Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BN0580

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
09/02958
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1698
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN0580
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen responsieplichtig verweer. De klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een verweer in de zaak van een medeverdachte bij welk verweer verdachte zich heeft aangesloten, faalt op de in de conclusie van de AG vermelde gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02958

Mr Jörg

Zitting 6 juli 2010

Conclusie inzake:

[verzoeker]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 3 juli 2009 wegens a. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, b. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, c. handelingen in strijd met art. 26, eerste lid, Wet Wapens en munitie, en d. handelen in strijd met art. 13, eerste lid, Wet wapens en munitie, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest staat vermeld.(1)

2. Namens verzoeker hebben mr. J. Kuijper en mr. M. Mulder, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het door de verdediging primair gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer en subsidiair gedane verzoek om verwijzing naar een rechtbank.

4. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 14 januari 2009 is namens medeverdachte [WH] door zijn raadsman, mr. Franken, primair een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd en subsidiair een verzoek gedaan om verwijzing naar een rechtbank. Door de toenmalige raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1], mr. Van der Werf, die tijdens die terechtzitting tevens waarnam voor de raadsman van verzoeker, is medegedeeld dat hij zich namens [medeverdachte 1] en verzoeker aansloot bij het primaire verweer en het subsidiaire verzoek van mr. Franken. De voorzitter van het hof heeft toen aldaar medegedeeld dat het hof op de terechtzitting van 16 januari 2009 zou beslissen op bedoeld verweer en verzoek.

5. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"(...)

De voorzitter deelt het volgende mede als beslissing van het hof op enkele door de verdediging in de zaken tegen de verdachten [WH], [medeverdachte 1] en [verzoeker] ter terechtzitting van 14 januari 2009 gedane verweren en verzoeken.

Niet-ontvankelijkheidsverweer/verzoek om verwijzing naar een rechtbank

Ter terechtzitting van 14 januari 2009 heeft de raadsman van de verdachte [WH], mr. Franken, verzocht reeds in dit stadium van de procedure in hoger beroep te oordelen over een verweer dat inhoudt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard.

Al eerder tijdens de procedure in hoger beroep, op 28 augustus 2008, heeft de raadsman een verweer met dezelfde strekking gevoerd en dat verweer is op 19 september 2008 verworpen. Over één van de drie gronden waarop het verweer toen was gebaseerd, beschikt de raadsman thans over nieuwe gegevens die, volgens hem, aanleiding moeten geven tot heroverweging.

In de eerste aanleg heeft een strafkamer van de rechtbank Haarlem de zaak tegen [WH] beoordeeld en die beoordeling heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank van 21 december 2007 waartegen nu het hoger beroep bij dit hof dient.

Enkele maanden na dat vonnis heeft een journalist met de voorzitter van die strafkamer gesproken en vervolgens is in De Telegraaf van 21 juni 2008 een aantal aan die voorzitter toegeschreven uitlatingen gepubliceerd. Op een klacht van de raadsman bij het bestuur van de rechtbank heeft dit bestuur gereageerd bij brief van 6 augustus 2008.

De raadsman heeft onlangs de beschikking gekregen over een e-mail die deze journalist kort vóór de publicatie had gestuurd aan de president van de rechtbank en de strafkamervoorzitter, en de antwoord-e-mail van de president, beide van 18 juni 2008. Volgens de raadsman strookt de inhoud van de brief van 6 augustus 2008 niet met de inhoud van de e-mail van de president.

Het hof is bij zijn beslissing van 19 september 2008 ervan uitgegaan dat de strafkamervoorzitter bepaalde aan hem toegeschreven uitlatingen uitdrukkelijk heeft ontkend. De raadsman leidt uit de e-mail van de president af dat dit uitgangspunt niet langer houdbaar is. De raadsman heeft betoogd dat thans blijkt dat de publicatie overeenkomstig de uitlatingen van de strafkamervoorzitter van de rechtbank is en dat daaruit volgt dat de rechtbank in de eerste aanleg niet onpartijdig was.

De raadsman heeft meegedeeld dat aan de president van de rechtbank zal worden gevraagd de discrepantie toe te lichten die er - volgens de raadsman - bestaat tussen de brief van 6 augustus 2008 en de e-mail van 18 juni 2008.

De raadsman heeft primair verzocht het al eerder gevoerde verweer op de aldus aangevulde grondslag alsnog te honoreren en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging te verklaren. Voor het geval dat dit verweer wordt verworpen, heeft hij subsidiair verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv te verwijzen naar een rechtbank. Hij wenst dat de zaak opnieuw in de eerste aanleg zal worden behandeld, en wel door een andere rechtbank dan de rechtbank Haarlem.

