoekswensen nader toe te lichten en in verband daarmee verzoeken ter terechtzitting te doen. Hierna zal het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld worden op alle verzoeken te reageren.

In een aantal zaken waarin door de verdachte hoger beroep is ingesteld, is door de verdediging een appèlschriftuur ingediend en in enkele gevallen zijn in de appèlschriftuur méér onderzoekswensen omschreven, of onderzoekswensen anders omschreven, dan in de nadere brieven die kort vóór deze regiezitting zijn ingezonden. Het hof gaat er in die gevallen van uit dat, tenzij uitdrukkelijk anders blijkt, nog slechts de onderzoekswensen zoals in die nadere brieven omschreven aan de orde zijn.

(...)

Mr. Van Kleef licht zijn onderzoekswensen nader toe en doet in verband daarmee verzoeken aan de hand van zijn pleitnotities die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.(5)

In aanvulling op zijn pleitnota verklaart de raadsman - zakelijk weergegeven - :

Een aantal wensen van de voormalige raadsvrouw van de verdachte neem ik, al dan niet gedeeltelijk, over, ten aanzien van een aantal andere zal ik geen verzoek doen.

(...)

Ten aanzien van mijn wens onder 5b tot het horen van de 'leider van het onderzoek', doel ik op de verbalisant die in het Kolbakonderzoek verantwoordelijk was voor de contacten met [B].

(...)

De voorzitter deelt mede dat de verdediging en het openbaar ministerie, naar het oordeel van het hof, mede gelet op de schriftelijke voorronde voldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun vorderingen/verzoeken toe te lichten en dat het hof slechts mr. Van Kleef nog toestaat het woord te voeren naar aanleiding van de reactie van het openbaar ministerie, nu hij pas onlangs de verdediging van de verdachte [verzoeker] heeft overgenomen.

(...)

Mr. Van Kleef voert het woord en deelt het volgende mede - zakelijk weergegeven - :

De officier van justitie die in dezelfde strafzaak als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie is opgetreden, kan volgens de Hoge Raad, indien hij ook bij de voorfase betrokken is geweest, als getuige worden gehoord omtrent hetgeen hij daarbij zelf heeft waargenomen. De verdediging wil mr. Plooij vragen stellen over de toetsing van getuige A en heeft daarbij een redelijk belang.(...)"

18. De door de verdediging op de terechtzitting van 29 augustus 2008 aan het hof overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:

"(...)

5)a. De officier van justitie mr. Plooij

b. De leider van het onderzoek

Naar aanleiding van het door mij gememoreerde p-v van verhoor van [B] d.d. 27 augustus 2007 ontspon zich op de zitting van de rechtbank d.d. 24 september 2007 een discussie omtrent de veronderstelde wetenschap bij de officier van justitie van het afleggen van een verklaring door [B] al op 3 november 2005.

De officier gaf aan dat deze getuige door een ander parket in een andere zaak was gehoord. Verder was het standpunt dat het Amsterdamse parket deze verklaring pas in augustus 2007 verstrekt werd en dat eerdere verstrekking i.v.m. enig onderzoeksbelang kennelijk niet mogelijk was.(pv ttz p. 2)

De rechtbank maakt zich er in mijn optiek nogal gemakkelijk vanaf (pv ttz p. 3) door te beslissen dat het voor haar overtuigend uiteengezet is dat de zaaksofficier van justitie de verklaring van 27 augustus 2005 bij het starten van de 226a Sv procedure niet kende: 'Het is zelfs logisch dat die verklaring niet in het Kolbak dossier is gevoegd, omdat de verklaring in een andere zaak is afgelegd'. De rechtbank vervolgt: 'Denkbaar zou zijn geweest dat de officier van justitie bij zijn ambtgenoot had geïnformeerd of er verklaringen waren afgelegd in het moordonderzoek die voor het afpersingsonderzoek van belang kon[den] zijn. Dat dat niet is gebeurd leidt echter niet tot de vaststelling dat de belangen van de verdediging bewust etc etc etc'.

Edelgrootachtbaar college.

Mr. Plooij geldt als een van de meest eminente vertegenwoordigers van het Landelijk Parket. [B] dient zich bij hem c.q. het opsporingsteam aan als -anonieme- getuige. In de pers was al verschenen dat [K] welhaast in de armen van zijn echtgenote is overleden.

Ik moet u bekennen dat het noch voor cliënt noch voor mij begrijpelijk is dat mr. Plooij niet aan de getuige heeft gevraagd of doen vragen met welke justitieambtenaren [B] inmiddels had gesproken. Dat deze getuige onmiddellijk na de aanslag op haar man omgeven was door opsporingsambtenaren was voor een ieder duidelijk.

