Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM8940

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
10/02067
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM8940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek machtiging voortgezet verblijf. Gevaar (art. 15 lid 2a BOPZ)? Bereidheid vrijwillige voortzetting verblijf in psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 lid 3 onder a juncto 15 lid 3 BOPZ)? (art. 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/908
JWB 2010/280
BJ 2010/37
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/02067

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 15 juni 2010

Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

Officier van Justitie te Utrecht

In deze Bopz-zaak wordt met motiveringsklachten opgekomen tegen de vaststelling dat de nodige bereidheid ontbreekt en tegen het oordeel dat sprake is van gevaar.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) verblijft sinds april 2009 in een psychiatrisch ziekenhuis, aanvankelijk krachtens een inbewaringstelling en later met een rechterlijke machtiging.

1.2. Op 19 januari 2010 heeft de officier van justitie in het arrondissement Utrecht aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen. Bij het verzoek waren onder meer gevoegd een verklaring van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, en een afschrift van het behandelingsplan met de stand van uitvoering daarvan.

1.3. Het behandelingsplan en de stand van uitvoering daarvan vermelden dat betrokkene destijds in bewaring is gesteld nadat ernstige zelfverwaarlozing en vervuiling van haar woning waren geconstateerd, gepaard aan een sociaal isolement. Betrokkene zou na het overlijden van haar moeder, met wie zij tot dan toe samenwoonde, niet in staat zijn gebleken voor zichzelf te zorgen. Uit deze stukken blijkt dat betrokkene niet langer over eigen huisvesting beschikt nadat in december 2009 bij vonnis de ontruiming van haar woning was bevolen. De geneeskundige verklaring en het behandelingsplan noemen als diagnose: schizotypische persoonlijkheidsstoornis(1).

1.4. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 22 februari 2010. Verschenen zijn betrokkene, haar raadsvrouwe en een arts-assistent. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend tot uiterlijk 22 augustus 2010, dus korter dan de wettelijke maximumduur.

1.5. Naar het oordeel van de rechtbank zal de stoornis van de geestvermogens van betrokkene ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zijn en haar gevaar doen veroorzaken, te weten het gevaar van maatschappelijke teloorgang(2). Dit gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis worden afgewend. De beschikking vervolgt:

"Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat betrokkene weigert mee te werken aan iedere vorm van behandeling of het stellen van een diagnose. Er wordt toegewerkt naar het realiseren van eigen zelfstandige huisvesting, maar ook ambulante hulp voor betrokkene is op voorhand moeilijk te realiseren. Betrokkene zal op termijn, naar verwachting maximaal zes maanden, over eigen woonruimte beschikken. Gezien het feit dat zij haar huis heeft verloren en daarom geen woonplek meer tot haar beschikking heeft, is zij min of meer gedwongen om, tot dat voornoemde huisvesting is gerealiseerd, in de instelling te verblijven. Om de instelling en betrokkene de gelegenheid te geven tot een acceptabele oplossing te komen voor wat betreft ambulante hulp wanneer betrokkene zelfstandig gaat wonen en om de instelling, gedurende het verblijf van betrokkene aldaar, de ruimte te geven eventueel in te grijpen wanneer dat nodig wordt geacht, zal de rechtbank de machtiging verlenen voor de duur van een half jaar."

Ten slotte overwoog de rechtbank dat zij uit hetgeen betrokkene heeft verklaard niet de overtuiging heeft gekregen dat bij betrokkene sprake is van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.6. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de nodige bereidheid (art. 2, lid 3 onder a, in verbinding met art. 15 lid 3 Wet Bopz). Onderdeel II heeft betrekking op het vereiste gevaar (art. 15, lid 2 onder a, in verbinding met art. 1 Wet Bopz). Om systematische redenen bespreek ik eerst het tweede onderdeel.

2.2. Onderdeel II klaagt dat onbegrijpelijk is waarom de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de stoornis van de geestvermogens van betrokkene haar een gevaar doet veroorzaken dat voldoende ernstig is om een voortzetting van de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen. Ter toelichting op deze klacht is gesteld dat in het behandelingsplan (blz. 7) enerzijds is genoteerd dat betrokkene niet psychotisch, depressief of suïcidaal is terwijl anderzijds, elders in het behandelingsplan, is genoteerd dat de behandelaar wil starten met een anti-psychoticum. Verder wordt aangevoerd dat het oordeel dat maatschappelijke teloorgang dreigt, door de rechtbank kennelijk is gebaseerd op de situatie waarin betrokkene verkeerde vóór haar eerste opname in een psychiatrisch ziekenhuis, maar dat onduidelijk is op welke grond(en) de rechtbank van oordeel is dat die situatie zich zal herhalen.

2.3. De vaststelling dat ten aanzien van betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, is niet bestreden en dient in cassatie dus tot uitgangspunt. Bij de beoordeling van het te duchten gevaar moet worden gelet op de grootte van de kans dat het gevreesde onheil zich zal voordoen en anderzijds op de gevolgen voor betrokkene indien het gevreesde onheil zich verwezenlijkt.