Namens de verdachten [medeverdachte 1] en [verzoeker] heeft mr. Van der Werf zich aangesloten bij dit verzoek.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat het bij één of meer van de leden van de rechtbank heeft ontbroken aan onpartijdigheid ten tijde van de procedure in de eerste aanleg en gevorderd dat het primaire verweer en het subsidiaire verzoek zal worden verworpen onderscheidenlijk afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Aan het al eerder gevoerde verweer wordt nu een nieuwe omstandigheid ten grondslag gelegd. Het debat daarover kan echter nog niet rijp worden geacht. Daarbij is mede van belang dat mr. Franken heeft aangekondigd dat hij de president van de rechtbank nog zal vragen de door hem ontwaarde discrepantie toe te lichten. Bij deze stand van zaken ligt het voor de hand dat dit verweer eerst na afloop van het onderzoek ter terechtzitting, bij het eindarrest in hoger beroep, zal worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat op het primaire verweer en het subsidiaire verzoek nu niet wordt beslist.(...)"

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 februari 2009 is wederom namens medeverdachte [WH] door mr. Franken een verzoek gedaan om verwijzing naar een rechtbank. Door de opvolgende raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1], mr. Van Kleef, die tijdens die terechtzitting niet waarnam voor de niet verschenen raadsman van verzoeker, is medegedeeld dat hij zich namens [medeverdachte 1] aansloot bij het verzoek van mr. Franken. De voorzitter van het hof heeft toen aldaar medegedeeld dat het hof op de terechtzitting van 6 februari 2009 zal beslissen op bedoeld verzoek.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 februari 2009 houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"(...)

De voorzitter deelt mede dat het hof heden uitspraak zal doen op een door de verdediging in de zaak tegen de verdachte [WH] ter terechtzitting van 4 februari 2009 gedaan verzoek, bij welk verzoek mr. Van Kleef in de zaak tegen de verdachte [medeverdachte 1] zich op voornoemde terechtzitting heeft aangesloten.

Verzoek om verwijzing naar een rechtbank

Ter terechtzitting van 4 februari 2009 heeft de raadsman van de verdachte [WH], mr. Franken, verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv te verwijzen naar een rechtbank. Hij wenst dat de zaak opnieuw in de eerste aanleg wordt behandeld, en wel door een andere rechtbank dan de rechtbank Haarlem.

Al eerder tijdens de procedure in hoger beroep, op 14 januari 2009, heeft de raadsman - toen subsidiair - dit verzoek gedaan. Op 16 januari 2009 heeft het hof geoordeeld dat op dit verzoek eerst bij eindarrest zou worden beslist.

De raadsman heeft betoogd dat er op grond van inmiddels tussen hem en de president van de rechtbank Haarlem gevoerde correspondentie aanleiding is bedoelde beslissing niet uit te stellen tot het eindarrest en reeds thans op het verzoek te beslissen. Die correspondentie betreft een brief van mr. Franken van 20 januari 2009 en een antwoordbrief van de president van 26 januari 2009, die in kopie aan het hof zijn overgelegd.

De raadsman van de verdachte [medeverdachte 1], mr. Van Kleef, heeft zich bij dit verzoek aangesloten.

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd dat het herhaalde verweer gereed ligt voor afwijzing en heeft het hof geadviseerd op dit verweer niet eerst bij het eindarrest maar reeds thans te beslissen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de evengenoemde brieven van 20 en 26 januari 2009. Die inhoud is niet van dien aard dat het hof thans anders oordeelt dan op 16 januari 2009. Dat brengt mee dat het hof blijft bij de beslissing dat het verzoek tot verwijzing van de zaken naar een rechtbank eerst na afloop van het onderzoek ter terechtzitting, bij het eindarrest in hoger beroep, zal worden beoordeeld. Het verzoek reeds thans op dit verzoek te beslissen wordt derhalve afgewezen.(...)"

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 mei 2009 is namens medeverdachte [WH] door mr. Franken medegedeeld dat het eerder primair gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer wordt ingetrokken. Het eindarrest in de zaak tegen medeverdachte [WH] bevat een beslissing van het hof op het subsidiair gedane verzoek om verwijzing naar een rechtbank.(2)

9. Het eindarrest in de zaak tegen verzoeker bevat daarentegen geen beslissing van het hof op het in het middel bedoelde verweer respectievelijk verzoek. Volgens de stellers van het middel heeft dit verzuim nietigheid tot gevolg.

