Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM6804

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09/01461
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM6804
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: artikel 81RO.

Conclusie AG over de mogelijkheden in een zedenzaak waarbij het (opnieuw) horen van jeugdige slachtoffers op bezwaren stuit. Compensatie. Contra-expertise. Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (Stcrt. 2005, 17, p. 12).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01461

Mr. Vegter

Zitting: 1 juni 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 20 februari 2009 verdachte wegens 1. en 4. "met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd", 3., 6. en 9. "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd", en 5. en 8. "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen volledig toegewezen en aan verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft verworpen.

4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer onder het hoofd "ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" als volgt samengevat en verworpen:

"Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman het navolgende aangevoerd. Tijdens het opsporingsonderzoek is gehandeld in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, zoals deze op 15 februari 2005 in werking is getreden. De raadsman heeft diverse punten naar voren gebracht waarbij naar zijn mening sprake zou zijn van strijd met de genoemde Aanwijzing, zoals het gebrek aan toetsing van de verklaringen, het niet voeren van informatieve gesprekken, het in diverse gevallen niet horen van de minderjarige betrokkenen door een verhoorkoppel van twee deskundige zedenrechercheurs en het in enkele gevallen niet opnemen van verhoren op een geluidsdrager. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat dit een ernstig en onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat hierdoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de rechten van verdachte inbreuk is gemaakt op zijn, verdachtes, recht op een eerlijk proces, hetgeen slechts de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tot gevolg dient te hebben.

Van de zijde van de advocaat-generaal is aangevoerd dat de vorengenoemde Aanwijzing weliswaar niet op alle punten naadloos is gevolgd, maar dat dit niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het op onderdelen niet geheel naleven van de Aanwijzing valt deels te verklaren uit de onduidelijkheid die dienaangaande in de praktijk bestond. Van de inhoud van de brief van het College van PG's van 7 november 2006 die een verduidelijking op onderdelen inhield, droeg de verhorend verbalisant [verbalisant 1] bij de aanvang van het onderzoek en het merendeel van de verhoren geen kennis en hij kon daar ook geen kennis van dragen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Met de advocaat-generaal en de raadsman constateert het hof dat de bovengenoemde Aanwijzing niet steeds op alle punten is nageleefd, zoals het niet opnemen van alle verhoren op een geluidsdrager en het in diverse gevallen niet verhoren door een verhoorkoppel.

Dit leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemd rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking.

De Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik in het algemeen en in afhankelijkheidsrelaties en regels voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten. De Aanwijzing is, gelet op haar aard en inhoud, een instructienorm voor met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten en het algemeen belang van de waarheidsvinding. De door de raadsman naar voren gebrachte tekortkomingen in het opsporingsonderzoek zijn niet van dien aard dat daardoor ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging."

5. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat het Hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te beperkt heeft opgevat, nu het Hof niet heeft beslist op alle naar voren gebrachte gronden en argumenten.

6. De klacht neemt als uitgangspunt dat het Hof bij de beoordeling van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie enkel een tweetal aangevoerde schendingen van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (Stcrt. 2005, 17, p. 12), te weten het niet opnemen van alle verhoren op een geluidsdrager en het in diverse gevallen niet verhoren door een verhoorkoppel, in zijn overwegingen heeft betrokken. Dat uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de uitspraak en de overwegingen van het Hof en mist daardoor feitelijke grondslag.

7. Het Hof heeft in de hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen immers geoordeeld dat de door de raadsman van de verdachte naar voren gebrachte tekortkomingen in het opsporingsonderzoek niet van dien aard zijn dat daardoor ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het Hof heeft daartoe - onder verwijzing naar de standpunten van de Advocaat-Generaal bij het Hof en de raadsman van de verdachte - overwogen dat de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik weliswaar niet op alle punten is nageleefd, waarbij het Hof als voorbeeld heeft genoemd het niet opnemen van alle verhoren op een geluidsdrager en het in diverse gevallen niet verhoren door een verhoorkoppel, maar dat deze Aanwijzing slechts een instructienorm is voor met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten en het algemeen belang van waarheidsvinding. Voorts heeft het Hof overwogen dat ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

8. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat het Hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te beperkt heeft opgevat, nu het Hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat het beroep uitsluitend zou zijn gebaseerd op de geconstateerde afwijkingen van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik.

