Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM9135

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
08/04722
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM9135
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 137e.1 Sr , aanzetten tot haat of discriminatie. Middel OM klaagt terecht over grondslagverlating. Het Hof heeft geoordeeld dat de teksten “Combat 18” en “Whatever it takes” , niet te beschouwen zijn als uitlatingen die “op zichzelf bezien” aanzetten tot haat of discriminatie a.b.i. art. 137e.1 Sr. Dit is een te beperkte uitleg van art. 137e Sr. Deze uitlatingen dienen niet uitsluitend op zichzelf te worden bezien, maar tevens in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van mogelijke associaties die deze wekken. Door verdachte vrij te spreken heeft het Hof haar dus vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1423
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04722

Mr Jörg

Zitting 15 juni 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Bij arrest van 30 oktober 2008 is verzoekster door het gerechtshof te 's-Gravenhage deels vrijgesproken van en deels veroordeeld wegens 2. het tezamen met een ander ter verspreiding in voorraad hebben van 43 T-shirts die aanzetten tot haat en discriminatie van Joden alsmede tot gewelddadig optreden jegens Joden (art. 137e Sr), en tevens veroordeeld wegens 3. het voorhanden hebben van een ploertendoder (art. 13 WWM). Opgelegd is een gevangenisstraf van drie maanden waarvan één maand voorwaardelijk. Het hof heeft de 43 T-shirts en de ploertendoder onttrokken aan het verkeer verklaard en de teruggave gelast van elf T-shirts ter zake waarvan het hof tot vrijspraak heeft beslist. De in eerste aanleg gegeven vrijspraak van feit 1 was in hoger beroep niet meer aan de orde.

2. De beroepen zijn ingesteld door verzoekster en de Advocaat-Generaal bij het hof.

Namens verzoekster heeft mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal bij het hof heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. De raadsman van verzoekster heeft het cassatieberoep van de A-G tegengesproken.

3. De zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (08/04721), in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.

4. Alle middelen gaan over feit 2. Ik begin met het door de Advocaat-Generaal ingediende middel.

Dit is gericht tegen de door het hof gegeven deelspraak ter zake van feit 2.

5. Aan verzoekster is onder 2 tenlastegelegd dat:

"zij op of omstreeks 13 juni 2006 te Papendrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een of meerdere voorwerp(en), te weten:

- 43, althans een aantal, t-shirts voorzien van een afbeelding en de tekst "Destroy Zionism" en/of

- 11, althans een aantal, t-shirts voorzien van de tekst "Combat 18" en "Whatever it takes",

waarin een uitlating was vervat die, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, voor een groep mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (waaronder begrepen afkomst en nationale of etnische afstamming), beledigend was en/of welke vorenbedoelde uitlating aanzette tot haat tegen en/of discriminatie van mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (waaronder mede begrepen afkomst en nationale of etnische afstamming) en/of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (waaronder mede begrepen afkomst en nationale of etnische afstamming) aan iemand, anders dan op diens/ dier verzoek, heeft doen toekomen, dan wel heeft verspreid of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft gehad".

6. Voor zover het de 43 T-shirts betreft met een afbeelding (van een persoon met pijpenkrullen en een hoed op, op wie een andere persoon - zonder deze kenmerken - een pistool gericht houdt) en de tekst "Destroy Zionism" is een veroordeling gevolgd; de deelvrijspraak van de elf andere T-shirts is als volgt gemotiveerd:

"Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2008 heeft de raadsman ten aanzien van het onder 2, 2e gedachtestreepje, tenlastegelegde aangevoerd dat met "Combat 18" een rechts-extremis-tische beweging in Engeland wordt bedoeld met onduidelijke denkbeelden, zodat onduidelijk is of alleen de tekst "Combat 18" beledigend of haatzaaiend is. De raadsman heeft derhalve vrijspraak voor dat gedeelte van de tenlastelegging bepleit.