10. Aangezien een beslissing ontbreekt op hetgeen namens verzoeker ter terechtzitting door zijn waarnemend raadsman is medegedeeld, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof deze mededeling, inhoudende dat hij zich namens verzoeker aansloot bij hetgeen namens medeverdachte [WH] is aangevoerd, kennelijk niet heeft opgevat als een responsieplichtig verweer in de zin van art. 358, derde lid, Sv onderscheidenlijk verzoek in de zin van 328 Sv. Die aan de feitenrechter toegeschreven uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(3)

11. Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig 'verweer' dan wel 'verzoek' dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen respectievelijk gedaan.(4) Een verweer of verzoek in de zin van voornoemde bepalingen moet stellig, duidelijk en (voldoende) onderbouwd zijn. De enkele mededeling van de waarnemend raadsman dat hij zich namens verzoeker aansloot bij het door een andere raadsman namens medeverdachte [WH] gevoerde verweer onderscheidenlijk gedane verzoek voldoet niet aan die eis.

12. Bovendien dient een dergelijk verweer of verzoek betrekking te hebben op en relevant te zijn voor de aan de orde zijnde zaak. Hetgeen namens medeverdachte [WH] is aangevoerd had enkel betrekking op diens zaak en betrof de gestelde partijdigheid van de rechtbank jegens hèm. Het had op zijn minst op de weg van de (waarnemend) raadsman van verzoeker gelegen dat hij zelf had onderbouwd waarom datgene wat namens medeverdachte [WH] is aangevoerd ook enige relevantie had voor verzoekers zaak.

13. Het (stilzwijgend) oordeel van het hof dat het aangevoerde niet een responsieplichtig verweer dan wel verzoek oplevert, is - in het licht van hetgeen namens verzoeker is medegedeeld - niet onbegrijpelijk, zodat geen sprake is van een met nietigheid bedreigd verzuim.

14. Het eerste middel faalt.

15. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] heeft afgewezen, althans dat 's hofs afwijzingen daarvan onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn.

16. Bij appèlschriftuur ex art. 410 Sv van 10 januari 2008 heeft de toenmalige raadsman van verzoeker, mr. R. Lonterman, 23 getuigen opgegeven, waaronder de vijf in het middel genoemde getuigen, teneinde deze ter terechtzitting te doen oproepen. In voormelde schriftuur stelt de verdediging dat het horen van de opgegeven getuigen redelijkerwijs in het belang van de verdediging en noodzakelijk is voor de beantwoording van de strafvorderlijke vragen neergelegd in art. 348/350 Sv. Bij brief van 31 juli 2008 aan de voorzitter van het hof, met afschrift aan de advocaat-generaal bij het hof, heeft de raadsman gepersisteerd in de oproeping van de bij appèlschriftuur opgegeven getuigen. In voormelde brief beweert de verdediging dat deze getuigen (op de verbalisanten na) uit eigen wetenschap kunnen verklaren over onder meer:

a. de afpersing van het slachtoffer, [K],

b. de feiten en omstandigheden rondom bezoeken van het slachtoffer, verzoeker en medeverdachten aan Café [OO], en

c. de bedreiging van het slachtoffer aan zijn voordeur.

17. Bij brief van 19 augustus 2008 van het openbaar ministerie aan de voorzitter van het hof, met afschrift aan de raadsman van verzoeker, geven de advocaten-generaal aan geen bezwaar te hebben tegen het horen van onder meer de vijf in het middel bedoelde getuigen. In laatstvermelde brief betoogt het openbaar ministerie dat het daarbij telkens gaat om ofwel familieleden ofwel kennissen van het slachtoffer en/of diens vrouw, [B], die allen uit eigen wetenschap en ondervinding over de tenlastegelegde afpersing van het slachtoffer kunnen verklaren, terwijl geen van hen eerder ten overstaan van een rechter is gehoord.

18. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 augustus 2008 houdt onder meer het volgende in:

"(...)

onderzoekswensen verdediging

De voorzitter deelt het volgende mede.

De raadslieden wordt achtereenvolgens de mogelijkheid geboden hun onderzoekswensen nader toe te lichten en in verband daarmee verzoeken ter terechtzitting te doen. Hierna zal het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld worden op alle verzoeken te reageren.

In een aantal zaken waarin door de verdachte hoger beroep is ingesteld, is door de verdediging een appèlschriftuur ingediend en in enkele gevallen zijn in de appèlschriftuur méér onderzoekswensen omschreven, of onderzoekswensen anders omschreven, dan in de nadere brieven die kort vóór deze regiezitting zijn ingezonden. Het hof gaat er in die gevallen van uit dat, tenzij uitdrukkelijk anders blijkt, nog slechts de onderzoekswensen zoals in die nadere brieven omschreven aan de orde zijn.

(...)