2.4. Wat de rechtbank in dit geval bedoelt met `maatschappelijke teloorgang' is wel duidelijk: het gevaar dat betrokkene opnieuw terecht komt in een situatie als die waarin zij vóór haar inbewaringstelling verkeerde, omdat zij als gevolg van de stoornis van haar geestvermogens niet voor zichzelf kan zorgen en hulp van anderen afhoudt (gebrekkige hygiëne, sociaal isolement, opnieuw een huisuitzetting etc.). De kans dat zulk onheil zich voordoet is door de rechtbank groot genoeg geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat dit is gebaseerd op de vaststelling dat betrokkene weigert mee te werken aan iedere vorm van behandeling. Ook blijkens de andere door de rechtbank genoemde stukken wijst zij hulp af. De rechtbank heeft haar beslissing niet specifiek gegrond op een weigering door betrokkene van bepaalde (anti-psychotische) medicatie: volgens de rechtbank wijst betrokkene iedere behandeling af. Om die reden behoefde de rechtbank ook niet nader in te gaan op hetgeen in het behandelingsplan over de medicatie is gezegd. Dat de rechtbank de gevolgen van een dergelijke vorm van maatschappelijke teloorgang voor betrokkene voldoende ernstig acht om een voortzetting van de vrijheidsbenemende maatregel te rechtvaardigen, heeft de rechtbank met redenen omkleed en wel in de overweging die in alinea 1.5 hiervoor is aangehaald. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de actuele stand van zaken: betrokkene kan als gevolg van de stoornis (nog steeds) niet voor zichzelf zorgen en (nog steeds) niet voldoende door anderen worden geholpen, omdat zij iedere vorm van behandeling afwijst. Die beslissing behoefde m.i. geen nadere uitleg om voor de lezer begrijpelijk te zijn. De slotsom is dat de motiveringsklacht faalt.

2.5. Onderdeel I bestrijdt de vaststelling dat bij betrokkene geen sprake is van de nodige bereidheid tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. De eerste klacht (cassatierekest blz. 3 bovenaan) noemt dit oordeel onbegrijpelijk en wijst erop:

- dat betrokkene sinds augustus 2009 op een open afdeling verblijft;

- dat uit de stukken niet blijkt dat betrokkene ooit is weggelopen en evenmin dat zij uit het ziekenhuis wil vertrekken voordat zij over een nieuwe woning beschikt;

- dat de wachttijd voor toewijzing van een nieuwe woning ongeveer zes maanden is;

- dat betrokkene uitdrukkelijk heeft verklaard in het ziekenhuis te zullen blijven tot zij een huis heeft.

2.6. De rechtbank heeft uit de verklaringen van betrokkene niet de overtuiging gekregen dat bij betrokkene sprake is van de nodige bereidheid. Dit oordeel berust op een vaststelling en waardering van de feiten en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet, ook niet in het licht van de in het middel genoemde feiten en stellingen: de rechtbank heeft niet beslist dat betrokkene niet bereid zou zijn tot voortzetting van het feitelijk verblijf in het ziekenhuis, maar spreekt over het ontbreken van de nodige bereidheid.

2.7. Met betrekking tot een persoon die op grond van een lopende machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, kan (ingevolge art. 2 lid 3 onder a in verbinding met art. 15 lid 3 Wet Bopz) een machtiging tot voortgezet verblijf slechts worden verleend indien de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot vrijwillige voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis. Met het woord "nodige" wordt tot uitdrukking gebracht dat niet iedere uiting van bereidheid tot (voortgezet) verblijf aan de verlening van een machtiging in de weg behoeft te staan: aan de rechter is een beoordelingsmarge toegekend. Volgens de rechtspraak(3) kan het ontbreken van de nodige bereidheid ook worden aangenomen indien de betrokkene weliswaar bereid is feitelijk in het ziekenhuis te verblijven (de zgn. `hotelfunctie' van het ziekenhuis), maar niet bereid is medewerking te verlenen aan de behandeling en (nadere) diagnose die noodzakelijk is om gevaar voor hemzelf of voor anderen af te wenden. De rechtbank heeft dit op het oog gehad.

2.8. De tweede klacht (cassatierekest blz. 3 onderaan) houdt hiermee verband: indien de rechtbank de nodige bereidheid niet aanwezig heeft geacht op grond van de vaststelling dat betrokkene weigert mee te werken aan iedere vorm van behandeling en aan het stellen van een (nadere) diagnose, schiet de motivering volgens de klacht tekort. De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend om de instelling "de ruimte te geven eventueel in te grijpen wanneer dat nodig wordt geacht". Volgens het middelonderdeel blijkt uit de gedingstukken niet dat zich tot dusver een situatie heeft voorgedaan waarin de inrichting die ruimte nodig had (zoals bijv. een situatie als bedoeld in art. 39 Wet Bopz). Waarom het ziekenhuis die ruimte nodig zou hebben, wordt volgens het middelonderdeel uit de beschikking niet duidelijk. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat betrokkene sinds augustus 2009 op een open afdeling is geplaatst en dat uit een notitie van een verpleegster in de medische aantekeningen blijkt dat betrokkene wel wil meewerken zonder een rechterlijke machtiging.