Het hof is van oordeel dat de in het 2e gedachtestreepje onder 2 tenlastegelegde genoemde teksten "Combat 18" en "Whatever it takes", niet te beschouwen zijn als uitlatingen die op zichzelf bezien aanzetten tot haat tegen of discriminatie van de Joden, wegens hun ras, evenmin in verbinding met het woord "support" op die hemden.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken."

7. Het middel klaagt dat het hof met deze overweging en zijn beslissing tot vrijspraak de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het tenlastegelegde aanzetten tot haat tegen en/of discriminatie van Joden. De tekst op de T-shirts zou wél een verboden aansporing tot haat en/of discriminatie behelzen, betoogt het middel.

8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 137e Sr (oud) Sr. Dat eerste lid luidde (en luidt nog steeds(1)):

"Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1°. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;

2°. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft;

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."

9. Dit artikel strekt tot uitvoering van het Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie.(2) Zo ook de artikelen 137c en 137d Sr.

In art. 137c Sr is het zich opzettelijk beledigend discriminerend uitlaten strafbaar gesteld.

Art. 137d Sr bevat de strafbaarstelling van het mondeling, bij afbeelding of bij geschrift aanzetten tot haat en discriminatie in het openbaar.

Art. 137e Sr bedreigt straf tegen het in omloop brengen van beledigende, discriminerende en haatzaaiende voorwerpen.

Deze voorschriften beogen niet alleen bepaalde minderheidsgroepen vanwege hun kwetsbaarheid te beschermen; ook bij discriminatoir gedrag jegens een meerderheid kan sprake zijn van ongeoorloofde discriminatie.(3) Overtreding van deze voorschriften leveren misdrijven tegen de openbare orde op.(4) Voordat ik toekom aan de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van grondslagverlating, schets ik eerst kort het beoordelingskader ten aanzien van de artikelen 137c, d en e Sr.

10. Bij de vraag of iemand in strijd met art. 137c en 137d Sr discriminatoir heeft gehandeld spelen de context waarin de uitlating of handeling plaatsvond en de associatie die zij oproept een rol van belang. Daarbij heeft associatie een strafbaarheid meebrengende, en context een strafbaarheid beperkende functie. In het eerste geval wordt ook wel gesproken van indirecte discriminatie (bijv. HR 21 februari 1995, NJ 1995, 452 m.nt. Sch).(5) De context waarin een uitlating is gedaan kan aan een op zichzelf kwetsende of beledigende uitlating juist het beledigend karakter ontnemen, zoals wanneer de uitlatingen niet onnodig grievend zijn en deze in het kader van een maatschappelijk debat worden gedaan en/of deze in direct verband staan met iemands geloofsovertuiging of met iemands vrijheid van artistieke expressie (HR 9 januari 2001, NJ 2001, 203, HR 9 oktober 2001, NJ 2002, 76 en HR 16 april 1996, NJ 1996, 527). Bij context gaat het dus om bijzondere omstandigheden die aan het op zichzelf beledigende karakter de strafbaarheid kunnen ontnemen (zie de annotatie De Hullu bij HR 9 januari 2001, LJN AA9367, NJ 2001, 204).(6) Of de uitlating binnen de grenzen van het aanvaardbare is gebleven, betreft een grotendeels feitelijke afweging waarin de grenzen van (met name) de vrijheid van meningsuiting, van godsdienst en van artistieke expressie worden bepaald. De context kan evenwel ook juist de strafbaarheid van de aansporing tot discriminatie opleveren (HR 18 mei 1999, NJ 1999, 634(7)), of aan de strafbaarheid bijdragen (HR 15 april 2003, LJN AF4778, NJ 2003, 334(8)). Bij sommige uitlatingen is de context bij beantwoording van de vraag of sprake is van een ongeoorloofde uitlating in de zin van art. 137c of 137d Sr niet van belang, omdat deze sowieso de grenzen van het aanvaardbare overschrijden (bijv. HR 15 september 2009, LJN BI4739, NJ 2009, 445: "Hamas, Hamas, Joden aan het gas"). Zo ook in een evangeliserend blad de mededeling dat de moord op zes miljoen joden aan hen zelf te wijten is omdat zij na het proces tegen Jezus voor de vrijlating van Barabbas hadden gekozen (HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 476). Mogelijk was dit verwijt zo bizar en excessief en tevens daarom zo gevaarlijk dat de uitlating niet te rechtvaardigen was op grond van welke religieuze uitgangspunten dan ook, aldus annotator Mulder.