De voorzitter deelt in de zaak tegen de verdachte [verzoeker] het volgende mede. Het hof beschikt over een appèlschriftuur van de raadsman mr. Lonterman van 10 januari 2008, een brief van 31 juli 2008 van de raadsman aan de advocaat-generaal, met afschrift aan de voorzitter, houdende een opgave van de onderzoekswensen van de verdediging, alsmede een schriftelijke reactie van het openbaar ministerie daarop van 19 augustus 2008.

Mr. Lonterman licht zijn onderzoekswensen nader toe en doet in verband daarmee verzoeken aan de hand van zijn pleitnotities die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.(5)

In aanvulling op zijn pleitnota verklaart de raadsman - zakelijk weergegeven - :

De brief van het hof van 23 juni 2008, waarin de verdediging wordt verzocht schriftelijk onderzoekswensen kenbaar te maken, heeft mij pas zeer onlangs bereikt. Mijn brief van 31 juli 2008 was een reactie op een verzoek van het openbaar ministerie van 4 juli 2008 om tijdig opgave te doen van de door mij gewenste getuigen en is om die reden slechts summier gemotiveerd.(...)"

19. De door de verdediging op de terechtzitting van 29 augustus 2008 aan het hof overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:

"(...)

Inleiding

Van de reactie van het OM op mijn verzoek in de strafzaak tegen cliënt, [verzoeker], 23 getuigen op te roepen heb ik kennis genomen. Met 16 getuigen kan het OM zich verenigen, ten aanzien van de zoon en dochter van wijlen [K] wordt in verband met eventuele gezondheidsrisico's eerst een tussenstap voorgesteld en ten aanzien van 5 getuigen heeft het OM kort gezegd bezwaren. Specifiek gaat het dan om het oproepen van [B] en de 4 verbalisanten betrokken bij de verhoren van wijlen [A].

Met uw goedvinden laat ik de 16 getuigen waarover geen discussie bestaat onbesproken en richt ik mij op de geschilpunten.

[B]

Ik begin met [B]. Waarom moet [B] naar de mening van de verdediging nogmaals als getuige worden opgeroepen?

De verklaringen afgelegd door [B] zijn prominent terug te vinden in de aanvulling met de bewijsmiddelen van het door de meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem gewezen vonnis. Ze zijn opgenomen onder de nummers 2 en 3. Hoewel aan de nummering van de door de rechtbank opgevoerde bewijsmiddelen weinig is af te leiden, komt het mij voor dat de door [B] afgelegde verklaringen voor de rechtbank in de oordeelsvorming zwaar hebben meegewogen. De term kroongetuige heeft in de Nederlandse strafrechtpraktijk een bepaalde lading gekregen[;] met dat in het achterhoofd kwalificeer ik deze getuige dan ook niet als kroongetuige maar met goed Engels als 'key witness'. Het gaat om een hele belangrijke getuige. Zij stelt zelf aan den lijve en deels uit eerste hand te [hebben] meegekregen dàt en hoe haar echtgenoot is afgeperst.

Hoewel [B] in eerste aanleg uitgebreid bij de RC als getuige is ondervraagd, is deze ondervraging naar mijn mening niet geheel optimaal verlopen. Hoewel ik deze getuige reeds bij brief van 2 juni 2006 bij de RC heb opgegeven heeft het tot 22 maart 2007 geduurd voordat [B] daadwerkelijk bij de RC is verschenen. Dit had natuurlijk te maken met feit dat [B] in eerste instantie onder de vlag van artikel 226a als bedreigde getuige A in het dossier figureerde. De transformatie van 'getuige A' naar 'getuige op naam' en het verhoor bij de RC vonden plaats kort voor de inhoudelijke van behandeling van onderhavige strafzaak in eerste aanleg. Op dat moment in de procedure hebben voorbereiding van de verhoren alsook de uitvoering daarvan flink onder tijdsdruk gestaan. Een en ander werd in de hand gewerkt door consternatie die optrad nadat was gebleken dat getuige A en [B] één en dezelfde persoon waren. Hoewel de verhoren van deze getuige bij de RC lang hebben geduurd heb ik achteraf moeten constateren dat een aantal onderwerpen onvoldoende zijn uitgediept.

Daarbij gaat [het] om:

- de contradictie tussen de door [K] en zijn weduwe afgelegde verklaringen ten aanzien van het al dan niet afgeperst zijn,

- de achtergrond van de vermeende afpersing (onroerend goedtransactie, boete etc),

- de herkomst van het geldbedrag dat in het kader van een afpersing zou zijn overgedragen,

- de wijze waarop de overdracht zou hebben plaatsgevonden,

- de redenen van wetenschap van deze getuige,

- en in dat kader meer in het bijzonder de verstandhouding, rol en invloed van een andere prominente getuige, [A].