Art. 226a Sv gaat uit van een toetsing van de anonieme getuige in spé. Dien ik te geloven dat geen van de betreffende politieambtenaren of officieren van justitie gevraagd heeft aan [B] over eerdere contacten, gesprekken of verklaringen bij de politie?

Cliënt heeft voorlopig gehecht gezeten mede op de verklaring van de getuige A. Duidelijk moge zijn dat de verklaring van [B] d.d. 3 november 2005 voor cliënt niet als belastend kan worden gezien, terwijl ze in latere verklaringen cliënt wel degelijk belast.

Indien het bij het opsporingsteam of het OM bekend was dat cliënt op 3 november 2005 een verklaring had afgelegd zoals gedaan, dan is in de procedure ex art. 226 e.v. in mijn optiek de rechter-commissaris verkeerd voorgelicht en meen ik dat de verdediging een verweer ex art. 359a Sv heeft.

Maar zelfs indien aannemelijk zou kunnen worden gemaakt dat het OM had kunnen of moeten weten dat deze getuige eerder ontlastend had verklaard, meen ik dat een ex art. 359a Sv verweer kan worden gevoerd.

Het is daarom dat de verdediging mr. Plooij over de toetsing van de getuige A vragen wenst te stellen.

De leider van het onderzoek wenst de verdediging vragen te stellen over de contacten met [B] en de gesprekken die hebben geleid tot de presentatie van de getuige A, alsmede de procedure van toetsing van deze getuige.

(...)

10) prof. W. Wagenaar

De verdediging wenst het initiële verzoek te beperken. De verdediging heeft in een eerder stadium gesproken over het proces van 'collaborative story telling', een verschijnsel waarbij beïnvloeding van getuigen over en weer een 'eigen' waarheid kan doen ontstaan. Mijn voorgangster had contact met prof. Wagenaar die haar meedeelde over dit verschijnsel te kunnen rapporteren.

In de zaak tegen cliënt wordt een aantal bewijsmiddelen gepresenteerd waarbij het betreft mensen die elkaar kennen, elkaar veel spreken en dezelfde plaatsen frequenteren.

Ik gaf al aan dat de verdediging wenst te onderzoeken [in hoeverre de] verklaringen uiteindelijk zijn terug te brengen naar vooral een bron.

Mijn verzoek zou zijn om prof. Wagenaar te vragen te rapporteren omtrent het verschijnsel 'collaborative story telling' in zijn algemeenheid.

Een tweede verzoek is of Wagenaar zich kan uitlaten over de mogelijkheid tot het doen van valide uitspraken ter zake, indien hij kennis zou krijgen van de verklaringen in de zaak van cliënt.(...)"

19. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 september 2008 houdt onder meer het volgende in:

"(...)

De voorzitter deelt mede dat het hof heden uitspraak zal doen op de (...) verzoeken van de verdediging (...) gedaan op de terechtzittingen van 28 en 29 augustus 2008.

(...)

Verzoeken van de verdachte [verzoeker]

Verzoeken betreffende getuigen

(...)

24. De verzoeken tot het horen van de getuigen mr. Plooij, de leider van het onderzoek c.q. de verbalisant die verantwoordelijk was voor de contacten met [B] (...) worden afgewezen gelet op de hierna te vermelden redenen.

Plooij

Ten aanzien van de door de raadsman opgeworpen vraagpunten, te weten de toetsingsprocedure ten aanzien van de destijds anonieme getuige A, is het in beginsel aan de advocaten-generaal die vraagpunten te beantwoorden. Zo nodig zal mr. Plooij op eventueel overblijvende vragen van de verdediging bij proces-verbaal antwoord kunnen geven. De noodzaak van het verzochte is in dit licht niet gebleken.

Leider onderzoek c.q. verbalisant verantwoordelijk voor contacten [B] in afpersingszaak

De raadsman heeft in dit verband vraagpunten opgeworpen met betrekking tot de toetsingsprocedure ten aanzien van de destijds anonieme getuige A, alsmede de contacten met [B] en de gesprekken die hebben geleid tot de presentatie van de getuige A.

In beginsel is het aan de advocaten-generaal zich ten aanzien van het handelen van de politie en het openbaar ministerie op dit punt uit te laten en zich te verantwoorden. Zo nodig zal op eventueel overblijvende vragen van de verdediging bij proces-verbaal antwoord kunnen worden gegeven. De noodzaak van het verzochte is in dit licht niet gebleken.