11. Bij art. 137e Sr doen zich minder vaak bijzondere omstandigheden voor die aan strafbaarheid in de weg staan; de context lijkt zogezegd minder van belang. "De kern van het delict schuilt immers in de kwaadaardigheid van het bij de verweten handelwijze betrokken voorwerp en niet in de stijl van handelen van de dader of zijn beweegredenen", aldus Melai.(9) Indien a) het voorwerp gezien de context niet `kwaadaardig' wordt geacht of b) daarmee in het kader van zakelijke berichtgeving wordt gehandeld, staat dat aan bewezenverklaring in de weg. Beide mogelijkheden zal ik met een voorbeeld toelichten, te beginnen met a).

12. Van een strafbaarheid uitsluitende context in de zin van art. 137e Sr kan sprake zijn bij historische nazistische emblemen. Dit zijn naar hun aard discriminerende, haatzaaiende voorwerpen, maar de omstandigheid dat deze emblemen ten behoeve van verzamelaars van militaire curiosa in een winkeltje ten verkoop in voorraad worden gehouden kan ertoe leiden dat zij niet als voorwerpen zoals bedoeld in art. 137e Sr worden beschouwd (HR 22 september 1987, NJ 1988, 300, m.nt. Melai). De wijze van gebruik kán derhalve als relevante context aan de 'kwaadaardigheid' van voorwerpen in de weg staan, met vrijspraak tot gevolg. Voor bepaalde voorwerpen zal dit altijd anders liggen omdat ze hebben te gelden als dermate 'kwaadaardig' van aard dat de context er niet toe doet. Daarbij denk ik aan het te koop liggen van de al genoemde vertaling van 'Mein Kampf'. De boekhandelaar in winkel 'Ratjetoe' wilde wellicht iemand met historische of politieke belangstelling bereiken, maar die mogelijke context deed aan de strafbaarheid van het in voorraad hebben van dat voorwerp niet af (zie noot 9).

13. Indien vast staat dat in het kader van zakelijke berichtgeving wordt gehandeld (mogelijkheid b) heft dit in beginsel de strafbaarheid naar art. 137e Sr op. Bij zakelijke berichtgeving valt te denken aan wetenschappelijke en journalistieke publicaties, alsmede aan voorlichting. Deze exceptie wordt restrictief opgevat.(10) De zojuist genoemde boekhandelaar van het vertaalde 'Mein Kampf' kwam een beroep op deze exceptie dan ook niet toe. Voor de strafbaarheid van het in art. 137e Sr omschreven feit is geen voorwaarde dat sprake is van een provocerende of aanstootgevende wijze van aanbieding, of van bijkomende politieke of discriminatoire motieven bij de dader.(11) Zakelijke berichtgeving houdt op zichzelf al in dat de zojuist genoemde aspecten niet aanwezig zullen mogen zijn. Zakelijke berichtgeving is ook niet aanwezig wanneer het 'kwaadaardige' voorwerp zonder meer in een winkel van gebruikte en ongeregelde goederen te koop ligt. (Melai maakte de vergelijking met gevaarlijke stoffen in de milieuwetgeving.) Zakelijke berichtgeving was niet aan de orde bij een artikel in "Storm Amsterdam" waarin de noodzaak van de oprichting van een Volksnationale Politieke Partij werd bepleit op antisemitische gronden (HR 26 juni 1984, NJ 1985, 40).