In het belang van de verdediging krijg ik graag gelegenheid [B] nogmaals te ondervragen.

Daarenboven heb ik recent kennis kunnen nemen van verklaringen die [B] heeft afgelegd in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de liquidatie van haar echtgenoot, waarin ze naast hetgeen rechtstreeks verband houdt met de liquidatie verklaart over de afpersing. Uit die verklaringen blijkt dat [B] op onderdelen anders verklaar[t] dan in het Kolbakonderzoek. Ik maak van de gelegenheid gebruik u te verzoeken het OM opdracht te geven deze verklaringen aan het dossier in onderhavige zaak toe te voegen.

In verlengde hiervan ben ik van mening dat dit gegeven op zich zelf beschouwd reeds rechtvaardigt dat mij de gelegenheid moet worden geboden [B] dienaangaande te ondervragen.(...)"

20. Het proces-verbaal terechtzitting d.d. 19 september 2008 houdt onder meer het volgende in:

"(...)

De voorzitter deelt mede dat het hof heden uitspraak zal doen op de (...) verzoeken van de verdediging (...) gedaan op de terechtzittingen van 28 en 29 augustus 2008.

(...)

Verzoeken van de verdachte [verzoeker]

Verzoeken betreffende getuigen

(...)

28. De verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] (...) worden afgewezen, gelet op de hierna te vermelden redenen.

De raadsman heeft aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat, behoudens de daarin betrokken verbalisanten, de getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren over de vermeende afpersing van [K], over feiten en omstandigheden rondom bezoeken van [K], de verdachte ([verzoeker]) en andere verdachten aan café [OO], en over de vermeende bedreiging van [K] aan zijn voordeur.

Zonder nadere onderbouwing welke niet is gegeven is het hof, mede gelet op de verklaringen van deze getuigen in het opsporingsonderzoek, niet gebleken dat de getuigen [get[getuige 2], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] uit eigen wetenschap over één of meer van de voormelde onderwerpen kunnen verklaren. Door de afwijzing van het verzoek ten aanzien van deze getuigen wordt de verdachte naar redelijkerwijs valt aan te nemen niet in zijn verdediging geschaad.(...)"

21. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof bij zijn beslissing op de in het middel bedoelde verzoeken weliswaar de juiste maatstaf - te weten: het verdedigingsbelang - gehanteerd, maar heeft het niettemin deze verzoeken ten onrechte, althans op ontoereikende/onbegrijpelijke gronden afgewezen.

22. Voor zover het middel van 's hofs overweging uitgaat dat de verdediging niet (nader) heeft onderbouwd "wat de getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren" dan wel dat uit hun verklaringen in het opsporingsonderzoek niet is gebleken "wat de getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren", mist het feitelijke grondslag, nu 's hofs overweging luidt dat mede uit voormelde verklaringen niet is gebleken "dat de getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren" en dat een (nadere) onderbouwing daarvan door de verdediging ook niet is gegeven. De klachten die eerstgenoemde overweging(en) als uitgangspunt nemen, falen dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

23. Voor zover het middel er wel van uitgaat dat het hof heeft overwogen dat het mede gelet op de door bedoelde getuigen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet is gebleken dat deze getuigen uit eigen wetenschap over één of meer van de door de raadsman vermelde onderwerpen kunnen verklaren, bevat het de klacht dat het hof met deze overweging ten onrechte is vooruitgelopen op hetgeen de desbetreffende getuigen zouden kunnen verklaren.

24. Voor de beoordeling van deze klacht is de inhoud van de volgende in het opsporingsonderzoek door de desbetreffende getuigen afgelegde verklaringen van belang:

- proces-verbaal van verhoor d.d. 21 februari 2006 (dossiernummer G1-119-01/02), inhoudende voor zover hier van belang de volgende door verbalisanten gestelde vragen ('V') en in antwoord daarop ('A') door getuige [get[getuige 2] afgelegde verklaring:

"(...) V: Wij zijn van de Nationale Recherche en wij zijn belast met de afpersing van [K]. Wij willen graag weten wat u ons kan vertellen over de afpersing van [K].

A: Niks, ik wist het niet.

V: Wanneer heeft u gehoord dat [K] was afgeperst?

A: Nadat [K] was neergeschoten, een paar weken daarna.

V: Van wie heeft u dat gehoord?

A: Van mijn zusje [B].

V: Wat vertelde [B] u?

A: Dat ze sinds ongeveer 1 jaar werden afgeperst. En dat ze bedreig[d] zijn.

V: Weet u ook door wie ze zijn afgeperst?