9. Anders dan steller van het middel aanvoert, heeft het Hof niet volstaan met alleen de tekortkomingen bij de naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik in overweging te nemen. Het Hof heeft - zoals gezegd - immers overwogen dat ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daarmee heeft het Hof in algemene termen gereageerd op andere gronden die zijn aangevoerd voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

10. In de klacht worden de andere gronden waarop het Hof volgens de steller van het middel niet en volgens mij wel in algemene zin heeft gereageerd op een rijtje gezet. Het betreft vier gronden. De eerste grond (onder a) betreft de gebreken bij de naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, waardoor sprake zou zijn van een onzorgvuldig en onbetrouwbaar onderzoek. Hierin zie ik geen nieuwe grond. De overwegingen van het Hof hebben nu juist betrekking op de niet-naleving van bedoelde Aanwijzing, terwijl het Hof daaraan in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie de conclusie heeft verbonden dat het Openbaar Ministerie niet niet-ontvankelijk is. Ik zie niet in dat er voor het Hof reden zou zijn om zich vervolgens in dit kader nader uit te laten over de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het onderzoek. Die onderwerpen zijn van betekenis bij de vraag of de onderzoeksresultaten bruikbaar zijn voor het bewijs.

11. In de tweede grond (onder b) wordt gesteld dat het onderzoek op grond van de geconstateerde gebreken en de bevindingen van de deskundigen Candel en Bullens dusdanig onzorgvuldig is uitgevoerd dat het niet meer mogelijk is om tot een betrouwbare feitelijke grondslag voor een einduitspraak te komen. In de derde grond (onder c) wordt het "Zwolsmancriterium" geciteerd en in de vierde grond (onder d) wordt gesteld dat de ernstige vormverzuimen onherstelbaar zijn en een dusdanig ernstige inbreuk vormen op fundamentele beginselen van het Nederlandse strafproces dat het daarmee in de kern wordt geraakt. Voor wat betreft deze gronden volsta ik met de opmerking dat hier geen nieuwe feitelijke grondslag voor het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt gepresenteerd, doch slechts algemene conclusies worden gepresenteerd, terwijl het Hof gemotiveerd een andere conclusie heeft getrokken. Ik meen dat het Hof hieraan geen afzonderlijke aandacht behoefde te besteden.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof niet, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft beslist op het verzoek tot het doen verrichten van een contra-expertise.

14. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2007 verzocht de aangevers [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1994), [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1993) en [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1992) als getuigen te horen, welk verzoek eerder bij appelschriftuur was gedaan.

(ii) Het Hof heeft dit verzoek op die terechtzitting in voorwaardelijke vorm toegewezen, in die zin dat een deskundige dient te beoordelen of bij een verhoor van de getuigen al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat hun gezondheid en/of welzijn door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht en zo ja in welke mate, waarbij hij dient aan te geven welke wijze en plaats van verhoor voor de getuigen als minst bezwaarlijk kunnen worden beschouwd.

(iii) De deskundige dr. T.A.W. van der Schoot heeft in zijn rapportage van 17 januari 2008 aangegeven dat hij het in het geval van [slachtoffer 3] waarschijnlijk acht dat het afleggen van de beoogde verklaringen diens gezondheid in aanzienlijke mate zal schaden en dat hij het in het geval van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zeer waarschijnlijk acht dat het afleggen van de beoogde verklaringen hun gezondheid in ernstige mate zal schaden.

(iv) De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2008 aangevoerd dat het verzoek tot het horen van voornoemde getuigen niet op basis van het rapport van Van der Schoot kan worden afgewezen en dat volgens hem opnieuw een onderzoek moet worden verricht door een forensisch psycholoog (de heer Gunnewijk van het N.I.F.P.).

(v) Het Hof heeft naar aanleiding hiervan op die terechtzitting overwogen dat op dit moment nog geen aanleiding wordt gezien een andere deskundige te benoemen maar dat het de deskundige Van der Schoot als getuige-deskundige wenst te horen.