(...)

Overige verzoeken

(...)

26. Onderzoek professor Wagenaar

Het verzoek tot - kort gezegd - nader onderzoek door prof. dr. W.A. Wagenaar wordt afgewezen gelet op het navolgende.

In de appèlschriftuur heeft de toenmalige raadsvrouw, mr. Van der Meer, als wens te kennen gegeven dat door een deskundige onderzoek wordt gedaan naar de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van een aantal getuigen, onder wie ook [B]. Daarbij werd als doel van het onderzoek, wat betreft de andere getuigen dan [B], genoemd beantwoording van de vraag of de verklaringen van die andere getuigen tot stand zijn gekomen onder invloed van 'collaborative story telling'. In de brief van 11 juli 2008 van deze raadsvrouw is als bij voorkeur te benoemen deskundige prof. dr. W.A. Wagenaar genoemd en is het doel van het onderzoek nader omschreven.

Ter terechtzitting van 29 augustus 2008 heeft de nieuw aangetreden raadsman, mr. Van Kleef, het verzoek beperkt. Die beperking betreft allereerst het doel van het onderzoek. Beoogd wordt (1) dat professor Wagenaar zal worden gevraagd te rapporteren omtrent het verschijnsel 'collaborative story telling' in zijn algemeenheid en (2) dat professor Wagenaar zal worden gevraagd of hij zich kan uitlaten over de mogelijkheid tot het doen van valide uitspraken ter zake, indien hij kennis zou nemen van de verklaringen in de zaak tegen [verzoeker]. Daarbij noemt de raadsman de omstandigheid dat een aantal van de in die zaak gepresenteerde bewijsmiddelen bestaat uit verklaringen van personen die elkaar kennen, elkaar veel spreken en dezelfde plaatsen frequenteren. De raadsman meldt dat hij wenst te onderzoeken in hoeverre de verklaringen van deze personen uiteindelijk teruggaan op vooral één bron, waarbij hij kennelijk [B] als die bron aanmerkt.

Het hof stelt vooreerst vast dat de verdediging niet langer voor ogen staat een onderzoek door de deskundige, dat gericht is op de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [B] zelf (...).(...) In zoverre is het aanvankelijke verzoek dus niet meer aan de orde.

Over het thans nog voorliggende verzoek heeft het openbaar ministerie het volgende naar voren gebracht. Bij zijn brief van 19 augustus 2008 wijst het erop dat niet is vermeld dat professor Wagenaar in staat is, en bereid is, een onderzoek, als door de verdediging beoogd, te verrichten en hoe lang een dergelijk onderzoek zou duren. Ter terechtzitting van 29 augustus 2008 heeft het openbaar ministerie daaraan toegevoegd dat het de noodzaak niet ziet van een rapportage van de deskundige over 'collaborative story telling', nu dat verschijnsel beschreven is in rechtspsychologische literatuur waarvan een ieder kan kennis nemen.

Het hof oordeelt over het thans nog voorliggend verzoek als volgt.

Een rapportage van professor Wagenaar omtrent het verschijnsel 'collaborative story telling' in zijn algemeenheid is in deze zaak geenszins noodzakelijk. Terecht is niet betoogd dat het hier zou gaan om een verschijnsel dat pas recent onderkend is; ook is niet betoogd dat er nieuwe, in deze zaak mogelijk relevante, aspecten van dit verschijnsel aan het licht zijn gebracht binnen de psychologische functieleer of binnen enig ander vakgebied waarop professor Wagenaar deskundig is.

Het verzoek om professor Wagenaar te vragen of hij zich kan uitlaten over de mogelijkheid tot het doen van valide uitspraken ter zake, indien hij kennis zou nemen van de verklaringen in de zaak tegen [verzoeker], zal gelet op de door de raadsman gegeven toelichting aldus moeten worden verstaan: dat het verzoek ertoe strekt dat genoemde hoogleraar wordt gevraagd vanuit zijn deskundigheid te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre, de als bewijsmiddelen in de zaak tegen [verzoeker] gepresenteerde verklaringen van personen die elkaar kennen, elkaar veel spreken en dezelfde plaatsen frequenteren, uiteindelijk teruggaan op vooral één bron, te weten [B].

Daargelaten dat de getuigen die in de zaak tegen [verzoeker] zijn gehoord, veelal reeds hebben verklaard over de bron van hun wetenschap, is het hof van oordeel dat onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen - waartoe tevens behoort onderzoek naar de vraag waarop de wetenschap van de getuige berust - door het hof zelf dient te worden verricht. Het gevraagde onderzoek is niet noodzakelijk.(...)"