14. Tot zover het toetsingskader van art. 137e Sr. Gelet op doel en strekking hiervan verschilt de mate waarin de context relevant is voor de beoordeling van de zaak iets van de context die bij art. 137c en 137d Sr veelal wordt meegewogen (bij art. 137e is context iets minder van belang).

15. Nog kort het volgende over het bestanddeel "aanzetten tot", teneinde het middel te kunnen beoordelen. "Aanzetten tot" in art. 137d en 137e Sr is een vrij ruim begrip: het impliceert (voorwaardelijk) opzettelijk handelen. Ook is sprake van aanzetten indien discriminatoir gedrag waartoe een ander reeds het initiatief had genomen extra wordt gestimuleerd.(12) De Hoge Raad lijkt recent nog speciale aandacht te hebben gevraagd voor het strafbare bereik van "aanzetten" in HR NJ 2010, 19.(13) In die uitspraak ging het om de beperkte reikwijdte van art. 137c Sr(14) en daarbij werd onder meer voorop gesteld dat in die zaak niet een vervolging op grond van art. 137d Sr aan de orde was. Met annotator Mevis meen ik dat Uw Raad hiermee heeft beoogd aan te geven dat bij 'aanzetten tot' sneller sprake kan zijn van strafbaar discriminatoir handelen dan wanneer de uitlating zelf centraal staat, omdat het bij 'aanzetten' gaat om de daarmee beoogde effecten op anderen waarmee mogelijk de openbare orde sneller in het geding is.(15)

16. Terug naar de onderhavige zaak. In het huis van verzoekster en haar vriend zijn onder meer elf T-shirts in beslag genomen, op de voorkant waarvan in Gotische letters "Combat 18" alsmede het woord "support" stond vermeld en op de achterkant "Whatever it takes". Verzoekster wilde de T-shirts onder vrienden verspreiden. Combat 18 is een - naar algemeen bekend is - ondergronds gewelddadig racistisch netwerk dat is voortgekomen uit de neonazistische groepering Blood & Honour.(16) De Advocaat-Generaal bij het hof heeft de teksten op de T-shirts in haar requisitoir als volgt toegelicht:

"Getallen zijn bij uitstek neutraal in de zin dat er zelden meer mee wordt aangeduid dan een hoeveelheid van iets. Wel kan het tonen van getallen waarvan bekend is dat ze ook een andere betekenis hebben in combinatie met andere racistische of discriminatoire symbolen, bijdragen aan het kader van een racistische/discriminatoire context.

Bij het enkele getal 18 kan je denken aan de leeftijd waarop je meerderjarig wordt, voor het eerst mag stemmen, je rijbewijs kan gaan halen. Allemaal onschuldig.

Het is echter een feit van algemene bekendheid dat in de kringen waarin deze verdachten verkeren c.q. het gedachtegoed waarmee zij sympathiseren sommige getallen, al dan niet in combinatie met een afbeelding, symbool of woord, een andere lading hebben. In die kringen staat in het getal 18 de 1 voor de eerste en het getal 8 voor de achtste letter van het alfabet. De zo verkregen letters AH zijn een afkorting voor Adolf Hitler. Hitler en het nationaal socialisme worden niet herinnerd omdat onder zijn leiding de werkloosheid tot een laag peil werd teruggebracht en prachtige Autobahnen werden aangelegd. Hitler wordt herinnerd omdat onder zijn leiding miljoenen joden zijn uitgeroeid en er jarenlange ramspoed over heel Europa is uitgestort. Combat is een (van origine, NJ) Engelse racistische organisatie. Uit de combinatie van 18 en Combat, mede gelet op het feit dat het Gotische schrift wordt gebruikt hetgeen een extra associatie met de Hitlerjaren en het nazisme oproept, kan het beledigend karakter voor een groep mensen worden afgeleid. Die indirecte vorm van discriminatie - die immers via associatie tot stand komt - is door de Hoge Raad aanvaard in het arrest van 21 februari 1995, NJ 1995, 452 m.nt. Sch."