2.9. Uit de stukken waarnaar de rechtbank verwijst - de geneeskundige verklaring, het behandelingsplan en de stand van uitvoering daarvan en de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz - komt naar voren dat, nadat betrokkene na een ontruimingsvonnis uit haar woning was gezet, vanuit het ziekenhuis een procedure in gang is gezet om een (andere) woning aan haar te laten toewijzen en haar te begeleiden naar zelfstandig wonen. Betrokkene, die volgens de stukken ziekte-inzicht mist, gaf echter aan niet te willen meewerken aan ambulante hulpverlening na ontslag en met name geen huisbezoeken van een casemanager te zullen accepteren (welke eis door de woningbouwvereniging wordt gesteld om haar überhaupt een woning toe te wijzen). Met een voorstel van de behandelaar voor een voorwaardelijke machtiging heeft betrokkene niet ingestemd(4). Namens betrokkene is ter zitting aangevoerd dat zij een tweede kans wil krijgen om aan te tonen dat zij voor zichzelf kan zorgen. Zij wil niet meewerken aan een behandeling of aan diagnostiek, maar als het moet, is betrokkene bereid ambulante hulp te accepteren "zolang deze hulp bij haar past"(5).

2.10. Mijns inziens is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank een zó geclausuleerd aanbod niet heeft opgevat als de `nodige' bereidheid tot het aanvaarden van de noodzakelijk geachte hulpverlening. Evenmin is onbegrijpelijk waarom de rechtbank niet van belang heeft geacht dat betrokkene niet op een gesloten afdeling verblijft. Voor zover in dit middelonderdeel is bedoeld dat betrokkene uit het ziekenhuis kan worden ontslagen en zich zonder psychiatrische behandeling of met hulpverlening die vrijwillig door haar wordt aanvaard in een nieuwe woning kan redden, levert dat niet een argument op tegen het oordeel omtrent de afwezigheid van de nodige bereidheid, maar hoogstens tegen het oordeel omtrent het te duchten gevaar en/of tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Voor zover in dit middelonderdeel is bedoeld dat betrokkene als vrijwillig opgenomen patiënt zonder behandeling in het ziekenhuis kan blijven totdat haar een nieuwe woning is toegewezen, gaat de klacht eraan voorbij dat dit standpunt tot een impasse leidt. De medische behandeling is gericht op een uitstroom en begeleiding naar zelfstandig wonen, welke niet in gang kan worden gezet zolang betrokkene iedere behandeling en (nadere) diagnose afwijst. Aan de motivering kunnen in het algemeen hogere eisen worden gesteld naar mate het verweer in de procedure bij de rechtbank preciezer is. In een casus als de onderhavige zijn verscheidene gezichtspunten denkbaar waarover in eerste aanleg gestreden zou kunnen worden. Gelet op de argumenten die in dit geval in eerste aanleg naar voren zijn gebracht - waartoe niet behoort de in het middelonderdeel bedoelde notitie van de verpleging, nog daargelaten of daaraan een groter gewicht toekomt dan aan de geneeskundige verklaring -, kan m.i. niet worden gezegd dat de beslissing op het punt van de nodige bereidheid onbegrijpelijk is omdat een essentiële stelling onbesproken is gelaten of verkeerd door de rechtbank is opgevat dan wel omdat de redengeving van de rechtbank blijkt geeft van een redeneerfout of ander motiveringsgebrek. De slotsom is dat ook middelonderdeel I niet tot cassatie leidt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a.- g.

1 Zie voor een uitleg van deze term: W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling, Houten: Boon Stafleu Van Loghum 2004, blz. 209-211.

2 Het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat; art. 1 lid 1 onder f Wet Bopz.

3 HR 8 februari 2008 (LJN: BB5549 resp. BC3885), NJ 2008, 384 en 385 m.nt. J. Legemaate; BJ 2008, 18 en 20 m.nt. T.P. Widdershoven. Zie voorts: HR 2 november 2001 (LJN: AD4030), BJ 2002, 1, m.nt. T.P. Widdershoven; HR 6 februari 1998 (LJN-Index: AB9332), NJ 1998, 302; HR 7 april 1995, (LJN-Index: ZC1703), NJ 1995, 616 m.nt. JdB; Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, aant. 5.2 - 5.6 op art. 5 (W. Dijkers); R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz, 2008, nr. 35 e.v.

4 Zie het behandelingsplan (blz. 2), de stand van uitvoering daarvan (blz. 2) en de geneeskundige verklaring (rubrieken 4.a en 6).

5 Blz. 1 van de bestreden beschikking en blz. 2 van het proces-verbaal.