20. Volgens de toelichting op het middel heeft de toenmalige raadsvrouw van verzoeker, mr. Van der Meer, door opname van de passages 3 en 7 in de appèlschriftuur kennelijk willen aangeven dat zij op dat moment nog niet voldoende informatie bezat om alle getuigen, die zij in het belang van de verdediging wenste te horen, concreet te kunnen duiden. Volgens de steller van het middel moet de appèlschriftuur daarom worden gelezen als bevattende een in algemene termen gestelde opgave van getuigen die later geconcretiseerd, gewijzigd en/of ingeperkt kon worden. In de brief van voornoemde raadsvrouw d.d. 11 juli 2008 heeft zij onder meer verzocht om de benoeming van een deskundige teneinde onderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van verklaringen van een aantal in die brief concreet opgegeven getuigen. Uit het feit dat de raadsvrouw kennelijk een niet-limitatieve opsomming van concrete getuigen heeft gegeven, blijkt op welke getuigenverklaringen het betrouwbaarheidsonderzoek zich 'primair' moest richten. De raadsvrouw heeft door opname van de slotpassage in voormelde brief voorwaardelijk gepersisteerd bij de algemene opgave van getuigen in de appèlschriftuur, aldus het middel. Op de terechtzitting d.d. 29 augustus 2008 heeft de opvolgende raadsman, mr. Van Kleef, het initiële verzoek tot benoeming van de deskundige beperkt en de algemene opgave van getuigen geconcretiseerd door het verzoek tot het horen van onder meer officier van Justitie mr. Plooij als getuige.

21. Volgens de steller van het middel kon het hof het tijdens de terechtzitting d.d. 29 augustus 2008 geconcretiseerde verzoek tot het horen van de niet verschenen getuige mr. Plooij slechts afwijzen op de gronden genoemd in art. 418, eerste lid, jº 288, eerste lid, Sv. Op de terechtzitting d.d. 19 september 2008 heeft het hof immers het 'primaire' verzoek tot de benoeming van de deskundige afgewezen, waardoor het voorwaardelijke bij appèlschriftuur gedane verzoek tot het horen van later te concretiseren getuigen bleef gehandhaafd. Nu het hof het verzoek tot het horen van getuige mr. Plooij heeft afgewezen omdat de noodzaak daarvan niet is gebleken, heeft het bij zijn beslissing een onjuiste maatstaf gehanteerd, aldus het middel.

22. Ingevolge art. 418, derde lid, Sv kan het hof, indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, de oproeping van een niet reeds bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige weigeren indien het horen ter terechtzitting (redelijkerwijs) niet noodzakelijk is te achten. Hoewel met de toepassing van voormelde bepaling in het algemeen aan het verdedigingsbelang niet tekort wordt gedaan, zal niettemin onder omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk kunnen worden gevergd dat hij een of meer getuigen reeds bij schriftuur opgeeft. In HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626, noemt de Hoge Raad enkele van deze omstandigheden:

"Daarvan zal in de regel sprake zijn indien bij de uitspraak in eerste aanleg is volstaan met een verkort vonnis en de aanvulling niet tijdig binnen de voor het indienen van de appelschriftuur gestelde termijn voor de verdachte beschikbaar is.

Ook kunnen zich gevallen voordoen waarin de - voorafgaand aan de uiterste datum voor de indiening van de appelschriftuur - (nog) niet van rechtsbijstand voorziene verdachte er redelijkerwijs geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de aan het niet opgeven van getuigen en deskundigen bij appelschriftuur verbonden consequenties. In dat verband komt betekenis toe aan de wijze waarop de verdachte door de justitiële autoriteiten is gewezen op zijn bevoegdheid tot indiening van de appelschriftuur en op de betekenis daarvan voor de beoordeling van de desbetreffende verzoeken.

Voorts kunnen zich gevallen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen en of deskundigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur (in welke gevallen ten aanzien van niet verschenen getuigen en/of deskundigen van het openbaar ministerie zonder meer het criterium geldt van art. 288, eerste lid onder c, Sv). In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het 'noodzakelijkheidscriterium' de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het 'verdedigingsbelang' zou worden bereikt."