17. Het komt mij voor dat hier een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het OM is geformuleerd. Echter, het middel klaagt niet over een ontoereikende motivering van het hiervan afwijkende standpunt van het hof (zoals wel in HR 3 november 2009, LJN BJ6941, NJ 2009, 555), maar gooit het over de boeg van de grondslagverlating. Dat kan ook. Immers, door te overwegen dat de teksten "Combat 18" en "Whatever it takes" niet te beschouwen zijn als uitlatingen die op zichzelf bezien aanzetten tot haat tegen of discriminatie van de Joden wegens hun ras, en evenmin in verbinding met het woord "support" en verzoekster op basis daarvan vrij te spreken, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Indien het heeft geoordeeld dat T-shirts met dergelijke uitlatingen geen voorwerpen zijn die aanzetten tot haat tegen en/of discriminatie van Joden in de zin van art. 137e Sr, heeft het een te beperkte uitleg gegeven aan dat artikel door daarbij niet te betrekken de associatie die de combinatie van het woord Combat met het getal 18 en de Gotische letters oproept met daarbij de teksten Support en Whatever it takes. Indien het hof niet is voorbijgegaan aan doel, strekking en reikwijdte van art. 137e Sr, is zijn oordeel zonder nadere, doch ontbrekende motivering, niet begrijpelijk. Het hof heeft immers niets overwogen over een context die aan de strafbaarheid van de aard van de voorwerpen afdoet en evenmin vastgesteld dat verzoekster in het kader van zakelijke berichtgeving handelde.

18. Het middel van de Advocaat-Generaal bij het hof is derhalve terecht voorgesteld.

19. De drie namens verzoekster ingediende middelen richten zich tegen de tenlastelegging en bewezenverklaring van de 43 andere T-shirts die waren voorzien van een afbeelding en van de tekst "Destroy Zionism". Omwille van de leesbaarheid begin ik met de voor de beoordeling van die middelen benodigde citaten, waarna ik de middelen zal bespreken.

20. Ten laste van verzoekster heeft het hof onder 2 - voor zover hier van belang - bewezenverklaard dat:

"zij op 13 juni 2006 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving voorwerpen, te weten: 43 T-shirts, voorzien van een afbeelding en de tekst "Destroy Zionism", waarin een uitlating was vervat die, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aanzette tot haat tegen en discriminatie van mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (etnische afstamming) en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (etnische afstamming), ter verspreiding in voorraad heeft gehad".

21. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(1) Het proces-verbaal van doorzoeking, inhoudende onder meer als relaas van deze opsporingsambtenaar:

"Op 13 juni 2006 werd de woning [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. Kort voor de doorzoeking werden in het pand twee verdachten aangehouden, te weten: [Verdachte] en [medeverdachte].

In de woonkamer van de woning werden de navolgende voorwerpen in beslag genomen: Een kartonnen doos met daarin 37 zwarte T-shirts met opdruktekst Destroy Zionism. De doos was geadresseerd aan [Verdachte], [a-straat 1] te [plaats].

In de grote slaapkamer van de woning werden de navolgende voorwerpen in beslag genomen: 6 zwarte T-shirts met opdruktekst Destroy Zionism (...)."

(3) Het proces-verbaal met de verklaring van verzoekster:

"Ik woon samen met [medeverdachte] in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. (...) Alle zwarte T-shirts die in huis zijn gevonden, zijn van [medeverdachte] en van mij. Deze hadden wij met de bedoeling ze te verkopen."

(4) Het proces-verbaal met de verklaring van [medeverdachte]:

"Ik ben anderhalf jaar verloofd met [verdachte]. Ruim twee jaar heb ik een relatie met haar. Ik heb met haar samengewoond in Den Haag. Uit Den Haag zijn wij vertrokken naar [plaats]. Ik woon op de [a-straat 1] te [plaats] sinds eind april."

22. Het hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring nog het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2008 heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de in het 1e gedachtestreepje onder 2 tenlastegelegde genoemde tekst 'Destroy Zionism' geen beledigende tekst is in de zin van artikel 137e, eerste lid, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het niet tegen de Joden is gericht, maar tegen een idee/streven, hetgeen niet beledigend is.