(vi) De deskundige Van der Schoot is op de terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2008 als deskundige gehoord, waarbij hij onder meer heeft verklaard dat hij nogmaals adviseert niet over te gaan tot het horen van de kinderen, omdat hij niet in staat voor de ernstige gevolgen die het voor de kinderen zal hebben.

(vii) De raadsman van de verdachte heeft op die terechtzitting gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. De raadsman heeft aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik van mening dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de betrouwbaarheid van hun verklaringen te toetsen. Ik meen dat niet gezegd kan worden dat er een té grote kans bestaat dat deze jongens schade van een verhoor zullen ondervinden.

De door het hof op 31 oktober 2007 geformuleerde vraag op welke wijze een verhoor als minst bezwaarlijk kan worden beschouwd is mijns inziens nog niet beantwoord. Bovendien heeft het onderzoek, waartoe het hof op die terechtzitting heeft besloten niet door een forensisch psychiater/psycholoog plaatsgevonden. Ik meen dat er alsnog een contra-expertise dient plaats te vinden door een forensisch psychiater/psycholoog."

(viii) Het Hof heeft in reactie hierop op die terechtzitting het volgende overwogen:

"Het hof wijst het verzoek tot het horen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] af. Het hof is van oordeel dat het verhoor aanzienlijke schade aan hun gezondheid en/of welzijn zal toebrengen. Het hof heeft bij dit oordeel doorslaggevende waarde toegekend aan de bevindingen en conclusies van de deskundige Van der Schoot. Het hof ziet geen aanleiding om aan die bevindingen en conclusies te twijfelen en acht tegen die achtergrond een contra-expertise niet noodzakelijk.

Het hof biedt de verdediging compensatie door de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Roermond, teneinde een deskundige te benoemen en aan deze deskundige de opdracht te verstrekken om, aan de hand van alle verhoren (zowel in schriftelijke vorm als de daaraan ten grondslag liggende audio-opnamen), een deskundig oordeel te geven omtrent de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen. Het hof bepaalt daarbij dat het de te benoemen deskundige vrij staat om de verklaringen over en weer en in onderling verband te toetsen en in het deskundig oordeel te betrekken."

(ix) De deskundige dr. I.E.L. Candel heeft in haar rapportage van 8 september 2008 gerapporteerd over de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaringen, welke rapportage zij op 9 december 2008 heeft aangevuld, waarna zij op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2009 als getuige-deskundige is gehoord.(1) Voorts heeft de deskundige prof. dr. R.A.R. Bullens in zijn rapportage van 7 januari 2009 gerapporteerd over de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaringen, waarna hij op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2009 als getuige-deskundige is gehoord.(2)

15. Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat het Hof in het geheel niet zou hebben beslist op het verzoek van de raadsman van de verdachte, mist het middel feitelijke grondslag. Uit de hiervoor onder 14 sub viii weergegeven overwegingen van het Hof volgt immers dat het Hof wel degelijk met redenen omkleed heeft beslist op het in het middel bedoelde verzoek.

16. Het - hiervoor onder 14 sub vii weergegeven - door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2008 gedane verzoek houdt in dat het Hof een deskundige dient te benoemen voor het verrichten van een contra-expertise ten aanzien van de vraag of bij een verhoor van de jeugdige aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] als getuigen al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat hun gezondheid en/of welzijn door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht en zo ja in welke mate, waarbij die deskundige dient aan te geven welke wijze en plaats van verhoor voor deze getuigen als minst bezwaarlijk kunnen worden beschouwd. Het bedoelde verzoek tot het doen verrichten van een contra-expertise is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.(3)

17. In de hiervoor onder 14 sub viii weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat het Hof het verzoek tot het doen verrichten van een contra-expertise heeft afgewezen, omdat het een contra-expertise niet noodzakelijk heeft geacht. Aldus heeft het Hof - anders dan de steller van het middel aanvoert - de juiste maatstaf toegepast.

18. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een contra-expertise gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde onderzoek in het licht van de resultaten van reeds verrichte onderzoeken, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.(4)

19. In de hiervoor onder 14 sub viii weergegeven afwijzing door het Hof van het verzoek tot het doen verrichten van een contra-expertise ligt als zijn oordeel besloten dat gelet op de omstandigheden van deze zaak de eis van een eerlijke procesvoering niet meebrengt dat aan het verzoek gevolg behoort te worden gegeven. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het geen aanleiding heeft gezien om aan de bevindingen en conclusies van de deskundige dr. T.A.W. van der Schoot (kort gezegd inhoudende dat het opnieuw horen van de aangevers als getuigen schadelijk zou zijn voor hun gezondheid) te twijfelen. Dat oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 18 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de deskundige Van der Schoot op de terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2008 is gehoord, waarbij de verdediging in de gelegenheid is gesteld hem vragen te stellen. Voorts heeft het Hof de verdediging "compensatie geboden" door twee andere deskundigen (dr. I.E.L. Candal en prof. dr. R.A.R. Bullens) onderzoek te laten verrichten naar de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaringen en deze deskundigen vervolgens op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2009 te horen. In het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het Hof niet gehouden tot een nadere motivering.

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof niet, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft beslist op het verweer dat de bekennende verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar dienen te worden geacht en niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, en op het verweer dat de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar dienen te worden geacht en niet voor het bewijs mogen worden gebezigd.

22. Het Hof heeft de in het middel bedoelde verweren onder het hoofd "overwegingen omtrent het bewijs" als volgt samengevat en verworpen:

"Door de verdediging is op de in de pleitnota aangevoerde gronden betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdediging heeft hiertoe - kort samengevat - aangevoerd dat:

a. de bekennende verklaringen van verdachte niet betrouwbaar zijn en derhalve niet tot het bewijs mogen worden gebezigd en

b. de verklaringen van de minderjarige betrokkenen niet betrouwbaar zijn.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

A. De bekennende verklaringen van verdachte

Na aanvankelijk te hebben ontkend zich aan de tenlastegelegde feiten schuldig te hebben gemaakt, heeft verdachte op 20 oktober 2006 en op 24 oktober 2006 ten overslaan van verbalisant [verbalisant 1] bekend dat hij [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] seksueel heeft misbruikt. Nadien is verdachte op zijn bekennende verklaringen teruggekomen.

Anders dan de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd, acht het hof de door verdachte afgelegde bekennende verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Hiertoe overweegt het hof als volgt:

a. Verdachte heeft zelf het initiatief genomen tot het afleggen van zijn - bekennende - verklaring. Hij heeft op 20 oktober 2006 arrestantenverzorger [betrokkene 1] verzocht verbalisant [verbalisant 1] te kunnen spreken. Verdachte is vervolgens in contact gebracht met verbalisant [verbalisant 1].

b. Verdachte heeft ten overstaan van [verbalisant 1] verklaard dat hij, verdachte, alleen [verbalisant 1] wilde spreken omdat hij in hem vertrouwen had. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de waarheid wil vertellen omdat hij spijt had van hetgeen was gebeurd en dat hij met zijn bekentenis naar de jongens toe wilde aangeven dat hij fout is geweest.

c. Vervolgens is verdachte voorgeleid aan de rechter-commissaris. In het bijzijn van zijn raadsman heeft verdachte bij de rechter-commissaris, mw. mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester, verklaard dat hij best een bekentenis wil afleggen, maar dat hij over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden makkelijker praat tegen een man. Verdachte gaf daarbij aan dat hij vertrouwen heeft in verbalisant [verbalisant 1] en dat hij tegenover [verbalisant 1] gaat verklaren over hetgeen op seksueel gebied met [slachtoffer 1 en 2] is voorgevallen.