A: Nee, dat heeft ze me nooit verteld.

V: Heeft u er wat van gemerkt dat [K] werd afgeperst en bedreigd?

A: Nee, ik heb er nooit iets van gemerkt. Maar achteraf gezien heb ik wel gedacht dat er iets aan de hand was omdat mijn zusje een zwakke maag heeft. Ik weet dat ze al 1,5 jaar last van haar maag had.

V: Heeft u () behalve lichamelijk iets gemerkt aan u[w] zus of aan [K]?

A: Nee. Ik zag [K] maar 1 maal in de maand.

V: Wat kunt u ons vertellen over de moord op [K]?

A: Nou, wat ik kan vertellen [is] dat ik bij mijn moeder was en dat [B] mij belde om te zeggen dat [K] was neergeschoten en dat hij was overleden.

V: Wilt u ons nog iets vertellen?

A: Nee, ik zou niet weten wat.(...)"

- proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2006 (dossiernummer G1-124-01), inhoudende voor zover hier van belang de volgende door getuige [getuige 3] afgelegde verklaring:

"(...) U vraagt mij wat ik weet van de afpersing van [K]. Daar kan ik heel weinig van zeggen. Na zijn dood heb ik van [B] gehoord dat ze hadden betaald. Ik weet niet wat voor bedrag en aan wie. Volgens mij heeft [B] iets gezegd van[:] we werden bedreigd of we werden afgeperst en we hebben betaald. En dit had niet mogen gebeuren. Zoiets heeft ze gezegd.

Verder vraagt u mij wat ik kan vertellen over de moord op [K]. Hier kan ik u niets van vertellen. Ik ben gebeld door Toos mijn zus dat [K] vermoord was. Wij waren op weg naar huis toen we het hoorden. Thuis hebben we naar de tv gekeken en gewacht tot we gebeld werden over het vervolg.

Verder kan ik u vertellen dat ik het geheel volg via de krant en tv.(...)"

- proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2006 (dossiernummer G1-125-01/02), inhoudende voor zover hier van belang de volgende door getuige [getuige 5] afgelegde verklaring:

"(...) U vraagt mij wat ik kan vertellen over de afpersing van [K]. Ik kan u hierover helemaal niets vertellen. Achteraf hoorde ik in de familie allemaal verhalen. Ik luisterde naar die verhalen maar half. Ik merkte wel dat [K] een beetje gespannen was. Toen ik hoorde dat hij afgeperst werd snapte ik dat. Ik hoorde voor zijn dood dat hij afgeperst werd. Ik weet niet door wie en voor hoeveel hij werd afgeperst.

U vraagt mij of ik [medeverdachte 1] ken. Ik ken die naam niet. U toont mij een foto, ik herken de man op de foto als [medeverdachte 1].

U vraagt mij of ik [verzoeker] [ken;] die ken ik niet. U toont mij een foto, ik herken de man op de foto niet.

U toont mij nog een foto, ik ken de man op de foto niet.

Kent u [medeverdachte 1] als een vriend van [K]? Ik moest wel eens een loods voor [K] leeghalen en daar kwam ik [medeverdachte 1] wel eens tegen. Volgens mij was het een hele (? NJ) aardige kerel. Ik heb [medeverdachte 1] wel een aantal keren gezien met zijn vader. Volgens mij was het een kennis van [K]. Ik heb hem wel eens bij hem thuis gezien. We hebben wel eens een broodje met z'n allen zitten eten. U vraagt mij wie er nog meer omheen hingen. Ik ken al die mensen niet van naam.

U vraagt mij wat ik kan vertellen over de moord op [K]. Alleen dat ik naar huis ging en dat ik het op het nieuws hoorde. Ik was thuis en toen hoorde ik het. Ik ben erheen gegaan, maar daar kwam ik niet bij. Daar hoorde je allemaal verhalen. Ik heb niet naar die verhalen geluisterd. Ik heb me daarvan gedistantieerd.

Wat voor verhalen heb je allemaal gehoord? Bij de familie vandaan hoor je verhalen dat hij als een beest is afgeslacht. Of het nou met afpersing te maken heeft gehad. Ik distantieer me daarvan. Ik heb geen zin om dat allemaal deze kant op te halen.(...)"

- proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2006 (dossiernummer G1-126-01/02), inhoudende voor zover hier van belang de volgende door getuige [getuige 4] afgelegde verklaring:

"(...) U vraagt mij wat ik kan vertellen over de afpersing van [K]. Ik kan u vertellen dat [K] en [B] mij vorig jaar zomer hebben verteld dat zij afgeperst werden.