Het hof verwerpt dit verweer.

Zionisme is in de ogen van het hof een politieke stroming. De aangehaalde woorden bestempelen het T-shirt dus niet tot ongeoorloofd. Het T-shirt wordt evenwel overheerst door twee figuren van staande personen, van wie de ene een jodenhoed en pijpenkrullen langs zijn oren draagt en aldus is uitgebeeld als belijdende jood. De ander draagt die kenmerken niet en houdt een pistool gericht op de man naast hem. Deze figuren in deze opstelling met daarbij onder meer het woord "destroy" bestempelen het T-shirt tot op uitroeiing van joden gericht."

23. Het eerste middel klaagt dat het hof de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren, omdat deze zonder nadere aanduiding van de feitelijke inhoud van de afbeelding op de 43 T-shirts niet kan gelden als een voldoende opgave van het feit.

24. Het hof heeft ten aanzien van de geldigheid van de inleidende dagvaarding het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2008 heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, 1e gedachtestreepje, nietig dient te worden verklaard aangezien de enkele vermelding in die tenlastelegging dat sprake is van "een afbeelding" niet geldt als een voldoende feitelijke omschrijving zoals vereist in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, en hij verwijst daartoe naar een uitspraak van de Hoge Raad, NJ 2000, 229.(17)

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging op het onderhavige punt voldoet aan de wettelijke eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De omschrijving in haar geheel laat er geen twijfel over bestaan welke T-shirts zijn bedoeld. Bovendien heeft de verdachte er geen blijk van gegeven niet te begrijpen wat haar hier wordt verweten."

25. Bij de beoordeling van de omschrijving van een feit in een tenlastelegging staat centraal of een verdachte zich op basis van die tenlastelegging goed kan verdedigen. Voorts moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn voor de rechter.(18) Daarom dient het feit op een zodanige wijze te zijn tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het 'feit' niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht (zoals "het zijn van een schandvlek op de Nederlandse advocatuur") en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging (HR 29 september 2009, LJN BI1171, NJ 2009, 541).

26. Zou slechts ten laste zijn gelegd dat verzoekster tezamen met [medeverdachte] T-shirts voorzien van een afbeelding, waarin een uitlating was vervat die aanzet tot haat tegen Joden etc., ter verspreiding in voorraad heeft gehad, dan zou ik op de voet van het in hoger beroep aangevoerde arrest uit 2000 van mening zijn dat dit te weinig specifiek is. Echter, de afbeelding figureert niet als enige op de T-shirts: het gaat om de combinatie van de afbeelding en de tekst "Destroy Zionism". Daarom voldoet de tenlastelegging mijns inziens aan de vereiste duidelijkheid. Voorts is aangevoerd noch gebleken dat verzoekster, doordat dit onderdeel van de gedraging niet nader is omschreven, in haar verdediging is belemmerd. De raadsman heeft ter terechtzitting op 25 januari 2008 immers alleen aangevoerd "dat de inleidende dagvaarding ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, 1e gedachtestreepje, nietig dient te worden verklaard aangezien de enkele vermelding in die tenlastelegging dat sprake is van 'een afbeelding' niet geldt als een voldoende feit vereist in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering" (waarbij gewezen wordt naar HR NJ 2000, 229. Het hof heeft het desbetreffende verweer derhalve terecht verworpen. Het middel faalt.

27. Het tweede middel faalt reeds op de eigen formulering in de toelichting dat "de afbeelding op de T-shirt beperkter kan worden uitgelegd" dan het hof heeft gedaan. Dat het hof in de afgebeelde figuur een belijdende jood heeft gezien en niet - zoals betoogd - een zionist (die dan volgens de verdediging kennelijk wel mag worden gedestroyeerd omdat hij een aanhanger van een politieke stroming is), is niet onbegrijpelijk.