d. Uit de brief van justitieel forensisch psychiater H.L.C. Morre blijkt dat hij verdachte op 20 oktober 2006 in psychiatrisch consult heeft gezien, zulks onder meer ter beoordeling van de psychische conditie van verdachte. Verdachte heeft tegenover hem verklaard dat hij tot inkeer is gekomen en dat hij openheid van zaken wil geven, maar dit slechts ten overstaan van [verbalisant 1]. Uit het psychiatrisch onderzoek komt voorts naar voren dat het bewustzijn van verdachte helder en normaal van omvang was, de concentratie ongestoord, dat er geen defecten bestonden in geheugen en oriëntatie en dat het denken coherent van vorm was en normaal van tempo. Morre concludeerde dat hij in zijn onderzoek geen verschijnselen waarnam die hem deden denken aan een psychiatrische ziekte of stoornis.

e. Verdachte heeft vervolgens bij een tweetal verhoren op 24 oktober 2006 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

f. Verdachte heeft een vrij gedetailleerde bekentenis afgelegd. Zo beschrijft verdachte in zijn verklaring over het seksueel contact met [slachtoffer 3] nauwkeurig hoe een en ander plaatsvond. Over het seksueel contact met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verklaart verdachte onder meer dat met hen hetzelfde is gebeurd als met [slachtoffer 3], waarna verdachte ook de met hen verrichte seksuele handelingen heeft beschreven.

g. Hoewel tijdens het verhoor van 15 november 20068 weliswaar een kentering plaatsvond in de houding van verdachte, heeft hij op die datum zijn eerder afgelegde bekentenis niet ingetrokken, doch onder meer gezegd dat hij niet weet wat hem bezield heeft om die dingen te doen.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte herhaalde malen heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van jongens, dat hij zijn bekennende verklaring heeft afgelegd ten overstaan van een persoon in wie hij op dat moment vertrouwen had en dat bij hem, toen hij de beslissing had genomen om openheid van zaken te geven, het bewustzijn helder en normaal was en dat geen verschijnselen zijn waargenomen die deden denken aan een psychiatrische ziekte of stoornis.

Om bovengenoemde redenen, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof - anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal - van oordeel dat geen sprake is van verklaringen die door de samenloop of de druk van de omstandigheden tot stand zijn gekomen en deswege onbetrouwbaar zijn. Het hof acht de door verdachte afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, betrouwbaar. Het hof zal deze verklaringen dan ook - zoals na te melden onder het kopje 'bewijsmiddelen' - tot het bewijs bezigen.

B. De verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

De verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vinden op diverse onderdelen bevestiging in de bekennende verklaringen van verdachte. De verdediging heeft echter aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, aangezien door de wijze van verhoren door de verhorend verbalisant (met name door het stellen van gesloten, suggestieve vragen) de betrouwbaarheid van die verklaringen niet meer kan worden getoetst.

Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Weliswaar komen de deskundigen prof. dr. R. Bullens en dr. I. Candel, die beiden een onderzoek hebben gedaan naar de door [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen teneinde daarvan de betrouwbaarheid te beoordelen, tot de conclusie dat op de wijze van verhoren het nodige aan te merken valt. Dit staat er naar het oordeel van het hof echter niet aan in de weg de verklaringen van de drie jongens, waar deze verklaringen steun vinden in de door verdachte zelf afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik, betrouwbaar te achten, te meer nu ook de verklaringen van de jongens elkaar op onderdelen bevestigen.

Het hof neemt daarbij nog het navolgende in aanmerking:

a. Ten aanzien van de verklaring van [slachtoffer 3] heeft deskundige Bullens op pagina 22 van zijn rapport verklaard: "Hij gaat gedurende het interview niet in op de suggestieve vragen van de interviewers. Hij is dan ook suggestieresistent te noemen. Voorts heeft hij nergens de neiging om zijn verhaal 'erger' (i.e. heldhaftiger of 'groter') te maken. Zelfs als hij, door de vragen van de kant van de interviewer, daarvoor de gelegenheid zou hebben om zijn verklaring (fors) aan te dikken, doet hij dat nadrukkelijk niet. Voorts maakt de verklaring van [slachtoffer 3] geen 'ingeblikte' indruk". Op pagina 33 verklaart deskundige Bullens: "De verklaring van [slachtoffer 3] kent een logische structuur en hij lijkt zijn verhaal op elk moment te kunnen oppakken." Op

pagina 66 van zijn rapport merkt deskundige Bullens op: "Samenvattend kan worden gesteld dat er een redelijk groot aantal criteria wordt teruggevonden in de CBCA die een bijdrage leveren aan de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaring die [slachtoffer 3] heeft afgelegd."