23. In casu is verzoeker door de rechtbank te Haarlem bij verkort vonnis van 21 december 2007 veroordeeld. De van rechtsbijstand voorziene verzoeker heeft op 3 januari 2008 hoger beroep ingesteld en op 15 januari 2008 tijdig een appèlschriftuur ingediend. Weliswaar is de aanvulling op het verkorte vonnis pas op 2 juni 2008 geschied, zodat deze niet tijdig binnen de voor het indienen van de appèlschriftuur gestelde termijn voor de verdediging beschikbaar was, maar het hof heeft de verdediging bij brief van 23 juni 2008 verzocht uiterlijk op 31 juli 2008 bij schriftuur eventuele onderzoekswensen en andere wensen omtrent de verdere behandeling van de zaak in hoger beroep ter strafgriffie van het gerechtshof in de dienen. Dit betekent dat de verdediging nog bijna twee maanden de tijd heeft gehad om de aanvulling te bestuderen en onderzoekswensen te uiten. Van omstandigheden zoals hierboven genoemd door de Hoge Raad is in het onderhavige geval verder geen sprake.

24. Bij appèlschriftuur heeft de verdediging een lijst van te horen getuigen en onderzoekswensen opgegeven, waarin het verzoek tot het horen van getuige mr. Plooij niet is genoemd. Wel heeft de verdediging daarbij aangegeven dat zij na kennisname van het volledige vonnis en de bewijsmiddelen zonodig haar getuigenopgave nader zal motiveren en aanpassen. Bij brief van 11 juli 2008 heeft de verdediging twee onderzoekswensen geformuleerd, te weten: 1. de benoeming van de deskundige prof. dr. Wagenaar, en 2. het horen van de in de appèlschriftuur genoemde getuigen. Al zou de slotpassage van voormelde brief als een voorwaardelijk verzoek kunnen worden gelezen en al zou de voorwaarde zijn vervuld door 's hofs afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek door prof. dr. Wagenaar, dan staat nog steeds vast dat het geconcretiseerde verzoek tot het horen van mr. Plooij als getuige pas ter terechtzitting van 29 augustus 2008 door de verdediging is gedaan. Ondanks het feit dat de verdediging reeds vanaf 2 juni 2008 over de aanvulling op het verkorte vonnis kon beschikken en zij tot 31 juli 2008 de tijd had gehad om deze te bestuderen, heeft zij vóór laatstgenoemde datum noch bij appèlschriftuur noch bij brief de wens geuit dat mr. Plooij zou moeten worden gehoord.

25. Bovendien zie ik toch niet goed in welk verband er zou bestaan tussen enerzijds het 'primaire' verzoek tot de benoeming van deskundige prof. dr. Wagenaar om een betrouwbaarheidsonderzoek te verrichten naar een aantal getuigenverklaringen, welk verzoek door de opvolgende raadsman van verzoeker is beperkt en door het hof is afgewezen, en anderzijds het 'voorwaardelijk' verzoek tot het horen van officier van Justitie mr. Plooij als getuige om antwoord te krijgen op een aantal vragen over de toetsingsprocedure (van art. 226a Sv) ten aanzien van de destijds anonieme getuige A (later bekend onder de naam [B]). Blijkens 's hofs afwijzing van beide verzoeken heeft het hof daartussen evenmin een verband gelegd, hetgeen niet onbegrijpelijk is.

26. Nu de verdediging de oproeping van getuige mr. Plooij niet heeft opgegeven bij schriftuur noch bij brief binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn (noch bij faxbericht d.d. 27 augustus 2008 buiten deze termijn), en zij het desbetreffende verzoek pas op de terechtzitting van 29 augustus 2008 heeft gedaan, kon het hof deze oproeping weigeren op de grond genoemd in art. 418, derde lid, Sv. Door te oordelen dat "de noodzaak van het verzochte (...) niet [is] gebleken" heeft het hof bij zijn afwijzing derhalve de juiste maatstaf gehanteerd. Overigens heeft het hof daarbij de mogelijkheid opengelaten dat - indien nodig - mr. Plooij op eventueel overblijvende vragen van de verdediging bij proces-verbaal antwoord zou kunnen geven, zodat aan het verdedigingsbelang niet tekort is gedaan.

27. Ook het tweede middel faalt.

28. Beide voorgestelde middelen lenen zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

29. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met griffienummers 09/02603, 09/02710 en 09/02958 waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Zie het eveneens op 3 juli 2009 tegen [WH] gewezen arrest van het hof te Amsterdam (p. 11-16) en tevens mijn conclusie inzake [WH] (middel I).

3 Cf. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 185.

4 HR 3 januari 1984, LJN AB8233, NJ 1984, 443 en HR 30 juni 1998, LJN ZC8329, NJ 1999, 60.

5 Hierna zal ik de inhoud van deze pleitnota - voor zover van belang - weergeven.