U vraagt mij hoe dit gegaan is. Ik werd gevraagd om naar [B] en [K] toe te komen en tijdens de koffie werd mij verteld dat zij afgeperst werden. Dat zij met hun leven bedreigd werden. Ze moesten betalen of er gebeurden andere dingen. Ze hebben me niet verteld hoeveel ze moesten betalen. Ook heb[ben] ze mij niet verteld door wie ze werden afgeperst.

Voor mij vielen, toen ik dat hoorde, sommige dingen op hun plek. [B] en [K] waren in die periode erg nerveus en gejaagd. Toen wist ik ook waarom. Ik weet niet of ze op het moment dat ze het mij vertelden al betaald hadden. Ik weet ook niet of ze het überhaupt hebben betaald.

[K] en [B] waren heel erg op zichzelf. Ik heb heel veel contact met [B]. Dit contact is bijna dagelijks.

U vraagt mij wat ik kan vertellen over de moord op [K]. Eigenlijk kan ik u niets vertellen. Alleen dat ik hiernaar toe kwam en dat het toen al gebeurd was. Ik heb geen idee wie het gedaan heeft. En wat je hoort en leest zou allemaal kunnen, ik weet het niet. De informatie die wij krijgen is allemaal via de media. Of dat ook zo is, dat weet ik niet.

[B] heeft mij nooit verteld wie zij denkt dat het is. Ik denk ook niet dat ze dat doet, mocht ze het weten. Maar ik denk dat [B] het ook niet weet.

U vraagt mij of de naam [medeverdachte 1] mij iets zegt. Ja ik ken hem wel. Hij is een goede vriend van [B].

U vraagt mij of de naam [verzoeker] mij iets zegt. Ik ken wel een [verzoeker] maar ik weet zijn achternaam niet.

U laat mij een foto zien van [verzoeker], ik herken de man op de foto als zijnde [verzoeker]. Het is een kennis van [B] en [K], ik heb verder niets met hem.

Ik ben op de begrafenis geweest van [K]. U vraagt mij of ik iets geks heb gezien op die begrafenis. Ik ben daar met hele andere dingen bezig geweest. Ik heb daar niet op gelet. Ik kan u ook niet vertellen of er mensen zijn weggestuurd bij de begrafenis.

Ik hoop dat jullie ze pakken. Wij weten ook niet wie het gedaan heeft. Verder kan ik u niets verklaren.(...)"

- proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2006 (dossiernummer G1-127-01/02), inhoudende voor zover hier van belang de volgende door getuige [getuige 2] afgelegde verklaring:

"(...) U vraagt mij wat ik kan vertellen over de afpersing van [K]. Ik kan u eigenlijk niets verklaren over de afpersing. Ik hoorde alles nadat [K] was overleden van [B][;] daarom greep het mij zo aan. Ik weet niet door wie ze zijn afgeperst. Ik weet niet voor hoeveel geld ze zijn afgeperst. [B] heeft mij dit niet verteld.

Wat heeft [B] u verteld over hoe dat is gegaan[?] Daar hebben we het niet over gehad. Ik heb hier nooit mee te maken gehad. Ik hoor alles in de media. Ik raak daar helemaal van overstuur. Er is mij niet verteld of er bedreigingen zijn geuit.

In alles wat ik hoor in de media herken ik [K] helemaal niet. Ik ken hem helemaal niet zoals de verhalen in de media.

U vraagt mij wat ik kan vertellen over de moord op [K]. Ik was er niet bij. Ik hoorde het achteraf. Ik werd gebeld door mijn zusje. Ik voelde mij machteloos op dat moment.

Heeft u enig idee wie er achter de moord kan zitten? Nee, ik heb geen idee.

U vraagt mij of ik [medeverdachte 1] ken. Ik kan u vertellen dat ik hem op verjaardagen wel eens heb gezien. Ik ken hem niet persoonlijk. U toont mij een foto, ik herken de man als [medeverdachte 1].

[medeverdachte 1] heb ik jaren geleden voor het eerst gezien. Toen de kinderen nog klein waren.

U vraagt mij of [medeverdachte 1] altijd op de verjaardagen van [K] was. Ik ken hem alleen van de begin jaren. In de latere jaren heb ik hem niet meer gezien maar dat komt ook omdat er niet zoveel verjaardagen meer werden gevierd.

Ik heb geen idee of ze nog wel contact met [medeverdachte 1] hadden.

Zegt de naam [verzoeker] u iets? Nee, die naam zegt mij niets.

U toont mij een foto, ik herken de man op de foto niet.

Zegt de naam George van Kleef u iets? Ja, ook van vroeger. Dit was een kennis van [K] en [B].