b. Ten aanzien van de verklaring van [slachtoffer 2] heeft deskundige Bullens op pagina 32 van zijn rapport verklaard: "De verklaringen van [slachtoffer 2] maken geen 'ingeblikte' indruk: hij geeft geen blijk van een tamelijk vastomlijnde ordening in zijn verhaal. Hij kan over losse (vermeende) seksuele handelingen vertellen, zonder dat deze in een specifieke context moeten worden verteld. Ook kan [slachtoffer 2] af en toe letterlijke conversatie noemen." Op pagina 65 verklaart deskundige Bullens: "Samenvattend kan worden gesteld dat er een aantal criteria in de CBCA wordt teruggevonden die een bijdrage leveren aan de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen die [slachtoffer 2] heeft afgelegd."

Bij weging van de argumenten pro en contra die volgens de deskundige Bullens in gedragswetenschappelijk opzicht geacht worden betrekking te hebben op de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], acht het hof die verklaringen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de omstandigheid dat die verklaringen steun vinden in de bekennende verklaringen van verdachte en op onderdelen ook elkaar ondersteunen, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof zal deze verklaringen dan ook - zoals na te melden onder het kopje 'bewijsmiddelen' - tot het bewijs bezigen.

Voor wat betreft de verklaring van [slachtoffer 1] heeft de deskundige Bullens gerapporteerd dat over de (on-)betrouwbaarheid van [slachtoffer 1]s verklaring niets kan worden gezegd. Nu evenwel ook de verklaringen van [slachtoffer 1] op diverse onderdelen bevestiging vinden in de bekennende verklaringen van verdachte, alsmede in de verklaring van [slachtoffer 2], zal het hof deze verklaringen - zoals na te melden onder het kopje 'bewijsmiddelen' - tot het bewijs bezigen.

Dat de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet op alle punten is nageleefd, levert, mede gelet op het voorgaande, geen grond op de verklaringen van de jongens uit te sluiten van het bewijs."(5)

23. Het Hof heeft de verklaringen van de verdachte, [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door middel van de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:

- een op 20 oktober 2006 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte (noten(6) 20 en 28);

- een op 24 oktober 2006 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte (noten 22, 25, 30, 34, 37, 40, 42 en 46);

- een op 19 oktober 2006 bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] (noten 23, 32 en 39);

- een op 12 december 2006 bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] (noten 33 en 45);

- een op 30 oktober 2006 bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] (noten 24 en 26);

- een op 7 november 2006 bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] (noten 31, 43, 44 en 47).

24. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(7)

25. Art. 359, tweede lid, Sv, zoals die bepaling luidt sedert 1 januari 2005, heeft daarin geen wijziging gebracht. Ook thans is de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal aan de feitenrechter voorbehouden. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien de verdediging ter zake van de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.(8)

26. Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat het Hof in het geheel niet zou hebben beslist op de betrouwbaarheidsverweren van de raadsman van de verdachte, mist het middel feitelijke grondslag. Uit de hiervoor onder 22 weergegeven overwegingen van het Hof volgt immers dat het Hof wel degelijk met redenen omkleed heeft beslist op de in het middel bedoelde verweren.

27. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte dat de bekennende verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar zijn en niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

28. In de hiervoor onder 22 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat het de door de verdachte afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar acht. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen. Verdachte heeft herhaalde malen erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van jongens. Voorts heeft hij zijn bekennende verklaringen afgelegd ten overstaan van een persoon in wie hij op dat moment vertrouwen had. Op het moment dat verdachte de beslissing had genomen om openheid van zaken te geven, was zijn bewustzijn helder en normaal en zijn bij hem geen verschijnselen waargenomen die deden denken aan een psychiatrische ziekte of stoornis. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is derhalve geen sprake van verklaringen die door de samenloop of de druk van de omstandigheden tot stand zijn gekomen en daarom onbetrouwbaar zijn.