28. Het derde middel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat het in voorraad hebben van verboden waar om in beperkte kring te verspreiden niet onder de reikwijdte van de strafbepaling valt.

29. Het middel van de Advocaat-Generaal bij het hof slaagt. De namens verzoekster ingediende middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de onder 2 tenlastegelegde elf T-shirts waarvan het hof heeft vrijgesproken, de strafoplegging en de beslissing tot teruggave van de in beslag genomen elf T-shirts, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het namens verzoekster ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het derde lid is per 1 april 2010 vervallen omdat de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep thans ruimer (namelijk zonder recidive-vereiste) is vervat in art. 137h Sr (vgl. Stb. 2010, 139 en Stb. 2009, 245). Wordt het feit door twee of meer verenigde personen begaan, dan geldt ingevolge het tweede lid een hoger strafmaximum, nl. een gevangenisstraf van een jaar of een geldboete van de vierde categorie.

2 Tweede Kamer, vergaderjaar 1967-1968, nr. 9724, nr. 3 (MvT); Trb. 1966, nr. 237 en Trb. 1967, nr. 48.

3 Dit volgt uit de uitspraken van de Hoge Raad over art. 137d Sr inzake de Hofstadgroep (HR 2 februari 2010, LJN BK5196 e.a.).

4 Zoals vorig jaar nog benadrukt in HR 10 maart 2009, LJN BF0655, NJ 2010, 19, m.nt. Mevis ("Stop het gezwel dat Islam heet").

5 Het betrof hier het dragen van een zwart hakenkruis op een rode armband.

6 ("Homoseksualiteit gelijk stellen aan heteroseksualiteit gelijkstellen is zo ongeveer diefstal met schenkingsrecht gelijkstellen").

7 ("Wij schaffen de multi-culturele samenleving af; Nederland voor de Nederlanders; vol is vol").

8 ("Vluchtelingen zijn beulen, dieven en moordenaars").

9 Annotatie onder HR 12 mei 1987, NJ 1988, 299 (Hitlers `Mijn Kamp'), waarin de Hoge Raad overwoog dat voor het begaan van het in art. 137e Sr omschreven feit niet nodig is dat het voorwerp waarin een in die bepaling bedoelde uitlating is vervat op provocerende of aanstootgevende wijze wordt aangeboden, of dat blijkt van enig motief van politieke of discriminatoire aard bij de dader.

10 Zie Chr. Brants, R. Kool en A. Ringnalda, Strafbare discriminatie, Pompe-reeks, Boom, 2007, p. 74.

11 Zie noot 9.

12 Cfm. NLR, aant. bij art. 137d Sr. Zie tevens J.L. van der Neut, Discriminatie en Strafrecht, deel 6 in de serie monografieën strafrecht, 1986, p. 73.

13 Zie noot 4 ("Stop het gezwel dat Islam heet").

14 Belediging van een godsdienst levert niet zonder meer een strafbare uitlating jegens een groep mensen wegens hun godsdienst ex art. 137c Sr op.

15 Zie tevens W.J. Veraart in NJB 2010, afl. 12, p. 724-730, 'Beledigen kan alleen in context, Kanttekeningen bij het 'belediging islam'-arrest van 10 maart 2009', met name p. 729.

16 Als men googelt op "Combat 18" krijgt men 85.400 hits over deze organisatie, waaronder uitleg. Zie ook het artikel "Extreem-rechtse symboliek" op www.art1.nl, een website van de landelijke vereniging ter voorkoming en bestrijding van discriminatie genaamd Art.1.

17 Uw Raad overwoog hier:

"3.3. De inleidende dagvaarding voldoet niet aan de in art. 261 Sv gestelde eis van opgave van het feit. Als zodanig kan immers niet gelden de enkele vermelding dat sprake was van seksueel getinte afbeeldingen waarvan de vertoning schadelijk was te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, zonder dat de feitelijke inhoud van die afbeeldingen nader is aangeduid."

18 Corstens, handboek, 6e, p. 558-559.