Zegt de naam [WH] u iets? Ja, van de krant. Ik heb hem nog nooit in het echt gezien. Ik ken hem niet als vriend van [K] en [B].

Verder heb ik niets te verklaren.(...)"

25. Uit de inhoud van deze in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen blijkt onder meer dat:

a. de vijf getuigen weinig tot niets kunnen vertellen over de afpersing van het slachtoffer;

b. drie getuigen pas na de dood van het slachtoffer hebben gehoord dat hij werd bedreigd en afgeperst; deze getuigen hoorden dit van diens vrouw, [B];

c. twee getuigen reeds vóór de dood van het slachtoffer hebben gehoord dat hij werd bedreigd en afgeperst; de ene getuige hoorde dit van [B en K] en de andere van de familie;

d. de vijf getuigen niet weten door wie en voor welk bedrag het slachtoffer werd afgeperst; drie getuigen verklaren dat hen dat niet/nooit is verteld; e. één getuige verzoeker (her)kent als een kennis van [B en K];

f. drie getuigen medeverdachte [medeverdachte 1] (her)kennen als een kennis/vriend van [B en K];

g. één getuige Van Kleef (her)kent als een kennis van [B en K], en medeverdachte [WH] (her)kent 'van de krant', maar niet als een vriend van [B en K];

h. de vijf getuigen niets vertellen over feiten en omstandigheden rondom bezoeken van het slachtoffer, verzoeker en andere medeverdachten aan café [OO], noch over de bedreiging van het slachtoffer aan zijn voordeur.

26. In HR 7 oktober 1997, LJN ZD0814, NJ 1998, 153 (r.o. 10.3) overweegt de Hoge Raad dat, afgezien van het geval dat de oproeping nutteloos moet worden geoordeeld, "alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van zijn verzoek niet in zijn verdediging kan worden geschaad, indien die punten (waarover de raadsman de opgegeven getuigen wilde ondervragen, NJ) in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing, dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuigen iets over bedoelde punten zouden kunnen verklaren".

27. In casu had de raadsman aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat de desbetreffende getuigen uit eigen wetenschap kunnen verklaren over:

a. de afpersing van het slachtoffer,

b. de feiten en omstandigheden rondom bezoeken van het slachtoffer, verzoeker en andere medeverdachten aan café [OO], en

c. de bedreiging van het slachtoffer aan zijn voordeur.

In de hier aangevallen overweging van het hof dat het mede gelet op de door bedoelde getuigen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet is gebleken dat deze getuigen uit eigen wetenschap over één of meer van de door de raadsman vermelde onderwerpen kunnen verklaren, ligt 's hofs oordeel besloten dat 'redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuigen iets over bedoelde onderwerpen zouden kunnen verklaren'. Dat oordeel is, gezien de inhoud van de door die getuigen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

28. Met dat oordeel is het hof ook niet op ongeoorloofde wijze vooruitgelopen op hetgeen de desbetreffende getuigen zouden kunnen verklaren. Uit de eerder afgelegde verklaringen blijkt immers dat zij:

(ad a.) weinig tot niets hebben kunnen vertellen over de afpersing, en niets hebben verteld

(ad b.) over de bezoeken aan café [OO], noch

(ad c.) over het zogenoemde deurincident.

Bovendien zijn hun weinige verklaringen over de afpersing uit de tweede hand, namelijk afkomstig van [B en K], [B] zelf, de familie dan wel de media.

29. Nu een nadere onderbouwing van de in het middel bedoelde verzoeken niet was gegeven, ook niet - zoals het middel beweert - in hetgeen was aangevoerd met betrekking tot getuige [B], heeft het hof de door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van getuigen [get[getuige 2], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] op toereikende gronden afgewezen. In dit geval kan - mijns inziens - niet worden gezegd dat verzoeker door die afwijzing in zijn verdediging is geschaad. Daaraan doet niet af dat de verdediging niet eerder in de gelegenheid is geweest deze getuigen (ten overstaan van een rechter) te horen noch dat het openbaar ministerie had aangegeven tegen het horen geen bezwaar te hebben.

30. Het tweede middel faalt ook.

31. Beide voorgestelde middelen lenen zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

32. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met griffienummers 09/02603, 09/02710 en 09/04709 waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Zie het eveneens op 3 juli 2009 tegen [WH] gewezen arrest van het hof te Amsterdam (p. 11-16) en tevens mijn conclusie inzake [WH] (middel I).

3 Cf. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 185.

4 HR 3 januari 1984, LJN AB8233, NJ 1984, 443 en HR 30 juni 1998, LJN ZC8329, NJ 1999, 60.

5 Hierna zal ik de inhoud van deze pleitnota - voor zover van belang - weergeven.