29. Gelet op hetgeen hiervoor onder 24 en 25 is vooropgesteld omtrent de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht, is het oordeel van het Hof dat het de door de verdachte afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar acht niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van middel aanvoert, was het Hof niet gehouden expliciet in te gaan op het in de toelichting geciteerde gedeelte van de door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2009 overgelegde pleitaantekeningen.(9) De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv gaat immers niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(10)

30. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman van de verdachte dat de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar zijn en niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

31. In de hiervoor onder 22 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat het de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar acht. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen. De verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vinden op diverse onderdelen bevestiging in de bekennende verklaringen van de verdachte. Op diverse onderdelen bevestigen hun verklaringen elkaar. De omstandigheid dat de deskundigen Bullens en Candel tot de conclusie zijn gekomen dat op de wijze van verhoren het nodige aan te merken valt, staat er niet aan in de weg de verklaringen, waar deze steun vinden in de door de verdachte zelf afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik, betrouwbaar te achten. Voorts is het Hof uitgebreid ingegaan op hetgeen de deskundige Bullens in zijn rapportage van 7 januari 2009 heeft opgemerkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Tenslotte heeft het Hof overwogen dat de omstandigheid van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet op alle punten is nageleefd, geen grond oplevert de verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

32. Gelet op hetgeen hiervoor onder 24 en 25 is vooropgesteld omtrent de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter en in aanmerking genomen hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht, is het oordeel van het Hof dat het de door [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen betrouwbaar acht niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is het Hof - zoals hiervoor onder 31 is uiteengezet - niet ongemotiveerd voorbij gegaan aan de "zeer verstrekkende conclusies welke beide deskundigen hebben getrokken".

33. Het middel faalt.

34. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De deskundige Candel heeft geconcludeerd dat zich in het dossier elementen bevinden die mogelijk een ondermijnend effect hebben gehad op de validiteit van de verklaringen van de getuigen.

2 De deskundige Bullens heeft geconcludeerd dat er belangrijke aanwijzingen c.q. argumenten pro en contra zijn, die in gedragswetenschappelijk opzicht geacht worden betrekking te hebben op de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], maar dat de weging van deze argumenten vanzelfsprekend een juridische aangelegenheid is, die buiten het bestek valt van wat toelaatbaar wordt geacht binnen de gedragswetenschappen.

3 Vgl. HR 1 februari 2005, LJN AP8469, NJ 2006, 422, rov. 4.3.2.

4 Vgl. HR 8 september 2009, LJN BI5746, NJ 2009, 424, HR 8 september 2009, LJN BI4080, NJ 2009, 423, rov. 3.3, HR 19 juni 2007, LJN BA2104, NJ 2008, 169, m.nt. YB, rov. 7.3 en HR 8 februari 2005, LJN AR7228, NJ 2005, 514, m.nt. PMe.

5 De vindplaatsen van de bewijsmiddelen waarop deze overweging steunt zijn in dit citaat niet opgenomen.

6 Het betreft een zogenaamd Promisarrest.

7 Vgl. HR 1 april 2003, LJN AF3121, NJ 2003, 553, rov. 3.3. en HR 27 juni 2000, LJN ZD1915, NJ 2000, 580.

8 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. YB, rov. 3.8.1.

9 Dit gedeelte van de pleitaantekeningen (nummer 8 t/m 15) houdt onder het hoofd "verklaringen cliënt" - kort gezegd - in dat de verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar zijn, omdat hij slechts in algemene termen heeft bevestigd wat hij eerder heeft gehoord in de verhoren, hij uitgeput was en zijn dieren wilde verzorgen, hij verschillende emoties heeft ervaren, hij zwakbegaafd is, hij ertoe neigt zich aan te passen aan de wensen van anderen en te voldoen aan de eisen vanuit de omgeving, hij in eerste instantie gemotiveerd heeft ontkend, hij zijn bekennende verklaringen later heeft ingetrokken en uitdrukkelijk blijft ontkennen, en er geen concrete, gedetailleerde doch uitsluitend algemeen bevestigende verklaringen door hem zijn afgelegd.

10 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. YB, rov. 3.8.4 onder d.